maandag 25 januari 2010

Septuagesima (9e zondag voor Pasen)

Septuagesima (Latijn: zeventigste), de eerste zondag van de Paaskring.
Salomon Koninck (1609-1656): Arbeiders in de Wijngaard

Mattheüs 20 : 1 – 16 De arbeiders in de wijngaard.
(klik hier voor de Perikopen Notitie uit 2009)

In de les Religieuze Oriëntatie kan men de kinderen vertellen over de manier waarop in de Romeinse tijd de uren van de dag werden bepaald.
De dag indeling werd toen berekend van zonsopgang tot zonsondergang in 12 gelijke delen. Het 6e uur was het middaguur, het moment dat de zon het hoogst staat. Het elfde uur is de laatste periode voor het intreden van de duisternis, de zonsondergang (12e uur). Ook in de Joodse traditie begint de nieuwe dag niet om 12 uur ’s nachts maar bij het vallen van de nacht, bij zonsondergang. De Sabbat begint op vrijdagavond. Wij kennen het gebruik o.a. nog bij de feestdag van de Heilige Nicolaas op 6 december, die wordt ingeluid door de Sint-Nicolaasavond op 5 december, en de Kerstavond.
De uitdrukking ’ter elfder ure’ komt uit de Statenvertaling van dit Bijbelvers 'En als zij kwamen, die ter elfder ure gehuurd waren, ontvingen zij ieder een penning.' (Matt. 20:9) Tegenwoordig betekent ‘ter elfder uren’ ook zoiets als ‘op het laatste moment’.

Natuurlijk komt het gesprek met de kinderen erop of de heer van de wijngaard zijn arbeiders op een eerlijke manier beloont. Sommige kinderen zeggen van niet, anderen menen van wel: ‘Hij heeft het zo met hen afgesproken.’ Wanneer men in zo'n gesprek er op komt dat het verhaal een gelijkenis is -Christus sprak vaak in gelijkenissen- en de wijngaard wellicht de aarde en de arbeiders de mensen die op aarde leven representeren, kan het gesprek een andere wending nemen. ‘Mensen die lang leven en ook de mensen die vroeg overlijden mogen allemaal in de hemel komen, ook wanneer ze niet zo lang op aarde hebben kunnen leven. Dat is wel eerlijk.’ Het komt een enkele keer voor dat een kind opmerkt, dat de mens in meerdere levens de mogelijkheid krijgt het hemelrijk te verwerven. In de Perikopen Notitie uit 2009 is over dat gezichtspunt een kleine bijdrage te vinden. We hoeven dit soort opmerkingen bij kinderen echter niet met nadruk te cultiveren, maar ook niet te ontwijken. Er is genoeg andere gespreksstof.
Zelf zou men ook nog kunnen denken aan die zielen, die al sinds oertijden zich op aarde incarneren en op die manier veel aarde-ervaring hebben opgedaan (de zogenaamde 'oude zielen') tegenover de zielen die nog niet zoveel aarde-incarnaties hebben beleefd (de 'jonge zielen). Adam is hèt voorbeeld van een mensenziel, die door vele aarde-incarnaties is gegaan. Als Elia en Johannes de Doper bereidde hij de weg voor de Heer. De nathanische Jezus is oerbeeld van een ziel, die weinig aarde-ervaring heeft opgebouwd (in dit geval zelfs geen enkele). In de Perikopen Notitie over de ontmoeting tussen Elisabeth en Maria is meer te vinden over deze twee zielen.

Ter eigen overweging opnieuw een citaat; nu echter een, dat niet direct met de perikooptekst voor deze zondag te maken heeft, maar een die een meer algemeen gezichtspunt geeft. In zijn boek Das Christentum als mystische Tatsache (GA 5) schrijft Rudolf Steiner over het omgaan met en het begrijpen van de evangeliën, en over hoe de wijsheid uit de Oude Mysteriën eerst een aangelegenheid van enkele uitverkorenen was, maar via de Joodse Mysteriën in het christendom een aangelegenheid werd voor iedere mens.

In de evangeliën heeft men met verschillende bestanddelen te maken.
- Ten eerste met de feitelijke mededelingen, die zodanig optreden, dat het schijnt of ze er vóór alles aanspraak op maken historische feiten te zijn;
- ten tweede met gelijkenissen, die zich uitsluitend van de feitenverhalen bedienen om een diepere waarheid te symboliseren;
- en ten derde met leringen, die als inhoud van de christelijke wereldbeschouwing bedoeld moeten zijn. (…)

Men mag aannemen, dat feiten in de evangeliën over het algemeen niet historisch moeten worden opgevat – alsof ze slechts gebeurtenissen in de zintuiglijke wereld zouden zijn – maar als mystieke belevenissen. Als belevenissen, die het geestelijke schouwen als voorwaarde hebben en die in verschillende mysterietradities terug te vinden zijn. (…) Voor de mystieke verklaring komt immers het historische onderzoek helemaal niet in aanmerking. Het ene evangelie mag een paar tientallen van jaren vroeger of later zijn ontstaan; voor de mysticus zijn zij alle van gelijke historische waarde. (…)

Men moet dus de evangeliën goed lezen, dan pas zal men weten in welk opzicht zij over de stichter van het christendom willen vertellen. Zij vertellen op de wijze waarop een mysticus over een ingewijde vertelt. Maar zij beschrijven deze inwijding als een enig in zijn soort zijnde bijzonderheid van één enkeling. En zij maken het heil van de mensheid afhankelijk van het feit, dat de mensen zich bekennen tot deze bijzondere ingewijde. Wat tot de ingewijden gekomen was, dat was het “Godsrijk”. De Enige heeft dit rijk gebracht aan degenen, die zich tot hem bekeerden. Uit een persoonlijke aangelegenheid van de enkeling is een gemeente-aangelegenheid geworden van diegenen, die Jezus als hun Heer willen erkennen.

