maandag 14 september 2015

Het wezen van de nathanische Jezus in het Indische cultuurtijdperk


In een op deze blog eerder geplaatste voordracht van Daan van Bemmelen konden we lezen dat de Kinderhandeling in de geschiedenis van de mensheid een andere oorsprong heeft dan de Offerhandeling en de Mensenwijdingsdienst (van de Christengemeenschap). Deze laatste twee zijn beeld van het Laatste Avondmaal.
Bij de Kinderhandeling (Christengemeenschap: Kinderdienst) echter gaat het om het Jezus-mysterie en niet primair om het Christus-mysterie. Het Jezus-mysterie wijst naar het Kerstfeest en omdat de Kinderhandeling zijn oorsprong heeft in het Jezus-mysterie, gaf Rudolf Steiner de tekst ervan waarschijnlijk dan ook in de kersttijd aan de leraren van de eerste Waldorfschool in Stuttgart.


Het wezen van de nathanische Jezus in het Indische cultuurtijdperk

een voordracht door Daan van Bemmelen
Godsdienstlerarenconferentie in Den Haag, Trinitatis 1972


Om het kosmische wezen van Christus en zijn werken op aarde opnieuw dichter tot ons te brengen, heeft Rudolf Steiner vanaf de eerste voordracht voor de Theosofische Vereniging tot aan zijn laatste voordracht in Dornach ons materiaal aangereikt. Hij zei daarbij, dat de mensheid nu rijp geworden is, om tot de Christusopenbaring te komen. Maar een openbaring over Jezus zal de mens pas verkrijgen wanneer hij voldoende incarnaties heeft doorgemaakt (Karma des Berufes GA 172 - laatste voordracht). Wel kan men in Steiners nalatenschap voldoende materiaal vinden, om de figuur van Jezus te leren begrijpen. In ‘De Geestelijke Leiding van Mens en Mensheid’ (GA 15) werd voor het eerst het feit aangeroerd, dat er twee Jezus-knapen zijn geweest. Voor veel mensen is dit een zeldzame en schokkende mededeling, die door de evangeliën zelf, maar ook door aan het licht komende feiten in de kunst in de geschiedenis bevestigd wordt. Zo vinden we in de Dode Zee-rollen vele aanduidingen over twee Messiassen, een uit de priesterlijke en een uit de koninklijke stam. Evenzo is bekend geworden, dat de ontdekte boekrollen boeken van de orde der Essenen waren, waarover Rudolf Steiner ons veel heeft verteld in samenhang met de beide Jezus-knapen oftewel de beide Messiassen.

Nu willen wij ons hier in het bijzonder bezig houden met het kind, dat beschreven wordt in het Evangelie volgens Lucas, het kind uit de nathanische of priesterlijke stam. Het was dit wezen, dat gedurende de tijd vanaf zijn twaalfde jaar tot aan het moment van de Doop in de Jordaan woning verschafte aan de individualiteit van Zarathustra, om daarna bij de Doop in de Jordaan de drager van het Christuswezen te worden. Dit wezen is het dat aan het kruis werd geslagen, dat stierf en door Christus uit het graf verrees.
Het moet toch onze interesse wekken, dat in het evangelie volgens Lucas pas na de beschrijving van de Doop in de Jordaan in het 3e hoofdstuk, de stamboom wordt ingevoegd in de vertelling (Lucas 3:23-38), waarbij de geslachtsrij van de godenzoon teruggevoerd wordt tot Adam. Volgens Rudolf Steiner vormde deze stamboom met zijn kosmische wetmatigheden een middel voor geestesscholing bij de Orde der Essenen, die zich tot het wezen van de Messias omhoog wilden ontwikkelen. Het wezen van de Messias voerde de inwijdeling tot het mysterie van Adam, de eerste aardemens. Dat betekende, dat door de Zondeval het hogere wezen van Adam teruggehouden werd om in de geestelijke wereld bewaard te blijven, terwijl de menselijke lagere wezensdelen zich in de incarnatiestroom verder ontwikkelden. Dat hogere wezensdeel wordt in het boek Genesis aangeduid als de Boom des Levens, waarvan de mens niet eten zal, zodat hij niet het eeuwige leven zal verwerven.

