maandag 29 juni 2009

4e Zondag na Trinitatis

Fra Angelico (1387 – 1455): de Bergrede
fresco Museo di San Marco, Florence



Lucas 6 : 36 – 42 Oordeelt niet

De perikooptekst voor deze zondag stamt uit het 6e hoofdstuk van het evangelie volgens Lucas en voor een beter begrip zou men deze woorden binnen de context van het hele hoofdstuk moeten zien. In de begindagen van zijn optreden, na een nacht te hebben gebeden op een berg, daalt Jezus af naar de vlakte en kiest uit de groep leerlingen de twaalf apostelen en geeft hen onderricht. Daarna begint Hij ook een groot aantal andere volgelingen te onderrichten. Er is daarbij ook nog sprake van een menigte mensen uit Judea, Jeruzalem en de kuststreek van Tyrus en Sidon. We kunnen voor ons zien dat er om Jezus drie -als het ware- concentrische kringen van leerlingen ontstaan: de twaalf apostelen, daaromheen een grotere groep volgelingen en dan de menigte van het volk. In het 6e hoofdstuk volgen dan vier zaligsprekingen (‘Zalig zijn de armen’, ‘Zalig, gij die nu hongert’, ‘Zalig, gij die nu weent’ en ‘Zalig, gij die gehaat wordt’) en daarna vier bedreigingen, waarbij er vier keer ‘Wee’ wordt geroepen. Deze woorden vormen de Bergrede uit het Lucas-evangelie, die werd gesproken aan het begin van de drie jaren na de Doop in de Jordaan, en die kan worden vergeleken met de meer uitgebreide Bergrede uit de hoofdstukken
5 t/m 7 van het Mattheüs-evangelie.

Dan volgt het onderricht van Jezus aan hen die Zijn volgelingen willen zijn. Hij spreekt: ‘Tot jullie die naar mij luisteren zeg ik…’ (Lucas 6:27), waarop aanwijzingen volgen voor de nieuwe leerlingen. Het ‘Oordeelt niet’ en het ‘spreekt vrij’ waarvan we in de perikoop van deze zondag lezen zijn slechts twee van die aanwijzingen. Vlak voor deze richtlijnen spreekt Jezus de veel geciteerde zin: ‘Als iemand je op de wang slaat, bied hem dan ook de andere wang aan.’ (Lucas 15:29).

Daarna begint Jezus, zoals vaker, weer in gelijkenissen te spreken. Er volgen er een aantal, maar ze zijn niet allemaal opgenomen in deze perikoop. In deze perikoop lezen we slechts de gelijkenissen over de twee blinden, over de leerling en de leermeester en over de splinter en de balk in het oog. We komen de zinnen tegen: Kan de ene blinde de andere blinde leiden? Vallen ze dan niet beiden in een kuil?’ en ‘Een leerling staat niet boven zijn leermeester…’.
Christus zal erop willen wijzen dat de apostelen, willen zij in staat zijn de mensheid voor te gaan en aan hen het heil van het evangelie te brengen, zij de aanwijzingen van Jezus zelf in praktijk moeten brengen. Door zichzelf met de christusimpuls te doordringen kunnen ze de taak op zich nemen.‘…pas als iemand zich alles heeft eigen gemaakt, zal hij de gelijke zijn van zijn leermeester.' De bekende uitspraak over de balk in het eigen oog mag misschien worden gezien als oproep van Christus om een weg van innerlijke scholing te gaan. De apostelen moeten er naar gaan streven dat hun daden zullen kunnen zijn als goede vruchten aan een goede boom:

‘Een goede boom brengt geen slechte vruchten voort, en evenmin brengt een slechte boom goede vruchten voort. Elke boom kun je aan zijn vruchten kennen, want van distels pluk je geen vijgen en van doornstruiken geen druiven. Een goed mens brengt uit de goede schatkamer van zijn hart het goede voort, maar een slecht mens brengt uit zijn slechte schatkamer het kwade voort; want waar het hart vol van is daar loopt de mond van over.’ (6:43-45)

De woorden lijken richtlijnen van Jezus te zijn voor het onderhouden van het zielenleven, aanwijzingen voor het hart. Wie het Woord in zich opneemt en ernaar handelt is als een mens die zijn huis op stevige rotsbodem bouwt. Het geeft de verankering van het IK in de wereld van het fysieke, zodat de resultaten van de aardeontwikkeling kunnen worden meegenomen naar haar volgende planetaire fase. Dat is de opgave van de mensheid en dat waarin de Christus de mensheid is voorgegaan.

