vrijdag 23 december 2011

De betekenis van de Kinderhandeling

In deze bijdrage op het weblog publiceren we van Daan van Bemmelen een autoreferaat van zijn voordracht gehouden op een conferentie voor leraren religieuze oriëntatie.
We kozen voor deze inhoud omdat van Bemmelen o.a. spreekt over de Kinderhandeling, de eerste levensjaren van een kind en het mysterie van het Jezuskind dat geboren wordt in de stal in Bethlehem.
Van Bemmelen benadrukt de betekenis van de Kinderhandeling als cultus binnen de vrijeschool-beweging en de antroposofische beweging in zijn geheel.


Rembrandt: Aanbidding der Herders


DE BETEKENIS VAN DE KINDERHANDELING
Autoreferaat van een voordracht door Daan van Bemmelen

Het was in de winter van 1919 toen Herbert Hahn en Friedrich Oehlschlegel bij Rudolf Steiner kwamen met de vraag op welke manier men voor de leerlingen van het vrije godsdienstonderwijs in de Stuttgarter Waldorfschool op de zondagen een religieuze viering gestalte zou kunnen geven. Daarop antwoordde Rudolf Steiner: ‘Dan moet het ook een cultus zijn! Maar het zal moeilijk worden dat vorm te geven. Als we zoiets gaan doen mag het niet mislukken. Het zal zo moeten worden dat het ‘Taboe’ is.’ En na een kort zwijgen voegde hij eraan toe: ‘Ik zal er over nadenken, of we het kunnen doen. Als het ons lukt dan zal hetgeen dan ontstaat ook de eerste poging zijn om aan te knopen bij het esoterische werk dat gedurende de oorlog (1e Wereldoorlog 1914-1918) moest worden stopgezet.’

Enkele dagen later liet Rudolf Steiner de twee leraren bij zich komen in de Landhaussstrasse en overhandigde hen de tekst van de Zondagshandeling. De heer Oehlschlegel reisde kort daarop af naar Amerika en keerde niet meer terug. Daarom moest Herbert Hahn lange tijd alleen de Kinderhandelingen houden, de eerste maal op 1 februari 1920. Hij vertelde ons: ‘Toen de Christengemeenschap geïnaugureerd werd, mochten drie vrienden uit het Stuttgarter lerarencollege deelnemen aan de eerste twee priestercursussen die Rudolf Steiner in Dornach gaf (GA 342 en GA 343). Daar verzocht Rudolf Steiner ons de tekst van de Kinderhandeling ook aan de priesters van de Christengemeenschap te geven. Elk woord werd door Rudolf Steiner nog eens doorgenomen, elke lettergreep werd door hem bevestigd.’ Friedrich Oehlschlegel had namelijk de originele tekst, die hij van Rudolf Steiner gekregen had, verbrand en Herbert Hahn had er slechts een afschrift van.

Het was namelijk zo dat de priesters van de Christengemeenschap te kennen hadden geven ook voor kinderen een viering te wensen. Rudolf Steiner antwoordde daarop, dat hij niet voor een tweede keer een Kinderhandeling kon geven, maar dat hij bij de godsdienstleraren van de Waldorfschool navraag zou doen. Hierom moeten we ons tegenwoordig ervan zeer bewust zijn, welke enorme ‘esoterische’ betekenis deze Kinderhandeling, die aan de vrijeschool-beweging gegeven is, heeft als cultus binnen de antroposofische beweging.

De Kinderhandeling heeft in de mensheidsgeschiedenis een andere oorsprong dan de Offerhandeling en de Mensenwijdingsdienst (van de Christengemeenschap). Deze laatste twee zijn beeld van het Laatste Avondmaal. Het Avondmaal kan men zien als een handeling uit de oude mysteriën, die met het Mysterie van Golgotha een vernieuwing heeft gekregen. Door het Mysterie van Golgotha - de kruisdood en de opstanding - werd Christus pas als het Wereld-Ik op de aarde geboren. Daardoor werd de aarde Zijn lichaam en Zijn bloed. Met deze ‘Ik-geboorte’ begon het leven van Christus pas werkelijk. Na de opstanding leefde en wandelde Hij in etherische gedaante met Zijn apostelen tot Hij met Hemelvaart voor hun blik verdween zoals een mens door de dood voor onze blik verdwijnt. Met Pinksteren stortte Zijn Heilige Geest zich uit over de apostelen, zoals de mensenziel zich na de dood uitgiet in de geestelijke wereld der hiërarchieën. Elk jaar wordt Hij opnieuw geboren als het Wereld-Ik, wanneer de mensheid in de cultus Pasen viert. Alles wat zich in de tijd tussen Hemelvaart en het volgende Paasfeest afspeelt, is te vergelijken met het leven van een mens in de tijd tussen dood en nieuwe geboorte, alleen met dit verschil dat Christus niet het lot van de aarde aan de hemel toevoegt, maar dat Hij het lot van de hemel toevoegt aan de aardewereld.
We kunnen begrijpen, waarom Rudolf Steiner de drie jaren tussen de Doop in de Jordaan en het Mysterie van Golgotha als voorstadia van de Ik-geboorte heeft gezien of zelfs vergeleek met de embryonale tijd van een kind in een moederlichaam. Toen ging het om het Jezus-mysterie, niet primair om het Christus-mysterie. Het Jezus-mysterie wijst naar het Kerstfeest. We kunnen nu ook begrijpen dat Rudolf Steiner de tekst van de Kinderhandeling in de kersttijd gaf, omdat die haar oorsprong in het Jezus-mysterie heeft.
De samenhang tussen het Jezus-mysterie en de ontwikkeling van het kind heeft Rudolf Steiner uitgelegd in zijn boek ‘De Geestelijke Leiding van Mens en Mensheid’. Daarin behandelt hij, hoe in de eerste drie levensjaren vanuit de voorgeboortelijke wereld, waarin het hogere-Ik van het kind leefde, wijsheidsvolle, bovenzinnelijke krachten in de kinderlijke aura binnenstromen. Deze krachten zijn het, die de mens de mogelijkheid geven rechtop te gaan staan, het strottenhoofd te vormen zodat hij spreken kan, en de hersenen zo te vormen dat die een levend werktuig worden voor de gedachten, het gevoelsleven, en de wilsuitingen. Slechts gedurende de drie eerste levensjaren kunnen deze wijsheidsvolle, bovenzinnelijke krachten in het kind werkzaam zijn, dan moeten zij zich terugtrekken. Daarna ontwaakt in het kind de eerste zelfbewuste Ik-beleving en dat is het moment tot waar iedere mens met zijn herinnering kan terug gaan.

‘Wat hier verondersteld werd, heeft echter in de geschiedenis plaatsgehad. Het menselijk organisme, dat bij de doop door Johannes aan de Jordaan stond, toen het Ik van Jezus van Nazareth uittrad uit het aardse lichaam, droeg na de doop, in volledig bewuste vorm, dat hogere mensheids-Zelf in zich, dat anders onbewust en met de wereldwijsheid aan het kind werkt. [...]
Wat is de betekenis van dit hogere Ik, dat verbonden is met de geestelijke hiërarchieën en dat door bezit te nemen van het menselijk lichaam van Jezus van Nazareth in de tijdstroom binnentrad; een binnentreden, dat symbolisch wordt voorgesteld door het teken van de nederdalende geest in de gedaante van een duif, vergezeld van de woorden: “Dit is mijn zeer geliefde zoon, heden heb ik hem verwekt” (want zo luidden de woorden oorspronkelijk). Houdt men dit beeld voor ogen, dan aanschouwt men het hoogste menselijke ideaal. Want het betekent niet anders dan dat in de geschiedenis van Jezus van Nazareth verhaald wordt: in ieder mens kan men de Christus herkennen!’

uit Rudolf Steiner: De Geestelijke Leiding van Mens en Mensheid

Zo wordt in ieder kind pas op het moment van de Ik-geboorte (tegen het 3e jaar, het moment waarop het zijn herinneringsvermogen ontvangt) een aardeburger, want daarvoor was het nog een hemelburger.
Wil de mens in het latere leven de weg naar de hemel terugvinden, dan moet hij zich oefenen in het ‘geest-herinneren’, totdat hij over de drempel van zijn eerste herinnering in de tijd van zijn Ik-geboorte komt. Dat wordt in het Nieuwe Testament aangegeven met de woorden: ‘Zo gij niet wordt als de kinderen, kunt gij het hemelrijk niet binnentreden!’

In die richting moet de leraar religieuze oriëntatie de kinderen tot bewust beleven brengen, wat zij in onbewuste slaaptoestand tijdens de eerste drie levensjaren hebben meegemaakt. En dat wordt ook door de Kinderhandeling op plechtige wijze getoond. Om dit te kunnen volgen, moeten we ons verdiepen in het Jezus-mysterie met behulp van de antroposofie, zoals Rudolf Steiner het heeft besproken in zijn voordracht ‘Der Christus Impuls im Zeitenwesen und sein Walten im Menschen’. (Pforzheim, 7 maart 1914 – in: GA 152).

Toen het Christuswezen door de Doop in de Jordaan woning nam in het lichaam van de dertigjarige nathanische Jezus, hoefde Hij het lopen, spreken en denken niet meer te leren, omdat het Jezuskind uit het Lucas-evangelie dat al had doorgemaakt. Op eerdere momenten in de wereldontwikkeling echter had het wezen, dat als het Jezuskind uit het Lucas-evangelie geboren werd, de bovenzinnelijke krachten van Christus naar omlaag gehaald, zodat het voor de mens mogelijk werd zich op te richten, te spreken en te denken. Dat gebeurde, toen dit Jezus-wezen, dat toen nog als een aartsengel-achtig wezen in de geestelijke wereld leefde, driemaal met de Christus-impuls werd doordrongen, eenmaal in de Lemurische tijd, daarna in het begin van de Atlantische tijd en tenslotte nog eenmaal tegen het einde van de Atlantische tijd.

Gedurende de Lemurische tijd leerde de mens langzaamaan het rechtop staan en gaan. De mens had door de werking van het Ik, dat hem door de Geesten van de Vorm uit hun eigen substantie was geschonken, de verticale stand verkregen. Daardoor had de mens zich opgericht uit de horizontale positie, die de mens had gedurende de Oude Maantijd en waarin de dieren gebleven zijn. Door deze opgerichte stand was de mens boven de geestelijke krachten van de aardse natuur verheven. Lucifer en Ahriman konden daardoor de menselijke natuur in wanorde brengen. Zij konden de zintuigorganen doordringen en deze tot zelfzuchtige belevenissen voeren. Om dit gevaar te bannen, werd het engelwezen d.w.z. het zielewezen van de nathanische Jezus, met de Christuskracht doordrongen. Hij belichaamde zich in een etherische mensengestalte en liet hierin krachten uit de sfeer van de geestelijke zon en tegelijk ook vanuit de twaalf beelden van de dierenriem binnenstromen. Hierdoor werden de zintuigorganen van de mens, welke na de Zondeval ten prooi waren gevallen aan begeertekrachten, tot onzelfzuchtige dienaren voor de waarneming. Het gevolg van deze heilsdaad is nu nog steeds zichtbaar in het zich oprichtende kleine kind, dat door de zintuigwaarnemingen de medemensen kan gaan nabootsen.

Het tweede, dat de mens van de dieren onderscheidt, is het spreken. Het vermogen tot spreken verkreeg de mens door de gave van de zonnegeesten in de eerste Atlantische tijd. Maar het vermogen tot spreken zou door de aanval van Lucifer en Ahriman alleen maar als uitdrukking van gevoelens, van begeerte, hebzucht, walging of pijn zijn gebleven, die uit de levensorganen zouden zijn opgestegen. De mens zou alleen hebben kunnen brabbelen en enkel tussenwerpsels hebben kunnen gebruiken, maar hij zou nooit een goed woord hebben kunnen uitspreken. Opnieuw doordrong de hemelse ziel van de nathanische Jezus zich met de Christus, om daarmee de mensheid te redden. Vanuit de zeven sferen der planeten zond hij zijn krachten in de lichamelijke organen, waardoor deze van de egoïstische werking van de luciferische-ahrimanische krachten werden bevrijd. Tegelijkertijd werd de mens, door boden vanuit de geestelijke wereld, de oertaal geleerd. Het gevolg van deze tweede heilsdaad maakt het mogelijk, dat ieder kind, nadat het heeft leren lopen, door nabootsing kan leren spreken.