Alles, wat de Elohim gedacht hadden als de mensengestalte, leeft in het hogere wezen van Adam, maar wat door de verleiding van Lucifer in de Lemurische tijd is gebeurd heeft dit wezen niet meegemaakt. Deze zusterziel van Adam heeft in zijn oorspronkelijke reine onschuldige toestand van het Menszijn behouden. Zij had het dode stoffelijke van de lichamelijkheid niet in zich opgenomen, maar zij leefde verder in de lichtgestalte van het etherlichaam in de geestelijke werelden. Rudolf Steiner zei dat dit etherlichaam in de zonneloge werd bewaard en dat het slechts in enkele mysterieplaatsen kon worden waargenomen. Maar dit onschuldige mensenwezen had zich niet van zijn mensenbroeders en zusters afgewend. Het verbond zich juist met het lot van d mensheid. Het kon vanuit de rijken der hiërarchieën helpende krachten naar de mensheid zenden om het lot van de mensen te verbeteren. Deze helpende daden waren niet ten behoeve van de enkele mens, maar voor de toekomstige ontwikkeling van de hele mensheid.

In voordrachten uit het jaar 1914 vinden we meer over deze helpende daden. Drie kosmische daden verrichtte het kosmische Adam-wezen als voorstadia tot het Mysterie van Golgotha. De eerste vond plaats in de Lemurische tijd, de tweede in de vroeg-Atlantische tijd en de derde in de laat-Atlantische tijd. We kunnen deze dingen hier slechte aanduiden, men kan ze in de genoemde voordrachten lezen. Maar de voordracht gehouden op 7 maart 1914 in Pforzheim (GA 152) is voor deze beschouwing van groot belang. Daar worden deze drie daden in verbinding gebracht met de ontwikkeling van ieder kind als het leert het lopen, spreken en denken.

We kunnen de mens, zoals hij in de Lemurische tijd was, het beste vergelijken met een kind dat in de wieg ligt. Zo’n kind moet zich eerst nog leren oprichten, in een verticale houding komen, terwijl een dier altijd met zijn horizontale houding aan de aardezwaarte gebonden blijft. Het zich oprichten en vervolgens het leren lopen over de aarde is geheel afhankelijk van de ontwikkeling van de zintuigorganen. Vooral de ontwikkeling van de evenwichtszin en de eigen-bewegingszin (proprioceptie) is daarmee nauw verbonden.Toen bij de Zondeval het zintuigorganisme van de mens door luciferische invloeden geheel in de egoïstisch-emotionele sfeer werd getrokken, kon de mens het oprichten en voortbewegen niet meer op menselijke manier volbrengen, maar hij moest vervallen in een lager stadium. Om dit gevaar af te wenden, verbond de kosmische Heiland (het hogere wezen van Adam) zich in de zonnesfeer met het Christuswezen. Zoals de Zon krachten vanuit de twaalf richtingen van de dierenriem naar de aarde zendt, zo zond de Christus-Heiland zijn krachten in de twaalf zintuigen en maakte daarmee mogelijk dat de mens zich kon oprichten. Dat was de eerste voorchristelijke daad. En daardoor kan ieder mensenkind, zonder invloed van luciferische of ahrimanische krachten zijn eerste ontwikkeling op de aarde doormaken.

De tweede kosmische daad hangt met het spreken samen, zoals de mens dat in de vroeg-atlantische tijd heeft geleerd. Door de invloed van Lucifer en Ahriman op de levensorganen was het gevaar ontstaan dat de spraakorganen in het gebied van de dierlijke begeerten getrokken zouden worden. Daarmee zou de mens dan alleen nog maar kreten van lust, vreugde of pijn hebben kunnen uitslaan, maar geen woorden vanuit de oertaal hebben kunnen vormen. Om dit gevaar tegemoet te treden, werd de Heiland opnieuw met het Christuswezen doordrongen; vanuit de rijken der planeten zond hij zijn kracht in de lichaamsorganen, waardoor deze uit de sfeer van Lucifer en Ahriman werden bevrijd.

