maandag 31 mei 2010

1e Zondag na Trinitatis

Codex Aureus Epternacensis of Gouden Boek van Echternach (1191): De Arme Lazarus


Lucas 16 : 19 – 31 De rijke man en de arme Lazarus

In de beschouwingen voor deze perikooptekst uit 2009 (klik hier) werden al verschillende gezichtspunten aangedragen.
Daarop nog enkele kleine aanvullingen:

De gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus komt alleen voor in het evangelie volgens Lucas, en de naam van Lazarus vinden we verder alleen in het Joahnnes-evangelie. De naam Lazarus is de Latijnse vorm van het Griekse Lazaros, wat weer gezien kan worden als een afkorting van Eleazaros of Eleazar wat ‘God heeft Geholpen’ betekent.
De Lazarus uit het Johannes-evangelie woont in Bethanië met zijn twee zusters Maria en Martha. Volgens de legenden is deze Lazarus dezelfde als de rijke jongeling, die Jezus wilde volgen maar dat eerst niet kon, omdat hij zo rijk was (Matt.19:16-22 en Markus 10:17-22).

In eerdere perikopennotities bespraken we dat de uit de dood opgewekte Lazarus dezelfde is als ‘de leerling die Jezus liefhad’ en we vonden dat deze leerling toegang had tot de hogepriesters (zie de notitie bij Trinitatis).
Interessant in dit verband is dat bij de uitdrukking ‘Abrahams schoot’ in het Grieks het woord κόλπος (kolpos) wordt gebruikt, wat ‘de plaats aan de borst tussen de armen’ - d.w.z. aan het hart betekent. Dezelfde uitdrukking wordt ook gebruikt in het Johannes-evangelie (Joh.13:23) waar over de leerling Lazarus/Johannes wordt gesproken. Men mag vermoeden dat er een verband is tussen deze gelijkenis en de opwekking van Lazarus.

De laatste zin: ‘...zij laten zich ook niet overtuigen, al staat iemand uit het dodenrijk op’ wordt traditioneel geïnterpreteerd als slaande op de Opstanding van Christus, maar heel misschien mogen we het ook zien als de verwijzing door Lucas naar de opwekking van Lazarus, waarover alleen door het Johannes-evangelie wordt verteld.

In een esoterisch uur spreekt Rudolf Steiner over de verschillende cultuurperioden. Dan volgt deze passage:

Op een eigenaardige manier is in het Lucas-evangelie een gelijkenis ingevoegd, welke verwijst naar de geestelijke verhoudingen in het 6e na-atlantische tijdperk. We zagen dat dit tijdperk, die een opstanding van het tweede na-atlantische tijdperk beduidt, door Christus-Jezus wordt voorbereid met de opwekking van Lazarus. En in het Lucas-evangelie vertelt Christus Jezus een gelijkenis, onmiddellijk nadat hij sprak over het Goede en Boze, - dienen van God of het dienen van de Mammon. Hij vertelt: Er was eens een rijke man en ook een arme man met de naam Lazarus. Deze laatste gaat het slecht op aarde, maar na zijn dood komt hij in Abrahams schoot, terwijl de rijke, die in overvloed leefde, in de hel komt.
Zo scheidt zich in de 6e cultuurperiode het Goede zich af van het Boze. En datgene, wat de ware verhoudingen bepaalt, speelt zich in de geestelijke wereld af. Met de naam van de arme man uit de gelijkenis wordt gewezen op de samenhang met Larazus uit het Johannes-evangelie. Dat wij het met de 6e na-atlantische cultuurperiode te doen hebben, drukt in de gelijkenis de rijke uit, wanneer hij zegt: “Ik heb nog vijf broers”, die dan ook allemaal onbekeerd zijn. Zij zijn dat deel van de mensheid, dat in het zesde tijdvak Christus nog niet in zich heeft opgenomen en daarom tot het Boze moet vervallen.

uit Rudolf Steiner: Zur Geschichte und aus den Inhalten der ersten Abteilung der Esoterische Schule. (GA 264)
blz. 236-237

Bijbel van Souvigny (eind 12e eeuw): Abrahams schoot

maandag 24 mei 2010

Trinitatis

Hoogfeest van de Heilige Drie-eenheid of Drievuldigheidszondag

Paul Troger (1698-1762): Nikodemus en Christus - Dommuseum in Salzburg


Johannes 3 : 1 – 15 Het gesprek met Nikodemus
klik hier voor de perikopennotitie uit 2009

De evangeliën moeten vooral gelezen worden als zijnde mysterieboeken. Zeker voor het begrijpen van het Johannes-evangelie is het sleutelwoord ‘mysterie-inwijding’. Jezus stond in verbinding met belangrijke figuren uit Joodse kringen. In de evangeliepassage voor deze zondag komen we Nikodemus tegen, waarvan beschreven wordt dat hij uit de Orde van de Farizeeërs was en een geestelijk leider van de Joden. Over Nikodemus kan men vinden dat hij lid was van het Sanhedrin, het hoogste Joodse rechtscollege. Daar neemt Nikodemus het voor Jezus op wanneer de Farizeeërs kwaad over Jezus spreken (Joh.7:50-51). En Nikodemus is aanwezig wanneer het lichaam van Jezus na Zijn dood in het graf wordt gelegd. Samen met Josef van Arimatea, die als Essener ook bekend is met gebruiken uit de mysteriën, prepareerde hij het lichaam van Jezus. Nikodemus brengt het mengsel van mirre en aloë mee van wel honderd litra. Geen van de twaalf apostelen was daarbij aanwezig.
Al eerder is op deze plaats gewezen op de opwekking van Lazarus, waarover precies in het midden van dit Johannes-evangelie wordt verhaald. Lazarus, die in het Johannes-evangelie ook wordt aangeduid met ‘de leerling, die Jezus lief had en die lag aan de boezem van Jezus’ of met ‘de andere leerling’. ‘Deze andere leerling kende de hogepriester. Daarop kwam de andere leerling, de kennis van de hogepriester, weer naar buiten; hij sprak met de portierster en nam Petrus mee naar binnen.’ (Joh.18:15-16). Over Lazarus/Johannes mogen we aannemen dat hij verbonden was met de oude mysteriën.

Op andere plaatsen zijn nog meer rechtstreekse verwijzingen naar de mysteriënscholen te vinden, zoals bijvoorbeeld wanneer de apostel Nathanaël geroepen wordt (Joh.1:43-51).

