zaterdag 15 december 2012

De Kersthandeling

Hieronder vindt u een bewerking van een prachtig en waardevol artikel, geschreven door Marianne de Nooij, (geestelijke van de Christengemeenschap in de gemeente Amsterdam) www.christengemeenschap.nl

Voor deze weblog is de originele tekst over de Kinderdienst op enkele plaatsen aangepast, zodat de inhoud meer een weergave is van de situatie in de scholen. Zo zijn o.a. de begrippen 'Zondagsdienst voor kinderen' en 'Kerstdienst' vervangen door 'Handeling' en 'Kersthandeling'. Het originele artikel kunt u nalezen via deze link: http://www.christengemeenschap.nl/wp-content/uploads/VI-Op-de-groei-9-Op-de-plaats-van-de-armoede-Advent-2012-.pdf



Rembrandt: Aanbidding door de herders

‘Op de plaats van de armoede’

Op tweeënvijftig zondagen per jaar klinken voor de kinderen de woorden van de Kinderhandeling. Hetzelfde gebeurt in de Kinderdienst in de kerken van de Christengemeenschap over de hele wereld. Elke week weer opnieuw worden dezelfde woorden gesproken, weliswaar klinkt steeds een ander evangelie en een ander lied, maar de Handeling zelf is het hele jaar door datzelfde vertrouwde basisvoedsel voor de ziel van kinderen, van hun zevende tot hun veertiende levensjaar. Eenmaal per jaar gaan de kinderen echter naar een heel andere Handeling, op de Eerste Kerstdag, die meestal niet op zondag valt.
 De eerste Kersthandeling werd gehouden op 25 december 1920 in de eerste Waldorfschule (vrijeschool) in Stuttgart door de godsdienstleraren, die daarbij werden geholpen door Rudolf Steiner. De ouders van de kinderen die aan de Handelingen deelnamen zochten naar een vorm van religieuze opvoeding voor hun kinderen, die zij niet konden vinden in de katholieke en protestantse traditie, en de Christengemeenschap bestond toen nog niet.
De taal die in deze beide Handelingen klinkt is geen 'kindertaal'. In het regelmatig deelnemen aan deze cultus worden de krachten van verwondering en devotie gevoed, zielenkrachten die de basis vormen voor een vrij en eigen zelfstandig religieus leven in de volwassenheid.

Samen met de herders op weg

De Kersthandeling is geen enigszins aangepaste zondagshandeling, waar op de plaats van het evangelie het kerstverhaal klinkt. Het is een volledig andere tekst. Niettemin zijn er wel een aantal overeenkomsten met de gewone Handeling. De woorden waarmee de kinderen in de handelingsruimte worden binnengelaten zijn dezelfde. Komen ze bij de Kersthandeling echter binnen in de handelingsruimte, dan zien de kinderen bij het altaar ook de kerstboom staan, versierd met dertig rode en drie witte rozen en soms ook de planetentekens en met brandende kaarsjes.
Ook is er een rondgang, net als in de zondagshandeling, waarbij de handelinghoudende leraar rond gaat om ieder kind een hand te geven waarbij een korte tekst wordt gesproken. Maar anders dan bij de gewone Handeling geven de kinderen nu geen antwoord. Evenmin spreken de kinderen het gebed. In een stil zwijgen nemen ze zo luisterend het kerstverhaal in zich op, net als de verwonderde herders deden in de kerstnacht.
In de gewone Handeling wendt de leraar zich op een zeker moment naar het altaar toe en wijst op de beeltenis boven het altaar. In de Kersthandeling blijft de handelinghoudende leraar gedurende de hele dienst naar de kinderen toe gewend en keert zich niet om naar het altaar. Heeft het altaar in de Kersthandeling dan nog wel een taak, als grensgebied tussen deze wereld en de goddelijke wereld? Het lijkt er op dat Degene op wie de leraar in de gewone Handeling wijst, als hij zich naar het altaar toewendt, in de Kerstnacht midden onder ons is aangekomen en dat Diegene nu in het eigen hart beleefd kan worden. In de Zondagshandeling ervaren we deze Godesgeest wanneer we, met de aanduidende hand van de leraar mee, de blik omhoog richten. We kijken omhoog naar dat 'venster' van de altaarschildering, het venster naar de hemel toe. In de Kersthandeling mogen we deze Godesgeest als 'Geesteszon', die in de Kerstnacht naar de aarde toe kwam, midden onder ons ervaren, net zoals de herders dat in de eerste kerstnacht ervoeren.
De herders namen het licht van de Geesteszon in zich op, dat zij in die eerste wereldkerstnacht zagen stralen uit de ogen van het kindje toen ze in de stal knielden bij de kribbe, op 'de plaats van de armoede'. We gaan samen met de herders op weg in de Kersthandeling. We beleven de vroomheid en de deemoed van de herders in die eerste wereldkerstnacht mee, vroomheid en deemoed die ons eigen hart openen.
In de gewone Handeling worden de kinderen in de slotwoorden aangesproken om hetgeen zij er hebben gehoord, gevoeld en gedacht, in hun hart te bewaren. In de slotwoorden van de Kersthandeling klinkt de oproep om dat wat je in je hart bewaart, vanuit de Kersttijd het hele jaar binnen te dragen.

Zeven en twaalf

De Handeling is zevenledig opgebouwd (zie hiervoor de bijdrage 'De zeven stappen in de Kinderhandeling). Het getal zeven verschijnt in talloze sprookjes, denk maar aan de zeven dwergen over de zeven bergen, de zeven raven of de zeven geitjes. Ook in de Openbaring van Johannes komt de zevenheid veel voor; iemand heeft ooit 7700 zevenheden in dit laatste bijbelboek geteld! Zevenheid duidt op tijdsprocessen: op ontwikkeling in de aardse werkelijkheid van ruimte en tijd, op de groei en ontwikkeling van de mens na zijn geboorte hier op aarde.
De Kersthandeling is niet zevenledig, maar bestaat uit twaalf gedeelten. Ook de twaalfheid is in vele sprookjes te vinden: de twaalf vensters in 'Het Zeehaasje', 'De Twaalf Broers' (waarin het zusje overigens zeven jaren niet mag spreken om hen te verlossen), of 'De Twaalf Jagers'. Ook in de Openbaring van Johannes verschijnt de twaalfheid in de laatste hoofdstukken: de zeven brieven, de zeven bazuinen en de zeven schalen van toorn zijn voorbij en de hemelse stad Jeruzalem met haar twaalftal twaalfheden daalt uit de hemel neer. Wanneer we het getal twaalf tegenkomen, duidt dat meestal op processen die met de krachten uit de sterrenwereld van de dierenriem, dus met de hemel te maken hebben. Dan gaat het om ontwikkeling die aangezet wordt vanuit de hemel, van buiten de aardse werkelijkheid van ruimte en tijd.
In de Kersthandeling klinkt de kerstboodschap in twaalf strofen, in twaalf gebeden. Zoals de zon door het jaar heen door de twaalf beelden van de dierenriem beweegt, zo hebben in deze Kersthandeling de herders, die 'op de plaats van de armoede' knielen in de stal, twaalfvoudig deel aan de geboorte van de Geesteszon op aarde. Vanuit twaalf richtingen wordt de geboorte van het Kind belicht.

De kinderen kunnen van hun zevende tot hun veertiende levensjaar in principe zeven maal de Kersthandeling meemaken, telkens op een andere dag van de week, want Kerst valt immers op de vaste datum van 25 december. Van jaar tot jaar heeft de Kersthandeling zo telkens de kwaliteit van een andere weekdag. Hiermee wordt de hemelse kwaliteit van de twaalfheid in deze dienst verbonden met de aardse zevenheid van de zeven weekdagen in onze aardse tijdrekening.
De moderne mens is de harte-innigheid van de herders en de sterrenwijsheid van de drie koningen voor een groot deel kwijt geraakt. De mens heeft immers de opdracht om op aarde de vrijheid te verwerven, vrij te worden van de leiding uit de geestelijke wereld. In die zin kun je dan ook zeggen, dat onze kinderen ter wereld komen en opgroeien 'op de plaats van de armoede' waar de oude harte-innigheid en sterrenwijsheid verloren zijn gegaan.
In het vieren van het Kerstfeest kunnen we, in vrijheid, de herders-innigheid en koningswijsheid opnieuw verwerven. De Kersthandeling voor de kinderen, waar overigens ook volwassenen hartelijk welkom zijn, heeft een stemming van rust, innigheid, warmte en omhulling. De herdersboodschap van het hart is gehuld in een twaalfvoudige koningsmantel van sterrenwijsheid. En zo wordt de kerstboodschap als een levende kiem gezaaid in het hart, een kiem die vanuit de Kersttijd mag groeien en vrucht dragen in het leven van het gehele jaar.

Het originele artikel met de titel 'Op de plaats van de armoede' verscheen in 'In Beweging' het kwartaalblad van de Christengemeenschap - Advent 2012. 
Het originele artikel kunt u vinden op de website van de Christengemeenschap of via deze link (klik hier)

zaterdag 6 oktober 2012

De zeven stappen in de Kinderhandeling

Toen de priesters van de in 1922 opgerichte Christengemeenschap te kennen gaven dat zij ook een viering wensten speciaal voor de kinderen, antwoordde Rudolf Steiner op hun vraag, dat hij niet voor een tweede keer een Kinderhandeling kon geven, zoals die al aan de vrijeschool in Stuttgart overhandigd was en vanaf februari 1920 werd gehouden, maar dat hij bij de godsdienstleraren van deze Waldorfschool navraag zou doen. Enige tijd later overhandigden de leraren op Steiners verzoek de tekst van de Kinderhandeling aan de priesters van de Christengemeenschap. 
Daarom kunnen we ons er niet genoeg van bewust zijn, welke enorme (esoterische) betekenis deze Kinderhandeling, die aan de vrijeschool-beweging gegeven is, heeft als cultus binnen  het geheel van de antroposofische beweging (zie ook het hier eerder gepubliceerde artikel van Daniel van Bemmelen over de Betekenis van de Kinderhandeling).

Hieronder volgt een bewerking van een bijdrage aan de studiedag voor leraren religieuze oriëntatie aan vrijescholen.
22 september 2007.

------

De zeven stappen in de Kinderhandeling

Naast alles wat het leerplan van de vrijescholen te bieden heeft aan waardevolle bijdragen voor de opvoeding van het kind, vormen de lessen Religieuze Oriëntatie en de daarbij horende Handelingen wel een heel bijzonder element binnen het vrijeschool-onderwijs. Tegelijk blijkt echter dat het ritueel van de Handeling voor velen moeilijk toegankelijk is. Wat Rudolf Steiner aan de pedagogen gegeven heeft, is eigenlijk vooruitstrevend nieuw. Tegelijk kan men ook leren zien dat hij daarmee wilde aansluiten bij een eeuwenoude esoterische traditie en een impuls wilde geven als begin van Nieuwe Mysteriën. Laten we daarom een poging wagen om op een bepaalde manier te begrijpen wat er gebeurt.