De derde Christus-gebeurtenis vond plaats gedurende de laat-Atlantische tijd, toen de zielekrachten van de mens door de luciferisch-ahrimanische invloed volledig in chaos dreigden te geraken. We kunnen daarover lezen in Rudolf Steiners boek 'De Akasha-Kroniek’ (GA 11) het hoofdstuk ‘Onze Atlantische Voorouders’, waarin het verraad van de mysteriën door de oer-Turaniërs wordt beschreven. Door misbruik van de zielekrachten werden de natuurelementen in wanorde gebracht, wat de Zondvloed – d.w.z. de ondergang van Atlantis - tot gevolg had. Als tegenbeweging tegen deze gebeurtenissen werden bij de oer-Semieten door Manu (Noach) en zijn volgers de denkkrachten tot ontwikkeling gebracht. Ook hierbij zien we een samenhang met de kosmische daad van de Heiland, die zich met het Christuswezen verbonden had, die zich in de sfeer tussen de zon en de maan bevond. Van daaruit overwon hij het boze, dat als een draak de mensheid bedreigde. Hij zond zijn helpende kracht naar mensen die van goede wil waren. Het ging erom, dat het spreken doordrongen werd met de wijsheid van de Logos, het kosmische Wereldwoord, waardoor zich later in de mens de denkende intelligentie kon ontwikkelen. Het eigenlijke zelfstandige denken kon pas 800 jaar vóór het Mysterie van Golgotha geboren worden, zoals dat blijkt in de Griekse filosofie. Bij het kind kan men echter zien, dat door zinvol gebruik van de taal, zich in aanleg de denkkrachten ontwikkelen.

Wanneer men bedenkt dat de nathanische Jezus met deze drie heilsdaden bewerkstelligd heeft, dat het kind door de Christuskrachten kan leren lopen, spreken en denken, dan begrijpt men dat Rudolf Steiner zei: ‘Het erkennen van de in de kinderleeftijd aan de mens werkzame krachten, betekent Christus in de mens erkennen.’

Wil men het kind in de leeftijd tussen 7 en 14 jaar tot Christus voorgaan, dan kan men dat het best doen via het kinder-mysterie van de nathanische Jezus. Want in Hem is eenmaal voor de gehele mensheid gebeurd, wat altijd en in elk individueel kind steeds weer opnieuw gebeurt voordat het tot de Ik-geboorte komt. Het eenmalige gebeuren in Nazareth kan als beeld worden geplaatst in de Kinderhandeling voor het kind na het 7e jaar.

---

Ik zou het nu willen wagen om te proberen een exegese van de Kinderhandeling te geven:

Allereerst richt degene die de Handeling voltrekt zich tot de kinderen en zegt dat zij zich verheffen tot de Geest. Alleen de mens, die zich in zijn vroege jeugd heeft opgericht vanuit het horizontale vlak, kan zich in religieuze zin ‘verheffen’. Iedere ochtend, wanneer we opstaan, verheft de mens zich vanuit het horizontale in de verticale stand. Dan ziet hij rondom zich heen en ziet, dat de stenen rusten, hoe de planten groeien, hoe de dieren over de aarde kruipen en lopen, en hoe de mensen handelen en lopen. In al deze wezens moet hij de werking van de geest leren zien. En hij moet zien, hoe de geest ze in het leven en in de dood voert. In dit gedeelte van de Kinderhandeling wordt nog niet van ‘God’ gesproken, maar van ‘Geest’.

Daarna keert de handelende zich om en wijst op de beeltenis van de Christus-Jezus. De naam van de geest, die in Hem woning nam, wordt nu uitgesproken. Verder wordt in eenvoudige woorden over het Mysterie van Golgotha gesproken en hoe Christus daardoor woning kan krijgen in onze harten en zielen.

Dan keert de handelende zich weer naar de kinderen en spreekt tot hun denkend vermogen over wat zij op school leren. Het moet ertoe bijdragen de geest van Christus te begrijpen, dat betekent, Hem als leraar aller leraren te zien. En het hoogste wat Christus de mens leert, is de mensenliefde, de liefde van de mensen tot elkaar.
Zo brengt de Kinderhandeling bij de kinderen via drie stappen het bewustzijn, hoe de Christusgeest ten eerste in de opgerichte mens, ten tweede in de sprekende mens, en ten derde in de denkende mens heeft gewerkt.

Hierna kunnen de kinderen in het gebed zich religieus tot de Godesgeest verheffen (nu pas wordt Hij ‘God’ genoemd), om als een rechtopstaand wezen Hem te vereren, als sprekend wezen Hem lief te hebben, en als denkend wezen aan Hem te denken.
Daarna kunnen de kinderen tot het Ik-bewustzijn komen: ten eerste in het gebed, wanneer zij zeggen, dat zij alleen zijn, of met mensen tezamen zijn, en ten tweede wanneer zij de handelende antwoorden: ‘Ik wil Hem zoeken.’

Nadat het kind tot zijn vroegste jeugd, waarin de Christusgeest werkte, wordt teruggeleid, en nadat het in de herinnering wordt teruggeleid tot het ogenblik, dat het voor het eerst ‘Ik’ zei, wordt het in de gemeenschap van Christus opgenomen. Nu kan het evangelie worden gelezen.

Aan dit feit, dat het evangelie in de Kinderhandeling aan het einde wordt gelezen (in tegenstelling tot de Offerhandeling waar het evangelie aan het begin klinkt) kan men zien, dat de Kinderhandeling zijn oorsprong heeft in de tijd vóór het Mysterie van Golgotha, terwijl de Offerhandeling (en de Mensenwijdingsdienst) zijn vernieuwing heeft gekregen door en na het Mysterie van Golgotha.

-

D.J. van Bemmelen (1899–1982)
de eerste vrijeschool-leraar in Nederland (Vrijeschool, Den Haag)

Bibliografie:
Rudolf Steiner: Vorstufen zum Mysterium von Golgotha (GA 152)
voordracht Pforzheim, 7 maart 1914 ‘Der Christus Impuls im Zeitenwesen und sein Walten im Menschen’.
Rudolf Steiner: Vorträge und Kurse uber christlich-religiöses Wirken deel I (GA 342)
en deel II (GA 343).
Rudolf Steiner: De Geestelijke Leiding van Mens en Mensheid (GA 15)
Rudolf Steiner: De Akasha-Kroniek (GA 11)

Afbeeldingen: www.statenvertaling.net

Rembrandt: Aanbidding der Herders

vrijdag 9 december 2011

Het Maria-geheim van de mensenziel

Fra Angelico: Annunciatie - Florence, Museo di San Marco, cel no.3

Het Maria-geheim van de mensenziel
Rudolf Frieling

Lucas als Maria-evangelist


De evangelist Lucas, aan wie wij het Kerstverhaal te danken hebben, is tevens de Maria evangelist bij uitstek. Herhaaldelijk komen wij Maria tegen in de beide 'jeugdhoofdstukken', waarmee het evangelie begint, als de ziel van deze wereld die in het teken van Advent en Kerstmis staat. Het begint met de verschijning van de engel van de verkondiging aan de maagd Maria in Nazareth. Zij neemt als 'de dienstmaagd des Heren' gewillig en vroom het aandeel aan het komende heilsgebeuren, dat haar is toegedacht, op zich. Op de groet van de engel volgt dan de zaligprijzing door Elisabeth, die andere aanstaande moeder. Maria antwoordt daarop met de hymne 'Magnificat': 'Wijd wordt mijn ziel en prijst de Heer'. Later zal zij in Bethlehem het kind in de kribbe leggen en de woorden van de engel in haar hart overdenken en bewaren. Als het kind in de tempel aan God wordt opgedragen klinkt van verre even iets van de Lijdensweg door – ‘door uw ziel zal een zwaard gaan'. En wanneer zij later voor het raadsel van de twaalfjarige Jezus in de tempel staat, begint voor haar reeds de smart, maar zij neemt de wonderlijke woorden van de jongen diep in haar ziel op.
In alles wat Lucas hier op zo heilige en tere wijze verhaalt, heeft men altijd weer iets van een oerbeeld gezien. Los van de vraag, of het hier om geschiedkundige feiten gaat, hebben deze gebeurtenissen in de wijze waarop zij in hun opeenvolgingen als beeld beschreven zijn, iets in zich, waardoor bepaalde geheimen van de mensenziel zichtbaar worden. 'Gij moet Maria worden en God in u doen geboren worden', dichtte Angelus Silesius. De mensenziel zelf is het, die zich in haar hoogste mogelijkheden tastend herkent in de Maria figuur.
'Ontvankelijk' zijn is eigen aan de ziel. Datgene wat zij in innerlijk beleven in zich opneemt, vindt in haar diepten een moederbodem, waarin het zich verder kan ontwikkelen en tot vrucht rijpen. En wanneer de ziel zich in reinheid ontvankelijk maakt voor het hoogste goddelijke, dan wordt zij tot Maria, die het Christuskind kan baren, omdat de Heilige Geest haar overschaduwt.
Als men in het Lucas-evangelie verder leest, merkt men, dat dit thema van het Maria-geheim van de ziel geenszins is afgesloten met de twee 'jeugdhoofdstukken'. Het blijft, zij het op stille en onopvallende wijze verder aanwezig. Men kan het onder andere op die plaatsen aanvoelen en het zijn er niet weinig waar bij Lucas juist op de rol van de vrouw de nadruk valt. Wij willen hier deze plaatsen niet afzonderlijk aanhalen, maar een tekstgedeelte eruit halen, dat Lucas met Mattheüs en Marcus gemeen heeft. Ondanks alle schijnbare overeenkomst laat echter de weergave van Lucas juist het Maria thema onmiskenbaar horen: de bekende ‘Gelijkenis van de Zaaier’ en daarin de verschillende plaatsen, waarop het zaad neerviel.

De gelijkenis van de goede aarde


Indien men zou menen dat in het Nieuwe Testament driemaal hetzelfde werd verteld, zou men wel zeer aan de oppervlakte blijven. Bij nauwkeurige beschouwing blijkt namelijk dat, wat schijnbaar hetzelfde is, bij iedere evangelist in een ander verband en een ander licht te staan. Bij Mattheüs is de bedoelde gelijkenis de eerste van de 'zeven gelijkenissen aan het meer', die samen een bepaalde figuur vormen. Bij Marcus is zij de eerste van een groep van drie. Bij Lucas staat ze op zichzelf en heeft ze in het hele verband een centrale plaats.
Mattheüs, Marcus en Lucas, die men uit hoofde van een zekere overeenkomst van wat zij verhalen de 'synoptici' noemt, laten dan ook alle de verhelderende woorden volgen waarmee Christus voor zijn leerlingen de beeldentaal in gedachtentaal vertaalt. Hierbij is het karakteristiek voor de weergave van Lucas, dat hij deze uitleg laat beginnen met de klassieke formulering: 'Het zaad is het Woord Gods (de logos)' (8:11). Het zaad is het Woord - het Woord is zaad, het horen is dus een bevrucht worden. In de Gelijkenis van de Zaaier (zie ook hier) is de aarde de moeder. De 'uitleg' zegt ons, dat het zelfde nog eens op een ander niveau gebeurt, als de ziel die overgegeven luistert het logos-zaad ontvangt, het beschermend in zich bergt en het laat rijpen, om tenslotte de vrucht te voorschijn te brengen. Dat zien wij bij alle drie de evangelisten. Maar de gesteldheid van de ziel als 'goede aarde' is bij Lucas duidelijker onderstreept.

Fra Angelico: Maria-Boodschap - Florence, Museo di San Marco

Ter vergelijking plaatsen wij de bedoelde teksten van de drie synoptici naast elkaar:

Mattheüs 13:23
Bij wie op goede aarde gezaaid wordt, deze hoort het woord en neemt het innerlijk op en het draagt vruchten en brengt voort honderd of zestig of dertigvoud.

Marcus 4:20
En zij, bij wie in goede aarde gezaaid wordt, zij horen het woord en laten het in zich leven en dragen vrucht, dertig en zestig en honderdvoud.

Lucas 8:15
Het zaad in de goede aarde, dat is bij de mensen die het woord, dat zij gehoord hebben, in een schoon en goed hart bewaren en vrucht dragen in volharding.

Bij elk van de drie ligt het accent anders. In het Grieks, in de wereld van Plato, hadden de woorden 'schoon' en 'goed' elkaar ontmoet ('kalos k'agathos'). De Griek Lucas neemt dit rijpe geschenk van de hoge Griekse cultuur in zijn evangelie op: 'het schone en goede hart'.
(Gewoonlijk anders weergegeven: 'Een oprecht goed hart' H. Ogilvie in de hier gevolgde vertaling;
'Een goed en vroom hart' in de Nieuwe vertaling N.B.G.; 'Een goed en edel hart' in de Willibrordvertaling.)