Rudolf Steiner over Nathanaël en Nikodemus:
Nathanaël moet worden gezien als iemand die kennis van zaken heeft. Daar wordt op gewezen als ‘wij begrijpen elkaar’, wanneer Jezus tot hem spreekt: ‘Ik had je al gezien voordat Filippus je riep, toen je onder de vijgenboom zat.’ Dat betekent: Wij zijn broeders in de vijfde inwijdingsgraad. Het is een scène van herkenning tussen ingewijden. Nathanaël zegt dan: ‘Rabbi, u bent de Zoon van God, u bent de koning van Israël!’. Ziet u, de herkenning vindt plaats. Jezus antwoordt meteen daarop dat het zal blijken dat hij niet alleen in de vijfde graad ingewijd is, maar in een andere. Hij zegt: ‘Geloof je omdat ik tegen je zei dat ik je onder de vijgenboom zag zitten? Je zult nog grotere dingen zien.’
Verder wil ik u wijzen op het gesprek met Nikodemus, dat u kunt vinden in het derde hoofdstuk. Daar wordt het belangrijke woord gesproken: ‘Naar waarheid zeg ik u: wanneer iemand niet geboren wordt uit water en geest, kan hij het rijk Gods niet schouwen.’ Wat betekent dat: opnieuw geboren worden en het rijk Gods binnengaan? Dat is, zijn hogere zelf opgewekt hebben, dat is, zo geboren worden dat de eeuwige wezenskern ontwaakt is. Wat is binnengaan in het rijk Gods? Dat is niet alleen een afspiegeling van het geestesland zien, zoals dat voor de fysieke ogen verschijnt, maar het directe schouwen van dit rijk. Dat kan alleen degene, die niet slechts voor de fysieke wereld geboren is, maar die een tweede maal is geboren.

Het moet voor ons duidelijk zijn, dat Jezus tegen Nikodemus van een werkelijke wedergeboorte spreekt, en dat Hij hem voor alles eraan herinneren wil, dat het normale leven vanuit dit gezichtspunt tot een hoger leven geboren moet worden en zo moet worden gezien. Wie intiemer leest en dit hoofdstuk preciezer bestudeert, zal zien, dat het hier daarover gaat.

uit: Rudolf Steiner Kosmogonie (GA 94)
3e voordracht: Das Johannes-Evangelium - Berlijn, 5 maart 1906

Nikodemus komt tot Christus in de nacht, dus buiten het dagbewustzijn (Joh. 3:1-2). Christus zegt tot hem: ‘Naar waarheid zeg ik u: wanneer iemand niet geboren wordt uit water’ – dat is uit de astrale wereld, die men als vloeiend beleeft - ‘en geest’ - de geestwereld - ’kan hij het rijk Gods niet schouwen’, dus kan hij de geestelijke wereld niet beleven. Hij spreekt van wanneer het dagbewustzijn niets heeft te zeggen, namelijk tijdens de inwijding. Ieder woord in het Johannes-evangelie duidt op iets diepgaands, en er komt geen einde aan de duidingen van dit evangelie.
uit: Rudolf Steiner Kosmogonie (GA 94)
8e voordracht: Die Theosophie an Hand des Johannes-Evangeliums - München, 6 november 1906

Wie kon iets begrijpen van de diepere waarheden die Christus Jezus had te brengen? Dat konden slechts zij, die in staat waren waar te nemen buiten het lichaam, die het lichaam konden verlaten om bewust in de geestelijke wereld te vertoeven. Wilde Christus Jezus worden begrepen, dan moest hij spreken tot hen die een bepaalde inwijding hadden ontvangen, die al in zekere zin geestelijk konden zien.
Zo wordt ons bij het gesprek over de wedergeboorte van de ziel kenbaar gemaakt dat Christus Jezus deze waarheid verkondigde aan iemand die zag met geestelijke zintuigen: ‘Er was iemand uit de Orde van de Farizeeërs, zijn naam was Nikodemus. Hij was een geestelijke leider van de Joden. Deze kwam tot Jezus in de nacht….’ (Joh.3:1-2). Wij moeten er een gewoonte van maken zulke woorden op een goudschaaltje te wegen! Dat Nikodemus ‘in de nacht’ tot Jezus kwam houdt in dat hij, buiten het fysieke lichaam zijnde, opnam wat Christus Jezus hem had mee te delen. ‘In de nacht’ wil zeggen dat Nikodemus zich bediende van zijn geestelijke zintuigen toen hij tot Christus Jezus kwam. Evenals Nathanaël en Christus Jezus elkaar als ingewijden herkenden door het noemen van de vijgenboom, zo wordt ook hier het vermogen elkaar te herkennen aangeduid.

uit: Rudolf Steiner Het evangelie naar Johannes (GA 103)
5e voordracht - Hamburg, 23 mei 1908

Waarom staat er ‘in de nacht’? De meest denkbare triviale verklaring is natuurlijk, wanneer gezegd wordt dat hij alleen maar bang was voor de Joden en ’s nachts door een venster naar binnen gekropen is in plaats van op klaarlichte dag naar Jezus te komen. Zo’n verklaring kan iedereen wel verzinnen. ‘In de nacht’ betekent hier niets anders, als dat dit treffen tussen Jezus en Nikodemus in de astrale wereld plaatsvond, in de geestelijke wereld, en niet in de omgevening waarin men met het gewone dagbewustzijn is. Dat betekent: Christus was nu buiten het lichaam in staat om zich met Nikodemus uiteen te zetten, ‘in de nacht’, als het fysieke lichaam er niet bij is, als het astraallichaam buiten het fysieke lichaam en etherlichaam vertoeft.
uit: Rudolf Steiner Das Johannesevangelium im Verhältnis zu den drei anderen Evangelien (GA 112)
10e voordracht - Kassel, 3 juli 1909

Wanneer een ziende tijdgenoot van Christus wilde weten wat er in de geestelijke wereld plaats had, dan moest hij in een slaaptoestand geraken. Dat vinden we aangeduid in het derde hoofdstuk van het Johannes-evangelie, waar een oudste, (geestelijk leider) van de Joden in de nacht tot Christus kwam. Hij kwam tot Hem omdat hij ziener wilde worden, omdat hij zover gekomen was dat hij ziende kon worden, en ‘hij kwam tot hem in de nacht’ omdat zijn dagbewustzijn was uitgedoofd. In het vijfde vers van dit hoofdstuk vinden we ook de belangrijke lering opgetekend, dat de mens ‘uit geest´geboren kan worden.
uit: Rudolf Steiner Menschheitsentwickelung und Christus-Erkenntnis (GA 100)
8e voordracht - Basel 25 november 1907