Eerst een stukje geschiedenis: Nadat op een ouderavond (3 november 1919) ouders vroegen of er een zondagsviering kon komen voor de kinderen die naar het Freie Religionsunterricht gingen, antwoordde Rudolf Steiner ‘Dan moet het ook een cultus zijn! Maar het zal moeilijk worden om dat vorm te geven. Als we zo iets gaan doen mag het niet mislukken. Het zal zo moeten worden dat het ‘Taboe’ is.’ Volgens het woordenboek is een cultus: eredienst, in- en uitwendige verering van God.’ Het karakteristieke van een cultus is dat inhoud en vorm met elkaar in overeenstemming zijn. Vanuit  een geesteswetenschappelijk gezichtspunt kunnen we tegenwoordig ook zeggen dat een cultus qua inhoud en vorm zo is vormgegeven, dat zij ook voor de geestelijke wereld een betekenis heeft. Daarom kunnen we ons ook voorstellen dat Steiner aangaf dat het zo moest worden dat het ‘taboe’ was, want hetgeen zou ontstaan, kon niet vervangen worden door iets anders. Dat bleek dus ook toen de priesters van de toentertijd pas gestichte Christengemeenschap te kennen gaven ook voor de kinderen een viering te wensen.

We willen nu deze Kinderhandeling vanuit drie invalshoeken bekijken: Wat is er te zien? Wat is er te horen? En wat gebeurt er?
Met andere woorden: we kijken nu naar het visuele aspect, het auditieve element en het bewegingsaspect d.w.z. de gebaren. Eigenlijk vragen we onszelf daarmee af: Wat is de Handeling als beeld, imaginatie? Wat is de inspiratie en wat de intuïtie die in de Handeling tot uiting komt? Daardoor kunnen we meteen een verbinding leggen met hetgeen Rudolf Steiner aangaf over hoe dat de wezens van de derde hiërarchie (engelen, aartsengelen en archai) het pedagogische werk van leraren willen ondersteunen met imaginaties, inspiraties en intuïties. Op het werk van deze engelwezens van de derde hiërarchie zullen we aan het einde van deze bijdrage nog terug komen.

Meteen wanneer de kinderen de handelingsruimte binnen komen, krijgen we antwoord op de vraag: Wat doe je eigenlijk in de Handeling? Tot ieder kind afzonderlijk wordt gezegd: “Je weet dat je gaat naar de Handeling, die je ziel zal verheffen tot de Geest van de Wereld.” Dat doet de Handeling dus, de Kinderhandeling verheft je ziel. Zij verheft de ziel tot de Geest van de Wereld en we weten dat sinds het Mysterie van Golgotha het Christuswezen zelf de Geest van de Wereld is. Het werkwoord ‘verheffen‘ komt overigens in de tekst van de Kinderhandeling driemaal voor.
Deze eerste zin, die bij het binnenkomen uitgesproken wordt, zet meteen de toon. Het is geen belerende tekst in de trant: “Weet je wel dat je naar de Handeling gaat!”, ook geen sentimentele begroeting: “O wat leuk dat je naar de Handeling bent gekomen. Gezellig, welkom en ga fijn bij ons zitten!” Elke vorm van sentimentaliteit is funest voor de kinderziel, niet alleen in dit verband maar zeer zeker hierbij. Wat klinkt is volkomen objectief en daarmee kan de ziel van het kind het in vrijheid opnemen en met zich meedragen.

Na deze begroeting komen de kinderen de handelingsruimte binnen. Het moet geen apart ‘kapelletje’ zijn maar een lokaal of zaal van de school, die de rest van de week ook voor andere activiteiten wordt gebruikt. Voor de zondagse Handeling is de inrichting opgetuigd en het valt meteen op dat de gordijnen en het altaar rood van kleur zijn. In een van de karmavoordrachten spreekt Rudolf Steiner over de tempelarchitectuur en het ontwerp van het 1e Goetheanum. Hij vertelt dat de normale zintuigindrukken ons alleen de schijnwereld laten zien, die ons door toedoen van het wezen Lucifer als reëel voordoet, maar die ons eigenlijk wil afhouden van een werkelijke verbinding met ons innerlijk en met het geestelijke in de wereld. De architectuur van de heiligdommen, tempels, kathedralen en kerken was zo, dat het de menselijke ziel voerde naar de diepten van het innerlijk leven. Het licht dat door de gekleurde, gebrandschilderde vensters scheen was een representant van het geestelijk gekleurde licht van de planetenwereld. Het witte luciferische licht dat ons de Maya van de zintuigwereld binnenleidt, wordt erdoor geweerd. De kleuren die aangegeven zijn voor de handelingsruimte en het altaar zouden in dit licht gezien kunnen worden. Ze zijn niet willekeurig gekozen, maar juist deze kleuren helpen mee de cultus te voltrekken. Door verschillende grote stukken gekleurd karton met elkaar te vergelijken en je voor te stellen dat altaar en gordijnen die kleuren zouden hebben, kun je er al snel achterkomen dat andere kleuren veel minder geschikt zouden zijn. Ook hier kom je in het gebied van de objectieve realiteiten, niet geleid door modetrends of persoonlijke voorkeur en smaak. Over het rood is dan ook nog te zeggen dat het kleur van de goddelijke toorn is en dat kijken naar rood het bloed in ons organisme activeert.
Dan is er het blauw van de lijst om de afbeelding van het gelaat van Christus door Leonardo da Vinci tegen de achtergrond van dat rood. Blauw en rood zijn de archetypische kleuren staande voor de zielekrachten antipathie en sympathie. Het zwart en wit van de kandelaars en de kaarsen zijn ook archetypische kleuren voor deze twee zelfde krachten, maar dan gezien vanuit een geestelijke standpunt:
wit = antipathie, zwart = sympathie.
Overigens, wanneer je de combinatie rood-zwart-wit bij elkaar ziet, merk je de kracht ervan. Sneeuwwitje uit het sprookje wordt beschreven in dezelfde kleurcombinatie, zo ook Maria uit de West Side Story in haar baljurk, het kostuum van Herodes in het Driekoningenspel, de shirts en shorts van Feyenoord en Ajax. Voor verpakking van  bepaalde sigarettenmerken en zelfs ook in het Duitsland van voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de kracht van deze kleurcombinatie geweten en gebruikt, met uiterst negatieve bedoelingen.

Naast de kleuren die te zien zijn valt ook de vorm van het altaar op. Ook daarvan liggen de maten vast. Het achterdeel is een driehoek en daaronder een rechthoek. We kennen dit o.a. uit de Griekse architectuur, maar we vinden het natuurlijk ook gewoon in een huisje op een kindertekening: de goddelijke wereld (3) en de fysieke wereld (4). De Sixtijnse Madonna van Raphael kende deze geometrische verhoudingen. Wanneer je een horizontale lijn trekt boven de hoofden van Sixtus en Barbara, dan ontdek je een vierkant onder deze lijn. En deze lijn vormt ook meteen de basis voor een driehoek waarvan de punt boven het hoofd van de Madonna ligt. Haar gelaat en het kind vormen het centrum van deze driehoek. De buitenste lijnen van driehoek en vierkant vormen samen overigens een soort vijfhoek.

Raphael Santi: Sixtijnse Madonna
Aan de zijkanten van het altaar kunnen twee zetels staan. Toen in de begintijd alleen nog maar de Kinderhandeling gegeven was, waren deze zetels er nog niet maar bij de invoering van de Offerhandeling (Pasen 1923) zijn ze erbij gekomen. Deze twee zetels versterken nog meer de optische vorm van driehoek en vierkant en ook benadrukken zij nog eens extra het links-rechts-aspect van het altaar, of beter gezegd: de verdeling in drieën: links – midden – rechts. Wanneer je het aspect ‘tijd’ grafisch in een horizontale lijn uitzet, dan is hetgeen van links komt afkomstig uit het verleden. Dat wat van rechts komt werpt vanuit de toekomst al zijn licht vooruit in het heden. Zo representeert de linkerkant het verleden, het midden het heden en de rechterkant de toekomst. Vanuit het verleden komt de scheppende antipathiestroom die al het onzichtbare tot openbaring brengt, vanuit de toekomst werkt de oplossende sympathiestroom van de wil. Kijk eens in de Algemene Menskunde naar de diagrammen, dan zie je dat daar ook weer terug. De antipathiestroom is ook de plastisch-architectonische stroom, via links treedt de mens in de plastische verschijning. Het muzikale en het dichterlijke woord van de sympathiestroom is rechts.
Staande voor een altaar in een middeleeuwse kathedraal of een kerk, kijken wij altijd in de richting van het oosten, naar daar waar de zon opkomt. Daarvan stamt het woord ‘oriënteren, wat wil zeggen ‘zoeken naar de Oriënt (het oosten)’. Links van ons is dan het koude noorden met de onbeweeglijke poolster, rechts is het warme zuiden met de dynamiek van de langs de hemel reizende zon, maan en planeten. Rudolf Steiner gaf aan dat de linkerhelft van het mensenlichaam is opgebouwd door dezelfde geestelijke krachten, die ook het noordelijk halfrond met zijn vele continenten hebben gevormd. Daardoor is alles in fysieke verschijning getreden. De rechter lichaamshelft is veel flexibeler en is gevormd door krachten die in verre oertijden ook het zuidelijk halfrond met het vele water van de oceanen hebben gevormd.
In de Katholieke Kerk kende men het gebruik dat het missaal op het altaar steeds van rechts naar links en in het midden en weer terug werd verplaatst (zie hier). Dat komt men ook tegen in de Christengemeenschap. Wie bekend is met de Mensenwijdingsdienst kent ook de verschillende taken van de twee ministranten. De linker ministrant verricht de fysieke handelingen met kaarsen, wijn en water, wierookvat, kazuifel. Hij spreekt niet. De rechter ministrant is degene die spreekt en deze komt slechts naar links om het evangelieboek op te houden. De plastisch-architectonische stroom links, de muzikaal-dichterlijke stroom rechts. We herkennen in het altaar een beeld voor de door geestelijke krachten opgebouwde organisatie van de mens.

Nog een ander visueel element: Op het altaar zien we zeven kaarsen. Zij worden van links naar rechts neergezet en in een punt naar voren. De grootte van de kandelaars zorgt ervoor dat de kaarsen van groot naar klein gerangschikt zijn en dan weer groter worden.

1e lang                               7e zelfde hoogte als 1e
     2e korter                  6e zelfde als 2e
          3e nog korter   5e zelfde als 3e
                       4e kortst

Op het altaar in de Christengemeenschap hebben de kaarsen dezelfde grootte. De zeven kaarsen zullen meteen de associatie oproepen met de menora, de zevenarmige kandelaar uit de Joodse traditie. We hebben de getallen 3 en 4 (samen 7) al gezien in de vorm van het altaar. Het getal zeven duidt op de archetypische fasen van ontwikkeling. Daardoor kan men  het getal zeven ook terugvinden in veel andere zaken: de dagen van de week, de tonen van de toonladder, de kleuren van de regenboog, de zichtbare planeten, de zeven boomsoorten, de metalen, de zeven levensprocessen, de zeven vrije kunsten, de sacramenten, de werken van barmhartigheid, de zeven Ik-ben-woorden uit het Johannes-evangelie, de zeven woorden van Christus aan het kruis, zeven schalen van gramschap uit de Apocalyps en zelfs met de traditionele zeven doodzonden.
Het getal zeven is een herinnering aan de ontwikkelingsfase van de Oude Maan, waar het Boze in de ontwikkeling binnentrad. Als beeld vinden we ook dit weer in het sprookje van Sneeuwwitje, waar we zien hoe de ziel (Sneeuwwitje) leeft in een fysiek lichaam (huisje) . De levensprocessen van het etherlichaam (de dwergen) worden vergiftigd door de jaloerse stiefmoeder, de  kwaadaardige invloeden (=Lucifer) op de ziel en haar drievoudige functies denken, voelen en willen (hoofd, middel, stofwisseling). In een ander sprookje De Wolf en de Zeven Geitjes zien we de werking van een andere boze macht (Ahriman, het leugenbeest) in datzelfde gebied van de zeven levenskrachten. Hier blijkt dat het slechts de hartenkrachten van de mens zijn (het geitje in de klok), die nog redding kunnen bieden tegen de aanvallen van dit leugenbeest.