Men kan begrijpen, dat dit zo opgevat moet worden, als men ervan uitgaat, dat mysteriewijsheid in de Israëlische volksreligie ligt ingebed. Het christendom is voortgekomen uit het Jodendom. (…)

Het Jodendom verwachtte de Messias. Het is geen wonder, dat de persoonlijkheid van een enig in zijn soort zijnde ingewijde voor de Joden slechts in die zin kon worden begrepen, dat deze eenling de Messias zou moeten zijn. Ja, er valt zo bezien zelfs een bijzonder licht op het feit, dat, wat tevoren in de mysteriën alleen maar een zaak van de enkeling was, nu een aangelegenheid van het volk werd. De Joodse godsdienst was van oudsher een volksreligie. Zou de Zoon geboren worden, dan kon hij slechts een volksheiland worden. De enkele ingewijde mocht hier niet om zich zelfs wil verlost worden, deze verlossing moest het gehele volk ten deel vallen. Binnen de Joodse godsdienst is het dus gemotiveerd dat één voor allen sterft. (…)

Men ziet dat in het Jodendom de bodem aanwezig was, waarop een uitzonderlijke ingewijde zich kon ontwikkelen. Deze zou als opgave hebben tot zichzelf te zeggen: Ik wil niet dat het heil slechts voor weinige uitverkorenen blijft. Ik wil het gehele volk aan dit heil laten deelnemen. Hij moest hetgeen de uitverkorenen in de tempel der mysteriën beleefd hadden, uitdragen over de hele wereld. (…) De kloof tussen hen, die ingewijden wilden worden en het “volk” moest minder groot worden. Het christendom moest het middel zijn, waardoor iedereen de weg kon vinden.


Rudolf Steiner: De christelijke inwijding en de mysteriën van de oudheid (GA 5) hfst. De Evangeliën

maandag 18 januari 2010

3e zondag na Epifanie

De omgeving van Kapernaüm aan het Meer van Galilea


Mattheüs 8 : 1 – 13 de Hoofdman in Kapernaüm
(klik hier voor de perikopen notitie uit 2009)


Wanneer Pasen vroeg in het jaar valt komt het verhaal over de Hoofdman van Kapernaüm tweemaal voor in de perikopenlijst, en wel op deze 3e zondag na Epifanie en nogmaals op de 21e zondag na Trinitatis, maar dan in de versie uit het evangelie volgens Johannes.
In een eerdere notitie is al eens aangehaald dat Rudolf Steiner erop wijst, dat Jezus in de tijd voor de Doop in de Jordaan reeds had kennis gemaakt met de Oude Mysteriën. Hij moest smartelijk ervaren dat de mysterieoorden verlaten en leeg waren, of tot plaatsen verworden waren waar slechts demonen werden opgeroepen.

Het was een ongehoord ingrijpende smartelijke ervaring voor Jezus, dat Hij voor zichzelf moest erkennen: Eens werd begrepen wat de profeten leerden, het Hebreeuwse volk heeft het woord van God begrepen; thans echter is er niemand die het kan opnemen; men zou voor dove oren prediken. Zulke woorden zijn in deze tijd niet meer op hun plaats; er zijn geen mensen meer die oren hebben om ze te horen! Waardeloos en nutteloos is alles wat men op zo’n manier zou kunnen zeggen…
Rudolf Steiner: Aus der Akasha-Forshung. Das Fünfte Evangelium (GA 148)
voordracht: Kristiania 6 oktober 1913

We lezen in deze perikooptekst dat Jezus in de stad Kapernaüm kwam.
Terwijl Jezus van Nazareth als Christus Jezus in de laatste drie jaren van zijn leven, - vanaf zijn dertigste tot zijn drieëndertigste jaar – in Palestina op aarde wandelde, werkte voordurend het gehele kosmische Christuswezen in hem. Steeds stond Christus onder invloed van de gehele kosmos; hij deed geen stap zonder dat de kosmische krachten op hem inwerkten. De gebeurtenissen in deze drie jaren van het leven van Jezus vormden een voortdurende verwezenlijking van de horoscoop; want ieder ogenblik gebeurde dat, wat anders alleen bij een geboorte gebeurt. Dit was alleen mogelijk doordat de nathanische Jezus onder invloed gebleven was van de gezamenlijke krachten van de kosmische geestelijke hiërarchieën die de aarde leiden.
Als op die wijze de Geest uit de gehele kosmos op Christus Jezus inwerkte, wie was dan het wezen dat bijvoorbeeld naar Kapernaüm ging of waarheen dan ook? Wat daar als wezen op aarde wandelde, leek op elk ander menselijk wezen. De werkzame krachten erin waren echter de kosmische krachten, afkomstig van de zon en de sterren; zij bestuurden dit lichaam. Steeds in samenhang met de kosmische ontwikkeling, waarin de aardeontwikkeling opgenomen is, geschiedde dat, wat Christus Jezus deed.

Rudolf Steiner: Geestelijke Leiding van Mens en Mensheid (GA 15), hfdst. 3

Hetgeen Jezus doet, moeten we dus vooral niet te horizontaal proberen te interpreteren, maar laten we er opnieuw van uitgaan dat het wandelen van Christus Jezus en Zijn daden een vervulling van de Oude Mysteriën betekende; dat Hij weer heel maakte wat in verval geraakt was. We kunnen dan kijken naar enkele opvallende gebeurtenissen uit de evangeliën, die enige gelijkenis vertonen, ja zelfs als een toenemen van de kosmische werkzaamheid van Christus gelezen zouden kunnen worden.
-De Genezing van de knecht van de Hoofdman in Kapernaüm,
-De opwekking van de Jongeling in Naïn,
-De Genezing van het dochtertje van Jaïrus.
-En tenslotte kunnen we ook lezen over de opwekking van Lazarus.

Bij de Hoofdman is de genezende werking van Christus over een grote afstand, alsof Zijn krachten nog zeer perifeer werkzaam zijn. In Naïn treft Hij de rouwstoet buiten de stad, de dochter van Jaïrus ontmoet Hij binnen in het huis, en naar Lazarus komt Hij tenslotte na enkele dagen bij de grafholte.

De Mysteriewoorden: Heer, Ik ben niet waard dat u onder mijn dak komt, maar spreek slechts een woord en mijn jongen zal gezond worden, zijn in de Katholieke Kerk opgenomen in de cultus en klinken daar als:

Heer, Ik ben niet waardig dat gij tot mij komt,
maar spreek slechts een woord
en mijn ziel zal gezond worden.