Dirk Bouts (1410-1475): Graflegging van Jezus, detail met Nikodemus

Tenslotte nog een kleine eigen bijdrage over de volgende zin uit deze perikoop:
‘De wind waait waarheen hij wil. Je hoort zijn stem, maar je weet niet vanwaar hij komt en waarheen hij gaat.’ (Joh.3:8)
Ook met deze zin wordt gewezen op voorchristelijke mysteriën en de situatie daarbinnen, waar ten behoeve van de inwijding het bewustzijn van de inwijdeling werd gedoofd en deze eigenlijk in een soort diepe tranceslaap werd gebracht. De geestziel vertoefde dan buiten zijn lichaam. Een mens kan alleen over een wakker (zelf-)bewustzijn beschikken, wanneer zijn ziel en geest zich met het fysieke lichaam hebben verbonden. De voorchristelijke inwijdeling was dus meer een medium, dan een zelfbewuste waarnemer in de geestelijke wereld. De Griekse tekst gebruikt hier het woord πνεῦμα - pneuma, dat niet alleen ‘wind’ of ‘lucht’ betekent, maar ook ‘geest’. De voorchristelijke inwijdeling hoorde tijdens zijn inwijdingsslaap wel de stem van de wind, of van de ‘geest’, maar wist niet met een wakker bewustzijn vanwaar die stem kwam of waarheen ze ging. Hij nam geestelijke waar, maar zonder een zelfstandig bewustzijn. Met de geciteerde zin wijst Christus Jezus Nikodemus daar op. Door Christus wordt het echter mogelijk de geestelijke wereld te verwerven met behoud van het zelfbewustzijn.

Dirk Bouts (1410-1475): Graflegging van Jezus

Alexander Bida (Franse kunstenaar 1813-1895): Nicodemus en Jezus

maandag 17 mei 2010

Pinksteren

Duccio di Buoninsegna(1282-1339) Pinksteren

Handelingen 2 : 1 – 12 De uitstorting van de Heilige Geest

De perikooptekst voor Pinksteren begint met: ’Toen dan de dag van het Pinksterfeest aanbrak,..’. Het Joodse Pinksterfeest (Sjavoeot) is het Wekenfeest, het feest van de eerste tarweoogst. In het boek Exodus (34:22) staat: ‘Vier het Wekenfeest wanneer je de eerste opbrengst van de tarweoogst binnenhaalt...’ Het Wekenfeest volgt vijftig dagen na het Pesach: ’Vanaf die dag na de sabbat, vanaf de dag dat de schoof omhooggeheven is, moeten zeven volle weken worden afgeteld, tot de dag na de zevende sabbat. Vijftig dagen moeten jullie aftellen, en dan moeten jullie de HEER een graanoffer aanbieden uit de nieuwe tarweoogst’, aldus het voorschrift in Leviticus (23:15-16). Het Wekenfeest herinnert er ook aan dat Mozes op de berg Sinaï van God de Tien Geboden ontving. Het is interessant om in die twee elementen –de ontspruitende groeikrachten van de lente in de natuur tegenover de vormende kracht van de Tien Geboden van God- de twee bewegingen te herkennen uit Rudolf Steiners weekspreuken. In b.v. spreuk 7 en 8 lezen we over de aanlokkende kracht van de zintuigwereld, waardoor het Zelf dreigt te ontvluchten, en/of het denken gedoofd wordt, met daartegenover het appel op het innerlijk van de mens om zich niet in die uiterlijke schijn te verliezen.

In de kring van jaarfeesten wijzen Pasen, Hemelvaart en Pinksteren voor ons naar de belangrijkste inhouden van het Christendom. De inhouden zijn zonder inspanning van het bewustzijn, het denken, niet zo makkelijk toegankelijk. Kerstmis spreekt veel meer tot het gevoel van de mensen. In de bijdrage van het vorig jaar is geprobeerd enig licht te werpen op het Pinksterfeest (klik hier). Om weg te blijven bij een al te persoonlijke interpretatie volgen hieronder opnieuw mededelingen uit het geesteswetenschappelijk onderzoek van Rudolf Steiner.

Om te beginnen uit een notitieboekje van Rudolf Steiner zijn kort en bondige aantekening ter voorbereiding op de voordracht van donderdagmiddag 17 mei 1923. (GA 226):
Vóór het Mysterie van Golgotha voelden de mensen dat ze afstamden uit geestelijke werelden, en het was Christus, door wiens kracht zij de mogelijkheid hadden om na de dood de weg terug te vinden.
Hij hief het vergeten op – de cultus in mysteriën gaven de lichtkracht tot de herinnering.
Het bewustzijn van de verbinding ging verloren – Christus kwam op aarde.
Hemelvaart: Het werd duidelijk dat het bewustzijn van de verbinding verloren was.
Omdat de lichamen dat niet meer gaven.
Dan de helende geest – vanuit diepe droefenis.


Vervolgens enkele passages uit verschillende voordrachten

En pas bij de gebeurtenis, die we vieren met Pinksteren, kwamen de discipelen zelf, vanuit een andere staat van bewustzijn, tot het inzicht wat er was gebeurd met de Christus Jezus.
uit: Rudolf Steiner Vorstufen zum Mysterium von Golgatha (GA 152), voordracht Parijs 27 mei 1914 – Der Fortschritt in der Erkenntnis des Christus – Das Fünfte Evangelium