Over het horen

Is het toeval, dat juist bij Lucas op het horen zo de nadruk wordt gelegd? Op de 'uitleg' van de gelijkenis laat de Christus een vermaning volgen. Bij Mattheüs ontbreekt deze, bij Marcus luidt zij: 'Let op hetgeen gij hoort!'. Bij Lucas met een klein, maar veelzeggend verschil: 'Let er dus op, hoe gij luistert!' (8:18).
Wij worden hier aan Goethe herinnerd: 'Das was bedenke, mehr bedenke Wie'. Bij alle drie de synoptici staat de gelijkenis van de zaaier in de chronologie van het evangelie dicht bij een tafereel, waarbij de moeder van Jezus optreedt. Moeder, broeders en zusters zijn bezorgd uit Nazareth aangekomen, om hem weer in het familieverband op te nemen. Sedert de doop in de Jordaan hebben zij de toegang tot de ingrijpende verandering van zijn wezen nog niet kunnen vinden - dat zal hun pas na de opstanding mogelijk worden. De Christus is op dat ogenblik omgeven door een grote schare toehoorders. Mattheüs en Marcus schilderen dramatisch, hoe Christus vraagt: 'Wie is mijn moeder? En wie zijn mijn broers?' Hoe hij daarbij zijn hand over de toehoorders uitstrekt en de kring rondziet, en dan spreekt: 'Zie hier mijn moeder en mijn broeders!' Dat mag niet misverstaan worden als een koud afwijzen van de mensen, die als bloedverwanten de 'zijnen' zijn. Maar op dit ogenblik gaat het er om, de weg vrij te maken voor een nog hogere gemeenschap, gedragen door ziel en geest. 'Wie handelt uit de wil van mijn Vader, die in de hemelen' is, die is mijn broeder en zuster en moeder'. Door te wijzen op het doen van de goddelijke wil, maken Mattheüs en Marcus een directe overgang naar de gelijkenis van de zaaier.
Lucas laat dit tafereel na de gelijkenis komen. En ook hier weer kan men bij de afsluitende woorden een fijn onderscheid opmerken: 'Mijn moeder en mijn broeders zijn dezen, die het woord Gods (de logos) horen en verwerkelijken' (8:21). In plaats van op de wil ligt hier het accent op het 'Woord' en het 'horen'. De moeder wordt hier niet eenvoudigweg met de andere bloedverwanten samen genoemd, maar hier heeft het horen betrekking op de moeder, het 'verwerkelijken' op de broers. 'Wie het woord Gods hoort, die is mijn moeder'.
Laten wij ook hier nog eens de drie teksten naast elkaar zetten.

Mattheüs 12:49:50
En zijn hand over zijn leerlingen uitstrekkende zeide hij: Ziehier mijn moeder en mijn broeders! Wie handelt uit de wil van mijn Vader die in de hemelen is, die is mijn broeder en zuster en moeder.

Marcus 3:34-35
En hij zag hen, die in de kring rondom hem zaten, aan en sprak: Ziehier mijn moeder en mijn broeders. Wie handelt uit de wil van God, die is mijn broeder en zuster en moeder.

Lucas 8:21
Hij gaf hun ten antwoord: Mijn moeder en mijn broeders zijn dezen, die het woord Gods horen en verwerkelijken.
Verder lezend komen wij al spoedig aan het verhaal van het bezoek bij de zusters Maria en Martha - ook dit verhaal vindt men alleen bij Lucas. Martha gaat geheel op in huishoudelijke bezigheden, Maria 'zat neder aan de voeten van de Heer en luisterde naar Zijn woord' (10: 39). Men heeft haar vaak geïdentificeerd met Maria Magdalena, waarschijnlijk terecht. Vlak voor de gelijkenis van de zaaier voegt Lucas voor het eerst aan Maria's naam 'Magdalena' toe (wat betekent, dat zij uit Magdala kwam). In het begin van het 8e hoofdstuk vermeldt hij de dienende vrouwen, die de Christus op zijn weg begeleidden. Daarbij noemt hij een zekere Johanna en een Suzanna, in de eerste plaats echter 'Maria Magdalena, van wie zeven demonen uitgedreven waren' (Lucas 8:2 de zeven demonen worden ook in Marcus 16:9 genoemd). Rudolf Steiner heeft ons geleerd, in de evangeliën op de stille, maar belangrijke taal van de 'kompositie' te letten: hoe veelal door een bepaalde volgorde in de tekst, veel 'tussen de regels door' wordt gezegd. Zo valt het op, dat aan dit noemen van Maria Magdalena ook weer onmiddellijk het verhaal van de grote zondares voorafgaat, eveneens alleen door Lucas verteld (7:36-50). De grote zondares, die tot dusver de kracht van haar overgave op onjuiste wijze verspild heeft, wordt door Christus van de demonen verlost, genezen en verwandeld, en zo kan het 'eeuwig vrouwelijke' in haar tot zijn recht komen. Het goddelijke Woord 'horend', het met liefdevolle overgave in haar ziel opnemend, wordt zij waarlijk tot 'Maria'.
Het is, alsof gouden draden door het evangelie lopen, waardoor bepaalde samenhangen aan de dag kunnen komen. De lijn, die wij gevolgd hebben, eindigt in een voorval dat Lucas – en alweer hij alleen in het 11e hoofdstuk beschrijft. Onder de indruk van de woorden van Christus verheft een vrouw uit de volksmenigte haar stem en prijst de moeder van zulk een zoon zalig (11:27). Is dit nu niet meer dan een beperkte 'typisch vrouwelijke' reactie, bij het aanschouwen van Jezus direct aan de vrouw te denken, die zijn moeder heeft mogen zijn? De Christus ziet het dieper. Achter de zaligprijzing van zijn lijfelijke moeder herkent hij het verborgen, geheime verlangen van de menselijke ziel naar het Maria zijn. En van grotere hoogte dan zij spreekt hij zijn zaligprijzing uit: `Zalig zijn zij, die het woord Gods horen en bewaren' (11:28). Goed beschouwd zegt hij daarmee tot haar: 'Ook gij kunt mijn moeder zijn, ook gij kunt als Maria de Christus in uw ziel geboren doen worden'.

Rafaël Santi: Madonna del Granduca

Het tegenovergestelde beeld:
'Denkt aan de vrouw van Lot
'


Het hoge beroep dat op de ziel wordt gedaan om 'moeder Gods' te worden, komt nog duidelijker naar voren in het licht van een mogelijk in gebreke blijven ten opzichte van dit ideaal. In het geval van de 'grote zondares' waren het de demonen van de hartstocht, die hadden willen verhinderen dat de ziel haar weg naar het goddelijke vond. Maar er is nog een andere afdwaling mogelijk. Tot nu toe heeft men in het Christendom hoofdzakelijk die tegenstandersmacht op het oog gehad, die de ziet van de kant van de hartstocht bedreigt. Maar naast deze 'hete oorlog' wordt ook een 'koude oorlog' gevoerd, en die wordt in onze moderne tijd steeds gevaarlijker. Zo kan de ziel in de greep van afmatting, berusting, onverschilligheid en wanhoop geraken, haar levenskracht verliezen in het koude mechanisch automatische raderwerk, en ten prooi vallen aan verstarring en verharding.
De synoptische evangelisten brengen ons alle drie de profetische woorden van de Christus over zijn Wederkomst en de daaraan voorafgaande catastrofen over de zogenaamde kleine Apocalyps.
Lucas verhaalt een deel van dit alles reeds op een vroeger tijdstip, als de Christus nog op zijn laatste tocht naar Jeruzalem is (17:22 18:8). Op die plaats spreekt hij van de 'Dag waarop de Mensenzoon zich openbaart -'apokalyptetai' in de oorspronkelijke tekst. 'Apokalyptein' betekent woordelijk: onthullen, een bedekking verwijderen, 'ontdekken'. In het licht van deze toekomst, waarin de Christus zich opnieuw zal openbaren duiken tevens waarschuwende beelden van catastrofen uit de oertijd en uit voortijden op: de zondvloed - het neerdalen van het vuur op Sodom en Gomorra, waaruit telkens de kiem van een toekomstige mensheid wordt gered. De apocriefe 'Wijsheid van Salomo' vond prachtige woorden voor deze redding: 'En in het begin, toen de overmoedige reuzen te gronde gingen, nam de hoop der wereld (elpis tou kosmou) haar toevlucht in de ark en heeft, door Uw hand bestuurd (kybernetheisa), het zaad van een nieuwe wording (genesis) aan de tijdenronde (aion) nagelaten' (Wijsheid van Salomo 14:6). Zoals Noach uit de watervloed wordt gered, zo Lot door de engelen uit het brandende Sodom. Komend apocalyptisch gebeuren weerspiegelt zich vanuit de toekomst in deze lang vervlogen tweevoudige ondergang. Dit is de reden, waarom de Christus in deze woorden over zijn wederkomst oude overgeleverde verschrikkingen weer oproept. Daarbij valt het wederom alleen door Lucas bewaarde woord: 'Denkt aan de vrouw van Lot!' (17:32).
De vrouw van Lot - verstarde zij niet tot een zoutpilaar, omdat zij zich nog eenmaal omwendde naar de verschrikking, die zich achter haar voltrok? Toen de engelen Lot en de zijnen aan de ondergang ontrukt en weggeleid hadden, spraken zij tot hem: 'Red uw ziel, zie niet achterom! Blijf nergens in de Streek staan! Red u in het gebergte, opdat gij niet verdelgd wordt!' (Gen. 19:17). De mensen die als 'hoop der wereld' het aanknopingspunt voor een nieuwe wording moeten zijn, moeten zich vastberaden tot het goddelijke wenden, dat hun vanuit de toekomst, vanuit de hoogte, tegemoet komt. 'Wie de hand aan de ploeg slaat en daarbij achter zich kijkt....(Lucas 9:62).
Een dergelijk verkeerd omzien kan een zogenaamde 'goede oude tijd' betreffen, die overjarig is geworden. Ulrich von Hutten pareerde deze aanvechting met de stoutmoedige woorden: 'ik droom niet van het geluk van vervlogen tijden, ik stoot door en zie niet om'. Het verkeerde omzien kan echter ook andere vormen aannemen. Het treedt ook daar op, waar de mens gefascineerd wordt door wat zich als tegengeest en vervreemding van God aan hem opdringt, maar wat de ondergang in zich draagt. Als hij ten prooi valt aan de suggestie, de hypnose van wat tot ondergaan gedoemd is, in plaats van het 'achter zich te laten'. Zelfs wanneer het ondergaande wordt afgewezen, kan het ook nog macht over de ziel krijgen namelijk als deze slechts met kritiek vervuld is. Men kan van vroeg tot laat kritiek uitoefenen op symptomen van verval, zonder zich niettemin aan hun ban te kunnen onttrekken namelijk als die kritiek geen ruimte meer laat voor wat men, op de toekomst gericht, positief en opbouwend zou moeten doen. Zeer zeker is oordelen en is kritiek nodig, maar als de mens daarin zou blijven steken en door louter afwijzen van het verkeerde geen tijd meer zou hebben om te bidden, dan zou hij niet werkelijk vrij worden van datgene wat ten onder gaat. Hoe actueel klinken de woorden van de engel in het oude verhaal over Sodom: 'Zie niet achterom! Blijf nergens staan! Red u in het gebergte! '
De vrouw van Lot houdt het voorwaarts en het omhoog schrijden, dat de engelen van haar verlangen, niet vol. Ze blijft staan, ze keert zich om, zij kijkt terug op het nagloeiende smeulende Sodom en verstart tot zoutpilaar. Gebiologeerd door het ondergaande, verliest zij haar levenskrachten. Zij wordt door de doodsmachten 'gemineraliseerd'. Zij 'sterft de dood der materie'. Daarmee verliest zij haar mogelijkheid voor de toekomst, het godsmoederschap.
Als wij de beeldentaal van de bijbel weer leren lezen, dan begint het ons te dagen, wat de betekenis is van deze korte zin uit Christus' woorden over zijn wederkomst: 'Denkt aan de vrouw van Lot'. Zulk een vermanend en waarschuwend woord wordt van jaar tot jaar actueler. Wanneer wij in adventsstemming naar de toekomst, naar omhoog zien en streven, dan zijn wij op weg, de roep van de reddende engel te volgen: 'Red uw ziel!'