De ziel van de mens zal gezond worden wanneer zij de Christuskracht in zich op wil nemen.

maandag 11 januari 2010

2e zondag na Epifanie

Jan Cornelisz Vermeyen: De Bruiloft in Kana (1530)


Johannes 2 : 1 – 11 De bruiloft in Kana
(zie ook de Perikopen Notitie uit 2009)

Mag ik het mij in deze bijdrage veroorloven met een persoonlijke herinnering te beginnen. Het moet aan het eind van de zestiger jaren van de vorige eeuw zijn geweest. De pastor van de Rooms-katholieke kerk die ik elke week met mijn ouders bezocht, sprak in zijn preek over de bruiloft in Kana. Zijn uitleg was ongeveer als volgt: De bruidegom wilde de beste wijn voor zichzelf houden en had ze opgeslagen in de waterput. Jezus doorzag het egoïsme van deze bruidegom en gaf de dienaren opdracht water te halen. Toen het zogenaamde water geproefd werd, bleek dat het betere wijn was dan de wijn, die eerst aan de gasten geserveerd was. Zo kwam het bedrog aan het licht.
Ik herinner mij dat ik toen als nog maar net ontwakende puber dacht: ‘Wat een flauwe uitleg! Dit is mij te platvloers. Ik kan mij niet voorstellen dat Christus zich met zulke kleinzieligheden bezig hield. Er moet hier iets anders aan de hand zijn geweest.’
De gerespecteerde moderne theoloog Nico Ter Linden geeft de interpretatie dat de bruiloft te Kana gezien moet worden als een beeld van het verbond tussen God en mensen; dat wijn bij uitstek de drank is waarmee dat verbond gevierd wordt. Rudolf Steiner’s mededelingen lichten voor mij meer tipjes van de grote mysteriesluier op.

In verschillende eerder gepubliceerde bijdragen hebben we hier al aangedragen, dat we het wandelen en de daden van Christus in Palestina moeten leren zien als vervulling van de mysteriën van de Oudheid. Ook hetgeen er in Kana op de bruiloft plaats heeft, mag gezien worden als een mysteriehandeling.
In de 9e en 11e voordracht van zijn cyclus over Het Evangelie naar Johannes (GA 103) spreekt Rudolf Steiner over het teken tijdens de Bruiloft in Kana.

In de vroege jaren van het werk in de Esoterische School kwam Steiner ook al te spreken over de Bruiloft in Kana en de rol die wijn speelde in de bewustzijnsontwikkeling van de mensheid:

Nu komen we bij de na-Atlantische mensheid. Naast elkaar leven dus melkdrinkers en vruchteneters; andere dingen komen nieuw daarbij. Wat in de na-Atlantische tijd voornamelijk aan de dag treedt is hetgeen vanuit het minerale verkregen wordt, dat betekent via een chemisch proces. In Genesis wordt dat aangeduid. Wat wordt er door een chemisch proces verkregen? De mens stijgt op in de ontwikkeling. Men past chemie toe op planten, op vruchten. Daardoor ontstaat de wijn. Die bestond nog niet in Atlantis. Daarom spreekt de Bijbel erover dat Noach, de oervader van de mensheid, na de zondvloed dronken werd van wijn (Genesis 9:20-23). Door een mineraal-chemisch proces wordt iets verkregen uit het plantenrijk. De wijn speelt dan een bepaalde rol in de hele na-Atlantische tijd. Alle ingewijden uit de begintijd van de na-Atlantische ontwikkeling hebben hun tradities nog overgenomen van de Atlantische mensheid, toen er nog geen wijn was: de Indische, Perzische en Egyptische ingewijden gebruikten nog geen wijn. Wat bij hun heilige handelingen een rol speelde was alleen water.
In 4e na-Atlantische cultuurperiode kwam de wijn op, waarbij de minerale behandeling van de plant moest meewerken. De eerste drie na-Atlantische cultuurperioden waren een herhaling van vroegere tijden. Pas de 4e na-Atlantische tijd ontwikkelde het nieuwe. Daarin ontwikkelde zich een bepaalde heiligheid van de wijn. Vandaar dat er cultushandelingen ontstaan waarbij wijn een rol speelt (Dionysoscultus). Er ontstaat zelfs een god van de wijn.
Stap voor stap heeft zich dat in de mensheid voorbereid. Allereerst komt een wijncultuur op bij de Perzen, maar daarbij is de wijn nog iets wereldlijks. Pas geleidelijk aan vindt ze ook ingang in het cultische, in de Dionysoscultus. De 4e na-Atlantische cultuur brengt het christendom voort. Diegene die zevenhonderd jaar daarvoor de missie van het christendom aankondigen met hun Dionysosspelen, die nemen als eersten de wijn op in hun cultus. De evangelist die het meest door het christendom is afgeweten, Johannes, heeft dit feit op een wonderbaarlijke manier weergegeven. Meteen aan het begin van zijn evangelie bespreekt hij de verandering van water in wijn, want het christendom is allereerst voor het 4e cultuurtijdperk van de na-Atlantische tijd gekomen. Men had een leer nodig, die heiligt wat er vanuit het fysieke plan moest tevoorschijn komen. Wijn snijdt de mens af van het geestelijke. Wie wijn geniet, kan niet tot het spirituele komen, kan niets weten van Atma (Geestmens), Buddhi (Levensgeest) en Manas (Geestzelf), van hetgeen blijvend is, wat zich wederbelichaamt. Dat moest zo zijn. De hele gang van de mensheidontwikkeling is een neerdalende en een opstijgende. De mens moest eenmaal tot op het diepste punt afdalen. En opdat hij helemaal tot op het fysieke plan afdaalt treedt de Dionysoscultus op. De menselijke lichamen moesten worden voorbereid voor het materialisme, daarom moest een godsdienst optreden, die het water in wijn verandert. In vroeger tijden heerste een streng verbod op wijngebruik door priesters. Die konden de Geestmens, de Levensgeest en het Geestzelf ervaren. Er moest een religie zijn, die helemaal tot op het fysieke plan voerde, anders waren de mensen niet totaal afgedaald. Deze godsdienst, die de mens omlaag leidde, moest een uiterlijke openbaring hebben, zo’n openbaring dat afgezien werd van Geestmens, Levensgeest en Geestmens, van de reïncarnatie, en die alleen zou wijzen op het algemene. De volgende stap is dat de wijn weer in water wordt veranderd.
Wanneer niet eerst het water in wijn veranderd was, dan had de mens niet alles kunnen opnemen, wat er hier onder in dit aardse dal is. Aan het begin van het Johannes-evangelie vindt men dat weergegeven, hoe Christus rekening hield met wat er al was. Hij hield echter ook rekening met de toekomst, doordat Hij van Zijn kant het Avondmaal instelde. Dit Avondmaal is het grote symbool voor hetgeen in de vierde na-Atlantische tijd is begonnen. Wanneer Hij dus de werkelijke ‘Mensenzoon’ was, die tot het diepste is afgedaald om daarna het krachtigst weer terug omhoog te voeren, dan moest hij zich houden aan hetgeen er al was en de mensen laten zien hoe de fysieke inhoud van het cultuurtijdperk met Zijn eigen missie samenhangt. Wil de mensheid weer opwaarts gaan, dan moet zij een symbool hebben dat van het dode weer in het levende voert: brood en wijn.