Toen zeiden zij: Nu is Hij van ons weggegaan. Dat was de Hemelvaart. Het was een gebeurtenis dat de leerlingen uiteraard veel verdriet deed. Zij zeiden: Ondanks dat Hij gestorven is, ondanks dat vijanden hem gekruisigd hebben vertoefde Hij nog veertig dagen onder ons. Nu is Hij niet langer met ons. Hij is nu weer teruggekeerd naar de wereldwijdten.
En ze waren werkelijk zeer met droefenis vervuld, geen gewoon verdriet, maar een heel diep verdriet. En de tien dagen, waarvan gesproken wordt, deze tien dagen waren voor de discipelen en apostelen zo, dat zij diep in het innerlijk van hun harten binnengingen, waardoor zij allen dachten aan de innerlijke kracht, waarover Christus hen ooit verteld had. Deze tien dagen waren voldoende, dat ze zelf daarna zeiden: Ja, we kunnen zelf tot inzicht komen over alles, deze wijsheid - zeiden ze door de sterke impressie - de wijsheid zelf zit in ons. En ze voelden nu, na tien dagen, de kracht om deze wijsheid uit te dragen. De vurige tongen - dat is daarvoor het beeld– verschenen boven hun hoofden. Dat is Pinksteren, de pinkstergedachten, de vurige tongen. Door de grote droefenis waarin ze dachten Christus nooit meer te zien, waren ze zo tot zichzelf gekomen dat zij zelf nu konden verkondigen. En er wordt inderdaad gezegd dat zij "in alle talen” begonnen te spreken. Maar nu moet echter een beetje worden verduidelijkt, hoe men in oude tijden sprak. U mag natuurlijk niet geloven dat er is bedoeld dat de apostelen in het Chinees, Japans of Duits begonnen te spreken, maar er wordt bedoeld, naar het spraakgebruik in de oude tijden, dat zij door alles wat ze in die tien dagen tussen Hemelvaart en Pinksteren overdacht hadden, nu ontwaakt waren. Nu bestond voor hen niet langer het verschil tussen de religies, maar zij verkondigden een godsdienst voor alle mensen. Dit betekent dus dat ze konden spreken in alle talen, een godsdienst voor alle mensen.
En dat is de mooiste Pinkstergedachte, een godsdienst voor alle mensen. Wie werkelijk inziet dat de Christuskracht van de zon stamt, die moet ook de universele godsdienst voor alle mensen erkennen. Het was een universele godsdienst voor alle mensen, ook als de mensen het nog niet begrepen. Maar in de discipelen kwam het op, dat het een zonnereligie is. Dit wordt uitgedrukt met het gezegde dat zij in alle talen konden spreken. Ze konden een godsdienst van verzoening en tolerantie voor alle mensen brengen. Dit is de Pinkstergedachte. Maar weet u, de Pinkstergedachte is zelfs vandaag de dag nog niet tot vervulling gekomen. En die moet vervuld worden. Het moet steeds duidelijker worden wat Christus naar de aarde heeft gebracht. Dat het niet van een leer afhangt, maar dat het een feit is.

uit: Rudolf Steiner Vom Lebens des Menschen und Erde - Über das Wesen des Christentums (GA349)
14e voordracht - Dornach, 9 mei 1923

We weten uit andere beschouwingen, dat het allerbelangrijkste van Pinksteren is, dat het gemeenschappelijk leven van degenen die getuige waren van de grootste gebeurtenis in de geschiedenis van de mensheid –Pasen- zich individualiseerde. De vurige tongen daalden neer op het hoofd van elk van hun, en ieder verkondigde in een taal die aan geen enkele andere taal gelijk is en dus voor iedereen te begrijpen was, wat van het Mysterie van Golgotha binnenstroomde in de mensheidsontwikkeling. De vurige tongen daalden neer op het hoofd van een ieder. Het was eerder al zo dat de ziel van iedere leerling zich opgenomen voelde, men zou kunnen zeggen, in de gezamenlijke aura van het Mysterie van Golgotha. Toen lichtte door de Pinkstergebeurtenis in de individuele ziel op, dat wat zij eerst alleen als inzicht hadden door hun gemeenschapsleven, zodat elk individu nu een individuele verlichting doormaakte. Dit is het allerbelangrijkste, natuurlijk op een abstracte manier uitgedrukt. We moeten, willen we de juiste betekenis ervan begrijpen, het zich individualiseren van de boodschap van Pasen op het Pinksterfeest in onze ziel navoelen. Maar dan krijgen we de mogelijkheid om dat, wat gewild wordt door de geesteswetenschap, in de ware zin van deze Pinksterverkondiging te begrijpen. Want inderdaad wat in de geesteswetenschap wordt gezien als het meest op de voorgrond tredende is, dat elke menselijke ziel in de geesteswetenschap zelf de kern van haar wezen kan vinden, welke haar inzicht kan verschaffen over de na te streven werelddoelen. De toekomst van de mensheidsontwikkeling zal zich ontwikkelen, doordat de mensen steeds minder aangewezen zullen zijn op de gemeenschapsstructuur, op wat wordt gegeven door sociale structuren. Maar we hopen dat de mensen rijp zullen worden en in staat zullen zijn om uit zichzelf zo te leven, dat de ander naast hen een soortgelijk leven leiden kan. Dan zal innerlijke tolerantie de zielen aangrijpen en in de sociale structuur zal de vrijheid verwerkelijkt kunnen worden.
uit: Rudolf Steiner Erdensterben und Weltenleben (GA181)
14e voordracht Berlijn 21 mei 1918

In de oude tijden, toen kleine kringen van bloedverwantschap bestonden, voelde de mens zich deel van een familie, lid van een stam. En precies zoveel als de bloedverwantschap afneemt, zal de individuele zelfstandigheid groeien en toenemen. Dat deze werking van het Mysterie van Golgotha uitgaat, ziet u aan het feit dat de gebeurtenis de hele wereld moet omspannen, een religieuze impuls van hoogste betekenis wordt. Alles wat toen gebeurd is, was en is voorbereiding. De werking begint ermee, dat op het Pinksterfeest de Heilige Geest wordt uitgegoten. Wanneer men zo spreekt, dat wordt gesproken vanuit de ziel van de ander, niet meer egoïstisch, wordt het beste weergegeven waar gezegd wordt dat de apostelen tot alle mensen spraken in alle talen. Zo bereidt de Heilige Geest datgene voor dat door het bloed van de Zoon, van de Logos, van Christus wordt bewerkstelligd. ….
Met de gebeurtenissen op Pinksteren kwam op een wonderbaarlijke manier tot uitdrukking, dat de apostelen hun broederschap uitbreidden tot een mensheidsbond en in een taal spraken die iedereen kon verstaan. Dat zal meer en meer verwerkelijkt moeten worden, en wel bij de hoogste vorm van de individualiteit. De Geest der Waarheid verenigt ons allen.

uit: Rudolf Steiner: Ursprungsimpulse der Geisteswissenschaft
(GA 96) - voordracht Berlijn, 25 maart 1907

Mijn beste vrienden, het lot van de antroposofie zou hetzelfde moeten zijn als dat van het christendom. Daarvoor is echter nodig, dat de mensen vandaag de dag zich niet alleen richten op de dode woorden, die van Christus gewag doen, maar dat de mensen zich tot het inzicht wenden, dat tot het licht zelf voert, waarin de levende Christus is opgenomen – niet de historische, die eeuwen geleden op aarde leefde - die nu en ieder moment van de toekomst onder de mensen leeft, omdat Hij van hun God tot hun goddelijke broeder is geworden.
Zo willen we als Pinkstergedachten opnemen, dat we door de antroposofie de weg naar de levende Christus willen zoeken, en voelen dat daardoor in iedere antroposoof de eerste pinkstergebeurtenis tot vernieuwing kan worden, dat in het hart het inzicht over Christus zelf oplicht, en hij zich verwarmd en verlicht voelt door de vurige tongen van christelijke wereldkennis.
Moge onze weg tot de geest door middel van de antroposofie tegelijkertijd zijn: de weg door de geest tot Christus.