‘Ik zal jullie vertellen op wie degene lijkt die bij me komt, naar mijn woorden luistert en ernaar handelt: hij lijkt op iemand die bij het bouwen van zijn huis een diep gat groef en het fundament op rotsgrond legde. Toen er een overstroming kwam, beukte het water tegen het huis, maar het stortte niet in omdat het degelijk gebouwd was. Wie wel naar mijn woorden luistert maar niet doet wat ik zeg, lijkt op iemand die een huis bouwde zonder fundament, zodat het meteen instortte toen het water ertegen beukte en er alleen een bouwval overbleef.’ (Lucas 6:47-49)

maandag 22 juni 2009

3e Zondag na Trinitatis

Houtsnede van rond 1600: ovis et drachma perdita Lucas XV -
Het verloren schaap en het verloren muntstuk



Lucas 15 : 1 – 10 Het verloren schaap

Bij een eerdere perikoop -voor de 1e zondag na Trinitatis- refereerden we al aan het begin van het 15e hoofdstuk van het Lucas-evangelie, de eerste zinnen van de perikoop voor deze 3e zondag na Trinitatis. We lezen dat de Farizeeërs zich eraan ergeren dat Jezus zich ophoudt met tolgaarders en boosdoeners (zondaars staat er in andere vertalingen). Jezus gaat op hun opmerkingen in met drie gelijkenissen: ‘het verloren schaap’, ‘het verloren muntstuk’ en ‘de verloren zoon’. Deze drie gelijkenissen mogen wellicht in elkaars verlengde worden gezien. Samen vormen zij de volledige tekst van dit 15e evangeliehoofdstuk.
Door de inhoud wordt er natuurlijk geduid op de zondaars en tolgaarders, die in de ogen van de Farizeeërs geen goede mensen zijn, die God niet op de juiste manier dienen, zich niet aan de wet en de Joodse voorschriften houden. Zij lijken eigenlijk verloren te zijn. Maar wanneer hun zielen worden terug gewonnen voor God dan is er grote vreugde.
Siegward Knijpenga wijst in zijn boekje op de drie verschillende vormen van vreugde die in de drie gelijkenissen worden genoemd:

Lucas 15:7 'Ik zeg u: zo zal er in de hemel meer vreugde zijn over één zondaar die tot inkeer komt….'

15:10 'Zo, zeg ik u, heerst er ook vreugde onder de engelen van God over één zondaar die tot inkeer komt.'

En in de derde gelijkenis van de verloren zoon (niet in deze perikoop) heerst en grote vreugde bij de vader. De vreugde ‘verdicht’ zich van hemel, via engelen tot de Vadergod.

Dan is er nog een ander gegeven waarop men kan letten: de getallen. De herder verliest een van zijn honderd schapen (het aantal staat in de tekst erbij). De vrouw raakt een van haar tien munten kwijt. De vader heeft twee zoons, waarvan er een vertrekt. Het is alsof er ook op deze manier in de drie gelijkenissen naar een climax wordt toegewerkt: een van honderd, een van tien en een van slechts twee.

In een eerdere notitie werd Emil Bock ook al aangehaald, die aantoont dat de gelijkenissen in het evangelie volgens Lucas qua thema steeds ademend heen en weer pendelen tussen het thema ‘liefde’ en het thema ‘gebed’, ofwel tussen het in de wereld handelen en het zoeken van de stilte van het meditatieve moment. De gelijkenis van het verloren schaap gaat over de daden van de herder en zijn van liefde vervulde mentaliteit. De gelijkenis van de verloren penning gaat juist niet over het handelen in de buitenwereld uit de liefde maar over het gebed, ofwel het verzorgen van het innerlijk leven. Wanneer deze twee gelijkenissen hetzelfde thema zouden hebben dan zou de liefde voor het veloren geldstuk een merkwaardige gelijkenis vormen, waarmee de begeerte naar bezit van geld zou kunnen worden goedgekeurd. Dat misverstand heeft overigens in de christelijke geschiedenis voor wantoestanden gezorgd doordat mensen de evangelietekst inderdaad als excuus voor commerciële en egoïstische doelen gebruikten. Het geldstuk waarnaar gezocht wordt representeert echter de innerlijke kern in de mens. In dat licht is het niet vreemd dat de vrouw naar dat geldstuk blijft zoeken. Wanneer je in de wereld wil werken en uit liefde goede daden wilt verrichten, moet je tegelijkertijd het innerlijk leven verzorgen. Anders verlies je de krachten om het liefdewerk vol te houden.