Wanneer wij nu bij een kind kunnen waarnemen, dat het zijn spraakorganen ontwikkelt, dan mogen we diegene dankbaar zijn, die dat mogelijk heeft gemaakt.

De derde kosmische daad in de laat-Atlantische tijd hangt samen met het harmoniseren van de zielenkrachten denken, voelen en willen. Die waren door de luciferisch-ahrimanische invloed volkomen in wanorde geraakt. We kunnen dat lezen in het 2e hoofdstuk van de 'Uit de Akasha Kroniek' (GA 11), ‘De Atlantische voorvaderen’, waar het verraad van de Mysteriën bij de Oer-Turaniërs wordt beschreven. Door het misbruik van de zielenkrachten werden natuurelementen in chaos gebracht, wat uiteindelijk de Zondvloed, de ondergang van Atlantis tot gevolg had. Als tegenbeweging tegen dit gebeuren kan men bij de Oer-Semieten de scholing van denkkrachten vinden. Ook hier vinden we een samenhang met de kosmische daden van de Heiland, die zich verbond met het Christuswezen dat zich in de sfeer tussen de zon en de maan en de aarde bevond. Van daaruit overwon hij het boze, dat als draak de mensheid bedreigde. En hij zond zijn helpende krachten naar de mensen die van goede wille waren. Het ging erom, de menselijke spraak te doordringen met de wijsheidskrachten van de Logos, waardoor later de denk-intelligentie zich in de mens kon ontwikkelen. Het eigenlijke zelfstandige denken kon - zo zei Rudolf Steiner - pas kort voor het Mysterie van Golgotha worden geboren, zoals het onder andere in de Griekse filosofie tevoorschijn kwam. Bij het kleine kind kunnen we echter zien, dat door het zinvolle gebruik van de taal en het spreken de aanleg voor het denken wordt ontwikkeld.

In het kind werken gedurende de eerste drie levensjaren de hogere krachten van de Christus-Heiland. En we kunnen nu begrijpen, dat deze ook in de voorchristelijke tijd werkzaam waren, omdat zij van het kosmische Jezus-wezen uitgingen.
Na de eerste drie levensjaren ontwaakt in het kind het zelfbewuste Ik, wat echter direct met Lucifer in aanraking komt. Het hogere Ik trekt zich terug en wacht - terwijl het aardse schijn-ik in de mens zelfstandig wordt - tot de weg naar de hogere ontwikkeling wordt ingeslagen en het zij via de Mysteriën, het zij door religie weer een verbinding mogelijk wordt gemaakt.
In de talloze religies in de wereld wordt dat hogere Ik op de meest verschillende manieren vereerd. Rudolf Steiner wees op de leer van Zarathustra betreffende Ahura Mazdao en zijn Ameschaspentas, op de Babylonische planeten-goden, of op de Griekse goden en in het bijzonder op Apollo. Deze laatste was de duidelijkste representant van de nathanische Jezus in relatie tot de derde kosmische heilsdaad. Naast deze algemene religieuze richtingen waren er de mysteriën, die voor mensen de ontmoeting met het hogere Ik-wezen mogelijk maakten, vooral de mysteriën van Isis en Osiris, maar ook de Dionysische mysteriën, de Mitrasmysteriën en de Adonismysteriën. Al deze feiten zijn voldoende bekend uit de antroposofische literatuur en hoeven op deze plaats niet behandeld te worden.
Ik wil hier een inkijk geven vanuit de Indische literatuur, hoe zich daar die drie daden van het nathanische Jezus-wezen openbaarden.