uitgeverij Christofoor - 1976
Vertaling en bewerking: Marie Veldhuyzen

zondag 20 november 2011

De werken van barmhartigheid in het licht van advent

Rudolf Frieling

Meester van Alkmaar: De zeven werken van barmhartigheid

Ieder jaar opnieuw kunnen wij, wanneer het Advent wordt, op een bijzondere manier Christus beleven als de komende. 'Advent' betekent immers 'komen', 'aan-komst'. Onze gedachten keren daarbij niet alleen terug naar Zijn zichtbaar worden toentertijd, in een aards lichaam. Wij stellen ons open voor de grote waarheid, dat hij in zijn bovenzinnelijke bestaansvorm nog steeds tot ons komt en ons, aardemensen, onze ware toekomst brengen wil.
Er hangt zoveel van af, of de mens deze komende op de juiste wijze ontmoet.
Aan het einde van de woorden, die Christus op de Olijfberg tot zijn leerlingen richt en waarin hij, enkele dagen vóór Golgotha, de toekomst voorzegt, spreekt hij in drie gelijkenissen over deze noodzakelijke voorbereiding, dit zich gereed maken door de mens op aarde.
De gelijkenis van de tien maagden, die de bruidegom met brandende lampen tegemoet gaan, heeft betrekking op de verantwoordelijkheid van de mens ten aanzien van zijn mogelijkheid licht op te nemen en te verspreiden. De lamp mag niet uitgaan. De tweede gelijkenis, van de talenten die aan de dienaren worden toevertrouwd, doet een beroep op de wilskracht, die door daadwerkelijk bezig zijn zich ervoor moet inzetten om wat ons is toe vertrouwd te vermeerderen, om zo staande te blijven voor de heer, wanneer deze terugkomt.
Wat dan tot slot volgt, kan eigenlijk geen gelijkenis meer genoemd worden. De woorden van de Christus roepen het beeld op van de scheiding van de barmhartigen en onbarmhartigen voor de troon van de Zoon des Mensen.
Hier is geen sprake van mannen of vrouwen zoals bij de bruidsmeisjes en de drie dienaren in de voorafgaande gelijkenissen maar van mensen zonder meer. Het gaat niet meer om wijs of dwaas, om lui of ijverig, maar in laatste instantie om de kwaliteit van het hart: barmhartig of onbarmhartig.
Men moet niet over het hoofd zien dat het brandend houden van de lamp en het vol energie werkzaam zijn hieraan voorafgaan. Maar wat uiteindelijk telt en de doorslag geeft is de zuivere menselijkheid van het hart.
Zo spreekt de Zoon des Mensen tot de barmhartigen: 'Want ik heb honger geleden en gij hebt mij te eten gegeven'. Zes van dergelijke goede werken worden opgesomd. ' ... in zoverre gij dit aan één van deze mijn minste broeders hebt gedaan, hebt gij het mij gedaan' (Matth.25:40). Niet een 'alsof' wordt bedoeld, bijvoorbeeld: ik zal het zo beoordelen, alsof gij het voor mijzelf had gedaan: 'Voor mij gedaan' is direct, letterlijk waar.
Door Golgotha is de Godszoon geworden 'als onzer een', door zijn sterven is hij aan ons, sterfelijke mensen, verwant geworden als een broeder'.
Daardoor heeft hij ons de mogelijkheid geopend, hem in ons op te nemen.
Sedertdien is in allen, die het gelaat van een mens hebben ontvangen, als een kiem de mogelijkheid gelegd, zich met de Christus geheel en al te verbinden. Deze kiem moet tot wasdom worden gebracht. Elke dienst aan de medemens betoond is daardoor tegelijkertijd een dienst aan deze nog verborgen Christuskiem.
Het is zinloos het Christendom, zoals tegenwoordig vaak gebeurt, uit te spelen tegen de 'zuivere humaniteit'. Christus, de God die volledig in het menselijke is binnengegaan, is de gouddekking van alles, wat echte 'menselijkheid' is. Ook daar, waar in voorchristelijke tijd of in welk ander buiten christelijk verband ook echte humaniteit optreedt, is de Christus als de 'Mensengod' werkzaam. Wel zal het er, hoe verder de geschiedenis voortschrijdt, steeds meer op aankomen dat de mensen zich nu ook een steeds bewuster verhouding eigen maken tot dit concreet werkelijke Christuswezen. Langzamerhand moet worden ingezien dat de Christus niet alleen de menselijkheid verkondigt en van ons eist, maar dat hij in diepste wezen borg staat voor de levende werkelijkheid ervan.

De hongerigen spijzigen, de dorstigen laven


De zes goede werken, die nadrukkelijk in een viervoudige herhaling worden genoemd, kunnen naar hun inhoud in drie paren worden verdeeld. Het is duidelijk dat aan het begin 'hongeren' en 'dorsten' bij elkaar horen. 'Gij hebt mij te eten gegeven gij hebt mij te drinken gegeven'. Geleid door het streven om tot een beter begrip van de evangeliën door te dringen zou men kunnen menen dat dit 'overdrachtelijk' moet worden opgevat. Dit zou toch niet juist zijn. Velen onder ons hebben in de oorlog en in gevangenschap kunnen leren, wat een stuk brood kan zijn, en wat het betekent, wanneer iemand met een ander deelt. Het is heel zeker woordelijk bedoeld. Wel is het zo, dat van deze realiteit uit zich voor onze blik op ongedwongen, vanzelfsprekende wijze vergezichten kunnen ontsluiten op veel wijdere samenhangen in het leven, tot in een gebied dat zich hoog boven het aardse verheft. Oerfeiten van ons lichamelijk bestaan zoals eten en drinken zijn oerbeelden en reiken tot in de hoogste geestelijke sferen. De mens leeft niet van het materiële brood alleen, en daarom gaat zijn honger ook niet alleen uit naar het materiële brood. Men kan bijvoorbeeld voelen hoe een 'dood' weten, dat slechts op het uiterlijke is gericht, de ziel stenen geeft in plaats van brood, en laat hongeren naar levende kennis. Men kan, in de zin van de bergrede, 'hongeren en dorsten naar de gerechtigheid'. Daarbij spreekt in het 'hongeren' meer het verlangen naar iets wezenlijk substantieels, dat de leegte die men voelt vult. Het 'dorsten' ontstaat uit het gevoel van een innerlijk uitdrogen, waardoor de stroom van de levenssappen tot stilstand dreigt te komen. Vurig verlangt men naar een dynamische kracht, die levendig vloeiend het innerlijk in beweging brengt, het doet opwellen, laat pulseren, tot opstijgen en parelen, ja tot stromen en bruisen brengt. Het is een duidelijk verschil in nuance of men zich, bij het ervaren van een tekort, voelt als iemand die 'hongert' of als iemand die 'dorst'. Eten en drinken begint bij het elementair lichamelijke, het kan zich echter in laatste instantie zelfs verheffen tot in het gebied van het sacrament.

De vreemdelingen herbergen, de naakten kleden

'Ik ben een vreemdeling geweest en gij hebt mij gehuisvest, (letterlijk: 'gij hebt mij meegevoerd'). Ook dit heeft in de eerste plaats zijn eigen, voor de hand liggende, praktische betekenis, maar tegelijkertijd is ook de overgang naar het eigenlijke gebied van de ziel heel duidelijk. Wat het betekent een 'vreemdeling' te zijn hebben in onze tijd miljoenen mensen beleefd. Emigranten, vluchtelingen, 'displaced persons' van allerlei aard hebben de bitterheid van 'in den vreemde' te moeten zijn, gesmaakt.

En ook heden ten dage, in onze welvaartsstaat, kunnen wij bijvoorbeeld ondervinden, vinden, hoe de duizenden gastarbeiders ons voor een belangrijke menselijke taak plaatsen. Maar boven dergelijke noodtoestanden uit, geldt het woord van het vreemdeling zijn voor een gebied dat nog veel meer omvat. Het vreemdeling zijn ervaart een ieder, die in een of ander menselijk verband voelt of te voelen krijgt dat hij 'anders' is. Menig schoolkind heeft de bitterste uren doorgemaakt, wanneer zijn medescholieren de onder hen bestaande gemeenschap als vanzelfsprekend beleven en hun medeleerling met een niets vermoedende wreedheid te verstaan geven dat hij of zij 'er niet bij hoort'. Overeenkomstige ervaringen kunnen in alle mogelijke levenssituaties worden opgedaan, en dit kan zo ver gaan dat iemand zich verlaten voelt 'als een steen op straat'. 'En gij hebt mij meegevoerd' - gij hebt het gevoel, vreemd te zijn, van mij afgenomen, gij hebt mij bij u een vertrouwd thuis laten vinden.
Op dit geschenk van zich thuis voelen volgt onmiddellijk: 'Ik ben naakt geweest en gij hebt mij gekleed'. Bekijkt men als het ware alleen de buitenkant van de tekst, dan zou men op de gedachte kunnen komen, dat dit motief van het kleden van de naakten toch beter direct had kunnen volgen op dat van het spijzigen en te drinken geven, daar dit toch op hetzelfde vlak ligt van de elementaire lichaamsbehoeften. Inmiddels heeft echter het woord over de 'vreemdeling' reeds een overgang tot stand gebracht naar een gebied dat meer dat van het zieleleven is. Maar juist door dat hiermee de toon van het zieleleven reeds zo duidelijk hoorbaar werd aangeslagen, heeft het woord van het 'kleden' het voorteken gekregen, dat verwijst naar de wereld van de ziel.
Maar laten we opnieuw uitgaan van datgene, wat voor de hand ligt. In tijden, waarin talloos velen waren blootgesteld aan de kou, doordat hun woningen waren gebombardeerd of afgebrand, heeft het afstaan van kleren een in alle opzichten praktische betekenis gehad.
Vaak zijn hierdoor levens gered. Maar opnieuw heeft dit woord een strekking die uitgaat boven deze directe realiteit, en heeft het ook hun iets te zeggen, die leven te midden van het o zo welvarende burgerdom. De overgang van het vreemdeling zijn naar het naakt zijn is dan ook terecht gemaakt Wie 'buiten voor de deur' moet staan, omdat hij er niet bij hoort, die lijdt kou. Het oude beeld van de mantel van de christelijke naastenliefde' is misschien wel wat versleten, maar is desalniettemin zeer juist. Kledij heeft echter niet alleen de betekenis ons warm te houden en naakt zijn betekent niet alleen koude lijden. In het verhaal van de zondeval wordt verteld hoe Adam en Eva nadat zij van de appel hadden gegeten, zich bewust werden van hun naakt zijn. Een oude, met wijsheid vervulde overlevering wist nog te berichten, dat zij voordien in gewaden bestaande uit licht gekleed waren.
Met andere woorden: oorspronkelijk namen de mensen nog elkaars fijne, bovenzinnelijke omhulsels waar. Eerst als gevolg van de zondeval ging deze aanvankelijk aanwezige helderheid verloren, en ging het waarnemen van de mens zich steeds meer beperken tot het grof materiële. De 'schande der naaktheid' (Openbaring 3:18) is in wezen de smaad die tegenwoordig helemaal niet meer als smaad wordt gevoeld die daaruit bestaat, dat men het stoffelijk lichaam houdt voor de mens zelf. Op dezelfde manier had in de vernietigingskampen de mens alleen maar waarde als een bepaalde hoeveelheid levend gewicht aan materie, die vernietigd kon worden.
In de eredienst, zoals die in de Christengemeenschap is vernieuwd, vervult het gewaad van de priester ook de taak datgene, wat fysiek niet zichtbaar is, maar deel uitmaakt van het wezen van de mens, zichtbaar te maken en opnieuw in het levensgevoel te verankeren. Het evangeliewoord van het 'bruiloftskleed' wordt dan weer heel concreet.
De protestantse theoloog Ethelbert Stauffer spreekt in zijn boek De boodschap van Jezus (Die Botschaft Jesu) van de 'feestelijkheid' die Jezus in het leven van de mensen wilde brengen. Dat is mooi en treffend uitgedrukt.
We moeten ons echter afvragen: waaruit bestaat uiteindelijk iedere ware 'feestelijkheid'? Is het niet zo, dat de 'zondagsmens' in een soort 'hoger gestemd zijn' zijn eeuwige, met de hemel verbonden wezenskern gevoelt? Daar, waar de feestelijke glans 'echt' is, straalt er iets uit de bovenzinnelijke wereld op af. Daar is het feestgewaad dan geen illusie en uiterlijke tooi, maar het openbaar worden van
een diepere waarheid van het wezen van de mens.
De 'smaad van de naaktheid', die alleen nog maar het materiële in aanmerking neemt en als werkelijkheid beschouwt, breidt zich steeds meer uit. Daardoor wordt tenslotte het gehele bestaan voor de mens leeg en zinloos. Het naakten bekleden' opent een wijd arbeidsterrein.
Al het menselijke op aarde wacht erop, om door de omvormende kracht, die van Christus uitgaat, opnieuw bezield en in de geest geheel vervuld te worden, zodat het weer, omgeven door de aura van het goddelijk geheim, kan verschijnen. Wie naakt is bekleden betekent dan ook niet alleen, dat men de medemens warmte geeft, maar ook, dat men het troosteloze, alleen maar uiterlijke bestaan van hem afneemt en hem iets laat beleven van het feestelijk hooggestemde bewustzijn van zijn ware menselijke waardigheid.