Bronnen:
Siegward Knijpenga: Wie is mijn naaste?
Emil Bock: Van de Jordaan tot Golgotha, hoofdstuk 5 – Christus de leraar

Sint Jan - 24 juni

Johannes de Doper - Titiaan ca. 1542 (Galleria dell’Academia, Venetië)

Marcus 1 : 1 – 11

Johannes de Doper was de laatste profeet van het Joodse volk voordat de Messias kwam. Volgens het evangelie van Lucas was hij een neef van Jezus. Johannes' vader Zacharias was priester in de tempel in Jeruzalem. Zijn moeder was een Aäronsdochter en stamde dus ook uit het priesterlijke geslacht.
Zacharias en Elisabeth zijn beide al op leeftijd maar zij hebben geen kinderen kunnen krijgen. In die tijd werd onvruchtbaarheid opgevat als een straf van God voor zonde, begaan in dit leven of in een vorig leven. Ook bij de Joden leefde nog het bewustzijn van meerdere aardelevens. Elisabeth schaamde zich daarvoor, terwijl zij en Zacharias beide als twee rechtschapen en vrome mensen leefden.
De engel Gabriel verschijnt aan Zacharias wanneer hij op Yom Kippoer in de tempel het wierookoffer brengt. Zacharias gelooft niet wat deze engel hem verkondigt en antwoordt ongelovig dat hij en zijn vrouw toch te oud zijn. Zes maanden later verschijnt de engel Gabriel ook aan Maria en ook zij antwoordt ongelovig en zegt dat zij te jong is en geen man heeft.
Maria gaat naar Elisabeth en helpt haar bij de bevalling. Zij is er waarschijnlijk ook bij wanneer Zacharias bevestigt dat de naam van het kind Johannes moet zijn. Het kind groeit op en wordt een kluizenaar in de woestijn, een profeet. Hij eet sprinkhanen en wilde honing en kleedt zich in een kameelharen mantel.
Jezus en Johannes kennen elkaar als neefjes en zo zie je ze vaak samen spelend op schilderijen afgebeeld.

Johannes heeft veel volgelingen, die naar hem toekomen om zich te laten dopen in de rivier de Jordaan. Door die doop, die een bijna-doodervaring door verdrinking is, schouwen de dopelingen terug op hun leven dat zij tot dan toe geleid hebben. Zij kunnen daardoor tot inkeer komen.
Jesaja profeteerde al dat Johannes zou komen:
Zie, Ik zend mijn bode voor U uit,
om uw weg te banen
een stem roept in de woestijn:
Bereid de weg van de Heer,
maak zijn paden recht


Voor het woord 'Heer' gebruikt het Grieks κνριοσ. Kyrios betekent ‘Heer’ (denk aan ‘Kyrie Eleison’ = Heer ontferm u), maar het betekent ook ‘de Soevereine’. Met dat woord wordt eigenlijk ‘het Ik’ van de mens aangeduid, datgene in de mens dat hetm soeverein -zelfstandig- maakt. Dan staat er dus: Bereid de weg van ‘het-Ik’
Johannes wijst niet alleen op de komst van de allerhoogste, het Ik-Ben - Christus, maar hij speelt zelfs een sleutelrol wanneer dit hoogste wezen zich verbindt met het lichaam van Jezus, zijn neef. Jezus wil zich laten dopen, Johannes weigert dat eerst (Mattheüs 3:14). Jezus ziet de Geest als een duif op zich neerdalen.