Rudolf Steiner: Grundelementen der Esoterik (GA 93a), 30e voordracht Berlijn, 4-11-1905

Ikoon uit het Decaniklooster (Kosovo): De Bruilioft in Kana

woensdag 6 januari 2010

1e zondag na Epifanie

Lijdensaltaar in de Sint-Jan van 's-Hertogenbosch (ca.1500): Aanbidding door de herders (Lucas-evangelie)


Lucas 2 : 41 – 52 Toen Jezus twaalf jaar oud was.
(Klik hier voor de perikopen notitie uit 2009)

Nadat we in de kersttijd eerst het geboorteverhaal van Jezus uit het evangelie volgens Lucas hebben gehoord, daarna het geboorteverhaal uit het evangelie volgens Mattheüs en tenslotte op Epifanie de verschijning van het Christuswezen bij de Doop in de Jordaan, brengt de perikooptekst voor de 1e zondag na Epifanie de twee geboorteverhalen bij elkaar. Wat er in deze perikoop klinkt, luidt het begin in van de tijd van Jezus’ jeugd, waarover de evangeliën niets berichten.

Lijdensaltaar in de Sint-Jan van 's-Hertogenbosch (ca.1500): Aanbidding door de Koningen (Mattheüs-evangelie)

Het raadselachtige dat zich met de twaalfjarige Jezus in de tempel afspeelt, wordt door Rudolf Steiner op verschillende manieren belicht. In zijn Voordrachten over het evangelie volgens Lucas (GA 114) vertelt hij over de ziel (het astraallichaam) van het Lucas-Jezuskind:

Dan wordt ons een merkwaardige gebeurtenis verteld, namelijk dat de twaalfjarige Jezus bij een bezoek dat zijn ouders aan Jeruzalem brengen, in de tempel achterblijft, dat zijn ouders hem zoeken en hem dan in de tempel terugvinden te midden van de schriftgeleerden; hoe hij blijkt in de schriftuitlegging zeer knap te zijn en zich wijs en verstandig gedraagt te midden van de schriftgeleerden. Dan wordt verteld, hoe ze het kind weer mee naar huis nemen en hoe hij daar opgroeit. – En dan horen we verder niets bijzonders over hem tot aan de doop door Johannes. (1e voordracht, 15-9-1909)

We kunnen dus zeggen, dat het Nirmanakaya van Boeddha aan de herders verscheen in de vorm van “de hemelse heerscharen”. (Nirmanakaya is het lichaam dat zo’n Boeddha-wezen tot zich neemt na het stadium der “voltooiing” en waarmee het op aarde kan werken vanuit den Hoge.) Op deze stralende wijze verscheen Boeddha in zijn Nirmanakaya en openbaarde zich zo aan hen. Hij moest echter nog verder een weg zoeken om in deze belangrijke tijd op de gebeurtenissen in Palestina in te werken. Dat gebeurde op de volgende manier.

Om dat te begrijpen, moeten we in het kort even memoreren wat we uit de antroposofische voordrachten over het wezen van de mens hebben leren kennen. Het is ons bekend, dat we in de geesteswetenschap meerdere “geboorten” onderscheiden. Bij de fysieke geboorte, zoals men die zou kunnen noemen, maakt de mens zich vrij van de fysieke moeder-omhulling; met het zevende jaar ontdoet hij zich van de ether-omhulling, waardoor hij tot de tijd van de tandenwisseling precies zo omgeven wordt als voor de geboorte door de omhulling van de moeder. Bij de puberteit, dus tegenwoordig bij het veertiende of vijftiende jaar, laat de mens datgene los, wat hem als astrale omhulling omgaf. Daardoor wordt in feite het etherlichaam van de mens pas op zijn zevende geboren als vrij lichaam en het eigen astraallichaam komt pas bij de puberteit vrij; in die tijd ontdoet men zich van de uiterlijke omhulling.