Wat we nu op het altaar hebben gezien, kunnen we vervolgens als visuele ondersteuning gebruiken om te volgen wat er in gesproken woorden tot ons (de kinderen) komt. Dit is het auditieve element, het hoorbare element van de inspiratie. Elk van de zeven kaarsen zou kunnen staan voor een gedeelte van de Handeling, voor de ontwikkeling die door de tekst van de Handeling heen klinkt. Daarom verbinden we de zeven kaarsen op het altaar ook met de zeven ontwikkelingsfasen van de aarde en met de zeven wezensdelen van de mens.

De 1e kaars herinnert ons aan de ontwikkelingfase van de Oude Saturnus, toen de Archai hun individualiteit ontwikkelden en het menselijk fysieke lichaam met zijn twaalf zintuigen voorbereidden. Tijdens de Oude Saturnus fase van de aarde bestond alles uit enkel warmte. Nu werken de Archai in de wil van de mens, wanneer de mens zijn fysieke lichaam in beweging wil brengen. Deze hiërarchie heeft ook bemoeienis met de zintuigen van de mens. De Oude Saturnus is de fase waarmee de schepping, de aarde ontwikkeling een aanvang nam, het scheppende principe van de Vader God.
Het eerste gedeelte van de Kinderhandeling spreekt over het aspect van de Vader God, de schepper van hemel en aarde. Er klinkt: ‘Wij verheffen ons’, en het is de wil waarover wordt gesproken.
Oude Saturnus – hiërarchie van de Archai - Vader God – fysiek lichaam - Willen

De 2e kaars herinnert ons aan de ontwikkelingfase van de Oude Zon, toen naast warmte ook licht en lucht ontstonden en waarin de aartsengelen het etherlichaam van de mens voorbereidden. De aartsengelen zijn nu werkzaam in het voelen van de mens. Het woord ‘hart’ klinkt werkelijk in dit gedeelte van de Handeling.
Voor dit tweede stuk van de Handeling draait de leraar, die de Handeling houdt, zich om naar de beeltenis van Christus en met een opgeheven hand wijzend op deze beeltenis spreekt hij Zijn naam uit. Hij is het zonnewezen dat leeft als ‘Geest in het Al’, de Zoon Gods, die levend kan worden in de harten van de mensen.
Oude Zon – Aartsengelen – Zoon God – etherlichaam – Voelen

We komen steeds dichter bij de aardeontwikkeling en de tekst van de Handeling komt dichter bij de kinderen. Er klinkt nu de aanhef: “Lieve kinderen…”
De 3e kaars herinnert ons aan de ontwikkelingfase de Oude Maan. De engelen ontwikkelden toen het astraallichaam in een wereld bestaande uit warmte, licht/lucht en water. De tekst van de Handeling bespreekt de drievoudige functies van het astraallichaam: denken, voelen en willen. De kinderen worden eraan herinnerd dat wij leren om te begrijpen en leren om in de wereld te werken. En dat de liefde van de mensen tot elkaar leven brengt in al het werk van de mensen. Leren heeft geestkarakter, de Heilige Geest.
In voorchristelijke tijden waren het leren begrijpen, werken en elkaar liefhebben geen individuele zaak maar een groepsgebeuren. Door de offerdaad van Christus zijn begrijpen, werken en liefhebben een aangelegenheid van het individu geworden. Daarom zijn het drie Christusgaven waarover in dit derde gedeelte van de Handeling gesproken wordt. We voelen hier de Heilige Geest. Een heel belangrijke zin klinkt: Christus is de leraar is van  de mensenliefde.
Oude Maan – Engelen – Heilige Geest – astraallichaam -  Denken

De 4e kaars staat op de kortste kandelaar. Nu zijn we aangekomen bij de huidige aardeontwikkeling, waarin wij als mensen onze Ik-ontwikkeling moeten gaan in een wereld bestaande uit warmte, licht/lucht, water en fysieke aarde.
Door het Mysterie van Golgotha werd aan de mens de kracht van het individuele Ik gegeven. Tijdens dit vierde gedeelte van de Handeling spreken de kinderen dan ook zelf. Het gebed heeft opnieuw zeven regels, die een samenhang hebben waarop we nog terug zullen komen. Het spreken van het gebed eist de Ik-kracht van de mens, die op aarde leeft.

Er volgen de drie kaarsen aan de rechterkant van het altaar. Dat is de kant met toekomstkarakter. De 5e kaars is een voorbode van de Jupiterfase na de aarde. In de zevendelige mens hangt dit samen met het Geestzelf, een omwerking van het astraallichaam wanneer het is gereinigd door de inwerking van het bewuste hogere Ik. Om je daar iets bij voor te stellen kun je denken aan het beeld van de pas geschapen Adam, die aan alles wat hij waarnam een naam moest gaven. De waarneming van de buitenwereld verloopt via het astraallichaam.  Het geven van namen komt van binnen uit. Met iedere naam plaatste Adam zijn innerlijk tegenover de buitenwereld. In het Geestzelf, het gereinigde astraallichaam zal de mens herkennen dat alles in de zintuiglijke wereld geheel vervult is met de werking van de Geest, van de Goden. De naam van God zal hij herkennen in alles wat hij zal waarnemen. Het is een toekomstbeeld van de tijd wanneer Gods naam zal worden geheiligd.
Uw naam worde geheiligd.

In het 5e gedeelte van de Handeling vindt de rondgang plaats. De leraar die de Handeling houdt, stapt bewust vanuit het midden naar rechterkant (toekomstkant) van het altaar, voordat hij naar de kinderen loopt. De kinderen antwoorden dat zij de Godesgeest zullen zoeken.
Daarna volgt een zegen waarbij de handelende met de handen een gebaar maakt, dat zijn wortels heeft in de Joodse traditie van het Oude Testament. Het is het zegenende gebaar van de Joodse priester, de Kohenin uit de stam van Aaron. Lees hiervoor de tekst uit Numeri 6:22-27, waarin wordt vertelt hoe Mozes de opdracht krijgt om zijn broerder Aaron te leren hoe het volk te zegenen. Volgens de Joodse traditie houd je de zegen die van HEM komt, niet in gesloten handen.
Shefa Tal
De vingers van beide handen vormen de Hebreeuwse letter ‘Shin’ van ‘Shaddai’, de Almachtige God.
De vingers laten op deze manier ook weer een drie-eenheid zien. Het is eventueel te vergelijken met het zegenende handgebaar waarmee Christus vaak wordt afgebeeld.
Jupiter – Geestzelf – Naam
 
Hebreeuwse letter Shin
De 6e kaars representeert de toekomstige ontwikkelingsfase die de Venusontwikkeling genoemd wordt en ook het nog te ontwikkelen wezensdeel van de mens: de Levengeest, het omgewerkte etherlichaam. Met dit omgewerkte etherlichaam zullen de mensen in de toekomst een gemeenschap in Christus kunnen vormen, een Rijk met Christus als koning. Uw Rijk kome tot ons
In dit 6e gedeelte van de Handeling wordt het Evangelie gelezen. Wat Christus ons heeft voorgeleefd klinkt uit deze woorden. Wij nemen deze woorden in ons op en kunnen Hem navolgen. Dat wat door Christus is voorgeleefd zal door onszelf individueel verwerkelijkt moeten worden. De leraar stapt voor dit zesde gedeelte van de Handeling bewust vanuit het midden naar de linkerkant van het altaar en leest daar het Evangelie. Als antwoord op de engelwoorden van het evangelie zingen de kinderen hierna hun lied.
Venus – Levensgeest - Rijk

Dan zijn we tenslotte bij de laatste en 7e kaars aangekomen, die de toekomstige Vulcanusontwikkeling representeert, wanneer het getransformeerde fysieke lichaam van de mens tot Geestmens zal worden. Wanneer de mens zich tot Geestmens heeft ontwikkeld, is hij in staat datgene te doen wat noodzakelijk is, niet dat waar hij zelf zin in heeft, dat wat hij zelf wil, maar datgene wat noodzakelijk is. Rudolf Steiner spreekt erover dat in een verre toekomst zelfs de draaiing van de aardas door mensenwil in gang zal worden gehouden. Gelukkig is het nu nog niet zover, het zou nog tot totale chaos leiden. In die verre toekomst zullen de woorden Uw Wil geschiede een werkelijkheid zijn.
De laatste woorden van de Handeling klinken: Bewaart in goede gedachten wat je hier hebt gehoord, gevoeld en gedacht. Ofwel: Wat je hier aan intuïties, inspiraties en imaginaties hebt kunnen opnemen, neem dat mee naar de toekomst.
Vulcanus – Geestmens – Uw Wil

We komen nog even terug op de zeven regels van het kindergebed. Deze regels hebben elk ook weer het karakter van een van de delen van de Handeling zoals ze hierboven beschreven zijn. Maar daarnaast is elke regel ook in verbinding te zien met dat andere gebed wat wij allen kennen: het Onze Vader.
In de eerste regel van dit kindergebed klinkt we weer het woord 'verheffen', het optillen uit de fysieke zwaarte, het fysieke lichaam. De mens moet dagelijks brood eten om onder de huidige aardse omstandigheden te kunnen leven. Sinds de Zondeval en de verdrijving uit het hemelse Paradijs kan het niet anders meer: 'in het zweet des aanschijns zult gij uw brood eten.' Bij het fysieke lichaam hoort dan ook de zin: Geef ons heden ons dagelijks brood.
In de tweede regel staat: 'Vereren'. Kunnen vereren heeft een heilzame werking op de levenskrachten van het etherlichaam, het gebied van het geheugen, waar onze eigen misstappen als mede de herinneringen aan het eventuele onrecht dat anderen ons hebben aangedaan zijn afgedrukt. 'Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren' hangt samen met de levenskrachten van het etherlichaam.