De slotwoorden van een voordracht gehouden in Kristiania (Oslo),
17 mei 1923
uit: Rudolf Steiner Welten-Pfingsten, die Botschaft der Anthroposophie –in: Menschenwesen, Menschenschicksal und Weltentwickelung (GA 226)


Glasinloodvenster Pinksteren in de Dom van Keulen

donderdag 13 mei 2010

Exaudi - 6e zondag na Pasen

Jean Fouquet: illustratie uit het getijdenboek
Heures d'Étienne Chevalier - La Descente du Saint Esprit.



Johannes 15 : 26 – 16 : 4 Wanneer de Trooster zal komen

Op de zondag tussen Hemelvaart en Pinksteren lezen we voor de laatste keer uit het 16e hoofdstuk van het Johannes-evangelie. De perikooptekst begint met het staartje van het 15e hoofdstuk en het is niet verkeerd ook dat hoofdstuk eens helemaal te lezen, waardoor de niet-eenvoudige tekst van deze perikoop in een groter verband kan worden bekeken.
Het 15e hoofdstuk begint met het laatste Ik-Ben-woord uit dit evangelie: ‘Ik ben de ware wijnstok’ (Joh. 15:1-17). We kunnen de zeven Ik-Ben-woorden opvatten als markeringen van zeven ontwikkelingsstappen. Misschien mogen wij het laatste Ik-Ben-woord opvatten als weergave van het bereikte inzicht, dat de Christuszon de oorsprong is van het ons zielelicht, en dat ons Ik zijn wortel heeft in Christus, onze naam (ik) wortelt in Zijn naam.
Vanaf Joh.15:18 spreekt Christus Jezus over ‘de wereld’. Dat is de geschapen wereld van de noodzakelijke natuurwetten. Een mens die alleen volgens die causale wetten leeft kan niet tot een zelfstandig Ik-wezen worden. Christus verschaft de mens mogelijkheid om zich tot een zelfstandig individu te ontwikkelen. Het Licht dat in de wereld kwam is immers ook de bron van ons zelfstandige denken.
De wereld zal die mens, die zelfstandig wil worden ten opzichte van de wereld, daarom haten en uitstoten: ‘omdat gij niet van de wereld zijt, maar Ik u uit de wereld uitgekozen heb, daarom haat u de wereld.’ (Joh.15:19).
De wereld van de Vadergod is de geschapen wereld van de uiterlijke natuur, van de substantie waaruit alles in opgebouwd, het goddelijke principe van waaruit de zichtbare schepping is ontstaan.
Wanneer ons hart zich wendt tot de Zoongod, kunnen denken, voelen en willen zich emanciperen van de noodzakelijkheid van de wereld. De Zoongod moet zich terugtrekken om de mens werkelijk de mogelijkheid te geven zijn zelfstandig Ik te ontplooien.
Met de Hemelvaart maakt Christus zelf een volgende stap in zijn ontwikkeling door. De opbrengsten van het Mysterie van Golgotha stromen niet van de aarde weg, maar worden in de levensorganisatie van de aarde afgedrukt. Christus trekt zich in hogere sferen terug en doordat Hij een hogere ontwikkelingsgraad bereikt, kan Hij de Heilige Geest naar de mens toezenden. Het zijn de wereldgedachten (Weltgedanken), die voor de mens toegankelijk worden, die zich in de Antroposofie openbaren. Met de lichtkracht van de Heilige Geest, de Trooster, de Geest der Waarheid, kan de mens zijn ontwikkeling zelfstandig gaan.

In de perikopennotitie uit 2009 werd deze tekst op een andere manier belicht.
(klik hier)

De volgende passages zijn overgenomen uit:
Rudolf Steiner: Samen met de ander - Uitgeverij Christofoor, Zeist

GOD DE VADER
Ik zie op tot God de Vader. God de Vader ligt ten grondslag aan de wereld die ik door mijn zintuigen kan waarnemen. Zij is zijn openbaring. Maar het is een wereld die ten onder gaat, en zij zal in deze ondergang ook de mens meeslepen, wanneer de mens geheel in haar zou opgaan, wanneer hij alleen het bewustzijn van God de Vader ontwikkeld zou hebben. De mens zou tot God de Vader terugkeren, hij zou geen verdere ontwikkeling meer kunnen doormaken. Er bestaat echter een opgaande wereld, die vóór alles juist door het toedoen van de mens bestaat. Adelt de mens zijn zedelijke idealen door het zich-bewust-zijn van Christus, door de impuls van Christus, ontwikkelt hij zijn zedelijke idealen zo, dat zij zijn zoals zij zouden moeten zijn tengevolge van het feit dat Christus op aarde is gekomen, dan leeft in hem in de wereld van zijn innerlijk, als een kiem voor de toekomst datgene, wat nu niet een ondergaande, maar een opgaande wereld is.

GOD DE ZOON
Nadat echter het Ik - ter wille van de vrijheid - in de materie verstrikt moest raken, moest nu, om weer uit dit verstrikt-zijn in de materie bevrijd te worden, de alles omvattende liefde van de Zoon tot de daad op Golgotha leiden. Alleen daardoor is menselijke vrijheid, is volledige menselijke waardigheid eerst mogelijk geworden. Dat wij vrije wezens kunnen zijn hebben wij te danken aan de daad van goddelijke liefde. Zo mogen wij ons als mensen vrije wezens voelen, maar wij mogen nooit vergeten dat wij deze vrijheid danken aan die daad van goddelijke liefde. Wanneer wij zo denken zal in het middelpunt van ons voelen deze gedachte reeds een plaats innemen: Gij kunt tot menselijke waardigheid komen; één ding slechts moogt gij niet vergeten: dat gij dat, wat gij zijt, aan Hem te danken hebt die u uw menselijk oerbeeld weer heeft teruggegeven door de verlossing op Golgotha!