Na een vraag vertelt Jezus wie Johannes is. In Johannes is wederbelichaamd het wezen van Elia.'En voor wie het wil aannemen: hij is Elia die komen zou.'(Mattheüs 11:14)

Rudolf Steiner geeft als resultaat van zijn occulte onderzoekingen het inzicht dat Johannes niet alleen de wedergeboren Elia is maar ook Adam, die als de eerste mens na Lemurische tijd stamvader van alle op aarde levende mensen is. In Johannes is de ziel van de Oude Adam gereïncarneerd, de ziel van hem die door de zondeval is gegaan en de gevolgen van de verleiding van Lucifer heeft moeten dragen.
De Jezus uit het Lucas evangelie is drager van dat gedeelte van de ziel en geestwezen van Adam, dat niet door de zondeval is meegesleurd de aardediepte in. Wanneer Elisabeth de stem verneemt van Maria, die haar komt opzoeken, springt in haar schoot de vrucht op, die zich tot op dat moment amper had bewogen. Het is de vreugde in de ziel van de Oude Adam – Elia, die de vrucht doet opspringen in de schoot van Elisabeth. De Lucas-Maria draagt namelijk het andere –geestelijke- deel van zijn wezen. (Lucas 1:39–56) Wat door de zondeval gescheiden was, ontmoet elkaar weer bij deze begroeting.

Enkele apostelen waren eerst volgelingen van Johannes de Doper. Johannes wijst enkele van zijn leerlingen op Jezus, waarna zij Hem volgen. Toen dan Johannes gevangen genomen was en onthoofd, waren zijn volgelingen zonder herder. Jezus ontfermt zich over deze groep en met de kracht van Johannes kan Hij ze spijzigen. (Mattheüs 14:1-21)

maandag 15 juni 2009

2e Zondag na Trinitatis

De Grote Maaltijd

Lukas 14 : 16 – 24 Gelijkenis van de grote maaltijd

Deze 2e zondag na Trinitatis opnieuw een gelijkenis uit het Lukas-evangelie.
Het is altijd weer verhelderend de losse perikoopteksten even in het grotere geheel van het evangelie te bekijken. Het 14e hoofdstuk van het Lukas-evangelie speelt zich af in het huis van een Farizeeër, die Jezus heeft uitgenodigd voor de broodmaaltijd op de Sabbat:

‘Toen Hij op sabbat naar het huis van een vooraanstaande Farizeeër ging, waar hij voor een maaltijd was uitgenodigd, hielden ze hem in het oog.’

Vlak voor de maaltijd geneest Jezus een man die aan waterzucht lijdt. De aanwezige Farizeeërs mokken. Dan vertelt Jezus de andere aanwezigen de gelijkenis over de zitplaats bij de maaltijd. Dat gedeelte lezen we in de perikoop voor de 17e zondag na Trinitatis en zullen we t.z.t. bespreken. Dan richt Hij zich persoonlijk tot degene die Hem had uitgenodigd en zegt:

‘Wanneer u een maaltijd aanbiedt of een feestmaal geeft, vraag dan niet uw
vrienden, uw broers, uw verwanten of uw rijke buren, in de verwachting dat zij u op hun beurt zullen uitnodigen om iets terug te doen. Wanneer u mensen ontvangt, nodig dan armen, kreupelen, verlamden en blinden uit.’


Een van de gasten, die aan de maaltijd aanligt, geeft een verbale voorzet zodat Jezus de gelijkenis van de Grote Maaltijd kan vertellen. Daarop volgt de tekst van de perikoop van deze zondag. We zien zo de mooie opbouw van het evangeliehoofdstuk, waarbij hetzelfde thema steeds in een andere vorm terugkeert. Het thema lijkt te zijn dat de mens moet leren de deemoed in zijn ziel te ontwikkelen. Deemoed is de tegenhanger van de begeerte, het hangen aan de rijkdom opgedaan in de zintuiglijke wereld.

De gelijkenis:
Iemand wilde een groot feestmaal geven en nodigde tal van gasten uit. Hij stuurde zijn dienaar naar de genodigden om tegen hen te zeggen: “Kom, want alles is klaar.” Driemaal wordt er verteld dat iemand zich verontschuldigde en de uitnodiging niet aannam. De eerste had een akker gekocht, de tweede had enkele ossen gekocht, de derde was pas getrouwd. Dan laat de heer zijn dienaar ‘armen en kreupelen en blinden en verlamden’ uitnodigen. Wanneer we op aantallen letten kan dit drietal en viertal ons misschien wijzen in de richting van de wezensdelen van de mens, driegeleed en/of viergeleed. Tenslotte kan zelfs iedereen uitgenodigd worden, behalve zij die eerst uitgenodigd waren: ‘Ik zeg jullie: niemand van degenen die eerst uitgenodigd waren, zal van mijn feestmaal proeven.’
De vraag komt op wie bedoeld worden met ‘degenen die eerst uitgenodigd waren’. Zijn het degenen die oorspronkelijk -via Abraham- de belofte hadden ontvangen een volk te worden talrijker dan de sterren aan het firmament, dan de zandkorrels op het strand? De gelijkenis werd niet voor niets uitgesproken in het huis van een Farizeeër. Nu nemen de niet uitverkorenen deel aan de maaltijd. De armen en kreupelen en blinden en verlamden en iedereen van buiten de stad, langs wegen en akkers wordt met klem uitgenodigd, want Zijn huis moet vol zijn. Misschien dat dit laatste duidt op het feit dat de Christuszon voor iedere mens op aarde schijnt, uit alle volkeren van de wereld.