Laten we wat nauwkeuriger kijken wat er bij de puberteit wordt afgelegd. In de streken, waar het gebeuren van Palestina zich afspeelde, placht dat wat vroeger te vallen dan in de landen verder naar het westen. Onder gewone omstandigheden op het twaalfde jaar, dan werd de astrale moeder-omhulling dus losgelaten. In het gewone leven laat de mens deze omhulling los en deze vloeit terug naar de totale astrale wereld.
Bij het kind, dat afstamt uit de priesterlijn van het geslacht David ging het anders. Met het twaalfde jaar werd de astrale omhulling afgelegd maar ze loste niet op in de universele astrale wereld. Het bleef precies zoals het was, als beschuttende omhulling van de jongen met alle groei- en levenskrachten, die er tussen het zevende en twaalfde jaar waren ingevloeid, en het verbond zich met het Nirmanakaya van Boeddha, dat zich naar omlaag had gewend. Dat wat eerst aan de herders verscheen als “hemelse heerscharen”, stroomde later samen met wat zich als astrale omhulling van de twaalfjarige Jezus losmaakte, toen het bij de puberteit vrij kwam. Alle krachten, die een mens jong houden tussen de tandenwisseling en de puberteit, stroomden samen met het geestelijke lichaam van Boeddha. Het Nirmanakaya van Boeddha, dat de geboorte van het Jezuskind overstraalde, verenigde zich dan met wat zich bij de puberteit van dit kind losmaakte als jeugdige astrale moeder-omhulling. Daardoor verjongde het zich. Door dit verjongingsproces was het mogelijk, dat hetgeen Boeddha vroeger aan de wereld geschonken had, weer in het Jezuskind zo eenvoudig en begrijpelijk kon verschijnen. Dit kind had de mogelijkheid gekregen op kinderlijke manier te spreken over de verheven leer van medelijden en liefde, zoals we die vandaag in al zijn gecompliceerdheid hebben uiteengezet. Toen Jezus in de tempel werd gevonden, sprak hij op zo’n verrassende wijze tot de mensen rondom hem, doordat hij werd overstraald door het Nirmanakaya van Boeddha, dat op zijn beurt verfrist en verjongd was uit de bron van jeugd van de astrale omhulling van de jongen.
Dit is, wat de occulte onderzoeker te weten kan komen en wat de schrijver van het Lucas-evangelie op geheimzinnige wijze vervlochten heeft in de beschrijving van het merkwaardige gebeuren rond het twaalfjarige Jezuskind in de tempel, dat plotseling veranderde.
(3e voordracht, 17-9-1909)
Rudolf Steiner: Voordrachten over het evangelie volgens Lucas
(GA 114)

Albrecht Dürer: De Twaalfjarige Jezus (1506)

In de cyclus Die Bhagavad Gita und die Paulusbriefe (GA 142) vertelt Rudolf Steiner meer over de ziel van dit Lucas-Jezuskind en spreekt daarna verder over het Ik van het andere kind:

Het is tamelijk moeilijk om hierover tot een juiste voorstelling te komen. Maar we moeten nu eenmaal proberen ons voor te stellen, hoe zogezegd de ziel, die in Adam geïncarneerd was, dus in Adam, zoals hij is beschreven in mijn Wetenschap van de Geheimen der Ziel (GA 13), hoe deze ziel bezweek aan Lucifers verleiding, die symbolisch in de Bijbel als de Zondeval wordt beschreven. Dat moet men zich voorstellen. Dan moeten we ons verder voor de geest stellen, dat naast deze menselijke zielennatuur, die zich in het lichaam van Adam had geïncarneerd, er een gedeelte van de mens -een mensenwezen- achter blijft en niet incarneert in een fysiek lichaam, maar “zuiver ziel” blijft. U hoeft zich alleen voor te stellen, dat men, voordat er in de mensheidsontwikkeling een fysieke mens ontstond, te doen heeft met een ziel, die zich dan in twee delen splitst. Het ene deel, de ene nakomeling van de gemeenschappelijke ziel, belichaamt zich in Adam en daardoor gaat deze ziel door de lijn van incarnaties heen, bezwijkt voor Lucifer, enzovoort. En voor de andere ziel, de zuster-ziel, voorziet de wijze wereldleiding dat het niet goed is, dat deze zich ook belichaamt. Zij wordt teruggehouden in de zielenwereld. Zij neemt dus niet deel aan incarnaties van de mensheid, maar wordt teruggehouden. Alleen ingewijden uit de mysteriën kunnen met haar in contact treden. Gedurende de evolutie vóór het Mysterie van Golgotha neemt deze ziel ook geen ervaring op van het Ik, omdat dat alleen maar kan worden verkregen door middel van incarnatie in een menselijk lichaam. Zodoende bezit deze ziel wel alle wijsheid, die ervaren kan worden door de Oude-Saturnus-, Oude-Zon- en Oude-Maantijd, het bezit alle liefde die een mensenziel maar kan hebben. Deze ziel blijft als het ware onschuldig ten opzichte van alle schuld, die de mensheid op zich laadt gedurende het verloop van de incarnaties in de mensheidsontwikkeling. Deze ziel is er dus een, die men in de uiterlijke wereld nooit zou kunnen tegenkomen, maar die enkel door de oude helderzienden kon worden geschouwd. En zij werd ook door hen geschouwd in de mysteriën. En zo hebben we een ziel, die –zou men kunnen zeggen- in en tegelijk buiten de mensheidontwikkeling staat, die vooreerst alleen geestelijk kan worden waargenomen.

Deze ziel was het die, in plaats van een Ik, incarneerde in het Jezuskind uit het Lucas-evangelie. U zult zich de voordrachten in Basel
(GA 114) herinneren. Daarin is dit al verteld. We hebben daarom te doen met een ziel die slechts op een Ik lijkt en die op een natuurlijke manier werkt als een Ik, wanneer zij het lichaam van Jezus doordringt, maar het uit zich toch heel anders dan een gewoon ik. Ik heb er al eens over verteld, dat het knaapje uit het Lucas-evangelie al meteen nadat hij ter wereld gekomen was met zijn moeder kon spreken in een taal die zij verstond. En andere soortgelijke dingen deden zich bij hem voor. Dan weten we dat de Jezus-knaap uit het Mattheüs-evangelie, in wie het Zarathustra-Ik leefde en opgroeide tot aan zijn twaalfde jaar. Het Lucas-kind groeide ook op, zonder dat het over enige menselijke kennis of wetenschap kon beschikken, maar goddelijke wijsheid en goddelijke offervaardigheid in zich droeg.
Zo groeide hij op, het Jezuskind uit het Lucas-evangelie, en bleek niet bijzonder begaafd te zijn voor dat wat men in de uiterlijke wereld kan leren. Dan weten we verder, dat het lichaam van de Jezus-knaap uit het Mattheüs-evangelie door het Zarathustra-Ik wordt verlaten, en dat in het twaalfde levensjaar van de Lucas-Jezus diens lichaam in bezit wordt genomen door datzelfde Zarathustra-Ik. Dat is op het moment waarop geduid wordt, wanneer er in het Lucas-evangelie verhaald wordt over de twaalfjarige Jezus, die de wijzen in de tempel onderricht, wanneer zijn ouders hem zijn kwijtgeraakt.
Dan weten we verder dat deze Jezus-knaap uit het Lucas-evangelie nu het Zarathustra-Ik in zich draagt tot aan zijn dertigste jaar.