De zieken bezoeken, tot de gevangenen komen

Als vijfde en zesde daad van menselijkheid wordt het bezoeken van zieken en gevangenen genoemd. Opnieuw vormen deze beide activiteiten een paar. Beide hebben gemeenzaam, dat men niet rechtstreeks geconfronteerd wordt met een schrijnende noodtoestand, maar dat men er eerst bewust toe moet komen, op te willen zoeken wat in de afzondering van de ziekenkamer en van de gevangeniscel geleden wordt. Men moet zich de moeite geven naar beide toe te gaan.
De Christus spreekt niet over een genezen van de zieken. Dat ligt niet binnen ieders bereik. Hij spreekt over iets, dat voor iedereen bereikbaar is: dat men de zieke bezoekt, letterlijk: naar hem omziet ('episkeptomai' in de oorspronkelijke Griekse tekst). 'Naar hem omzien' de mens maakt deel uit van de geestelijke wereld, en hiermee hangt het samen, dat hij zich voor een bestaan dat hem vreemd is, dat hem niet direct aangaat, kan 'interesseren'. Hij treedt buiten de enge kring van zijn eigen bestaan doordat hij een bestaan dat hem vreemd is opzoekt en innerlijk opneemt. Op dezelfde wijze is het voor de zieke een bevrediging mede van 'geestelijke' aard, wanneer de ander ook wanneer hij hem niet direct helpen kan interesse in zijn lot toont en 'naar hem vraagt'.
Iets dergelijks is het geval bij het bezoeken in de gevangenis. Vat men ook dit allereerst in letterlijke zin op, dan bereikt men heden ten dage al heel gauw de grens van het mogelijke. In het oude, 'heidense' Athene mochten de leerlingen van Socrates, over wie het doodvonnis was uitgesproken, hem in de gevangenis, als het ware in de 'dodencel', bezoeken en de hele dag in filosofische gesprekken met hem doorbrengen, tot de avondzon achter de bergen was ondergegaan. De gekerkerde martelaren in het Rome van de keizertijd konden door hun geloofsgenoten bezocht worden. Sedertdien zijn de omstandigheden in dit opzicht veel moeilijker geworden. Des te meer moet er bij dit werk van medemenselijkheid de nadruk op worden gelegd, dat het ook nog in een andere, ruimere zin kan worden gedaan en wel door iedereen.
Het leven met elkaar is daarom zo moeilijk, omdat de individuele mensen niet alleen in hun ware wezen met elkaar te maken hebben. Iedereen heeft bovendien nog zoiets als een donkere dubbelganger, doordat hij op de een of andere wijze ook het egoïsme in zich draagt. De eigenlijke mens is in meerdere of mindere mate de gevangene van zijn lagere ik. In deze zin is iedereen tot op zekere hoogte de gevangene van zichzelf, zelfs al kan hij misschien naar de uiterlijke schijn in het leven 'doen wat hij wil'. Op de meest verschillende manieren kan een dergelijk 'be vangen zijn' zich uiten tot in het gebied van de geest, wanneer bijvoorbeeld de denkende mens de gevangene van zijn 'ideologie' is geworden.
Bij de zieke heette het: 'gij hebt naar mij omgezien'. Bij de gevangene: 'gij zijt tot mij gekomen'. Er ligt een subtiel onderscheid in deze beide formuleringen, die toch ongeveer hetzelfde schijnen uit te drukken. Bij het 'tot mij komen' is nóg sterker het accent gelegd op de activiteit van het doen, op het zich in beweging zetten, dat noodzakelijk is wanneer men de ander op de plaats waar hij zich bevindt wil opzoeken, wanneer rnen 'zich in zijn situatie verplaatst'. Treedt men zo de medemens tegemoet, dan kan men hem helpen zijn hoger ik gaandeweg te bevrijden uit de gevangenis van het lagere ik. Daarmee stelt men zich in dienst van de mogelijkheid, zich met de Christus te verbinden, die in zijn diepere wezen verborgen is.

De door de Christus genoemde werken van medemenselijkheid gaan door de gebieden heen van lichaam, ziel en geest. Van het rechtstreekse verstrekken van brood tot aan het 'gij zijt tot mij gekomen'. Met het 'komen' zijn wij weer terug bij het thema 'Advent'. Laten wij ernaar streven tot de andere mens te' komen', want dan alleen kan ons de Advent van Christus tot heil strekken. Dan, in heel zijn stralende lichtglans met al zijn engelen, komt hij tot ons.

Meester van de Levensbron (Noord-Nederland, 16e eeuw): De zeven werken van barmhartigheid

Mattheus 25 : 31 46
(vertaling: Ludovicus Mirandolle)

Wanneer de Zoon des Mensen komt in zijn
openbaringslicht, en alle engelen met hem,
dan zal hij de troon innemen in het rijk
van zijn openbaringsglans.
Alle volkeren zullen voor zijn aangezicht
verzameld worden, en hij zal de scheiding
onder hen voltrekken, gelijk de herder de
schapen van de bokken scheidt.
Hij zal de schapen plaatsen aan zijn rechterhand,
en de bokken aan zijn linkerhand.
Dan zal de koning zeggen tot hen, die aan zijn
rechterhand staan:
Komt, gij dragers van de zegen van mijn
Vader, en heerst in het rijk dat u is toebedeeld,
van de grondlegging der wereld aan.
Want ik leed honger
en gij hebt mij te eten gegeven,
ik had dorst
en gij hebt mij te drinken gegeven,
ik was een vreemdeling
en gij hebt mij geherbergd,
ik was naakt,
en gij hebt mij gekleed,
ik was ziek,
en gij hebt mij bezocht,
ik was in de kerker,
en gij zijt tot mij gekomen.
Dan zullen zij. die het goede tot verschijning
brengen, hem antwoorden en zeggen:
Heer, wanneer hebben wij u honger zien lijden
en hebben wij u gespijzigd?
of dorstig, en hebben u te drinken gegeven?
Wanneer hebben wil' u als vreemdeling gezien
en hebben u geherbergd? of naakt, en hebben u gekleed?
En wanneer hebben wij u ziek gezien, of in de kerker,
en zijn tot u gekomen?
En de Koning zal hun ten antwoord geven:
Zo zal het geschieden Amen, Ik zeg u,
zoveel als gij gedaan hebt voor één van deze
mijn broeders, van de kleinsten, hebt ge aan
mij gedaan.
Dan zal de Koning zeggen tot hen, die aan zijn
linkerhand staan:
Gaat weg van mij, gij dragers van de verharding,
in het vuur, dat door de tijdenronden
heen brandt, het vuur, dat de Verderver en
zijn engelen is toebedeeld.
Want ik leed honger
en gij hebt mij niet te eten gegeven,
ik had dorst,
en gij hebt mij niet te drinken gegeven,
ik was een vreemdeling
en gij hebt mij niet geherbergd,
ik was naakt,
en gij hebt mij niet gekleed,
ik was ziek en in de kerker,
en gij hebt mij niet bezocht.
Dan zullen ook zij antwoorden en zeggen:
Heer, wanneer hebben wij u hongerig gezien,
of dorstig of als vreemdeling of naakt of
ziek of in de kerker en hebben u niet gediend?
Dan zal hij hun ten antwoord geven:
Zo zal het geschieden Amen, ik zeg u,
zoveel als gij hebt nagelaten te doen voor
één van dezen, van de kleinsten, hebt gij
ook aan mij verzuimd.
En dezen zullen een smart lijden die brandt
door de tijdenronden heen, en zij die het
goede door hun wezen tot verschijning
brengen zullen het leven vinden, dat blijft
door de tijdenronden heen.


Vertaling tekst Frieling: J.C. Ebbinge Wubben
uitgeverij Christofoor Rotterdam 1978
Oorspronkelijke titel: 'Die Werke der Barmherzigkeit’ im Adventslichte
verschenen in: Die Christengemeinschaft, Dezember 1963

zaterdag 10 september 2011

Michaël - 29 september

Deze keer als bijdrage een Michaëlsverhaal voor kinderen in b.v. de lessen Religieuze Oriëntatie (godsdienstlessen), met daarin beelden uit de Apocalyps en het Mattheüs-evangelie (Matt. 22:1-14) de Gelijkenis van het Bruiloftsfeest.


De Bruiloft van de Koningszoon – een Michaëlsverhaal
van Irene Johanson


I. - Hoe de gasten naar het bruiloftsfeest kwamen

Er was eens een koning, wiens rijk zo groot was, dat geen mens er in een leven van de ene kant naar de andere kant zou kunnen lopen. Hij bewoonde een prachtig slot met vele kamers en zalen. Het slot had een toren en in die toren was een klein kamertje, dat alleen door de koning zelf betreden mocht worden. Het had een geheime trap, die naar een onderaardse deur voerde. En enkel de koning had de sleutel van die deur en wist wat daarachter verborgen was.
De koning had een zoon, waarvan hij heel veel hield. De dag kwam dat deze zoon in het huwelijk wilde treden. Het bruiloftsfeest werd voorbereid. De vrouwen en dienstmaagden maakten het slot schoon en bereidden het feestmaal voor. Dienaren trokken door de dorpen en steden, over alle wegen en straten. Alle mensen die zij tegen kwamen werden door hen uitgenodigd en vele van hen kwamen naar het bruiloftsfeest van de koningszoon.
Ondertussen was de koning tot diep onder zijn slot de trap afgedaald tot voor de onderaardse deur. Hij opende die. Helder licht straalde hem tegemoet en in dat licht stond een gestalte met een gouden wapenrusting en in de hand een zwaard. De gestalte stond voor een grote geopende schrijn. Daarin hingen vele witte gewaden. “Het is zover”, zei de koning. “Ik heb voor mijn zoon het bruiloftsmaal bereid, en vele mensen zullen onze gasten zijn. Zij zijn door mijn dienaren uit alle delen van het land uitgenodigd. Voordat zij de bruiloftszaal zullen betreden, zal ik ze in deze diepte laten afdalen , tot u, mijn trouwe wachter. U zult aan een ieder van hen een bruiloftsgewaad geven, opdat zij waardig voorbereid zullen zijn voor het feest.”
En zo geschiedde het. Alle mensen daalden in de donkere aarde af, traden door de deur in het heldere licht en ontvingen van de wachter een wit gewaad. Eén onder hen echter, wilde de lange trap naar de diepte niet afdalen. Hij vond het te vermoeiend om de vele treden af te gaan. Hij bleef achter en sloop heimelijk door de geopende deur van de feestzaal zoals hij was gekomen, met stoffige schoenen, zonder feestgewaad aan en met vuile handen. Na hem kwamen alle vrouwen en mannen met de witte feestgewaden de bruiloftszaal binnen. Toen allen verzameld waren trad de koning binnen om zijn gasten te begroeten. Daar zat die ene gast tussen alle anderen. De koning kwam ook bij hem. Tussen alle mensen in feestelijke gewaden viel hij zeer op. Hij bemerkte het zelf dat ieder naar hem keek, alsof zij wilden vragen: “Hoe ben jij nu zo vuil en onvoorbereid hier binnen gekomen? Wat allen dachten werd uitgesproken door de koning: “Mijn vriend, hoe ben jij hier binnengekomen terwijl je geen feestgewaad voor de bruiloft aan hebt?”
Tja, hoe was hij binnengekomen? Hij schrok zo danig van wat hij zelf gedaan had, dat hij niet kon antwoorden. Hij verstomde. Toen zei de koning: “Je kunt hier nog niet zijn. Hier kunnen alleen mensen de bruiloft van mijn zoon meevieren, die bij alles wat zij denken en alles wat zij doen het juiste dienen. Jij echter bent op een oneerlijke manier hier binnengekomen. Daarom ben je nu met stomheid geslagen. Kommer en kwel zullen nu je lot zijn. Maar wanneer je leert het juiste te doen, kun je jezelf hiervan weer bevrijden.” De dienaren brachten hem naar buiten, Toen begon het grote bruiloftsfeest.

6e Apocalyptische Zegel - naar een ontwerp van Rudolf Steiner


II. - Hoe de bruiloftsgasten dienaren van Michaël werden

Toen het avond geworden was, sprak de koning: “U hebt allen aangezeten aan het bruiloftsmaal van mijn zoon. U zult verder zijn vrienden blijven, ook wanneer ieder van u terugkeert naar waar hij vandaan komt. Maar voordat u allen gaat, wil ik u tonen hoe u in de toekomst van mijn rijk nodig zult zijn.” Hij riep zijn wachter en zijn stem schalde als een bazuin. Het klonk door heel het slot tot in de diepte van de aarde. De wachter hoorde zijn roep, kwam naar boven en verscheen voor de mensen. “Wachter, toon aan hen wat zij, die de vrienden van mijn zoon geworden zijn, mogen zien”, zei de koning.
De wachter ging de mensen voor en voerde hen naar boven naar de torenkamer, die tot nu slechts alleen door de koning betreden was. Nu mocht een ieder binnengaan en zag daar een groot schilderij. Het was niet geschilderd, maar alles wat zij zagen bewoog zich echt. Er was een vrouw, een moeder die een kind op haar arm droeg. De zon was haar gewaad, de maan was als een schaal onder haar voeten. Op haar hoofd droeg zij een kroon met twaalf sterren. Toen verscheen er een vuurrode draak met zeven koppen en tien hoornen en kronen op zijn koppen, want hij was de machtigste aller draken. Hij verscheen voor de moeder en wilde het kind verslinden. De vrouw verdween met haar kind voor de ogen van de mensen en enkel de draak was nu nog te zien. Hij raasde enorm omdat hij de moeder en het kind niet meer bereiken kon en hij zocht overal naar hen.
Toen de mensen dit adembenemende schouwspel gezien hadden, ging de een na de ander terug naar de koningszaal. Daar zwegen zij een lange tijd. De wachter wendde zich tot hen en een van hen vroeg hem namens allen: “Hoe zit het met deze draak? Verblijft hij op de aarde? Is de hemelse jonkvrouw en het goddelijke kind in veiligheid?” “De draak achtervolgt hen nog steeds”, antwoordde de wachter. “Ik heb hem eens overwonnen en ik heb hem vanuit de hemel op de aarde gestoten. Nu moet hij op de aarde nog verslagen worden. Daartoe heb ik uw hulp nodig.” “Wat moeten wij doen?” vroegen de mensen. “Gaat allen terug naar waar u vandaan kwam toen de koning u uitnodigde. De koningzoon is machtiger dan de draak. Vandaag is hij uw vriend geworden. Daarom hoeft u voor de draak niet te vrezen. Maar vergeet u het schilderij niet, dat u allen mocht zien. Want u zult de draak niet met wapens kunnen bestrijden, maar slechts door zelf aan het schilderij gelijk te worden. Voor een ieder die gelijk wordt aan het schilderij verliest de draak zijn macht en hij zal dan zo’n mens moeten dienen. Wanneer de draak kan heersen is hij kwaadaardig, wanneer hij dient, verliest hij zijn boosaardigheid.”
“Hoe kunnen wij gelijk worden aan het schilderij, opdat de draak zijn kronen en zijn heerschappij verliest en ons allen en het rijk dienen kan?” vroegen de mensen. “Een ieder die de waarheid spreekt, zal eenmaal een sterrenkroon ontvangen. Een ieder de ander liefheeft, zal eenmaal een zonnegewaad mogen dragen. Een ieder die het juiste doet, zal eenmaal op de maanschaal kunnen staan. Wat u in de hemel gezien hebt, zult u op de aarde doen.”
De mensen dankten de wachter, de koning en zijn zoon voor alles, wat zij op dit bruiloftsfeest beleeft hadden en zij gingen terug naar daar waar zij vandaan kwamen. Vele vergaten de belevenis al snel. Enkelen droomden ’s nachts van het beeld van de vrouw, het kind en de vuurrode draak. Enkelen bewaarden het diep in hun harten en zij probeerden steeds opnieuw te doen, wat de wachter hen gezegd had. Zo werden zij zijn helpers en zij bleven voor altijd vrienden van de koningszoon.