Het 'liefhebben' uit de derde regel van het kindergebed heeft regelrecht met de ziel, het astraallichaam, te maken. Zo ook de zin: Leid ons niet in verzoeking.
'Wij zullen denken aan de Godesgeest' uit de vierde en middelste regel van het gebed is het motief van het bewuste Ik. Verlos ons van het Boze. Alle wezensdelen van de mens worden bedreigt door tegenstandersmachten, ook het Ik van de mens.
De laatste regels van het kindergebed hebben een sterk toekomstkarakter. Het werkwoord zullen wordt in deze regels gebruikt, verwijzend naar de toekomende tijd.
'Wanneer wij alleen zijn' heeft betrekking op het Geestzelf, het omgewerkte astraallichaam dat in staat is waar te nemen dat de wereld van geest doortrokken is. In het Onze Vader zijn het de beginregels 'Uw Naam worde geheiligd'  - Geestzelf.
'Wanneer wij met anderen tesamenzijn' is de toekomstige gemeenschap in Christus vormen, ofwel 'Uw Rijk kome tot ons', - Levensgeest.
'Dan zal Hij met ons zijn' hangt samen met 'Uw Wil geschiede', want het is de Geestmens, die vanuit zichzelf de godenwil doet, omdat hij weet dat wat noodzakelijk gebeuren moet niet afhangt van zijn persoonlijke voorkeuren.
Op deze manier bezien hangt het kindergebed van de Handeling harmonisch met de zeven regels van het Onze Vader samen en met de zeven delen van de Handeling zelf. Zo krijgen we gevoel voor wat een cultus is. De details en geheel hangen samen met nog grotere kosmische wetmatigheden. Wie verder zou willen speuren kan zelf een samenhang vinden met de zeven kwaliteiten van de wil, zoals Rudolf Steiner die beschrijft in de pedagogische cursus Algemene Menskunde.
Leonardo da Vinci: studie voor l'Ultima Cena
We hebben nu aangedragen welke elementen van imaginatie, inspiratie en intuïtie in de Handeling besloten liggen: dat wat te zien is, wat te horen is en wat er gebeurt. Met al datgene kunnen de geestelijke wezens van de derde hiërarchie gedurende de slaap van het kind werkelijk iets aanvangen in het astraallichaam, etherlichaam en fysieke lichaam van het kind, om daarin te herstellen wat er gedurende de beslommeringen van de dag is afgebroken. De vrijeschool-pedagogie kan zich onderscheiden van andere vormen van onderwijs, doordat rekening gehouden wordt met de geestelijke realiteit van de nacht. Alles wat overdag in het pedagogische handelen gebeurt moet waardevol zijn voor de nacht.

Er is nog een gezichtspunt, dat duidelijk maakt waarom het zo enorm waardevol is dat in vrijescholen en antroposofische heilpedagogische instituten de Handelingen gehouden worden. Dat is het inzicht dat het Wezen wat in voorchristelijke tijden de slapende mensenzielen gedurende de nacht kon begeleiden vanaf de zon, sinds het Mysterie van Golgotha op aarde gezocht moet worden. De slapende ziel van de mens werd altijd door het Christuswezen begeleid en beschermd wanneer de mensenziel in de geestelijke wereld van de nacht vertoefde. Sinds het Christuswezen zich met de aardeplaneet verbonden heeft, kan dat alleen gebeuren wanneer de mens overdag een bewuste verbinding met het Mysterie van Golgotha zoekt. Dan kan Hij de mensenziel gedurende de nacht tegen het Boze beschermen. De Handeling geeft in haar vorm, woorden en gebaren een viervoudige werking voor de nacht. Het Ik, het astraallichaam, het etherlichaam en zelfs het fysieke lichaam van het kind worden aangesproken, zodat de engelen, aartsengelen, archai en ook het Christuswezen zelf de kinderziel kunnen bijstaan gedurende de nacht.
Zo is de Handeling een ware cultus, een onderdeel van de nieuwe mysteriën.


literatuur:
Rudolf Steiner:
- Karmavoordracht van 27 april 1924, Dornach (GA 236)
- Het wezen van de kleuren (GA 291) - Das Wesen der Farben
- Anthroposophie, Psychosophie, Pneumatosophie (GA 115)
- Algemene Menskunde, 4de voordracht (GA 293)

vrijdag 31 augustus 2012

De toename van het boze – De wederkomst van Christus

(Das Anwachsen des Bösen – Die Wiederkunft Christi)
Een voordracht gehouden door Hans-Werner Schroeder, priester van de Christengemeenschap
Rotterdam, 25-9-2001
(twee weken na de aanslagen op 11 september 2001)


Dames en heren,

De actualiteit van deze dagen (11 september 2001) werpt natuurlijk een bepaald licht op het thema van deze voordracht. Ik wil namelijk spreken over het toenemen van het boze, maar tegelijkertijd moeten we ook spreken over de wederkomst van Christus. Rudolf Steiner heeft er namelijk over gesproken dat in onze tijd de wederkomst van Christus een aanvang neemt. De wederkomst van Christus zal zich echter over een tijdsverloop van honderden jaren uitstrekken.

In de zestiger jaren (van de 20e eeuw) was ik (Schoeder) priester in Berlijn. Daar ontmoette ik veel mensen, die de Tweede Wereldoorlog hadden meegemaakt en die vertelden dat zij in die ellendige tijd een ontmoeting met Christus hadden beleefd in de vorm van redding, bemoediging, of een belevenis van zingeving. Ik kwam daardoor tot de conclusie dat Rudolf Steiner zich niet had vergist, toen hij aan het begin van de 20e eeuw aankondigde dat het Christuswezen voor de mensen in onze tijd ervaarbaar zou worden.

In de zeventiger jaren waren er in Zweden twee journalisten, die voor een kerstnummer van het tijdschrift waarvoor zij werkten een speciaal artikel wilden schrijven. Zij plaatsten daarvoor een advertentie met de vraag: ‘Wie heeft er een Christuservaring meegemaakt?’ Er kwamen heel veel reacties op deze advertentie, die heel verschillend van aard waren. Er is zelfs een boek van verschenen.
De ervaringen waren dus buitengewoon verschillend van karakter, maar meestal trad zo’n ervaring van het Christuswezen op in tijd van een zware crisis, een lichamelijke of psychische levenscrisis. In zo’n tijd van crisis wordt de ziel losgebroken uit haar gewone leven, dat meestal bijna slapend verloopt, en ze wordt opgewekt tot een ervaring van het Christuswezen. Soms trad de ervaring op als concrete uiterlijke hulp. Men mag ervan uitgaan dat er dus een samenhang bestaat tussen het ondergaan van een zwaar lot en het zich openen van de ziel.

In de tachtiger jaren bezocht ik Japan. Ook daar ontmoette ik mensen die dit soort ervaringen kenden. Zij gebruikten alleen andere namen dan wij hier in onze christelijke traditie hanteren, maar dit soort ervaringen zijn natuurlijk niet slechts een zaak voor de christenheid. De wederkomst van Christus gaat namelijk de hele mensheid aan.
Het gaf mij aanleiding om het thema nog verder te onderzoeken. Het motief van de wederkomst van Christus groeit. In de mensheid groeit het bewustzijn dat de fysieke wereld niet de enige werkelijkheid is. Rudolf Steiner gaf ook aan dat dit gevoel en het inzicht in de komende eeuwen verder zal toenemen.

Ik wil u nu iets vertellen over Lusseyran. Jacques Lusseyran was een man, die in zijn jeugd blind geworden was. Hij had zichzelf door deze diep ingrijpende biografische ervaringen heen geworsteld en hij was in staat 'een ander licht te zien', zoals hij het beschrijft. Tijdens de Tweede Wereldoorlog sloot hij zich aan bij het Franse verzet. Hij werd opgepakt en kwam in het concentratiekamp Buchenwalt terecht. Hij werd daar ziek en kwam tenslotte in de stervensbarak, waar hij bijna stierf. Toen drong er een licht en leven tot hem door. Hij overwon het doodsproces en genas. Daarna was hij is staat velen te helpen en te ondersteunen, vanuit deze kracht. (zie: Jacques Lusseyran - ‘Het teruggevonden licht‘ uitgeverij Christofoor)
Samenvattend: De mensheid was eeuwenlang van de geestelijk-goddelijke wereld afgesneden. Daardoor ontstond het materialisme. Maar die tijd is nu voorbij. De mens moest in deze tijd van het materialisme zich met zijn Ik leren thuis voelen op aarde. Maar nu moet de mens verder. De poort tot de geestelijke werelden moet weer geopend worden. De mens is krachtig geïndividualiseerd, maar met dit Ik-besef moet hij nu de weg naar de geestelijke wereld weer inslaan.

In het boek Openbaringen van Johannes (Apocalyps) wordt beschreven hoe de aartsengel Michael de geestelijke wereld reinigt. De draak lag voor de hemelpoort maar Michael wierp deze draak uit de hemel op de aarde, in de mensheid.

Openbaring, hoofdstuk 12:
(7) Toen brak er oorlog uit in de hemel. Michaël en zijn engelen bonden de strijd aan met de draak. De draak en zijn engelen boden tegenstand (8) maar werden verslagen; sindsdien is er voor hen in de hemel geen plaats meer. (9) De grote draak werd op de aarde gegooid. Hij is de slang van weleer, die duivel of Satan wordt genoemd en die de hele wereld misleidt. Samen met zijn engelen werd hij op de aarde gegooid.

Heeft Michael zich van tevoren gerealiseerd wat het betekent dat de draak op aarde, in de mensheid kwam te leven? Waarom deed hij het dan? Wij hebben er als mensen mee te maken. En de draak is mateloos woedend, omdat hij weet dat hij weinig tijd heeft.

(12) Daarom: juich, hemel, en allen die daar wonen!
Maar wee de aarde en de zee: de duivel is naar jullie afgedaald!
Hij is woedend, want hij weet dat hij geen tijd te verliezen heeft.’


De draak heeft van de godheid slechts een afgeperkte tijd gekregen. Daarom leeft de draak zelf met de grootste stress. Zijn doel is om alles in te zetten en te voorkomen dat de mensheid ontwaakt voor de bestaande geestelijke wereld en voor Christus. Hij wil dat doel dan ook binnen de kortst mogelijke tijd bereiken. Het toenemen van het boze komt dus voort uit het feit dat ook het goede toeneemt. Het boze is namelijk de schaduw van de groei van het goede.

Tijdens het uitbreken van de Golfoorlog (1990) was te merken dat er onder de mensen de angst toenam. Angstdemonen trokken door de wereld. De angst die door de wereld trekt heeft zijn werking. Het zijn reële wezens, werkelijk zoals Jeroen Bosch ze schilderde. Ook onder de studenten aan de priesteropleiding ontstond er destijds angst voor wat zou komen. Onder hen ontstond de vraag om een extra Mensenwijdingsdienst te houden. Die dienst is altijd voor alle mensen, voor de hele mensheid. Met de cultus doen we namelijk steeds iets voor de wereld, want door de cultus verbindt zich een geestelijke kracht met de wereld.

In de Mensenwijdingsdienst, in het gedeelte voordat de communie plaats heeft, klinken de Christuswoorden: “In vrede ben ik met de wereld, en deze vrede kan ook bij u zijn omdat ik hem u geef.” Die Christuswoorden moeten we aannemen als een werkelijkheid, als een realiteit. Ze hebben betrekking juist op dat deel van de wereld waar geen vrede is. Die realiteit kan door de wereld trekken en komt ook bij hen die lijden, die niet in vrede leven.
(In de woorden van de Offerhandeling klinkt: “O Christus, gij hebt [...] de vrede gegeven aan al de uwen...” -red.).

Ook de gebeurtenissen op 11 september 2001 in New York en Washington, de aanslagen op het World Trade Centre en het Pentagon brachten een golf van heftige emoties in de wereld teweeg, en ook gevoelens van wraak. Het is natuurlijk juist dat de daders en aanstichters worden opgespoord en gevonden, maar wraak nemen heeft niets met christendom te maken. In een Duitse krant stond een verslag van een TV-reportage uit New York. Daarin sprak een vrouw uit dat haar man, een slachtoffer van de aanslagen, geen wraak wenste. Zulke berichten moeten we leren te herkennen.