Rudolf Steiner: Die Bhagavad Gita und die Paulusbriefe (GA 142) - 5e voordracht, Keulen 1 Januari, 1913

Frans Francken: De Twaalfjarige Jezus in de Tempel (1587)

Tijdens de voordracht cyclus Wegen naar Christus (GA 131) besteedt Rudolf Steiner de hele achtste voordracht aan de verschillen tussen de Jezuskinderen in het Lucas- en het Mattheüs-evangelie en de Doop in de Jordaan. De moeite van het lezen waard. Een kort gedeelte:

Nu groeide dit kind op, en toen hij twaalf jaar oud was kwam de individualiteit van Zarathustra over hem. We weten dat deze gebeurtenis ons wordt aangeduid in de scène van de twaalfjarige Jezus in de tempel. Het is te begrijpen dat de ouders van het nathanische kind, die hun kind hadden meegemaakt zoals we zojuist hebben beschreven, een merkwaardige verandering ontdekten toen zij de jongen terugvonden in de tempel, nadat zij hem kwijt waren geraakt. Dat was namelijk het moment waarop de individualiteit van Zarathustra in de twaalfjarige jongen overging, zodat wij vanaf dat moment, van het twaalfde tot het dertigste jaar, in het Jezuskind van het Lucas-evangelie met de individualiteit van Zarathustra te maken hebben.
Nu vinden we in het Lucas-evangelie een merkwaardige uitspraak, waarmee op iets wordt geduid waar alleen het occulte onderzoek licht op kan werpen. U weet dat in het Lucas-evangelie
(Lucas 2:52), nadat het tafereel van de twaalfjarige Jezus in de tempel is beschreven, wordt gezegd: ‘En Jezus nam toe in wijsheid en grootte en genade bij God en mensen.’ (NBG) Een andere vertaling zegt: ‘Jezus groeide verder op en zijn wijsheid nam nog toe. Hij kwam steeds meer in de gunst bij God en de mensen.’ (Nieuwe Bijbelvertaling) In werkelijkheid echter staat, als we de tekst van de evangeliën met behulp van de Akasha-kroniek reconstrueren, op deze plaats het volgende: Hij nam toe in alles waarin het astraallichaam kan toenemen, namelijk in wijsheid; hij nam toe in alles waarin een etherlichaam kan toenemen, namelijk in alle eigenschappen van goedheid, welwillendheid enzovoort; en tenslotte nam hij toe in alles waarin het fysiek lichaam kan toenemen, wat zich manifesteert in uiterlijke welgeschapenheid.
Rudolf Steiner: Van Jezus tot Christus (GA 131) - 8e voordracht 12-10-1911

maandag 4 januari 2010

Epifanie - 6 januari

Als twee majestueuze zuilen verheffen zich de twee winterfeesten Kerstmis en Epifanie in de tempel van het jaar. Het zijn de feesten die op de geboorte van de mens en de geboorte van de godheid in de aardesfeer wijzen.
(uit: Sergej O. Prokofieff: De twaalf heilige nachten en de geestelijke hiërarchieën)

Anonymus: De Doop van Jezus in de Jordaan (ca.1400)


Mattheüs 3 : 13 – 17
De doop in de Jordaan
(klik hier voor de bijdrage uit 2009)


Over de tijd in het leven van Jezus tussen zijn twaalfde en dertigste levensjaar is niets te vinden in de evangeliën. Rudolf Steiner heeft over enkele momenten mededelingen gedaan. In de buurt van de Esseeër-gemeenschap van Nazareth woonde een grotere gemeenschap van mensen, die handwerk en ambachten uitoefenden, waarmee zij voor de hele gemeenschap geld verdienden. Deze handwerkslieden reisden rond om hun vakmanschap in dienst van buitenstaanders te stellen. Ook Jozef behoorde tot deze groep. Men kan zich voorstellen dat Jezus als oudste zoon zijn vader Jozef op die reizen vergezelde en hielp. Zo moet Hij in zijn jongere jaren door het gebied van Galilea en de daaromheen liggende landstreken zijn getrokken.
In de in die omgeving liggende mysterieplaatsen moet Hij kennis hebben gemaakt met de cultische gebruiken, maar deze ontmoetingen betekenden voor Jezus van Nazareth een grote teleurstelling. Hij kwam uiteindelijk tot het besef dat de mensheid in onbeschrijflijke innerlijke verarming en vereenzaming verkeerde.
Drie geestelijke stromingen leerde Jezus kennen:
- Het Jodendom, dat in vroegere tijden de openbaringen van de goddelijke geestwereld had kunnen opnemen, was nu niet meer in staat daardoor geïnspireerd te worden. De lichamen van de Joden konden deze inspiratie niet meer opnemen. De Joodse schriftgeleerdheid was alles wat er van de oude inspiraties uit de tijden van Mozes en de profeten was overgebleven.
- Niet Joodse, zogenaamd heidense mysteriën waren eveneens totaal in verval geraakt. Daar werden niet de goede heidense goden in de offerplaatsen aanbeden, maar slechts demonen aangeroepen en opgeroepen. Jezus had op die plaatsen de grote nood en ellende van de mensheid kunnen ervaren.
- Tenslotte was Jezus tijdens zijn verblijf bij de orde van de Esseeërs tot het inzicht gekomen dat het voor het grootste deel van de mensheid niet mogelijk was iets van het diepste geheime weten van de Esseeërs te kunnen ervaren. Het gaan van een dergelijke strenge esoterische scholingsweg kon alleen nog maar in afzondering van de uiterlijke wereld. Andere mensen moeten daarvoor de prijs betalen. Zoals bijvoorbeeld Boeddhistische monniken hun geestelijk leven kunnen leiden door te bedelen, waardoor zij afhankelijk worden van mensen die afzien van dat geestelijk leven. Het bereiken van het hogere leven is op die manier dus niet voor alle mensen weggelegd, slechts enkelen kunnen het bereiken dank zij anderen. Daardoor is zulk streven altijd gebaseerd op een vorm van egoïsme. Dat alles vervulde Jezus met grote droefheid, die Hij in de tijd voor de Doop in gesprekken met Zijn moeder met haar deelde .