maandag 8 juni 2009

1e Zondag na Trinitatis

Anthony van Dyck (1599–1641) Christus en de Farizeeërs
(Pentekening met bruine inkt en wash)
Metropolitan Museum of Art - New York



Lukas 16 : 19 – 31 De rijke man en de arme Lazarus

In de perikoop van deze zondag vertelt Jezus een gelijkenis. Het is er een uit een reeks, welke begint in het 15e hoofdstuk van het Lukas-evangelie. De gelijkenissen zijn leermomenten, het onderricht dat Christus geeft aan de mensen die Hem volgen, zoals we kunnen opmaken uit het begin van het 15e hoofdstuk:

15:1 'Alle tollenaars en zondaars kwamen hem opzoeken om naar hem te luisteren.
2 Maar zowel de farizeeën als de schriftgeleerden zeiden morrend tegen elkaar: "Die man ontvangt zondaars en eet met hen."’


Jezus dient de morrende Farizeeërs van repliek en vertelt daarop een hele serie gelijkenissen: het verloren schaap en de verloren drachme, de verloren zoon, de onrechtvaardige rentmeester. In deze gelijkenissen vormen rijkdom en gerechtigheid het thema. Tegen de Farizeeërs zegt Hij bijvoorbeeld nog: 'Gij kunt niet God dienen èn de Mammon.'
Na dit alles volgt de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus, die we op deze zondag lezen.
Gelijkenissen in de evangeliën zijn meestal gericht tot het volk, soms zijn ze meer bedoeld voor de discipelen als leerinhoud, soms richt Jezus zich tot de Farizeeërs. Zo begint het 16e hoofdstuk met de zin: ‘Hij richtte zich ook tot zijn leerlingen’, waarop de gelijkenis van de onrechtvaardige rentmeester volgt. Onmiddellijk reageren de Farizeeërs op de gelijkenis met gehoon. Er volgt een dispuut en dan vertelt Jezus deze gelijkenis. Het is duidelijk dat Hij over de hoofden van de aanwezige tollenaars en zondaars de Farizeeërs laat weten dat Hij hun gedachten kent en dat Hij vindt dat hun strenge opvattingen omtrent het naleven van de Joodse wetten en gebruiken gepaard moeten gaan met waarachtigheid. Na deze gelijkenis richt Jezus zich in het 17e hoofdstuk weer tot de leerlingen.

De gelijkenis:
De rijke man kleedt zich in purper. Purper is de kleur van de ingewijde en/of de koning. Jezus kreeg ook een purperen mantel om toen Hij gegeseld werd op last van Pilatus (en reken maar, dat Pilatus wist wat hij deed). Purper is rood-paars. Tussen rood-paars en blauw-paars liggen de vijf kleuren, die het zevental van de regenboog aanvullen. Het zijn de vijf kleuren van het nachtspectrum, die ontstaan doordat de aarde weer transparant wordt voor het licht. Magenta is een van die vijf, de kleur het dichts bij de kleur die Rudolf Steiner aanduidde met ‘perzikbloesem’, de kleur van het reine astraallichaam, het zondevrije bloed. Heinz Zimmerman sprak tijdens een voordracht: ‘De Christusliefde is purperrood. MAGENTA is niet grenzeloos maar in een wisselwerking tussen binnen en buiten, een fijn weven tussen waarnemen en denken, tussen Ik en de wereld’.