Angstdemonen ontstaan in de zielen van de mensen. Wraakgevoelens zijn ook demonen, die werkzaam willen zijn. Die demonen zoeken hun plek in de wereld om te werken en daar zit de aarde niet op te wachten. Wij moeten werken aan de andere kant van de weegschaal.

Vanaf de zestiger jaren hoor je steeds vaker, dat mensen in het uur van sterven ervaren dat zij het ‘IK BEN HET LICHT DER WERELD’ zien en/of ervaren. Mensen met een bijna-dood-ervaring vertellen dat zij iemand zagen, die hen aankeek met een blik vol oneindige liefde en wijsheid. “Ik stond voor iemand die alles van mij kende maar Hij veroordeelde mij niet. Geen minuut van mijn leven kon ik voor Zijn blik verborgen houden, maar Hij veroordeelde mij niet. Voor deze grote ziel staande was ik het zelf die oordeelde over mijn leven tot dan toe.”
Christus is enkel alleen liefde. De ziel krijgt de mogelijkheid om zelf te oordelen, om zelf in vrijheid tot inzicht te komen waar zij staat. Zo ook sprak Hij tot de vrouw die gestenigd zou moeten worden.

‘Ik veroordeel u ook niet,’ zei Jezus. ‘Ga naar huis, en zondig vanaf nu niet meer.’ (Johannes 8:11)

Wat hebben de slachtoffers van deze terreuraanslagen beleefd? En hoe moet het zijn voor de plegers van de aanslagen, de terroristen? Hoe verhoudt Christus zich tot deze zielen? Vanuit de andere zijde van de wereld, d.w.z. vanuit de geestelijke wereld, ziet alles er totaal anders uit. Hoe hebben deze mensen het Christuswezen ontmoet? Door deze gebeurtenissen wordt het christendom op de proef gesteld.
Na Auswitz kan men bijna niet meer zo maar over God spreken. Na 9-11 ook niet meer. De mensen vragen meteen: ‘Hoe kan God zóiets laten gebeuren? Wat is het voor een vreselijke God die dit toelaat? Wat heeft het allemaal voor zin?’
Deze vraag wordt anders wanneer we het wezen van Christus niet in de hemel zoeken, maar op aarde en verbonden met elke individuele mens.

Mattheüs 25:40
“Ik verzeker jullie: alles wat jullie gedaan hebben voor een van de onaanzienlijksten van mijn broeders of zusters, dat hebben jullie voor mij gedaan.”

Christus beleeft alles mee en lijdt mee. Voor Hem geeft het de mogelijkheid om de mensen te bevrijden van de macht van de draak.
Jeroen Bosch schilderde een mens op zijn sterfbed. Er is een klein venster met een crucifix waar vanaf een licht komt. De stervende richt zich tot dit licht.
Er zullen steeds meer mensen komen die de hulp van Christus zullen gaan ervaren. We hoeven echt niet te hopen dat de ellende in de wereld minder zal worden. Wel mogen we hopen dat de kracht van Christus sterker zal worden. Dat Hij in vrede is met de wereld, zal dan ervaren kunnen worden.

Rudolf Steiner gaf eind 1923 de vrienden in Berlijn bijna profetische woorden. Tweeëntwintig jaar later, in de dagen tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog, werd de stad Berlijn namelijk inderdaad tot puin geschoten. Ook nu nog mogen wij echter deze woorden met ernst opnemen, ook voor gebruik in een breder verband:

“Aan de Berlijnse vrienden”

De mensheid is
Het innerlijk van God vergeten,
Maar wij willen het opnemen
In het heldere licht van ons bewustzijn,
En dan dragen over puin en as
De goddelijke vlam in het menselijk hart.
Wanneer dan bliksems ook onze zintuiglijke huizen
Tot puin zullen slaan,
Richten wij huizen voor de ziel op
Uit het inzicht,
Een ijzersterk weven van licht.
En de ondergang van het uiterlijke
Moet worden tot een opstanding
Van de diepten van de ziel.


“Den Berliner Freuden”

Es ist die Menschheit
Im Vergessen an das Gottes-Innre,
Wir aber wollen es nehmen

In des Bewusstseins helles Licht,

Und dann tragen über Schutt und Asche

Der Götter Flamme im Menschenherzen.

So mögen Blitze unsre Sinneshäuser

In Schutt zerschmettern;

Wir errichten Seelenhäuser

Aus der Erkenntnis
Eisenfestem Lichtesweben.

Und Untergang des Äußern
Soll werden Aufgang
Des Seelen-Innersten.

(Dit artikel is gebaseerd op uitgewerkte toehoordersnotities.
De spreker heeft deze tekst niet ingezien en/of gecorrigeerd)


zondag 27 mei 2012

'Oh Godesgeest, oh Godesgeest'

(afbeelding: Wikipedia)

‘Ga jij vast naar boven, uitkleden, pyjama aantrekken en tanden poetsen’, zegt moeder tegen haar dochtertje. ‘Ik kom zo.’ Het meisje gaat naar boven en begint in de badkamer alvast met de voorbereidingen voor de nacht. Ze zingt er zelfs bij. Het is een zelfverzonnen lied waarin van allerlei belevingen van de dag voorbijkomen. En wanneer moeder naar boven komt, klinkt vanuit de badkamer met langgezongen uithalen en uit volle borst:

‘Oh Godesgeest, oh Godesgeest,
Ik moet je gaan zoeken,
Maar ik weet niet waar je bent....
Ik heb niet eens een adres.’


Moeder glimlacht in stilte, maar laat even later niet merken dat zij het lied heeft gehoord, zoals wijze moeders dat kunnen.
Het avondritueel voltrekt zich verder op de rand van het bed. Moeder leest nog een stukje voor en na het verhaal zingen zij samen nog het gebruikelijke avondliedje, gevolgd door een nachtzoen. Terwijl moeder over haar heen buigt zegt het meisje serieus: ‘Ik weet wel waar hij is, hoor mam’, alsof ze ervan uitgaat dat moeder haar lied in de badkamer toch ook wel gehoord zal hebben. ‘Oh ja?’ zegt moeder slechts. ‘In steen, plant en dier’, vervolgt het kind kort en met absolute zekerheid. ‘Ja’, zegt moeder, ‘hij is overal.’
Het meisje knikt en voegt er nog even aan toe: ‘Ja, en mijn engel is altijd boven mij.’ Ze zucht en draait zich op haar zij om te gaan slapen.

Moeder kan slechts bevestigend knikken en zegt verder niets. Tja, wat moet je zeggen wanneer jonge kinderen je met de grootste vanzelfsprekendheid op zulke waarheden wijzen? Misschien geeft het Lucas-evangelie ons de wijze raad, die de moeder hierboven blijkbaar als vanzelfsprekend opvolgde: ‘Maria bewaarde al deze woorden en overwoog ze in haar hart.’ (Lucas 2:19). Gelukkig vertrouwde deze moeder dit voorval ook nog even toe aan de leraar.

(afbeelding: www.natuurmonumenten.nl)




zaterdag 19 mei 2012

Hoe de elementen de christenmensen dienden - Pinksteren

Pinksteren bron afbeelding: website Nieuwe Boekerij, Zeist

Het laatste in de serie verhalen van Irene Johanson voor de tijd tussen Pasen en Pinksteren
met dank aan Bert Verschoor


PINKSTEREN

Toen de vier elementen voor de Godszoon de wolk hadden gemaakt keken ze er naar uit om hem nog meer te mogen dienen. Iedere dag wachtten ze of hij ze niet bij zich zou roepen om hen een nieuwe opdracht te geven. De lucht dacht: “Ik ga helemaal stil worden, dat heeft de Godszoon graag.” De lucht bleef helemaal stil en de mensen merkten helemaal niets meer van haar. Het vuur kon hem ook niet meer vinden ofschoon ze met haar schijnsel heel veel plaatsen in de wereld belichtte. Overal waar het water met haar beken en rivieren kwam zocht ook het water naar hem. En de aarde wachtte tevergeefs om zijn voetstappen over zich heen te voelen gaan. Ze ervoeren alle vier wel zijn nieuwe leven, maar hemzelf zagen ze nergens. Op een dag zond de zon het vuur naar de aarde. Het vuur verwarmde en doorstraalde de lucht. De lucht werd een wind, ging waaien en bewoog het water en het water stroomde langs de oevers van de aarde. Zo kwamen ze alle vier weer bij elkaar en waren blij elkaar weer te zien. Ze lieten voor de Godszoon een lied klinken en ze dachten stilletjes: “Hopelijk hoort hij het.”

Ze zongen:
O, Godszoon Christus,
Wij zijn uw dochters en zonen
In onze wereld kwam u wonen
Wij leven in uw hemelse schijn
Uw boden op aarde willen wij zijn.

Ze waren nog maar net gestopt met zingen en ze voelden al zijn nabijheid en ze hoorden zijn stem. “Jullie hebben mij geroepen omdat je mij wilt dienen. Jullie waren er bij toen ik als mens door de wereld ging. Nu wil ik niet meer in een mens wonen zoals toen maar in de gemeenschap van veel mensen. Jullie kunnen mij helpen om uit de mensen een gemeenschap te laten ontstaan waarin ik kan leven. Een Christus-gemeenschap.” “Daar willen we u graag bij helpen”, riepen ze alle vier en gingen op weg om hun opdracht te vervullen. De lucht waaide door alle landen en verzamelde de mensen. Ze woei ook om het huis waar de vrienden juist weer bij elkaar waren. Toen de vrienden de stormwind hoorden moesten ze allemaal aan de Zonnemens denken en aan de belofte dat hij altijd bij hen zou blijven. Toen ze dat bedachten laaide de liefde tot de Godzoon weer in alle hevigheid in hen op. Het innerlijke vuur gloeide en ineens konden ze het zelfs ook zien, want boven het hoofd van iedere vriend brandde het vuur als een kleine vuurtong. Ze gingen naar buiten het tempelplein op, waar de lucht ondertussen heel veel mensen uit vele landen bij elkaar had verzameld. Die stonden daar en spraken allemaal in hun eigen taal met elkaar. Het was één groot door elkaar gaan van woorden. Toen de vrienden kwamen werd iedereen heel stil en luisterde. Het innerlijke vuur liet de vrienden de taal van de liefde spreken, de taal van de Godszoon die ieder mens verstaat. Zo gebeurde het dat veel mensen uit veel verschillende landen de vrienden in hun eigen taal over de Zonnemens hoorden vertellen en dat iedereen het begreep. Aan het eind vroeg iemand die Petrus heette: “Willen jullie ook bij de Godszoon horen? Kom bij het water en laat je dopen.”
Toen het water dat hoorde golfde het van louter vreugde omdat het nu ook helpen en dienen mocht. Maar gelijk werd het weer rustig, omdat het de mensen niet bang wilde maken. Drieduizend mensen gingen mee naar het dal van de rivier de Jordaan en lieten zich door de vrienden dopen. Als ze na de doop weer boven water kwamen konden ze duidelijk voelen hoe dicht de Zonnemens bij hen was. Ze dankten het water voor zijn hulp. De aarde riep: “Vrienden, ik wil de de Godszoon ook dienen. Neem grote stenen van mij en bouw daar een kerk van waarin je kunt samenkomen. In iedere dienst die je daar viert zal hij midden onder jullie zijn, zoals hij heeft beloofd.
De christenmensen bouwden een Godshuis uit de stenen van de aarde. Ze werden een gemeente, waarin hij in het vervolg kon wonen die voorheen in één mens had gewoond. De vier elementen waren verheugd dat ze op deze eerste Pinksteren in de wereld bij het ontstaan van de gemeenschap van christenen hadden mogen meehelpen. Uit dankbaarheid klonk weer hun lied en alle christenmensen zongen mee:

O, Godszoon Christus,
Wij zijn uw dochters en zonen
In onze wereld kwam u wonen
Wij leven in uw hemelse schijn
Uw boden op aarde willen wij zijn.

uit:
Irene Johanson: Geschichten zu den Jahresfesten
Verlag Urachhaus Stuttgart
vertaling: B.Verschoor

donderdag 10 mei 2012

Hoe de elementen samen Gods zoon dienden - Hemelvaart

Rembrandt: Hemelvaart
Bron: www.statenvertaling.net

HEMELVAART

Op een dag ging de Godszoon door de tuin waarin het rotsgraf lag. Daar kwam het vuur op de stralen van de zon met licht en warmte naar hem toe. Hij voelde ook dat door een zuchtje wind de lucht in de tuin kwam. De bron ruiste zo luid hij kon in de tuin en de aarde klonk zacht onder zijn schreden. Zo merkte de Godszoon dat de vier elementen hier in de tuin hem wilden spreken over de opdracht die ze van de sterren, de planten, de dieren en de mensen hadden gekregen. “Ze laten vragen”, zeiden de vier tot de Zonnemens, “waarom u nog zo ver weg bent en waarom u het nieuwe leven niet ook naar hen brengt die in de wereld daarbuiten zijn?”