DE HEILIGE GEEST
Hoe leren wij aanvaarden wat de toekomst brengen zal?
In haar ideale vorm is deze aanvaarding die zielsgesteldheid die altijd in staat is te zeggen: Wat ook komen moge, wat mij het volgende uur, de volgende morgen ook moge brengen, ik kan dit wanneer het mij volslagen onbekend is, door geen vrees of angst veranderen. Ik wacht het af met de volmaaktste innerlijke zielerust, met een gemoedsrust, gelijk aan een volmaakt kalme zee!
De ervaring, die uit een dergelijke gelatenheid ten aanzien van alles, wat in de toekomst moge geschieden, kan worden opgedaan is die, dat degene, die zo gelaten, met een gemoedsrust zo volkomen als de rust van een volmaakt stille zee, de toekomst tegemoet kan zien en toch zijn energie, zijn wilskracht op geen enkele wijze daaronder laat lijden: dat diegene de kracht van zijn ziel op de meest intensieve wijze, in de meest vrije vorm mag ontplooien. Het is alsof de ziel van de ene belemmering na de andere wordt bevrijd, wanneer steeds meer de stemming zich van haar meester maakt, die hier is gekenschetst als 'aanvaarding' ten aanzien van de gebeurtenissen, die van de toekomst uit naar ons toestromen.

maandag 10 mei 2010

Hemelvaart



Handelingen van de Apostelen 1:3–12

Wanneer we op zoek gaan naar de betekenis van Pasen, Hemelvaart en Pinksteren, vinden we bij de traditionele kerkgenootschappen voor het moderne bewustzijn, waarmee mensen ook geestelijke realiteiten denkend willen begrijpen, weinig aanknopingspunten.

Op Wikipedia vindt men de traditionele opvatting als volgt samengevat:
‘Volgens het christelijke geloof ging Jezus terug naar de hemel om te zitten aan de rechterhand van God de Vader, om zodoende te pleiten voor de gelovigen en mee te regeren. Door de Hemelvaart maakte Jezus de weg vrij voor de uitstorting van de Heilige Geest, hetgeen herdacht wordt op Pinksteren. Bij de Wederkomst zal Jezus terugkomen naar de aarde, om het Laatste Oordeel uit te voeren.’

Het bewustzijn van de tegenwoordige mens vraagt voor de innerlijke verbinding met het Christusmysterie meer dan algemeenheden. Daarom hebben we ter voorbereiding van onze lessen en de Handelingen andere inhouden nodig.
In de Perikopennotitie van 2009 (klik hier) zijn al enkele aspecten aangedragen, waaronder het gezichtspunt dat Christus juist niet terug naar de hemel gaat, maar zich met de voortgang van de aarde-evolutie verbindt. Als aanvulling daarop volgen hieronder opnieuw enkele citaten. Eerst twee gedeelten uit voordrachten van Rudolf Steiner:

Christus is naar de aarde afgedaald, zodat de mensen Hem op aarde konden aanschouwen, nadat zij Hem in de hemel niet meer konden schouwen, als herinnering. Dat is wat het Mysterie van Golgotha ons eigenlijk brengt, zoals het vanuit hedendaagse gezichtspunten voor het geestelijk oog verschijnt.
De leerlingen bezaten nog een rest van de oude helderziendheid. Zij konden dus Christus als hun leraar ervaren, zelfs na de opstanding toen Hij in het geestelijk lichaam leefde. Maar deze kracht verdween geleidelijk aan. En het volledig wegvallen van deze kracht wordt gesymboliseerd in het feest van Hemelvaart. Een diepe droefheid overviel de discipelen, omdat zij er van uitgingen dat Christus er niet meer was. Ze hadden de gebeurtenissen op Golgotha meegemaakt. Maar toen Christus uit hun bewustzijn verdween (zij zagen de gestalte van Christus in de wolken verdwijnen, dat wil dat zeggen, uit hun bewustzijn verdwijnen) moest het hun voorkomen dat Christus niet meer op aarde was. Zij raakten in diepe droefenis. Alle echte inzicht is uit droefenis, uit pijn, uit verdriet geboren. Uit plezier zouden deze diepgaande inzichten niet geboren zijn. Werkelijk diepgaand inzicht komt voort uit lijden. En uit het lijden dat voor de discipelen van Christus het gevolg was van de Hemelvaart, uit dit diepe ziele-verdriet is het Pinkstermysterie voortgekomen. Voor de uiterlijke instinctieve helderziendheid van de leerlingen verdween de aanblik van Christus. In hun innerlijk ontwaakte de kracht van Christus. In hun innerlijk kwam de kracht van Christus op. Christus zond hen de Geest, die het voor hun zielen mogelijk maakte Zijn Christus-bestaan in hun innerlijk te voelen.

uit: Rudolf Steiner: Menschenwesen, Menschenschicksal und Weltentwickelung (GA 226) - Kristiania (Oslo), 20 mei 1923

De jongeren zeiden dan ook onder elkaar: Uit de ogen van Jezus van Nazareth straalt het licht van de zon tot ons, uit de woorden van Jezus van Nazareth spreekt tot ons de kracht van de verwarmende zon. Als Jezus van Nazareth met ons is, is het alsof de zon zelf haar lichtende kracht in de wereld uitzendt.
Degenen, die dat konden begrijpen, zeiden tegen zichzelf: Zo verblijft in een mens het zonnewezen bij ons, dat vroeger alleen bereikt kon worden als de blik vanaf de aarde omhoog gericht werd naar de geestelijke wereld. – En omdat de leerlingen en apostelen in staat waren om dit te zeggen, hadden ze ook de juiste houding tot en het begrip voor de dood van Christus. Daardoor konden zij leerlingen van Christus Jezus blijven, ook toen de Christus Jezus reeds door de dood op aarde was gegaan.
We weten uit op geesteswetenschappelijke manier verkregen inzichten, dat Christus toen Hij het lichaam van Jezus van Nazareth had verlaten, geestelijk met zijn leerlingen verkeerde en hen verder onderrichtte. De kracht die de discipelen en apostelen ontvingen, zelfs wanneer Christus alleen nog in een geestlichaam aan hen verscheen, om hen te onderrichten, deze kracht ging na enige tijd verloren. Er is een moment in het leven van de leerlingen van Christus Jezus waarop zij tegen elkaar zeiden: We hebben Hem gezien, maar we zien Hem niet meer. Hij is vanuit de hemel tot ons afgedaald. Maar waar is Hij heengegaan?
Dit tijdstip, waarop de leerlingen geloofden de aanwezigheid van Christus weer verloren te hebben, is voor ons vastgehouden in het christelijke Hemelvaartsfeest. Daarmee wordt gewezen op het feit dat voor het bewustzijn van de leerlingen de Hoge Zonnegeest, die in de mens Jezus van Nazareth de aarde bewandelde, weer verdwenen was. Nadat de discipelen dit beleefden, beving hen een diep gevoel van droefenis, die zich met niets laat vergelijken dat op aarde aan verdriet bestaat. Wanneer in de oude mysteriën, waar de zonnecultus werd gevierd, het beeld van de zonnegod in de aarde werd gelegd om het pas na dagen weer tevoorschijn te halen, kwam er over de zielen iets als grote treurnis over de dood van de godheid. Maar dit rouwen laat zich niet vergelijken met de grote droefheid, die nu in de harten van de leerlingen van Christus kwam.
Alle echte grote kennis is geboren uit pijn en zorgen. Wanneer men met de middelen van kennis, die zijn beschreven door de antroposofische geesteswetenschap, de weg naar hogere werelden probeert te gaan, ook dan kan men slechts zijn doel bereiken, wanneer men door pijn heengaat. Zonder dat men lijdt, veel lijdt en daardoor vrij kan worden van bedroevende pijn, kan men de geestelijke wereld niet leren kennen.
De leerlingen van Christus hebben in de tijd, die ons door de tien dagen na de Hemelvaart is aangegeven, enorm geleden omdat voor hen de aanblik van Christus was verdwenen.