Eigenlijk spreekt de gelijkenis verder voor zich.
'Abraham zei: “Ze hebben Mozes en de profeten: laten ze naar hen luisteren!”
De rijke man zei: “Nee, vader Abraham, maar als iemand van de doden naar hen toe komt, zullen ze tot inkeer komen.” Maar Abraham zei: “Als ze niet naar Mozes en de profeten luisteren, zullen ze zich ook niet laten overtuigen als er iemand uit de dood opstaat.”’
NBV

Abraham zijn we tegengekomen in de perikoop van Judica. Voor het bewustzijn van het Joodse volk speelt Abraham een belangrijke rol omdat met hem de geschiedenis van dit volk een aanvang neemt. Hij is de aartsvader van dit volk en door het bewustzijn van Abraham af te stammen, werd de identiteit van het Joodse volk sterk beleefd. We zouden kunnen spreken dat Abraham een volks-Ik of een groeps-Ik representeert, wat overigens in de tijden voor het Mysterie van Golgotha een normale zaak was. De Joden ervoeren hun afstamming van Abraham en de erfelijkheidslijn door de generaties heen, de bloedverwantschap, als zeer belangrijk. Aan het einde van hun leven ervoeren zij de dood als een varen in Abrahams schoot. Het bijzondere van Abraham is dat hij in een omgeving waar veelgodendom normaal is, de bodem legt voor een monotheïstische godsdienst.
Met de naam van Lazarus*) is het mysterie van de inwijding van Johannes de evangelist verbonden. (Joh. 11) En volgens legenden is Lazarus dezelfde als de rijke jongeling die Jezus wilde volgen maar dat vooreerst niet kon, omdat hij zo rijk was. (Matt.19:16-22 en Markus 10:17-22)
Christus zelf is degene, die uit de dood zal opstaan en waarnaar niet zal worden geluisterd en dus de vijf broers van de rijke man in de gelijkenis niet zal kunnen overtuigen hun leven te beteren. Zijn die broers van deze in purper geklede rijke man de Farizeeërs, die de wet van Mozes hebben en toch niet tot inzicht komen dat Jezus de Messias is?

Emil Bock**) werkt de invalshoek naar de opwekking van Lazarus uit. Hij schrijft ook dat de arme Lazarus dezelfde is als de Lazarus die uit de dood wordt opgewekt. Hier, in deze gelijkenis, laat vader Abraham Lazarus niet uit de dood terugkeren en naar de verwanten van de rijke man gaan. Christus zal bij de opwekking Lazarus wel naar het rijk der levenden terug laten keren.
Emil Bock deelt in zijn hoofdstuk ‘Christus, de leraar’ zeer interessante inzichten over de gelijkenissen in de verschillende evangeliën. Ook legt hij verbanden naar de zeven IK-Ben-woorden uit het Johannes-evangelie.
De vele gelijkenissen, die Christus aan zijn discipelen, aan het volk en zelfs aan zijn tegenstanders voorlegt, pendelen volgens Bock in het Lukas-evangelie (Lukas geeft 21 gelijkenissen) qua thematiek steeds heen en weer tussen liefde en gebed. Zonder gebed en meditatie (de weg naar binnen) kan de mens niet in de wereld werkzaam zijn en in zijn daden de liefde verspreiden (de weg naar buiten). Het is een pendelslag tussen de ‘Martha’ en de ‘Maria’ in de mens. Deze gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus staat binnen de rij van gelijkenissen in het licht van de liefde.
Het evangelie volgens Lukas staat in het licht van de liefde-impuls van Boeddha. Juist dit evangelie brengt sterk de kracht van het medelijden en de levende kracht van de liefde. Door de daden van Christus op Golgotha werd medelijden en de levende kracht van de liefde werkelijk verwezenlijkt.


Bronnen:
*) Siegwart Knijpenga: Wie is mijn naaste? Leidraad door het evangelie volgens Lukas
**) Emil Bock: Tussen Jordaan en Golgotha

maandag 1 juni 2009

Trinitatis

Trinitatis (ook wel Hoogfeest van de Heilige Drie-eenheid of Drievuldigheidszondag genoemd) is de kerkelijke naam voor de zondag na Pinksteren.