Rudolf Steiner vertelt over de tijd voor de Doop in de Jordaan:
In de tijd voor de Doop in de Jordaan ontmoette Jezus ook weer Johannes. Rudolf Steiner beschrijft het in een voordracht als volgt:
Jezus van Nazareth leerde een eveneens jonge man kennen van ongeveer zijn eigen leeftijd, die, weliswaar op een geheel andere manier dan Jezus van Nazareth, in nauwe betrekking was gekomen met de orde van de Essenen, maar die desondanks ook niet helemaal Esseen was geworden. Deze jongeman, die bij wijze van spreken als lekenbroeder binnen de gemeenschap van de Essenen leefde, was Johannes de Doper. Hij kleedde zich als de Essenen, want deze droegen ’s winters kleren van kameelhaar. Maar nooit had hij de leer van het Jodendom volledig in zichzelf kunnen vervangen door de leer van de Essenen. (…)
Er hadden veel gesprekken plaats tussen Jezus van Nazareth en Johannes de Doper. En op een dag gebeurde het, dat Jezus van Nazareth, terwijl hij met Johannes de Doper sprak, voor zich zag hoe de fysieke lichamelijkheid van Johannes de Doper als het ware verdwenen was, en dat hij het visioen had van Elias.

Rudolf Steiner: Aus der Akasha-Forshung. Das Fünfte Evangelium (GA 148) voordracht: Kristiania 5 oktober 1913

In de tijd voor de doop had Jezus diepgaande gesprekken met zijn moeder over Zijn ervaringen en diepe teleurstellingen. Opnieuw in de woorden van Rudolf Steiner:
Hij zei: ‘Wanneer ik als zoon uit het geslacht van David, de verheven openbaringen, die als een verlichting in mijn ziel zijn uitgestort, zou willen uitspreken, en die dezelfde openbaringen zijn die in vroeger tijden aan het Joodse volk geschonken waren, thans zijn er geen mensen meer die ze kunnen horen!’
Dat had Zijn ziel diep vervuld van smart en leed, dat weliswaar eens de grootste waarheden der wereld aan het Hebreeuwse volk waren geschonken en de mensen van dit volk toen ook zodanige lichamen hadden dat zij die openbaringen konden begrijpen, maar dat thans de tijden waren veranderd en ook de lichamen van het Hebreeuwse volk anders waren geworden, zodat men de oude openbaringen van de voorvaderen niet meer kon begrijpen.
Het was een ongehoord ingrijpende smartelijke ervaring voor Jezus, dat Hij voor zichzelf moest erkennen: Eens werd begrepen wat de profeten leerden, het Hebreeuwse volk heeft het woord van God begrepen; thans echter is er niemand die het kan opnemen; men zou voor dove oren prediken. Zulke woorden zijn in deze tijd niet meer op hun plaats; er zijn geen mensen meer die oren hebben om ze te horen! Waardeloos en nutteloos is alles wat men op zo’n manier zou kunnen zeggen. En als een samenvatting van wat Hij in deze richting te zeggen had, sprak Jezus van Nazareth tot zijn moeder: De verkondiging van het oude Jodendom is niet meer mogelijk voor deze aarde, want de oude Joden zijn er niet meer om die verkondiging op te nemen. Dat moet op onze aarde worden beschouwd als iets wat waardeloos is.
En het was merkwaardig hoe zijn moeder rustig naar Hem luisterde toen Hij sprak over de waardeloosheid van datgene wat voor Hem het heiligst was. Maar zij had Hem innig lief en voelde slechts haar oneindige liefde. Daardoor stroomde in haar iets binnen van een diepvoelend begrip voor Hij wat haar te zeggen had.
(…)
Sinds dat gesprek leek ook Hij totaal veranderd, zo veranderd dat Zijn broers of stiefbroers en de andere familieleden die in Zijn omgeving waren de indruk kregen dat Hij zijn verstand verloren had. Wat jammer, zeiden ze, hij wist zo veel; hij was altijd al heel zwijgzaam, maar nu is hij volkomen abnormaal geworden, nu heeft hij zijn verstand verloren! Men beschouwde hem als een verlorene. Hij liep ook inderdaad dagenlang als in een droom door het huis. Het Zarathustra-ik was juist bezig dit lichaam van Jezus van Nazareth te verlaten en in de geestelijke wereld over te gaan. Een laatste besluit ontwrong zich aan Hem: als gedreven door een innerlijke drang, een innerlijke noodzaak, ging Hij na enige dagen als werktuiglijk het huis uit en begaf zich naar Johannes de Doper, die Hij reeds kende, om van hem de doop te ontvangen.
En toen voltrok zich de gebeurtenis die ik al vaker heb beschreven als de Doop in de Jordaan: in Zijn lichaam daalde het Christuswezen neer.

Rudolf Steiner: Aus der Akasha-Forshung. Das Fünfte Evangelium (GA 148)
voordracht: Kristiania 6 oktober 1913

Na de intieme en droeve gesprekken met Zijn moeder trok het Ik-wezen van Zarathustra zich terug uit de lichamelijke omhulling van Jezus van Nazareth. Dit Zarathustra-Ik had sinds het twaalfde levensjaar (zie: perikoop 1e zondag na Epifanie) de lichamelijke en zielenconfiguratie van Jezus doordrongen. Hij die nu naar Johannes bij de Jordaan liep, was weer geworden als diegene die de vrucht in de schoot van Elisabeth -het Johanneskind- deed opspringen. In Johannes en Jezus kwamen de Oude Adam en de Nieuwe Adam opnieuw bij elkaar. Johannes ontwaarde Jezus tussen de menigte en doopte Jezus, daarmee bewerkstelligend dat de Christusgeest zich met Jezus verbond.