uit: Rudolf Steiner: Welten-Pfingsten, die Botschaft der Anthroposophie - een voordracht Kristiania (Oslo), 17 mei 1923 in: Menschenwesen, Menschenschicksal und Weltentwickelung (GA 226)

Friedrich Benesch, priester van de Christengemeenschap, zoekt de toegang tot de Hemelvaart aan de hand van het fenomeen van de vorming van wolken in de lucht. Hij duidt erop dat het wezen van Christus zich werkelijk in de atmosfeer van de aarde, om de aarde bevindt. Het kijken naar de wolkenformaties, zoals men volgens het leerplan gewend is te doen tijdens de periode meteorologie in de 6e klas van vrijescholen (groep 8), kan ook eens gedaan worden met het bewustzijn dat men kijkt naar de werkingssfeer van het Christuswezen. De leraar Religieuze Oriëntatie zou dat aspect eventueel ter sprake kunnen brengen. In de kleuren van de zonsopgang en/of zonsondergang kan men een openbaring (= in het zichtbare verschijnend) zien van het zielewezen van de kosmische Christus, die zich tot het einde der tijden met de aardesfeer verbonden heeft: 'En zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld." (Mattheüs 28:20)
bron: Friederich Benesch: Natuurwaarneming als sleutel tot de Hemelvaart van Christus - Uitgeverij Christofoor, Zeist

Emil Bock beschrijft in een van zijn boeken de gang van de apostelen vanuit de beschutte binnenruimte van de avondmaalzaal, waar zij verbleven na de gebeurtenissen rond Pasen, naar de buitenwereld van wind, licht en wolken. Het Lucas-evangelie (24:50) vermeldt: ‘Hij nam hen (de leerlingen) mee de stad uit naar Bethanië. Daar hief Hij zijn handen op en zegende hen.’
Bethanië ligt op een berg –de Olijfberg- niet ver van Jeruzalem vanwaar je beneden je de stad kunt zien liggen. De veertigdagentijd na Pasen verbindt Bock met de veertig dagen na de Doop in de Jordaan, die Christus Jezus in de woestijn verbleef. Op dat moment had Christus zich met enorme kracht kunnen openbaren en de wereld als een magiër kunnen redden uit de klauwen van de tegenstandersmachten. Hij heeft dat echter niet gedaan en heeft in alle stilte de drie jaren op aarde volbracht. Na het Mysterie van Golgotha heeft Christus nogmaals in stilte en met zijn eerst nog delicate opstandingslichaam, -het nieuwe en geestelijke fysieke lichaam- zich alleen aan zijn naaste leerlingen en apostelen getoond. Na veertig dagen treedt Hij met hen naar buiten en gaat naar de berg. Men zou daarin ook de voorschouw van de drie apostelen tijdens de Verheerlijking op de Berg kunnen herkennen. Het stralende opstandingslichaam toont Hij in al zijn glorie waarna het wordt opgenomen in de atmosferische elementen van lucht en water -de wolken- om daarin verder werkzaam te blijven.
Het Christusoffer is echter niet ten bate van slechts een kleine groep leerlingen. Zijn liefdedaad heeft een werking die de hele mensheid ten goede komt. Hij wordt door de wolken in het aarde-ether-element opgenomen. Daardoor wordt Hij ‘Heer der Hemelkrachten op aarde’. Door Hem wordt de aarde tot hemel, schrijft Emil Bock. De grote offerende zelfverwandeling, die de Opgestane veertig dagen na Pasen volbracht, was een overgang van de bijzondere geestlichamelijkheid naar de alom tegenwoordige geestelijke lichamelijkheid.
De leerlingen konden hun meester niet volgen en bleven alleen en vertwijfeld achter. Ze dachten Hem nu totaal verloren te hebben. Maar dan volgt na tien dagen Pinksteren.
bron: Emil Bock: Cäsaren und Apostel, Urachhaus, Stuttgart


Vlaams Miniatuur (1450-1475)

maandag 3 mei 2010

Rogate - 5e zondag na Pasen

Domenico Ghirlandaio (1449-1494): Johannes de Evangelist - Fresco in de Cappella Tornabuoni, Santa Maria Novella, Florence

Johannes 16 : 23 – 33 Vraagt in mijn naam

Zoals al eerder aangegeven lezen we op de zondagen voor en rond Hemelvaart het hele 16e hoofdstuk uit het Johannes-evangelie. Men zou deze vier perikopen een keer achter elkaar kunnen lezen om een overzicht van het geheel te krijgen: d.w.z. de perikoop van Exaudi (Joh.15:26-16:4), Cantate (Joh.16:5-15), Jubilate (Joh.16:16-22) en Rogate (Joh.16:23-33), respectievelijk de 6e, 4e, 3e en 5e zondag na Pasen. We lezen dan het laatste onderricht dat Jezus zijn leerlingen gaf, over de ophanden zijnde kruisdood en verrijzenis, maar vooral over de verhouding tussen Vader, Zoon en Heilige Geest, de Triniteit. Het zijn geen eenvoudig toegankelijke teksten, maar met behulp van de inzichten door Rudolf Steiner aangedragen als resultaat van zijn geesteswetenschappelijk onderzoek, kunnen we tot beter begrip komen. We lazen naar aanleiding van de perikooptekst voor Jubilate al over de inhoud van de term ‘de Vader’. Hieronder opnieuw twee citaten uit voordrachten.