Albrecht Durer: Aanbidding van de heilige Triniteit - Landauer Altar.
Kunsthistorisches Museum, Wenen



Johannes 3 : 1 – 15 Het gesprek met Nikodemus

Op de Trinitatiszondag lezen we de passage uit het Johannes-evangelie over het gesprek met Nikodemus.
Na de bruiloft in Kana, waar Christus in intieme kring Zijn eerste teken deed, ging Hij voor de eerste maal na de Doop in de Jordaan naar Jeruzalem om het Paasfeest te vieren. Daar trof Hij de wanorde in de tempel aan. De scène van de Tempelreiniging speelt zich bij de andere drie evangelisten pas af in de lijdensweek, drie jaar later. Emil Bock vertelt dat de machtige werking van het Christuswezen zo sterk moet zijn geweest, dat de reiniging in de tempel als vanzelf plaats had. Zijn zonnewezen was tot in de omgeving voelbaar. Hoewel dat wel zo in de verbeelding van de mensen leeft, beschrijft Bock Jezus niet als een razende met een zweep om zich heen zwaaiende man, maar als iemand “die binnenkomt” en alleen al daardoor gezag uitstraalt en herkend wordt. Nikodemus moet daarvan getuige zijn geweest -van hoe een wezen met zoveel verbazingwekkende kracht in de tempel kan optreden- want Nikodemus behoorde tot de Farizeeërs.

‘Er was iemand uit de Orde van de Farizeeërs, zijn naam was Nikodemus. Hij was een geestelijk leider van de Joden.’

Het wordt door de evangelietekst meteen duidelijk gemaakt dat Jezus een gesprek heeft met niet de eerste de beste. Nikodemus is een Farizeeër en een geestelijk leider. De ordenaam ‘Farizeeërs’ stamt van het Hebreeuwse péroushim (פרושים) dat ‘afgescheiden’ betekent. Het was een groepering van Joodse geestelijken, die veel esoterische kennis bezat en er strenge leefregels op nahield. De Farizeeërs waren strikt trouw aan de Joodse wetgeving van Mozes en aan traditionele mondelinge overleveringen. De strikte navolging van de Wet zou volgens de Farizeeërs de mens dichter bij God brengen. De Sadduceeën, een andere geestelijke orde, waren veel meer beïnvloed door de Hellenistische cultuur en denkgewoonten. Farizeeërs waren daarentegen streng in de Joodse leer. Van hun mysterieschool maakte bijvoorbeeld ook Saulus (Paulus) deel uit. Nikodemus had eenzelfde mysteriescholing ondergaan en had daardoor hogere waarnemingsorganen kunnen ontwikkelen. Daarop wijst de onbeduidend lijkende toevoeging ‘Deze kwam tot Jezus in de nacht’.

‘Deze kwam tot Jezus in de nacht en zeide: Meester, wij weten dat gij van God gekomen zijt als leraar. Want niemand kan deze tekenen doen die gij doet, als God niet met hem is’. (Joh.3:2)

Later in het Johannes-evangelie volgt die toevoeging ‘die des nachts tot Hem gekomen was’ steeds wanneer de naam van Nikodemus genoemd wordt en dat moet dus op iets duiden. Rudolf Steiner wijst ons erop dat met de woorden ‘in de nacht’ niet bedoeld wordt dat Nikodemus stiekem, zonder dat de andere Joodse priesters en schriftgeleerden het mochten weten, naar Jezus komt, maar dat deze ontmoeting plaats heeft in het geestgebied, in het gebied waar wij vertoeven tijdens de slaap. Nikodemus had door de mysteriescholing geestelijke organen ontwikkeld en was in staat om Jezus in dit astrale gebied waar te nemen en te ontmoeten. Er vindt een gesprek plaats tussen twee Meesters die elkaar zeker respecteren. Nikodemus zegt: ‘Meester, wij weten dat gij van God gekomen zijt als leraar.’ Jezus zegt: 'Gij zijt een leraar van Israël...’ Men zou kunnen denken dat uit het daarop volgende ‘...en begrijpt dat niet?’ minachting klinkt, maar dat blijkt niet zo te zijn. Door dit gesprek heeft Nikodemus veel leren begrijpen. Hij verdedigt Jezus drie jaren later voor de Farizeeërs (Joh. 7:50-53) en ook helpt hij Jozef van Arimathea bij de kruisafname en graflegging (Joh. 19:39).

Rudolf Steiner wijdt zijn hele 6e voordracht over het Johannes-evangelie aan dit gesprek en vertelt dat Jezus en Nikodemus spreken over de voortgang van de wereldontwikkeling, de toekomst van de mens. Jezus en Nikodemus gebruiken hierbij zogenaamde ‘technische’ termen, zoals die in de mysteriën gekend werden, bijvoorbeeld: 'Water en geestwind' zoals het door Julia van Andel in ons perikopenboek is vertaald.
In De Nieuwe Bijbel Vertaling:
‘Niemand kan het koninkrijk van God binnengaan, tenzij hij geboren wordt uit water en geest.’