5e Apocalyptische Zegel - naar een ontwerp van Rudolf Steiner

Voor de Michaëlstijd

Uw oog ziet mij,
Uw mond roept mij,
Uw voet leidt mij,
Uw arm beschut mij,
Uw gedachten verhelderen mij,
Uw moed sterkt mij,
Uw hart heeft mij lief.
Door U, Michaël, overwinnaar van de draak,
vinden wij mensen de Brenger van de Vrede.

uit:
Irene Johanson: Geschichten zu den Jahresfesten
Verlag Urachhaus Stuttgart




zondag 19 juni 2011

Trinitatis

Duomo in Cefalù (Sicilië) - Christus Pantokrator

Trinitatis (ook wel Hoogfeest van de Heilige Drie-eenheid of Drievuldigheidszondag genoemd)

Mattheüs 28 : 16 – 20 De uitzending van de elf apostelen

Volgens de perikopenlijst kan men op de zondag van Trinitatis ook dit laatste gedeelte van het evangelie volgens Mattheüs lezen. Mattheüs beschrijft aan het begin van het 28e en laatste hoofdstuk van zijn evangelie de gebeurtenissen bij het graf van Jezus; hoe de vrouwen het lege graf vinden, daar de engel waarnemen, die hen zei dat Jezus uit de dood was opgestaan. Dan ontmoeten zij de verrezen Heer en bewezen Hem eer. Jezus zegt hen: ‘Gaat en verkondigt het aan mijn broeders, opdat zij gaan naar Galilea; daar zullen zij mij schouwen.’ (vertaling H.Ogilvie)

In de passage die we op Trinitatiszondag kunnen lezen, horen we over de laatste ontmoeting van Jezus met de apostelen in Galilea. De apostelen komen op de berg die Jezus hen had genoemd. Wat wij hier lezen doet ons sterk denken aan de beschrijving van de Hemelvaart, maar tegelijk ook aan de Verheerlijking op de Berg. ‘en toen ze hem zagen bewezen ze hem eer, al twijfelden enkelen nog.’ (28:17), luidt de NBV-vertaling. Heinrich Ogilvie en Julia van Andel vertalen het laatste stukje als: ‘enigen bleven op afstand.’ Wie bleven op afstand? Wie kwamen dichterbij? Waren het ook nu Petrus, Jacobus en Johannes die, zoals bij de Verheerlijking op de berg, voldoende voorbereid waren om de verrezen Heer te schouwen?

Volgens Emil Bock mogen we de geografische aanwijzing ‘Galilea’ ook opvatten als aanduiding voor de sfeer waar de Verrezene te vinden is, de ethersfeer van de aarde, de sfeer van de levenskrachten. ‘Galilea [...] een wonderbaar gebied van scheppende hemelkrachten. Levenscheppende krachten die de toekomst in zich dragen, pulseren daar overal in de grond, in de wateren van het meer van Gennesareth en in de atmosfeer. Het is alsof de gehele natuur van Galilea in haar bloei tot in etherhoogten en wereldzielesferen reikt; vroeger was het immers ook in deze natuur, dat de mensen gemakkelijk tot een bovenzinnelijk beleven kwamen’, schrijft hij. (E.Bock: Tussen Bethlehem en de Jordaan - blz.14)
De aanduiding ‘de berg’ komen we eveneens vaker in de Bijbel tegen en ook hierbij mag men meer denken aan een aanduiding voor een bewustzijnsfeer, dan aan een simpele geografische aanduiding. Rudolf Frieling wijst erop dat er in het evangelie volgens Mattheüs zeven maal sprake is van een berg, zodat er als het ware een keten van bergen door het evangelie is geweven. De eerste berg is de berg bij de Verzoeking (Mattheüs 4 : 1-11), waarop de duivel Christus alle koninkrijken van der wereld toonde en waar de duivel sprak: 'Dit alles zal ik u geven, als ge neerknielt en mij aanbidt.'
Op de laatste berg, die we hier vinden aan het einde van het 28e hoofdstuk, spreekt Christus zelf: 'Mij is gegeven alle macht in de hemel en op aarde.' Het lijkt de omkering van wat er bij de Verzoeking uit de mond van de duivel klinkt. Op deze laatste berg wordt duidelijk wie er werkelijk aanbeden zou moeten worden.
Volgens Frieling sluit juist de evangelist Mattheüs aan bij de Bijbelse traditie waarin bergen worden genoemd als oorden van uiterlijke en innerlijke verheffing, openingen naar het bovenzinnelijke.

'Toen trad Jezus op hen toe en sprak tot hen: Mij is gegeven alle openbaringsmacht in de hemel en op aarde.' (Grieks: εδοθη μοι πασα εξουσια εν ουρανω και επι γης − gegeven is mij de macht (exousia) in het universum (hemel) en ook op de aarde (land) – Latijn: Omnis potestas in caelo et in terra - Alle macht in de hemel en op aarde.)

Door het Mysterie van Golgotha heeft de hoogste scheppersmacht zich opnieuw verbonden met Zijn schepping: de mens en de aarde waarop de mens zijn mensheidsontwikkeling moet doormaken. Door de menswording van Christus in Jezus van Nazareth is het Godswezen op aarde zichtbaar geworden, geopenbaard. Door Christus is in het innerlijk van de mens de kiem gelegd van de individuele geest, de kracht van het Hogere Ik van de mens.

Jezus zendt zijn leerlingen op weg om alle volken tot Zijn leerlingen te maken en hen te dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Aan Mozes openbaarde zich het godswezen met de naam van de ‘Eyeh Asher Eyeh’ dan nog als het vurige element in de brandende braambos. Door de mysteriedaad van Christus Jezus, de Zoon, is deze naam van het ‘Ik Ben het Ik Ben’ als mogelijkheid tot geestelijke kern van warmte in de harten van de mensen gelegd. Daardoor is de naam van het Ik als Helende Geest tot in toekomstige tijden van de mensheid werkzaam. Met Pinksteren kwam de geestkracht over de individuele leerlingen, 'zichtbaar als tongen van vuur die zich verdeelden, en het kwam op ieder van hen.'

Zoals we aan het kleinste blad van een boom de werking van de zon kunnen ervaren, zo kunnen we door het kleine woordje ‘Ik’, waarmee elke mens zichzelf bedoelt, als naam aanduidt en ervaart, de goddelijke kracht van de Geest ervaren. Die kracht van het Ik, de kiem van de Geest, moet aan alle volken gebracht worden.

‘En zie, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding van de wereld.’ Dit is de laatste zin van het Mattheüs-evangelie. Door deze laatste vier verzen, die we als evangelietekst kunnen voorlezen op deze Trinitatis-zondag, recapituleren we nog eenmaal wat zich voltrok met Pasen Hemelvaart en Pinksteren. We sluiten de groep van lente-jaarfeesten af en mogen onszelf in de zomertijd gaan verliezen om daarmee onszelf juist weer terug te vinden.

Een goede zomer gewenst.

literatuur:
Emil Bock: Van Bethlehem tot de Jordaan (Christofoor, Zeist 1984)
Rudolf Frieling: Die Verklärung auf dem Berge (Verlag Urachhaus, Stuttgart 1969)
Herbert Hahn: Werkboek voor het godsdienstonderwijs in de vrijescholen (Driebergen 1990)

maandag 6 juni 2011

Pinksteren

Giotto di Bondone (1266-1337)

Het pinksterfeest

Als kralen aan een lange ketting vormt de rij van jaarfeesten ankerpunten in de eeuwig voortschrijdende tijd. De jaarfeesten zijn verbonden met het verloop van de seizoenen, met het groeien, bloeien en sterven in de natuur. Als mens in de moderne tijd zijn we ons, behalve met Kerstmis, meestal weinig bewust van de innige samenhang met het jaarritme, omdat we er vrij en onafhankelijk van willen zijn. Dat was anders in de vroegere agrarische maatschappij en het is zeker nog anders bij het jonge kind dat nog zo sterk met de groeikrachten van de aarde verbonden is. Zo is het bijvoorbeeld een wonder om ieder jaar weer te zien dat de jongste kleuters in het vroege voorjaar met stokjes de aarde tussen de stoeptegels van het schoolplein beginnen los te werken, alsof zij waarnemen dat de sapstromen in de planten vanuit de aarde weer omhoog beginnen te stromen. Dat is slechts een enkel voorbeeld uit vele.
In de kring van jaarfeesten verschuiven de data van Pasen, Hemelvaart en Pinksteren, afhankelijk van de maan, de zon en de sterren d.w.z. het lentepunt in de dierenriem. Dit jaar (2011) vallen deze feesten erg laat, maar na de met forse sneeuw vroeg ingezette winter leek de natuur zich in te houden om ook dit keer weer met Pasen vol uit te pakken met bloesems en bloemen. Haastig vormde ze dit jaar de overgang van de intieme wintertijd naar de uitbundige zomer: de forsythia was nog niet uitgebloeid of de magnolia en kersenbloesems kwamen al uit.
Gaan we terug in de geschiedenis op zoek naar de wortels van het Pinksterfeest, dan vinden we Sjavoeot, het Wekenfeest. Dat Joodse Pinksterfeest is het feest van de eerste tarweoogst, zoals in het boek Exodus (34:22) staat: ‘Vier het Wekenfeest wanneer je de eerste opbrengst van de tarweoogst binnenhaalt...’ . Het Wekenfeest volgt vijftig dagen na het Pesach (Pasen): ’Vanaf die dag na de sabbat, vanaf de dag dat de schoof omhoog geheven is, moeten zeven volle weken worden afgeteld, tot de dag na de zevende sabbat. Vijftig dagen moeten jullie aftellen, en dan moeten jullie de HEER een graanoffer aanbieden uit de nieuwe tarweoogst’, aldus het voorschrift in Leviticus (23:15-16). Daarnaast herinnert het Wekenfeest er ook aan, dat Mozes op de berg Sinaï van God de Tien Geboden ontving.
Het is boeiend om in deze traditionele viering te zien dat twee tegenovergestelde elementen bij elkaar samenkomen: de ontspruitende en bewustzijn dovende groeikrachten van lente in de natuur en daar tegenover de moraliteit-vormende kracht van de Tien Geboden: feestelijk en uitbundig meevieren met de natuur en tegelijk daarbij het bewustzijn behouden van wat kan en niet kan. In de tijd die ligt tussen de verinnerlijkte stemming in de wintertijd en de uitbundigheid van de zomer moet de mens leren ervoor te zorgen zichzelf niet te verliezen, leren tegenwicht geven tegen de aanlokkende kracht van de zintuigwereld die de mens zichzelf min of meer verliezen doet en waardoor zijn zelfstandig denken dreigt gedoofd te worden. Kan de mens het eigen innerlijk sterk genoeg houden om zich niet geheel in de uiterlijke schijn te verliezen?
Wat is dan het eigen innerlijk dat sterk moet blijven? Dat is de menselijke wezenskern, dat de mens onderscheidt van het dier, het denkende Ik dat de stabiele kern moet vormen binnen de veelheid van emoties in het zielenleven, die kracht die ons een individuele persoonlijke biografie geeft. Met de innerlijke Ik-kracht, steeds opnieuw opgedaan in de stille wintertijd, kunnen we rechtop blijven staan in de veelheid van uiterlijke belevenissen van de zomer. Daarop wil het pinksterfeest ons wijzen. We zien dat als zinnebeeld gerepresenteerd in de rechte paal van de pinksterboom waaromheen een veelheid van kleurige linten zich beweegt. Zonder dat stabiele centrum van de rechte paal, kan zich geen mooi vlechtpatroon van linten vormen. De dansers moeten zich richten op een gemeenschappelijk doel, niet hun eigen impulsen volgen maar doen wat nodig is voor het geheel.
In de loop van de tijd is het feest op onze school zo geworden dat iedereen tot dansen wordt uitgenodigd, zodat uiteindelijk het hele plein danst, ronddraait, zingt en huppelt. De kleuters blijven daarbij veilig zitten rond die stevige pinksterboom.
Daarmee blijkt dat het pinksterfeest eigenlijk het meest moderne feest is dat men zich kan voorstellen. Het vraagt namelijk aan ons: Kun jij je als individu staande houden in de turbulentie van de wereld, van deze maatschappij, van de huidige samenleving van mensen? Wil je een moreel individueel mens zijn binnen de mensengemeenschap, of laat je jezelf als een kuddedier meeslepen in de waan van de dag, zonder eigen individuele geestkracht? Kunnen we in de toekomst ooit een gemeenschap leren vormen van zelfbewuste individuele zielen?
Om nog even in te gaan op de christelijke traditie van het pinksterfeest: Wat gebeurde er toen? Volgens de beschrijving klinkt er een geraas uit de hemel als van een hevige stormwind. In het Grieks staat er 'pnohs' wat ‘wind’ betekent maar ook ‘adem’ of ‘levensadem’. Het Latijn gebruikt het woord ‘spiritus’. ‘Pneuma’ betekent geest en adem en men ziet dat in deze talen de woorden geest, adem, levensadem en wind dicht bij elkaar liggen. Wat is het voor een stormwind? Is het onrust die optreedt in het zielenleven van de apostelen, samengaande met een onrust in de lucht buiten het huis? De onrust wordt tot rust gebracht door een tweede element: een vuur verschijnt en verdeelt zich als tongen boven de hoofden van de apostelen. Rust treedt op zoals ook de kracht van Christus de storm op het meer tot kalmte maande. De kracht van het Ik brengt deze rust.
De apostelen wandelden eerst drie jaar met Jezus Christus, op Goede Vrijdag bleven zij verdoofd door de gebeurtenissen achter, met Pasen ervoeren zij de helende kracht op aarde van het kosmische wezen dat zij eerst als mens hadden gekend, vanaf Hemelvaart voelden zij zich echt van God verlaten. Bij de gebeurtenis op Pinksteren ontvangen zij het individuele inzicht in de geheimen van wat plaatsvond op Golgotha en daardoor de kracht om verder te gaan, naar de toekomst.
J.E.