Christus heeft degene, die zijn leerlingen waren, onderwezen. Om hen voor te bereiden op het meest grootse, past Hij een methode toe die noodzakelijk is, opdat zij het meest grootse op een passende manier leren begrijpen. Hij spreekt namelijk tot zijn leerlingen in gelijkenissen, in beeldspraak. Dan komt het moment dat de leerlingen steeds rijper worden en waarop zijzelf geloven dat zij rijp genoeg zijn om de waarheid te horen zonder gelijkenis. En Jezus Christus zorgt ervoor dat de tijd komt dat Hij niet meer in gelijkenissen maar zonder beeldspraak tot de apostelen wil spreken. Want de apostelen willen de naam horen, waarvoor Hij in de wereld is gekomen; de belangrijke naam willen zij horen:
'Tot nu toe hebt gij niets gevraagd in mijn naam. Vraagt, en ge zult ontvangen, opdat uw vreugde volkomen wordt. Dit alles heb ik in beeldspraak tot u gezegd. Het uur komt dat ik niet meer in beeldspraak tot u zal spreken, maar rechtstreeks door het woord van de Vader zal verkondigen.’
Wij voelen hier de tijd naderen dat Hij tot de leerlingen spreken wil over de Vader!
‘Op die dag zult ge in mijn naam vragen. En ik zeg u niet dat ik de Vader zal vragen voor u. Want de Vader zelf heeft u lief, omdat gij mij hebt liefgehad en leeft in het vertrouwen dat ik van God ben uitgegaan.’ … ‘Ik ben uitgegaan van de Vader en ben in deze wereld gekomen. Wederom verlaat ik deze wereld en ga tot de Vader.’
Nu begint het bij de leerlingen te dagen, omdat zij daarvoor rijp zijn, dat de wereld zoals die om ons heen is, de uiterlijke uitdrukking van de Vader is, en dat hetgeen in de buitenwereld de meest belangrijke expressie van de Vader is - waar de uiterlijke wereld het meest Maja of illusie is – ‘de dood’ de naam van de Vader is. Dat besef licht op in de discipelen. Men moet het alleen op de juiste manier lezen.
Zijn leerlingen zeiden: Zie nu spreekt ge rechtstreeks, door het woord en gebruikt geen beeldspraak. Nu weten wij dat ge alles doorziet en dat de vragen die men u stelt onnodig zijn. Daarom vertrouwen wij dat ge van God zijt uitgegaan. Jezus antwoordde hun: Nu vertrouwt ge? Zie, het uur komt en is al gekomen dat ge uiteengedreven wordt, ieder op zichzelf. Mij zult ge alleen laten. Maar ik ben niet alleen, want de Vader is met mij. Dit heb ik tot u gesproken, opdat ge in mij vrede vindt. In deze wereld krijgt ge het zwaar te verduren. Maar houdt moed, ik heb de wereld overwonnen. (vert. Julia van Andel)
Wisten de leerlingen nu waar Hij heen ging? Ja, ze wisten van dit moment af: Hij gaat tot de dood, Hij is trouw aan de dood. En nu kunt u lezen, wat Hij tot hen zei, nadat ze de woorden ‘Ik ben uitgegaan van de Dood’ hadden leren begrijpen, dat wil zeggen: van de Dood in zijn ware gestalte, van de levende Vader, ‘en ben in deze wereld gekomen. Wederom verlaat ik deze wereld en ga tot de vader.’ Dan zeggen de leerlingen: ‘Nu weten wij dat ge alles doorziet en dat de vragen die men u stelt onnodig zijn. Daarom vertrouwen wij dat ge van God zijt uitgegaan.
Nu weten de discipelen dat de ware gedaante van de dood zijn oorsprong heeft in de goddelijke Vader-geest, dat de dood zoals hij door de mensen wordt gezien en ervaren bedrieglijke schijn is, een vergissing is. Zo openbaart Christus aan zijn leerlingen de naam van de dood, waarachter zich de bron van het hoogste leven verbergt. Nooit zou de nieuwe levens-zon zijn ontstaan, wanneer niet de dood in de wereld was gekomen en zich had laten overwinnen door Christus. Zo is de dood, in zijn ware gedaante beschouwd, de Vader. En Christus is in de wereld gekomen omdat van de Vader in de dood een verkeerd spiegelbeeld is ontstaan. Christus is in de wereld gekomen om de werkelijke vorm, een getrouw beeld van de levende Vader-God te verschaffen. De Zoon stamt af van de Vader en openbaart de ware gedaante van de Vader. Waarlijk, de Vader heeft zijn Zoon in de wereld gezonden, opdat de ware natuur van de Vader openbaar zou worden. Dat is het eeuwige leven, dat zich achter de tijdelijke dood verbergt. Dit is niet alleen kosmologie vanuit de geesteswetenschap, het is wat er nodig is om de gehele en volledige diepte van het Johannes-evangelie te doorgronden.
uit: Rudolf Steiner: Das Johannesevangelium im Verhältnis zu den drei anderen Evangelien (GA 112) – 13e voordracht Kassel, 6 juli 1909

Bij een andere gelegenheid spreekt Rudolf Steiner over de verhouding tussen de Vadergod en Zoongod naar aanleiding van het Onze Vader. Wat hij dan zegt kan ook nog licht werpen op de tekst voor deze Rogate-zondag.

Daarin ligt het hele geheim van Christus. Dit christusgeheim zal niet goed begrepen worden, zolang als het begin van het Johannes-evangelie niet begrepen wordt. Aan het begin van het Johannes-evangelie leest u:
‘Alles is door het Woord ontstaan, en zonder dat is niets ontstaan, dat bestaat.’
(vert. Julia van Andel).
Wanneer men de wereldschepping toeschrijft aan de Vader-God, dan gaat men in tegen wat het Johannes-evangelie zegt. Men houdt zich alleen aan het Johannes-evangelie, wanneer men voor zichzelf duidelijk heeft, dat alles wat ontstaan is, wat men in de wereld om zich heen heeft, door het Woord is ontstaan, dus in christelijke betekenis, door de Zoon; dat de Vader het substantieel ten grondslag liggende, het bestaangevende is, dat de Vader geen naam heeft, maar dat zijn naam juist hetgeen is, wat in Christus leeft. Dit hele christusgeheim ligt in de woorden “Uw naam worde geheiligd”, want de naam van de Vader wordt gegeven in Christus.
uit: Rudolf Steiner: Vorträge und Kurse über christlich-religiöses Wirken (GA 343) 2e Priestercursus
8e voordracht, Dornach 30 september 1921

Men kan over deze perikooptekst ook de bijdrage uit 2009 lezen. (klik hier)

Jacopo Bellini (ca. 1400 – 1470): Johannes de Evangelist