Toen vroeg de Godszoon aan de aarde: “Wil je mij naar de sterren dragen?” “Nee, ik ben te zwaar om dat te kunnen”, antwoordde de aarde. Toen vroeg hij aan de lucht: “Wil je mij naar de dieren dragen?” “Ik ben te licht om dat te kunnen,” zei de lucht. Tegen het water zei hij: “Wil je mij naar de planten dragen?” “Ach”, legde het water hem uit, “op mijn weg over de aarde wordt ik veel te smoezelig voor u. Daarom kan ik u ook niet dragen.” Toen ging hij maar naar het vuur en vroeg: “Vuur, wil jij me naar de andere mensen brengen?” In de buitenwereld kan ik u niet dragen”, zei het vuur, “want wanneer ik niets kan verbranden dan doof ik uit. Wanneer u zo met mij mee wil moet ik u verbranden.” “Ja”, zei de Godszoon, “het is zoals jullie zeggen. Geen van jullie alleen kan mij dragen. Maar wanneer jullie vier met elkaar samenwerken dan kunnen jullie mij bij iedereen brengen die naar mij verlangt en naar mij gevraagd heeft.” “Hoe zouden we dat dan moeten doen?” vroegen ze alle vier. “Jij, vuur, moet weer opstijgen naar moeder zon en het water met je warme stralen in de lucht trekken. Jij, lucht, tilt de stofjes op van de aarde en je wervelt ze omhoog. Zo maak je uit het stof van de aarde, water, lucht en vuurwarmte een grote wolk die mij door de hele wereld naar de planten, dieren, mensen en sterren kan dragen. De vier elementen maakten gezamenlijk de grote wolk. Ondertussen ging de Zonnemens naar zijn vrienden en vroeg hen om mee te komen naar een berg in de buurt. Toen ze daar allen bij elkaar waren vertelde hij hen het geheim van de wolk: “Zoals de wolken van de aarde naar de hemel opstijgen en de regen van de hemel naar de aarde naar beneden valt, zo wil ik tot in die wolkenwereld opgaan en leven tussen de hemel en de aarde. Wanneer de mensen bidden wil ik van de aarde naar de hemel opstijgen, in de liefde van de mensen tot elkander wil ik van de hemel naar de aarde afdalen.” Toen hij dat gezegd had hief hij zijn handen op, hij zegende zijn vrienden en zei: “Van nu af aan ben ik bij jullie, bij de sterren, bij de dieren, planten, mensen, altijd en op alle plaatsen, tot aan het einde van de wereld.” Daar kwam een grote lichte wolk. Deze nam hem op en droeg hem tot ver boven de aarde, tot aan de sterren. Hij zegende ze allen en beloofde dat hij voor altijd dicht bij hen zou blijven. De vrienden keken de wolk na tot hij niet meer te zien was voor hun ogen. Ze gingen getroost naar huis want ze wisten dat ook deze wolk niet alleen van de aarde naar de hemel opgestegen was, maar dat hij weer op het juiste moment van de hemel naar de aarde zou komen.

(wordt vervolgd)

uit:
Irene Johanson: Geschichten zu den Jahresfesten
Verlag Urachhaus Stuttgart
vertaling: B.Verschoor

maandag 16 april 2012

Wat het vuur beleefde - Wat de elementen op hun reis beleefden (vervolg)



WAT HET VUUR BELEEFDE
(volgt op: 'Wat de lucht beleefde' - 'Wat het water beleefde, wat de vissen beleefden' en 'Wat de grote steen beleefde'.

Natuurlijk kon de Zonnemens de taal van het vuur verstaan. Toen hij een keer bij een knapperend en knisperend vuur zat hoorde hij de vlammen zeggen: “Zonnemens, u heeft de aarde uw lichaam gegeven en het water schonk u uw levenskracht. Uw ziel is met de lucht meegegaan en heeft haar gezuiverd. Maar ik, het vuur, doe nog steeds hetzelfde werk. Ik verbrand het hout en de kolen, geef de mensen licht en warmte, ik laat ze met mij het eten koken. Vaak verbranden ze met mij de huizen en kastelen van hun vijanden. Gij hebt aarde, water, lucht onder uw goddelijke hoede genomen. Maar ook ik wil u dienen en nieuw werk krijgen.”
“Vuur, ik ben je niet vergeten”, zei de Zoon van God. “Maar eerst moet je daar buiten in de wereld helemaal uitdoven en geen brandstof meer gebruiken en sterven. Pas dan kan ik je nieuw leven schenken waarmee je mij kan dienen.” Het vuur werd daarop helemaal klein en zakte in elkaar tot er alleen nog maar een gloeiend hoopje van over was. Even later was het helemaal uitgedoofd. Er was geen vonkje meer te zien.
In die tijd wandelden twee mannen door het land die ook bij de vrienden van de Godszoon hoorden. Ze wisten nog niet dat hij van de doden was opgestaan en zeiden bedroefd tegen elkaar: “Ach, onze Meester is gestorven. Nu kunnen we niet meer met hem praten, hij kan ons niet meer helpen. We hebben van anderen gehoord dat het graf opengebroken werd en dat niemand weet waar hij naar toe is gebracht.” Zo liepen ze met elkaar te praten toen er iemand anders naast hen kwam lopen. Een tijdlang liep hij zwijgend met hen mee en luisterde. Toen vroeg hij: “Over wie hebben jullie het?” Ze vonden het vreemd dat hij dat allemaal niet wist en zeiden: “U moet wel een vreemde zijn als u niet weet wat er zich de laatste dagen heeft afgespeeld.” Toen begon de vreemde wandelaar te vertellen dat de Godszoon toch op aarde gekomen was om voor altijd de dood te overwinnen en dat hij sterven moest om weer opnieuw te leven. Ze begrepen alles wat hij zei en ze werden er helemaal vrolijk van. Hoe langer hij met hen sprak hoe warmer hun hart van binnen werd. Door zijn woorden werd het vuur binnen in hen weer aangestoken. Maar nu verbrandde het vuur niet, zoals meestal gebeurd, kolen en hout buiten in de wereld, maar het gloeide geheimzinnig in het binnenste van de twee mannen. De liefde voor de Zonnemens laaide op in hun hart. Tegen de avond wilden ze naar hun huis gaan om uit te rusten. Ze vroegen de vreemde wandelaar of hij met hen mee wilde gaan om samen te eten. Toen ze aan tafel zaten nam hij brood, sprak een gebed uit, brak het in tweeën en gaf het hen. Op dat moment herkenden de twee mannen de wandelaar. Maar gelijk was hij ook verdwenen. En de een zei tegen ander: “Gloeide ons hart niet van blijdschap toen hij onderweg met ons sprak?” Wat was het vuur blij toen hij dat hoorde. Deze mensen hadden dus gemerkt dat de Zonnemens in hun innerlijk het vuur op een nieuwe manier tot leven had gewekt.


WAT DE ELEMENTEN OP HUN REIS BELEEFDEN

Toen alle vier de elementen, aarde, water, lucht en vuur de Zonnemens hadden ontmoet en zijn helpers waren geworden, konden ze hun blijdschap niet voor zich houden. ’s Nachts, toen de sterren waren opgegaan riep de aarde naar hen: “Heb je al gehoord dat de Godszoon mij zijn lichaam heeft gegeven?" De sterren riepen terug: “Hij is naar jullie toegekomen en heeft jullie jong en levendig gemaakt. Maar we missen hem hier en jullie stralen zijn kracht niet naar ons terug!” “Ja,” zei de aarde, “in mijn diepten heeft hij gelegen, daar was zijn graf, van daaruit heeft hij zijn leven en zijn kracht in mij laten stromen. Maar van hier naar jullie kan zijn kracht nog niet komen. Ik zal vragen of hij zelf naar jullie toe kan komen.”
Het water was ondertussen door beken en rivieren al door veel landen gestroomd. Overal had het de grassen, de bloemen, de bomen en alle andere planten haar water gegeven. Overal vertelde ze ook rond dat de Zonnemens haar nieuw leven had geschonken. Maar het water was door de lange reis zo troebel geworden dat de planten van dat nieuwe leven niet veel meer merkten. Daarom zeiden de planten tegen het water: “Lief water. Je vertelt ons van de kracht die je hebt gekregen maar je bent nog te zwak om die te bewaren en aan ons te schenken. Vraag de Zonnemens of hij niet zelf naar de planten overal in de wereld toe kan komen. Wij willen ook wel wat van dat nieuwe leven hebben. Hij moet ons niet vergeten.” “Ik zal het hem vragen”, beloofde het water en stroomde verder door de wereld.
Ook de lucht waaide de hele wereld rond en vertelde overal: “Waar de Zonnemens komt, word ik helderder, warmer en klinkender. Ze liet de vogels voor zich op en neer vliegen. Anderen liet ze fluiten en kwinkeleren dat het een lieve lust was, de tonen klonken als zilveren klokjes. Ook de vlinders en de bijen schommelden glanzend in haar op en neer. Maar toen ze bij de dieren kwam die op aarde lopen, bij de koeien, paarden, reeën, hazen, bij de leeuwen en olifanten en bij alle dieren in de wouden, in de woestijnen, in de landen was ze uit puur plezier weer een dolle wind geworden. Ze kwam zo hard op de dieren afstormen dat de dieren bijna geen lucht konden krijgen. Hoewel de wind hen wel vertelde dat ze het woord en de vrede van de Godszoon mocht komen brengen merkten de dieren daar niets van. Ze vroegen dan ook: “Vraag de Zonnemens of hij ook niet bij ons kan komen. We verlangen zo naar hem. “Dat zal ik doen”, beloofde de lucht en probeerde weer heel kalm te worden.
Het vuur was naar zijn moeder, de zon opgestegen en had haar op de lange weg helemaal om de aarde heen er naar toe, van de Godszoon verteld. Door de zonnestralen sprak het ook tot de mensen in alle landen: “De Zonnemens is naar de aarde gekomen en heeft mij, het vuur, laten zien, hoe ik in het binnenste van de mensen kan gaan branden wanneer de mensen elkaar lief hebben. Een enkel lief woord, dat de vader tegen de moeder, de moeder tegen het kind, ieder van jullie tegen een ander mens zegt, ja, zelfs al met een lieve blik waarmee je een ander opbeurt, kan ik als het Godsvuur in jullie harten opvlammen.”
Veel mensen verstonden wat het vuur hen vertelde. Maar de meesten geloofden het nog niet en klaagden: “Hij is nog zo ver weg. We kunnen hem nog niet bereiken. O, vuur, vraag vraag hem alsjeblieft of hij niet zelf naar ons toe kan komen.”
En ook het vuur beloofde de mensen dat aan de Zonnemens te vragen. Zo gingen Aarde, Water, Lucht en Vuur opnieuw op weg om de Godszoon te vinden en hem te vragen of hij niet zelf naar de sterren, planten dieren en mensen kon komen.