dit artikel is verschenen in IRIS, het schoolblad van de Dordtse Vrije School - juni 2011

--

Nog twee citaten uit voordrachten van Rudolf Steiner:

De antroposofie zal de mensen het gemeenschappelijke leren begrijpen, zij moet de hogere wijsheid brengen, de geest der waarheid. De mensen hebben verschillen van mening zolang als ze nog niet over het hoogste weten beschikken. De gnostici noemden de mystiek ‘Mathesis’ omdat in de wiskunde (mathematica) niemand zeggen kan dat hij van een andere mening is dan de anderen. Twee wiskundigen kunnen geen verschillende mening hebben over een wiskundige stelling. Daarbij komt het namelijk niet op menselijke wensen aan. Bij grote wijsheid moeten we onszelf bevrijden van onze persoonlijke wensen. Alleen degene die de Geest der Waarheid wil bestuderen, zonder eigen wensen, alleen die is rijp hem te ontvangen. Het hoogste weten verenigt de mensen, want daarbij bestaan geen eigen mening en eigen voorstelling. De Geest der Waarheid moet de mensen overstralen. Zij kunnen nog zo verspreid zijn over hun verschillende woonplaatsen, maar de Geest der Waarheid zal ze verenigen. Opdat de woning die het Ik voor zichzelf bouwt in het geestelijke past, moet de gemeenschappelijke Geest der Waarheid boven de verschillende ego’s staan. De Geest der Waarheid is door Christus op Pinksteren aan zijn discipelen beloofd. De discipelen spreken in verschillende talen, en alle volken begrijpen elkaar. Ook al zal het egoïsme als maar groter worden, elk Ik zal de Gemeenschapsgeest hebben, wanneer hij deel heeft aan de Geest der Waarheid. Wie dit nastreeft moet leven in de geest van het Johannes-evangelie. Dat is ware antroposofie. Net zoals alle planten zich naar de zon richten, op welke plek zij ook groeien, zo zal ieder Ik zich tot de zon van de geest wenden, tot het Geesteslicht van de Waarheid.

uit: Rudolf Steiner: Das christliche Mysterium (GA 97) – voordracht: Keulen, 8 maart 1907 ‘Die Verheissung des Geistes der Wahrheit’

Wanneer u dit zo bekijkt, dan zal u zien dat de betekenis van het Christendom is dat aan de ene kant datgene wordt afgelost wat verbonden is door stamverbanden, familiebanden en andere nauw begrensde gemeenschapsvormen, en aan de andere kant de mensheid in individuen wordt verdeeld, zodat de enkeling zichzelf enerzijds als individu voelt en anderzijds ook weer als lid van de hele mensheid. Deze twee dingen gaan als polariteiten samen.
In vroeger tijden, toen er kleine gemeenschappen van bloedverwanten bestonden, voelden de mensen zich een deel van de familie, een lid van de stam. En zoveel als de bloedverwantschap uitsterft zal de individuele zelfstandigheid groeien en toenemen. Dat dit door de gebeurtenis op Golgotha wordt bewerkstelligd kan men daaraan zien, dat van daaraf iets de hele wereld zou moeten omspannen, deze religieuze impuls werd er een met de hoogste betekenis. Alles wat daar is gebeurd was voorbereid en is voorbereiding. De uitwerking begint ermee dat op het Pinksterfeest de Heilige Geest wordt uitgestort. Wanneer iemand spreekt op zo'n manier, dat vanuit de ziel van de ander wordt gesproken, dus niet meer egoïstisch, dan wordt dat het beste weergegeven daar waar de apostelen in alle talen tot alle mensen spreken. Zo bereidde de Heilige Geest dat voor, wat door het bloed van de Zoon, de Logos, Christus, dient te geschieden.


uit: Rudolf Steiner: Ursprungsimpulse der Geisteswissenschaft (GA 96) voordracht Berlijn, 25 maart 1907 ‘Die weltgeschichtliche Bedeutung des am Kreuze fliessenden Blutes’

zaterdag 28 mei 2011

Hemelvaart



Handelingen van de Apostelen 1 : 3 – 12

(zie over deze perikooptekst ook eerdere bijdragen - klik hier)

Mens en wereld zijn de schepping van de goden, waaraan de hemelse hiërarchieën ook al tijdens de Oude Saturnus-, Oude Zon- en Oude Maanontwikkelingen hun bijdrage hebben geleverd. Met de Zondeval van de mens kregen andere krachten hun invloed op de mens en daarmee op de aarde. Om dit te helen is de Wereldgeest afgedaald en zelf ook mens geworden. Gedurende drie en half jaar vanaf de Doop in de Jordaan heeft de Wereldgeest de mensenziel en het mensenwezen van binnenuit kunnen doordringen en helen.
Van het kruis stroomde het van zonde gereinigde bloed, het zuivere mensenbloed zoals het oorspronkelijk door de scheppende goden gedacht en gewild was.
Het lichaam werd overgedragen aan het graf van de aarde. Het benauwende omhulsel werd als vruchtbare kiem voor de toekomst aan de aarde geven.
Uit de geestesdiepten van het aardegraf verscheen op de Paasmorgen nu het vernieuwde en van de smetten van de zondeval gereinigde lichaam, de nieuwe Adam. Hiermee werd zichtbaar het oorspronkelijk scheppen van de goden. Het scheppen van de goden werd geopenbaard.
Toen werd de hele levenssfeer van de aarde doordrongen met de helende kracht van de Wereldgeest, de Opgestane. Met Hemelvaart breidde Zijn zielewezen zich uit tot in de verste uithoeken van het hele wereldzijn. Tot in de aardeatmosfeer van de wolken werd dit wezen opgenomen.

Rudolf Steiner: 5e weekspreuk:
In het licht dat uit de geestesdiepten
in de ruimte vruchtbaar wevend
het scheppen van de goden openbaart:
daarin verschijnt het zielewezen
uitgebreid tot het wereldzijn
en opgestaan
uit de innerlijke macht van het benauwende zelf.

vertaling: Doorlie Gerdes 1979

Het eigen Ik kan zichzelf gespiegeld vinden in de hem omringende wereld, de wereldopenbaring in tijd en ruimte. Overal in die wereld van zintuigen kan mijn Ik het goddelijke oerbeeld van de Wereldgeest terugvinden. Wil het Ik zich bewust worden van zijn eigen individualiteit, dan moet zij door eigen inspanningen de haar omgevende wereld in het innerlijk spiegelen. In de ons omringende wereld kan men de wetten van de kosmos terugvinden, dit zijn dezelfde wetten die ook in het innerlijk van het eigen zelf werkzaam zijn. De bewustzijnsziel is in staat om te herkennen dat het geestelijke in de kosmos overeenkomt met het geestelijke in de mens. De wereld toont overal het goddelijke oerbeeld. De vraag is niet ‘Wat is het oerbeeld?” maar “Wie is het oerbeeld?” Het antwoord daarop luidt: het goddelijk oerbeeld van de mens is Christus.

Rudolf Steiner: 6e weekspreuk (voor de week van Hemelvaart):
Verrezen is uit het eigen zijn
mijn zelf om zich te vinden
als wereldopenbaring
in tijd- en ruimtekrachten;
De wereld toont mij overal
als goddelijk oerbeeld
het ware beeld van mijn zelf.


Fra Angelico

donderdag 21 april 2011

Pasen

Rudolf Steiner: Ostern


Deze keer een tekst van Bernard Lievegoed, gegeven in de Michaëlstijd 1990. In de kring van jaarfeesten staat het Michaëlsfeest tegenover Pasen. Met Michaëlkracht kan de mens leren het Mysterie van Pasen te begrijpen.


De Christus-zon,
het Christus-licht,
heeft de duisternis doordrongen.
Op de Stille Zaterdag
trad Christus binnen
in het centrum van de aarde
van waaruit de geesten
van de diepste duisternis
door de aarde heen
hun Ik-vernietigende krachten
in de wil van mensen zenden.

Maar deze duistere plaats
draagt ook het Christusgoud,
dat licht en warmte
zendt in de menselijke wil
en in het menselijke hart.

Het is de vrijheid van het Ik
te kiezen uit de krachten
die door de aarde
binnen stralen in de wil.

Michaëls strenge blik
maant ons de keuze
in onze daden te openbaren.


Bernard Lievegoed
Michaëli 1990, te midden van de Grote Geestesstrijd

maandag 21 maart 2011

Graf en Tempel

De Tempel in Jeruzalem


Helgo Bockemühl: Graf en Tempel

Ten tijde van Jezus verhief zich op het grote tempelplateau in Jeruzalem, waar tegenwoordig de 'Koepel van de rots' staat, de prachtige tempel die Herodes in zesenveertig jaar had laten bouwen. Bij het beschouwen van dit gebouw had Jezus er tegen zijn vertrouwelingen over gesproken, dat geen steen daarvan op de andere gelaten zou worden (Marcus 13:2).
Maar er is ons ook nog iets anders, dat hij over de tempel gezegd heeft, overgeleverd; wij vinden dat in het evangelie volgens Johannes.
Daar eisen de Joden, wanneer Jezus bij gelegenheid van het Passahfeest in het jaar 31 in Jeruzalem is, een teken van hem. Hij antwoordt daarop: 'Breekt deze tempel af, en binnen drie dagen zal Ik hem doen herrijzen' (Joh. 2:19), en als de Joden, daarover ontsteld, hem onder het oog brengen dat men toch zesenveertig jaar aan dit bouwwerk had gebouwd, antwoordt hij niet, maar Johannes geeft het commentaar: 'Maar Hij sprak over de tempel van zijn lichaam' (Joh. 2:21).
Johannes, die door het overleveren van het belangrijkste dat Jezus over zichzelf zei, zijn intiemste kenner blijkt te zijn, laat ons in deze opmerking zien, hoe Jezus in de tempel een beeld, een symbool ziet van zijn lichaam, het lichaam dat de Messias, de Logos, als mens aangenomen heeft.
Ook het tafereel van de jonge Jezus in de tempel, dat Lucas schildert (Luc. 2:46) schijnt daarop te wijzen; de twaalfjarige komt daar tot zijn eigenlijke menszijn en voorvoelt de opdracht die hij zal krijgen.

De tempel

Deze tempel, die het volk Israël zo na aan het hart lag en waarmee Jezus zich zo verbonden voelde, bevatte als zijn wezenlijk cultisch middelpunt de ruimten en de structuur naar het voorbeeld van de Tabernakel. Men heeft een aantal Kanaänitische tempels opgegraven, die dezelfde structuur vertoonden, die dan in de tempel van Salomo de klassieke uitdrukking vond. De volgende drieledigheid had dus ook de tempel van Herodes:

1) een voorhof, door muren omgeven, slechts ten dele of in het geheel niet overdekt, met een brandofferaltaar, vanwaar het vuur en de rook naar de open hemel opstijgen.