Rudolf Steiner:
Het leven van de Christus vanaf de doop tot aan het Mysterie van Golgotha begrijpen wij, als wij het vergelijken met het leven dat de mensenkiem doormaakt in het lichaam van de moeder. Het is dus in zekere zin een kiemontwikkeling die het Christuswezen doormaakt tussen de Doop in de Jordaan en het Mysterie van Golgotha. Het Mysterie van Golgotha zelf moeten wij dan zien als de geboorte van Christus op aarde, dus de dood van Jezus als de aardse geboorte van Christus. En zijn eigenlijke aardeleven moeten wij zoeken na het Mysterie van Golgotha, de tijd waarin Christus omgang had met de apostelen, toen deze apostelen, zoals ik gisteren zei, in een ander soort van bewustzijnstoestand waren. Dat was iets dat na de geboorte van het Christuswezen plaatsvond.
Rudolf Steiner: Aus der Akasha-Forshung. Das Fünfte Evangelium (GA 148)
voordracht: Kristiania 3 oktober 1913

Zie voor verdere aanvullingen:
Emil Bock: Tussen Bethlehem en de Jordaan blz. 163 ev.
Emil Bock: Van de Jordaan tot Golgotha blz.35 ev.

vrijdag 1 januari 2010

Zondag voor Epifanie

Rembrandt: De Lofzang van Simeon (1669)


Lucas 2 : 21 – 35 De opdracht in de tempel (zie ook de notitie uit 2009)


In de perikopennotitie bij de tekst voor deze zondag van het vorig jaar werd al aangegeven dat Rudolf Steiner wijst op Simeon en hem verbindt met de wijze Asita, die na de geboorte van de Indische prins Siddhartha, die tot Boeddha zou opstijgen, bij het paleis verscheen.

Rudolf Steiner schrijft reeds in het jaar 1902 over de figuur van Asita in het hoofdstuk ‘De Egyptische mysteriewijsheid’ van zijn boek Het Christelijk Opstandingsmysterie en de voorchristelijke mysteriën (GA 8). Hij weidt er hier nog niet verder over uit.

Zeven jaar later (1909) vertelt hij uitgebreid over zijn onderzoekingen en duidt hij op het verband tussen de wijze Asita en de ziener Simeon tijdens zijn voordrachten over het Lucas-evangelie:

Zo moeten we met de herders het kind zien in de kribbe, waarin het als Jezus van Nazareth geboren werd; we zien over het kind van het begin af de glorieschijn en weten, dat zich hierin uitdrukt de kracht van de tot Boeddha geworden Boddhisatva. Deze is voordien ook tot de mensen gekomen en straalt nu vanuit geestelijke hoogten op de mensheid en komt op een hoogtepunt, als het zijn kracht doet stralen op het kind in Bethlehem; daardoor kan dit kind in de voorgeschreven wijze zijn plaats innemen in de ontwikkeling van de mensheid.
Toen deze individualiteit, die vanuit den hoge nu dit kind uit het huis van David overstraalde, in Indië geboren werd, - d.w.z. toen Boeddha als Boddhisatva het levenslicht zag - overzag de wijze Asita de omvang en kracht van wat ik zo-even schilderde. Wat deze wijze eerst al in geestelijke sferen had waargenomen, dwong hem om bij de geboorte van dit kind het paleis te betreden, om dit Boddhisatva-kind in werkelijkheid te zien. Toen hij het zag, voorspelde hij diens grootse zending. Asita voorspelde, tot grote verlegenheid van de vader, dat dit kind niet zou regeren over het rijk van zijn vader, maar dat het een Boeddha zou worden. Daarna barstte hij in tranen uit; toen hem gevraagd werd of er dan een ongeluk voor het kind te vrezen viel, antwoordde hij: ‘Neen! Ik huil erom, dat ik al zo oud ben, dat ik de dag niet meer kan beleven, waarop deze Heiland als Boeddha op aarde zal verwijlen!’ Dat Boeddha-worden heeft Asita ook niet meer beleefd – hij had dus gelijk -, dat hij zijn tranen niet kon bedwingen.
Deze Asita, die de Boeddha toen slechts als kind in het paleis van Soedhodana gezien had, werd wedergeboren als degene, die in het Lucas-evangelie beschreven wordt als Simeon. In het Lucas-evangelie staat dan dat Simeon bezield was door de Geest, toen hem het kind in de armen gelegd werd. Deze Simeon was dezelfde, die als Asita vroeger gehuild had, toen hij in zijn toenmalige incarnatie het Boeddha-worden van de Boddhisatva niet meer zou kunnen beleven. Nu was het hem gegeven, de volgende trap van ontwikkeling van deze individualiteit te beleven. Omdat ‘de Heilige Geest op hem rustte’, kon hij bij de offerdienst in de tempel de glorieschijn van de vergeestelijkte Boeddha over het Jezus-kind uit het geslacht van David waarnemen. Toen zei hij tot zichzelf: ‘Nu behoef je niet meer te huilen; wat je toen niet gezien hebt, zie je nu: de vergeestelijkte heiland heb je nu over dit kind zien zweven. Heer, laat uw dienaar in vrede sterven!’


Rudolf Steiner: Voordrachten over het evangelie volgens Lucas
(GA 114) 2e voordracht, Basel 16-9-1909

Rembrandt: De Profetie van Simeon aan Maria (1638)

Enkele jaren later (1911) schrijft hij nogmaals over Asita-Simeon:

Asita, de grote Indische wijze kwam, toen Gautama Boeddha nog een klein kind was, wenend het koninklijk paleis van de vader van Boeddha binnen. De oorzaak hiervan was, dat hij als ziener kon weten, dat dit koningskind Boeddha zou worden en dat hij zich een oude man voelde, die niet meer zou beleven hoe de zoon van Soeddhodana tot Boeddha zou opklimmen. Deze wijze werd in de tijd van Jezus van Nazareth wedergeboren. Het is dezelfde man die in het Lucas-evangelie geschilderd wordt als de tempelpriester, die ziet hoe in het Nathanische Jezuskind, Boeddha zich openbaart. Toen hij dit zag, kon hij zeggen: “Nu laat gij Heer uw dienstknecht gaan in vrede, naar uw woord, want mijn ogen hebben uw heil gezien, dat Gij bereid hebt voor het aangezicht van alle volken.” Wat hij voorheen in Indië niet had kunnen zien, zag hij nu door het astraallichaam van het Jezuskind, dat ons vanuit het Lucas-evangelie tegemoet komt: de tot Boeddha geworden Bodhisattva.

Rudolf Steiner: Geestelijke leiding van mens en mensheid (GA 15)



Arent de Gelder: Simeon en Anna (olieverf op doek ca. 1700 · Mauritshuis, Den Haag


Bron illustraties: www.statenvertaling.net