(wordt vervolgt)

uit:
Irene Johanson: Geschichten zu den Jahresfesten
Verlag Urachhaus Stuttgart
vertaling: B.Verschoor

vrijdag 30 maart 2012

Wat de lucht beleefde - een verhaal voor de paastijd (vervolg)

Duccio di Buonsnisegna

Later verscheen Hij aan de elf, terwijl zij aan tafel aanlagen. Hij maakte hun een verwijt van hun hardnekkig ongeloof, omdat ze geen geloof geschonken hadden aan degenen die Hem gezien hadden, nadat Hij verrezen was.
(Marcus 16:14)


WAT DE LUCHT BELEEFDE

(volgt op: 'Wat het water beleefde, wat de vissen beleefden' en 'Wat de grote steen beleefde'.

Toen de Zonnemens gestorven was wilde ook de lucht niet meer leven. Ze wees alles af wat ze anders zo graag in zich had opgenomen. Eerst moest het licht uit haar weg. De lucht wilde het licht niet meer van de hemel naar de aarde brengen. Het licht moest maar bij de zon blijven en daarom was het op aarde ook overdag zo goed als donker geworden. De mensen konden daardoor nauwelijks kleuren zien. Alles was grijs en grauw. Daarna wees de lucht alle klanken af die ze anders zo graag had gedragen. Het lammetje kon het moederschaap niet meer horen. De kippen raakten hun kuikens kwijt. Niemand hoorde meer een hond blaffen. Mensen konden de woorden van een ander niet meer verstaan. De zingende vogels, alle muziek, al het lachen en al het huilen, alles bleef ongehoord. De lucht wilde zich zelfs niet meer bewegen. Alles was bewegingloos, klankloos, lichtloos. Over de hele wereld lag een nacht waaruit het niet meer licht kon worden. De aarde leek één groot stil graf. De lucht dacht: “Zo koud, kil en donker zal het eeuwig blijven.”
Maar na drie dagen, nog voor de zon was opgegaan drong er toch een licht in de lucht door. Een licht zo stralend en zo helder, zo liefdevol warm. De lucht wist niet waar dat licht vandaan kwam. Heel zachtjes begon de lucht te waaien. Toen ontdekte zij de oorsprong van het licht. Het was de Zonnemens die uit het graf was opgestaan. Daar stond hij, in de lucht die verbaasd was. Hij straalde zijn goddelijk licht in haar. Hierdoor werd de lucht zo gelukkig dat zij begon te draaien en wervelen. Ze bruiste als een machtige storm door het bos en waaide de bomen toe: “De Zonnemens is er weer!” Ze waaide over de akkers, de weiden en de bloemen: “Zien jullie het nieuwe Godslicht?” Zonder op antwoord te wachten stormde ze verder. Ze kwam in de stad aan, stormde door de straten, stoof langs de muren en de daken. Ze was helemaal woest van blijdschap. De mensen werden bang voor haar, renden de huizen in en sloten ramen en deuren. Ook de vrienden zaten achter gesloten deuren samen in het huis. Ze begrepen de vriendelijk boodschap in de windtaal van de lucht niet. Ze was veel te stormachtig en uitgelaten geworden. Nu was de lucht teleurgesteld dat niemand haar wilde aanhoren en haar grote vreugde wilde delen. Ze ging maar weer terug. In de tuin vond ze de Zonnemens en zei tegen hem: “U hebt mij zoveel van uw licht en uw kracht gegeven. Ik wilde het uw vrienden gaan vertellen, maar ze zijn ontzettend bang. Ze zitten achter gesloten deuren. Ik heb heel hard om het huis geblazen maar ze verstonden mij niet. Ze deden de luiken van de ramen zelfs dicht. Toen ben ik maar omgekeerd.” De Zoon van God sprak: “Ik verheug me over jouw blijdschap, maar wanneer je die met anderen wil delen, moet je eerst zelf helemaal rustig worden. Pas dan kun je me dienen. Ja, dan kun je zelfs met me meegaan wanneer ik door deuren die op slot zijn naar mijn vrienden ga. Wil je dat?” Gelijk werd de lucht helemaal stil. Er bestond natuurlijk niets belangrijkers voor hem dan met de Zonnemens naar de zaal te gaan waarin zijn vrienden zaten. Zijn licht en zijn woord dragen, dat wilde hij heel graag. Eerst schrokken de vrienden toen zij opeens de Zonnemens voor zich zagen staan. Hoe was die nu binnengekomen? Ze hielden hun adem in. Dat merkte de lucht en ze dacht: “Ja, houden jullie nu nog even je eigen adem in, dan zal ik jullie nieuwe adem schenken. Blijf heel rustig en wees niet bang meer.” De Zoon van God zoog met zijn adem de lucht diep in zich op. Hij ging een voor een naar zijn vrienden, blies een zuchtje lucht uit zijn adem naar hen toe en zei; ”Neem met de lucht mijn geest in je op. In mijn licht kun je iedereen zien zoals die werkelijk is. Met mijn liefde kun je van hen houden ook als ze je kwaad doen. Dan kun je tegen die mensen die je kwaad doen, met mijn woorden zeggen wat ze moeten doen zodat de lucht om hen heen weer zuiver en helder wordt. Dan kan ik daarin leven, zelfs wanneer je mij met je ogen niet kunt zien. Aan de vrede tussen jullie en andere mensen kun je merken dat ik om je heen ben. Zoals je de lucht niet kunt zien en toch zonder lucht op aarde niet kunt leven, zo zullen jullie mij over een tijd niet meer zien en toch niet kunnen leven zonder mij.“
Toen hij zijn vrienden zijn adem inblies en deze woorden tegen hen sprak, verdween de angst bij hen en met de adem trok ook een diepe vrede in hen binnen. De lucht was blij dat hij hen werd en voelde in hen dat voor hen alles anders werd. Het eerste wat de lucht nu droeg was het danklied van de vrienden dat zij zongen voor hun Zonnemens. Even later droeg de lucht de fijne geur van wierook die de vrienden aangestoken hadden uit dankbaarheid dat de lucht hen Gods geest had gebracht met zijn vredesadem.

(wordt vervolgt)

uit:
Irene Johanson: Geschichten zu den Jahresfesten
Verlag Urachhaus Stuttgart
vertaling: B.Verschoor

vrijdag 23 maart 2012

Wat het water beleefde, wat de vissen beleefden - verhaal voor de paastijd (vervolg)

WAT HET WATER BELEEFDE
(volgt op 'Wat de grote steen beleefde')

Toen de Zoon van God, de Zonnemens, gestorven was, wilde op aarde geen water meer stromen. De bronnen wilden niet borrelen, de beken en rivieren wilden zich niet meer bewegen. In de planten steeg het sap niet meer op. De bladeren aan de bomen verdorden. De bloemen en het gras in de wei verwelkten. En wanneer de mensen verdrietig waren vloeiden er geen tranen meer.
Maar toen op de Paasmorgen de Zonnemens stralend uit het graf opstond begon ook voor het water op aarde een nieuw leven.
Eerst ging de Zoon van God door de tuin. Daar waar zijn voet het gras raakte, stroomde zijn goddelijke kracht in de planten. Zij rekten zich naar hem uit, richtten zich op en lieten hun bladeren en bloemen door hem weer levend maken. Zo werden ze allemaal weer vers en fris.
Nu kwam de Zonnemens langs een bron. Hij doopte zijn handen in het stilstaande water. Nu voelde ook de bron nieuwe kracht. Ze stroomde door de nieuwe kracht zo fel, dat ze als een fontein omhoog spoot en haar water over de rand van het beekje in de wei stroomde. De beek die helemaal opgezwollen was, haastte zich naar het meer er riep: “Ik heb de Zonnemens ontmoet en hij heeft mij nieuw leven gegeven.” De meren en de zeeën lieten hun water in deinende golven veranderen en ze riepen naar de vissen zijn blijde boodschap naar beneden. Maar die hoorden op dat moment niets want ze hadden allemaal hun kopjes in de zandbodem van de zee en het meer gestoken en ook daarna bleven ze bang op de bodem liggen.


Op deze bijzondere morgen liep een vrouw door de tuin naar het graf in de rots. De vrouw had de hele nacht niet geslapen omdat de voor haar liefste mens was gestorven. Zij was naar zijn graf gegaan om voor hem te bidden. Maar ze schrok hevig toen ze zag dat de steen was weggerold en het graf leeg was. Nu was haar verdriet nog veel groter. “Iemand moet hem weggehaald hebben”, dacht ze. “Wie weet waarheen?” Haar hart deed pijn van droefenis, maar huilen kon ze niet. Ze ging nog een keer naar het graf terug en staarde lang in het donker. Opeens voelde ze tranen langs haar wangen stromen. En met de tranen stroomde ook haar droefenis weg. Ze wist niet wat er met haar gebeurde, waarom ze ineens weer kon huilen en zelfs niet meer verdrietig was. Ze draaide zich om. Daar stond de tuinman voor haar, dacht ze. Ze vroeg aan hem: “Weet u misschien waar ze mijn Heer hebben neergelegd, de liefste mens?” De tuinman antwoordde maar met één woord. Hij sprak haar naam: “Maria”. Toen herkende zij hem. Hij was het die zij zocht, hij was de Zonnemens. Zoals hij al het water weer levend had gemaakt zo had hij ook haar tranen weer aan het stromen gebracht en de droefenis uit haar weg laten stromen. Ze viel voor hem op haar knieën en dankte hem. Toen liep ze, vol van vreugde terug de stad in om haar vrienden te vertellen hoe ze hem gevonden had. Maar de vrienden geloofden haar niet. Hun hart was ijzig want zij hadden de Zonnemens nog niet ontmoet.