Rudolf Steiner geeft aan, dat je hier letterlijk mag vertalen met: 'water en lucht'. Nu wordt de mens nog uit vlees en aarde geboren, dus uit het fysieke. Water en lucht zijn de elementen waaruit in een verre toekomst de mens weer zal geboren worden en in zal leven. Het gesprek lijkt te gaan over de tweeledige mens: de geest-ziel tegenover de lichamelijke organisatie. De Christus Jezus duidt op de toekomstige toestand waartoe de mens zich moet ontwikkelen: het bestaan in een weer geestelijke vorm. Rudolf Steiner legt uit dat de term 'mens' duidt op het fysieke en etherische lichaam, ofwel het eigenlijke aardse deel van de mens. De occulte term 'mensenzoon' duidt op het astraallichaam en het Ik, de ziel en de geest, die in de loop van de aarde-evolutie geboren zijn geworden uit het fysieke en etherische lichaam, zich daarmee hebben verbonden.

Vanaf het 14e vers spreekt de Christus-Jezus over Mozes, die in de woestijn de slang heeft verhoogd (vergelijk: Numeri 21:8-9). Meestal wordt dit gezien als een verwijzing naar de komende kruisdood en dat is gezien de daarop volgende zinnen misschien wel terecht. De term 'slang' refereert echter ook aan het vermogen tot schouwen van ingewijden, die in de goddelijk-geestelijke werelden mochten waarnemen. *) Zo droegen Egyptische farao’s een uraeusslang op hun kroon, als teken van hun vermogen in de astrale wereld te schouwen. De ingewijden waren in staat waar te nemen met hun etherlichaam. Mozes, die aan het Egyptische hof opgroeide en een ingewijde in de Egyptische mysteriën was, richtte in de woestijn een slang op. Hij wierp ook zijn staf neer voor de farao waarop de staf veranderde in een slang (Exodus 4:2-4). Waartoe in oude tijden slechts uitverkoren ingewijden in staat waren –het schouwen in de geestelijke wereld- dat zal in de toekomst door de kracht van Christus op aarde in elke mensenzoon ontwikkeld moeten worden. De term 'mensenzoon' duidt op het menselijke astraallichaam, dat leeft in het lichamelijk fysiek-etherisch omhulsel van de mens, waardoor het ook vorm terug ontvangt. Een astraallichaam waarin aarde ervaring is afgedrukt. De zin ‘En zoals Mozes in de woestijn de slang heeft opgericht, zo moet de mensenzoon hoog opgericht worden’ (Joh 3:14) mag misschien zo gelezen worden: ‘Zoals Mozes in de woestijn zijn etherlichaam als instrument voor het schouwen heeft gebruikt, zo moet in de toekomst het astraallichaam van de mens, dat de vruchten van een ontwikkeling binnen het fysieke bestaan heeft opgenomen, weer tot een schouwen van de geestwereld komen.’

Emil Bock legt nog duidelijker uit dat wanneer Christus spreekt met de term 'mensenzoon' (of ‘Zoon des Mensen’), Hij spreekt over de Geestmens (=omgevormd astraallichaam). Behalve over zichzelf spreekt Christus dan ook over de mensheid als geheel. De mens moet door de fysieke ontwikkeling gaan om tot verdere ontwikkeling te komen en dan weer als geestmens terug te keren in de geestelijke wereld. Daarnaar verwijst de zin: 'En er is niemand opgestegen naar de hemel dan die uit de hemel is neergedaald: de mensenzoon, wiens wezen in de hemel is.' Het wezen van de mens is van oorsprong geestelijk, maar om opnieuw en dan bewust toegang te krijgen in het geestelijke gebied, moet de mens eerst afdalen vanuit de hemel om in de fysieke omgeving van de aarde zijn individuele Ik te kunnen ontwikkelen.

Bronnen:
Rudolf Steiner: Het Evangelie naar Johannes (GA 103)
Emil Bock: Van Jordaan tot Golgotha - hoofdstuk 5
*)Rudolf Steiner: Die Bhagavad Gita und die Paulusbriefe (GA 142) - 4e voordracht

Mömpelgarder Altaar: Christus in gesprek met Nikodemus
Kunsthistorisches Museum, Wenen