2) de hoofdzaal, het Heilige, dat een gesloten binnenruimte was en twee elementen bevatte:
- a de zevenarmige kandelaar en de tafel voor de toonbroden, als beelden voor de goddelijke kosmische ordeningen van het zevental planeten en de twaalfvoudige krachten van de 'dierenriem'.
- b het kleine reukofferaltaar, met een bekken voor de houtskool. Wierook steeg daar op, het was de plaats voor inkeer en gebed.

3) het Heilige der Heiligen, dat ten tijde van Jezus leeg was. De ark van het verbond des Heren met haar kostbare herinneringsstukken uit de geschiedenis van het volk was in de troebelen van de Babylonische ballingschap verloren gegaan. Alleen nog de kale rotspunt werd door het Heilige der Heiligen omsloten. Het was de stille, het meest naar binnen gelegen plaats, waar jaarlijks op Grote Verzoendag de heilige naam van God werd uitgesproken. In dit 'binnenste' werd de aanwezigheid van de Allerhoogste beleefd, als het ware in zwijgen en niet zien.

Wij kunnen van verschillende niveaus van religieus beleven spreken, die in de tempel samengevat zijn:

1) Het volk nam zonder meer slechts aan vuur en rook onder de blote hemel deel. Dit was nog een soort natuurgodsdienst, waarin het offerbloed van het geslachte dier vloeide, waarin de vlam oplaaide, en de rook, door de wind opgenomen, oostwaarts naar de woestijn gedragen, ofwel naar het westen naar de stad toe neergedrukt werd: tekens van de genadige of de toornige God, die zich in wind en weer kond doet.

2a) Het beschouwen van de zinnebeelden van de kosmische ordening van de tijd (kandelaar en tafel voor de toonbroden) was al voorbehouden aan de priesters. Men krijgt de indruk, alsof van daaruit de week met de zeven dagen en het jaar met de twaalf maanden hun ordening kregen.

2b) Verder naar binnen dan, nog in dezelfde hoofdzaal, maar dichter naar het Heilige der Heiligen toe, ging alleen die priester die, zoals b.v. Zacharias, (Lucas 1:19) bezig was het reukoffer op te dragen, als uitdrukking van inkeer en gebed.

3) In het Heilige der Heiligen tenslotte heerste een volkomen verinnerlijkte, 'abstracte' religie zonder beelden of woorden: in de fysieke leegte was het hoogste geestelijke wezen aanwezig en werd alleen door de hogepriester bij zijn verheven, heilige naam genoemd.

Het graf

Laten wij nu deze tempel, die Jezus Christus als het beeld van zijn menselijk wezen beschouwde, eens vergelijken met het bouwsel, waarin op Goede Vrijdag zijn menselijk lichaam werd gelegd: het graf van Golgotha is immers de plaats, waar de 'tempel van zijn lichaam' afgebroken werd, opdat die binnen drie dagen weer opgebouwd zou kunnen worden. Hoe zag dit graf er uit?
Gaan wij de gegevens in de evangeliën na, dan zien wij dat men in het graf kon lopen, dat het dus horizontaal in de oplopende kalkrots uitgehouwen was. Tegenwoordig ziet men daarvan in de Heilige Grafkerk weliswaar nog slechts een fragment. Maar toentertijd waren er graven – dergelijke graven heeft men herhaaldelijk gevonden; dat waren dan de graven van de welgestelden, zoals Jozef van Arimathea die als volgt ingedeeld waren:
Enkele treden leidden naar beneden naar een soort voorportaal. Dan kwam de rolsteen, die in een goot voor de ingang gerold kon worden. Daar was de ingang van het graf. Men bevond zich eerst in een kamer waarin langs de zijwand een bank was. Daar kon men gaan zitten, om de dode te bewenen of aan hem te denken. Vandaar kwam men door een tweede, nauwe doorgang verder naar binnen. Deze tweede kamer had een nis aan de zijkant en was de eigenlijke bijzettingsplaats.

Merkwaardigerwijze hebben wij, behalve de archeologische vondsten, nog een aanwijzing voor de vorm van het opstandingsgraf, die echter helaas nagenoeg onbekend is: in Görlitz, in het oosten van Duitsland, bevindt zich een bouwsel, een maquette die het heilige graf moet voorstellen.
In het jaar 1465 was Georg Emerich van zijn bedevaart naar Jeruzalem teruggekeerd, en kort daarna schonk hij, als rijk burger, dit bouwsel als kopie van het graf, dat hij in Jeruzalem had gezien. Keizer Constantijn had de rots rondom het graf laten weghakken, zodat er een kapel was ontstaan, die met een hekwerk of een muur omgeven werd. In 1009 hebben de moslims onder kalief Hakim die kapel verwoest Niet lang daarna werd zij door de kruisvaarders weer opgericht. Zó moet Emerich haar hebben gezien, want volgens zijn maquette was vóór de eigenlijke grafkamer nog een 'engelenkapel', hetzij in plaats van de vroegere herdenkingsruimte of uit delen daarvan gebouwd. Zó kunnen wij het in Görlitz zien. Andere voorstellingen van het heilige graf, zoals in Konstanz en Magdeburg, zijn in een kerk opgesteld en hebben dus wel eerder symbolische waarde.Heilige Graf bij Görlitz

Vóór het graf in Görlitz ziet men een stenen afsluitplaat. Het is niet waarschijnlijk, dat Emerich nog de oorspronkelijke rolsteen gezien heeft. Vermoedelijk toonde men uit onbekendheid met de oude situatie met een ronde steen die in een goot gewenteld kon worden, een rechthoekige, zoals de kruisvaarders die uit Europa kenden, en zoals die in het Romeinse Rijk evenals in de Griekse cultuur bij sarcofagen gebruikelijk was geweest.
Daar in Görlitz kan men dus in eik geval een, zij het ook zwakke, afspiegeling van het heilige graf zien. Men twijfelt overigens ook al aan de echtheid van de door Constantijn gevonden plaats - de Grafkerk, die men tegenwoordig kan zien, dateert uit het jaar 1808.

Paasmorgen

Wij willen van de hierboven beschreven vorm van het graf uitgaan, zoals de archeologie die gereconstrueerd heeft:

Beschouwen wij nu de vier evangeliën en wat zij over de ontmoeting van de vrouwen met de engelen op de Paasmorgen vermelden, dan merken wij, hoe de opeenvolging van deze vier geschriften van de christelijke canon een wetmatigheid vertoont, die met de hierboven veronderstelde vorm van het graf overeenkomt.

Mattheus beschrijft in het 28e hoofdstuk, hoe de engel op de Paasmorgen in aardbeving en bliksem verschijnt; hij wentelt de steen weg en zet zich daarop. De vrouwen gaan bij de ontmoeting met de engel het graf niet binnen, misschien als gevolg van de aansporing, die de boodschap van de engel inhoudt: 'En gaat terstond op weg en zegt zijn discipelen . . .' (Matth. 28:7).
Marcus verhaalt hoe de vrouwen bij zonsopgang naar het graf gaan. Zij vinden de steen afgewenteld. Bij het betreden van het graf zien zij een 'jongeling aan de rechterzijde zitten, bekleed met een lang, wit gewaad'. Zij bevinden zich dus waarschijnlijk in de eerste ruimte, die gelegenheid moest bieden voor zitten, herdenken en bewenen (Marcus 16).
Lucas (24:3): 'En toen zij er ingegaan waren, vonden zij het lichaam van de Heer Jezus niet. En het geschiedde, terwijl zij daarover in verlegenheid waren, dat, zie, twee mannen in een blinkend gewaad bij haar stonden'. Pas na enige tijd van denken en innerlijke radeloosheid worden zij de geestelijke wezens gewaar, die hun vermanen, na te denken: 'Herinnert u, hoe Hij . . . tot u gesproken heeft ... En zij herinnerden zich zijn woorden'.
Johannes, de vierde evangelist, schildert de verschijning der engelen later, en op 'een plaats verder naar binnen toe (20:12): ' ... en zij zag twee engelen zitten, in witte klederen, één aan het hoofdeinde en één aan het voeteneinde, waar het lichaam van Jezus gelegen had'. Maria kan wellicht in de herdenkings en beweningsruimte gestaan, zich wenend voorovergebogen en bij het naar binnen zien in de eigenlijke bijzettingsruimte de engelen geschouwd hebben.

Wij ontdekken in de bijzondere vorm van elk van deze vier verhalen een diepere zin, wanneer wij de verschillen nu eens niet als met elkaar in tegenspraak willen elimineren, maar de berichten in hun eigen, karakteristieke vorm naast elkaar laten staan. Emil Bock heeft beschreven, hoe wij hier aan de hand van de teksten het geheim van verschillende hiërarchieën benaderen: van de 'exousiai' in de bliksem, via de 'archai', de jongeling, en de aartsengelen'in de blinkende gewaden', tot aan de engelen die aan Maria verschijnen.

Graf en tempel

Hier willen wij nog het tweede gezichtspunt uitwerken: wij worden van buiten tot diep in het graf naar binnen geleid en beleven in deze vier fasen een soortgelijke verinnerlijking als bij onze gang door de verschillende sferen van het religieuze beleven in de tempel te Jeruzalem:

1) In de 'voorhof, de open gang, verschijnt de engel van Jahwe in aardbeving en bliksem; zijn voorkomen is wit als sneeuw. In weersverschijnselen geeft de Heer dus zijn tekens, zoals vroeger bij Mozes, toen Hij in de wolken of vuurzuil voor het volk uittrok (Exodus 13:21).

2a) Bij het betreden van het graf zowel als van het heiligdom komen wij in het gebied van het kosmische tijdsverloop: 'toen ging de zon juist op' zegt Marcus, en de tempel biedt de aanblik van de zevenvoudig en twaalfvoudig geordende tijd. Dit is de sfeer van de 'oerbeginnen' (archai), van de tijden en levensronden naar hun uiterlijke zowel als naar hun innerlijke aard. De vrouwen ontmoeten de 'jongeling' als zij juist het graf zijn binnengegaan.

2b) Met Lucas zijn wij het gebied van de verinnerlijking binnengegaan. In de tempel verricht ook volgens het Lucasevangelie Zacharias aan het reukofferaltaar het gebed, als Gabriël hem verschijnt. Gabriël wordt in het evangelie weliswaar niet rechtstreeks als aartsengel aangeduid, maar elders in de christelijke overlevering heeft hij deze rang. Het evangelie zelf differentieert nergens de hemelse hiërarchieën. Op de daarvoor bestemde plaats in de grafruimte worden de vrouwen tot inkeer, herdenken en herinneren aangespoord. De ziel die zich innerlijk heeft voorbereid door het gebed, alsook (in het verhaal van de Paasmorgen), door de radeloosheid, vermag een boodschap te vernemen, waarin zij tot innerlijke beweeglijkheid wordt opgeroepen.

3) Bij Johannes betreden wij met het beleven van Maria Magdalena het Heilige der Heiligen van het graf, 'daar waar het lichaam van Jezus gelegen had'. Deze plaats is leeg, zoals ook het Heilige der Heiligen van de tempel. Maria is alleen. Hier is nu, naar het ons voorkomt, het karakteristieke keerpunt van het voorchristelijke naar het christelijke gebied: waar eens de allerheiligste naam van God in het binnenste gebied uitgesproken werd, wendt de mens zich weer om, naar buiten. Maria kan de Herrezene vóór het graf schouwen. Maar pas, wanneer Hij haar naam uitspreekt, herkent zij Hem. Eigenaardig genoeg het kan ons bevreemden luidt het dan nog eens: 'Zij keerde zich om'. Zou zij zich weer naar het binnenste van het graf toegekeerd hebben?
De ontmoeting in de ik sfeer (van het hoofd tot aan de voeten) wijst weer naar buiten, noemt de mens bij zijn naam en schenkt het eerste herkennen van de Herrezene.

(dubbelklik op de afbeelding voor een vergroting)


De nauwkeurige overeenkomst van graf en tempel, van de cultisch voltrokken religieuze vormen in de laatste met de beschrijvingen van de ontmoeting met de engelen op de Paasmorgen, wijst ons erop, dat zij een symbool voor het wezen van de mens zijn. Op de vier fasen van Joodse religiositeit en op de vier engelverschijningen in de opeenvolging van de evangeliën valt licht door de in de antroposofie ontwikkelde gedachte van de vierledigheid van de mens.
In de tempelcultus wordt dit door de vier niveaus direct aanschouwelijk. Christus vereenzelvigt zelf zijn menselijke bestaansvorm met dit beeld, en het lege graf verkondigt de vrouwen op de Paasmorgen uit de mond van de engelen de viervoudige opstanding:

(dubbelklik op de afbeelding voor een vergroting)

Tempel en graf spreken heel exact niet slechts over het aardse lichaam alleen, maar over het gehele mensenwezen, waarin Hij stierf en dat Hij tot opstanding bracht.

----

Vertaling en bewerking: Marie Veldhuyzen
Uitgeverij Christofoor Rotterdam 1978
ISBN 90 6238 065 4
Helgo Bockemühl 1977
Oorspronkelijke titel: Grab und Tempel - Sinnbilder für den Menschen