WAT DE VISSEN BELEEFDEN


Duccio di Buonsigna

Drie jaar lang hadden de vrienden de Zoon van God overal heen begeleid. Nu was hij niet meer bij hen en het was voor hen alsof in de mooiste lente van de wereld alle bloesem aan de bomen door vrieskou was bevroren. Er was geen blijdschap meer in hen en ze wisten niet wat ze zonder hem moesten doen. Op een avond zei eindelijk een van hen: “Laat ons weer gaan vissen.” “Ja,” zeiden de anderen, “we gaan met je mee.” Ze gingen naar het meer, legden de netten in de boot, maakten lampen vast aan de reling van de boot want ze wisten dat de vissen ’s nachts door het licht werden aangetrokken, naar de oppervlakte kwamen en dan makkelijk te vangen waren. Maar deze nacht vingen ze niets want de vissen lagen nog steeds op de bodem van het meer en bewogen zich niet. Ook het licht van de lampen lokten hen niet naar boven. Tot aan de morgen gooiden de vrienden geduldig iedere keer hun netten uit. Teleurgesteld voeren ze terug. Geen vis hadden ze gevangen. Toen ze bijna bij de oever waren verscheen daar de Zonnemens. De vissen merkten het meteen. Zij voelden zijn kracht door hun lijfjes stromen en voelden zijn licht door het hele meer stromen. Dat licht was veel sterker dan al die lampen, ja, zelfs sterker dan de zon. Dat voelden ze en ze zwommen naar boven in de richting van de oever, naar de Zonnemens. De vrienden waren met hun boot nu bijna aan land en daar zagen ze hem staan. Maar ze herkenden hem niet. Hij riep: “Vaar nogmaals uit en werp de netten uit in het meer aan de andere kant van de boot.” Hoewel zij moe waren omdat ze de hele nacht nog niet hadden geslapen voeren ze weer uit. En nu kwamen de vissen in grote scholen in hun netten gezwommen. Ze wilden allemaal naar de Zoon van God. Het waren er zoveel dat de boot zwaar werd, helemaal diep in het water kwam te liggen en de vrienden vreesden dat de netten zouden scheuren. Langzaam roeiden ze terug naar de wal waar de Zonnemens op hen wachtte. Nu pas zag een van hen wie hij was die hen weer terug het meer op had gestuurd en naar wie alle vissen toe wilden. “Het is de Heer”, riep hij. Toen zagen de anderen ook dat het de Zoon van God was. Hij was dus echt van de dood opgestaan zoals Maria het hen had verteld. Wat waren ze verheugd! Toen ze van boord gingen brandde er een vuur en de Zonnemens had alles klaar gemaakt voor een maaltijd met allen. Zij brachten hem een aantal vissen. Hij nam iedere vis in zijn handen en sprak: “Breng mijn zegen in het lichaam van de mensen die je zullen eten. Mijn kracht zal hen eeuwig leven geven en hun ziel gezond maken.” Zo gaf hij elk van de vrienden vis en brood en zij aten van het heilige maal. Ze zouden nooit, in hun hele leven niet meer vergeten hoe ze door de vissen de kracht van de Zonnemens mochten ontvangen en overal waar ze kwamen vertelden ze van de wonderlijke visvangst en zij vierden ook met andere mensen steeds opnieuw het heilige maal.

(wordt vervolgt)

uit:
Irene Johanson: Geschichten zu den Jahresfesten
Verlag Urachhaus Stuttgart
vertaling: B.Verschoor

donderdag 15 maart 2012

Wat de grote steen beleefde - verhaal voor de paastijd

Graftombe van Josef van Arimathea

WAT DE GROTE STEEN BELEEFDE
een verhaal van Irene Johanson

Rond om de stad Jeruzalem lag vooral rotsachtig land. Heel lang geleden lag er voor een grote rots in de buurt van de stad een tuin. Deze tuin was van een rijke man die er vaak zijn tuinmannen heen stuurde om het gras te maaien of om de olijven te plukken die aan de bomen hingen. Meer mensen kwamen er meestal niet. Het was altijd stil en vriendelijk in de tuin. Alleen de vogels zongen en de wind streelde het zilvergroene blad aan de bomen.
Maar op een dag kwamen er mannen de tuin in. Ze hadden houwelen bij zich en begonnen op de rots in te hakken zodat de stukken er vanaf vlogen. Eerst ontstond er een klein gat, maar dat werd al groter. De stukken die eruit werden geslagen rolden in het gras en tot slot hadden de mannen een flinke grot in de rots gehouwen. Met het allergrootste stuk steen gingen ze nog even verder. Daar sloegen ze alle hoeken en scherpe kanten vanaf tot hij zo rond was als een molensteen. “Dat moet later de deur worden als we de grot dicht maken”, zeiden zij en ze rolden hem een eindje bij het gat vandaan. Daar lag de steen nu alleen en onbeschermd in het gras. De wind blies over hem heen. De regendruppels vielen op hem. De zon liet hem gloeiend heet worden. Zelfs zo dat hij soms dacht dat hij zou barsten. “Ach”, dacht de steen, “wat was het toch goed om mij heen toen ik nog helemaal in de vaderrots zat. Ik zat helemaal in hem en hij zat helemaal om mij heen. Wat ik nu allemaal moet meemaken valt helemaal niet mee. Ik zou het wel uit kunnen houden als ik maar wat dichter bij hem zou zijn, wanneer ik hem een beetje kon zien en met hem kon praten.”
Maar de steen lag een eind van de vaderrots vandaan, vrij en onbeschermd. Hij wist nog niet dat hij een heel bijzondere steen zou worden.
Op een nacht, toen er geen ster aan de hemel stond hoorde de steen een akelig gekerm. Hij dacht: “Is hier iemand die bedroefd is?” Hij luisterde en opeens merkte hij dat het de aarde zelf was die uit de diepte naar de hemel riep. Het was alsof de grot die de mannen hadden uitgehakt nu net de mond van de aarde was geworden van waaruit haar klacht 's nachts naar buiten kwam. Ze klaagde: “Ach, ik ben zo moe. Ik ben al mijn kracht kwijt geraakt. Ik kan de planten niet meer hoog laten groeien. Ik kan het water niet meer laten opborrelen. Ik ben zo zwak. Alles doet me pijn. Kon ik maar uit de diepte omhoog komen, naar de zon opstijgen en bij haar weer jong en sterk worden. Zon, kom mij halen alsjeblieft.”
De steen, die Moeder Aarde zo hoorde klagen, was bang dat ze zou sterven. Iedere nacht hoorde hij haar kreunen. Daarom begon ook de steen naar de zon te roepen: “Zon, luister toch naar de klacht van Moeder Aarde! Alsjeblieft, lieve zon, help de aarde.” Maar de zon kon de aarde niet laten opstijgen. Daarom moest de steen iedere nacht het klagen van Moeder Aarde aanhoren en hij kon haar niet helpen.
Een tijd later, toen de zon hoog aan de hemel stond en geen wolken te zien waren, werd het felle middaglicht vaal en mat. De zon verduisterde. En midden op de dag werd het zo donker als in de nacht. Iedereen in de tuin werd bang, de dieren, de bomen, de bloemen, maar ook de steen. Maar het meest schrok de aarde. Ze beefde zo hard dat alles heen en weer schudde. De steen riep: “O, nu zal de aarde sterven. De zon laat haar in de steek.” Het was de moeilijkste tijd voor de aarde en voor alles wat er op leefde. “Was ik maar in de buurt van de vaderrots, was ik nou maar in de buurt van de grot waaruit het gekreun kwam. Ik wil zo graag Moeder Aarde troosten”, zuchtte de steen. Net toen hij dat gedacht had zag de steen mensen de tuin in komen. Langzaam en voorzichtig. Tussen hen in scheen een zwak schijnsel. Toen zij dichterbij kwamen zag de steen dat zij een mens droegen die overleden was. Daar kwam dat schijnsel vandaan, dat was als van de zon die door dikke wolken schijnt? Ze legden hem in het rotsgraf, precies op de plek waar de steen in de rots had gezeten voor hij daaruit gehakt was. Voor de steen goed en wel door had wat er aan de hand was kwamen er mannen naar hem toe, zetten hem overeind en rolden hem naar de grot waar de lichtende mens in lag. De steen was nu de deur van het graf geworden en tegelijk stond hij er dicht tegenaan. Zijn grote wens was vervuld. Hij was weer dicht bij de vaderrots en hij kon het hart van Moeder Aarde voelen kloppen. ’s Nachts wachtte hij tot hij de klacht van Moeder Aarde weer zou horen. Maar de mond waaruit het geklonken had, de grot, was nu dicht. De lichtende mens lag erin en hij zelf, de steen, lag ervoor. Ineens hoorde de steen een lichte toon die uit het binnenste van de aarde naar boven kwam. Het klonk vrolijk en onbeschrijflijk mooi. Wat hoorde de steen? Toen hij even had geluisterd herkende hij wie het was. Het was Moeder Aarde die zong. En de steen verstond wat de aarde zong:

Ik ben weer nieuw, ik heb weer moed.
De Zonnemens is bij mij gekomen.
Met zijn lichaam en zijn bloed
Vervult hij al mijn dromen.
Ik ben weer jong, ik ben weer sterk.
Ik kan weer heerlijk aan het werk.
Zon en aarde zijn weer een.
Leven, zonnekracht voor iedereen!
Dank, dank aan de zoon van God.
Mij, Moeder Aarde, wacht een heerlijk lot!

Toen de steen het lied van de aarde hoorde werd hij zo vrolijk en zo rustig als een kind, dat door zijn moeder in slaap gezongen wordt. Het werd helemaal stil in de tuin. Dag en nacht bewoog er helemaal niets. De aarde liet zich niet meer horen. Geen zuchtje wind bewoog de blaadjes. Geen vogel tsjilpte, geen krekel sjirpte. Ook de steen zweeg en wachtte. Hij dacht dat Moeder Aarde in haar binnenste een groot geheim verborgen hield.
Nog voor het dag was werd de steen plotseling opzij gerold maar nu niet door mensenkracht. De aarde beefde, maar de steen merkte dat het nu niet van schrik was, maar van geluk. Wat was er gebeurd? Daar waar hij gelegen had stond een stralende gestalte, de Zonnemens. Hij was uit het rotsgraf opgestaan. Niet meer zwak schijnend als door dikke wolken, maar stralend als een hemels licht. Hij overstroomde de steen met zijn lichte stralen, liep door de tuin en verdween toen zacht. De steen was de enige die dit alles had gezien. Toen hij de Zonnemens nog nakeek, daalde er een engel uit de hemel neer op de steen. De zon kwam achter het rotsgraf op. Mensen kwamen in de tuin en zochten in de grot naar de mens die ze daar gisteren hadden neergelegd. Die keken geschrokken naar de steen die voor de grot vandaan was gerold en naar de lege plek waar hij had gelegen. Ze dachten: “Boze mensen hebben onze liefste mens meegenomen.” De steen wilde hen troosten en vertellen wat hij die morgen had gezien. Maar mensen verstaan stenen niet. De steen vroeg gelijk aan de engel, want engelen verstaan wel stenen,: “Vertel jij hen wat er is gebeurd.” De engel deed wat de steen vroeg en zei tegen de verdrietige mensen: “Die jullie zoeken, hier is hij niet. Hij is opgestaan en zal jullie overal in je leven voorgaan.” De steen heeft alles onthouden wat hij heeft meegemaakt en alle stenen weten het nu ook.
Sinds die tijd gebeurt het vaak dat mensen bij een wandeling langs een oeroude steen lopen en bij zichzelf denken; “Als die steen eens kon praten, wat zou hij dan ons vertellen?” Op zo’n moment weet de mens bijna het geheim van de grote steen, die erbij was toen de Zonnemens, de Zoon van God, in het graf werd neergelegd en weer is opgestaan.

(wordt vervolgt)

uit:
Irene Johanson: Geschichten zu den Jahresfesten
Verlag Urachhaus Stuttgart
vertaling: B.Verschoor