In Rudolf Steiners voordrachtencyclus ‘De Bhagavad-Gita und die Paulusbriefe’ (GA 142) geeft hij duidelijk aan, dat het Jezus-wezen zich in Krishna openbaarde (De Indiër sprak over Vishnu, die zich tot op een zeker niveau in Krishna incarneerde, een Avatara). In Vishnu kunnen we een aanduiding voor de kosmische Heiland zien, hoewel de Indische religie in de loop van de ontwikkeling zichzelf verloren heeft in verschillende dwaalwegen. Het liefdevolle, behoedende, vreedzame en reine is in deze godengestalte altijd bewaard gebleven, terwijl de andere godheid uit de Indische Triniteit, Shiva, meer luciferisch is geworden.
In de oudste Veda, de Rig-Veda, wordt Vishnu verschillende malen genoemd en bezongen. Deze hymnen zijn uit de herinnering aan de wijsheid der zeven Rishi’s opgeschreven, die in de vroegste tijd van het Indische cultuurtijdperk onderricht hebben gegeven. Daaruit wordt duidelijk dat Vishnu oorspronkelijk geen god was, maar hij wordt daarin een jongere broeder der goden genoemd. Omdat hij zich met de Allerhoogste verbonden had, werd hij als boven de goden staande vereerd. In deze verbinding met de Allerhoogste zag men later Brahma. Maar hier in de Veda’s wordt het Christus-wezen nog Vishnu Karman genoemd, die zich boven de sfeer van de Rishi’s verheffen kon. Men kan het ook als het oerwezen van de mens betrachten, de Adam Kadmon, die Purusha genoemd wordt in de Veda. In de Upanishads (Uitleg van de Veda’s) wordt een duidelijke samenhang  getoond tussen hem en Vishnu Karman ofwel Christus.

Ik ken Purusha de Grote
voorbij de duisternis, lichtend als de zon.
Alleen wie hem kent, ontsnapt aan het dodenrijk.
Er is geen andere weg om te gaan.

Niets is er hoger dan hij.
Niet iets kleiners niet iets groters van wat dan ook.
Als een boom geworteld in de hemel is de Ene,
de Purusha, die de hele wereld vult.

Uit wateren en het sap der aarde geschapen,
kwam hij in den beginne als Vishnu Karman.
Tvashtr komt om zijn gestalte te vormen.
Dus is de mens in eerste oorsprong goedheid.


In deze hymne wordt ook verteld over de Boom des Levens, die bij de Zondeval van de mens is afgenomen, zoals we in Genesis 2:3 kunnen lezen. Deze levensboom is dezelfde als de heilige vijgenboom uit de Veda’s, waarin de goden hun woonplaats hebben in de derde hemel. Wie de weg tot hen gaat, verlaat het rijk waarin de aardse dood heerst.
In de hymnen, waarin de daden van Vishnu worden beschreven, wordt verteld over de drie stappen die deze door de hemel zette tijdens zijn vijfde Avatara als de dwerg Vamana. Volgens deze geschriften redde hij de wereld van de demon Bali, die de macht over de hele wereld, of volgens andere bronnen zelfs over de drie werelden van de goden, de mensen en de demonen had gekregen. In de gedaante van Vamana, een kind of dwerg gaat Vishnu naar Bali en vraagt om een stuk grond dat drie stappen groot is. Als hij toestemming krijgt verandert hij zichzelf in een reus en zet drie stappen om de hele wereld (Of dus van de godenwereld naar de mensenwereld, en met de tweede stap naar de wereld van de demonen) en krijgt die zo terug.
Vamana is in twee stappen om de aarde. Hij vraagt dan aan Bali waar hij de derde stap moet zetten. Als Bali weet dat Vamana een incarnatie is van Vishnu, zegt hij tegen Vamana dat hij de derde stap op zijn hoofd mag zetten. Vamana gaat ermee akkoord en verbant Bali van de aarde naar de onderwereld. Daar wordt Bali koning en moet hij voor de god Vishnu bidden. Vamana belooft Bali dat hij hem ooit op zal zoeken in een andere incarnatie.

We kunnen hierin het beeld herkennen van het zich oprichten, bewegen en lopen van een klein mensenkind. Er wordt ook beschreven dat de dwerg Vamana steeds groter werd, dat hij groeit als een kind. Door de drie schreden door de hemel bewerkstelligde Vishnu het heil der mensen en bereidde hij een woning op de aarde voor hen voor.

Veda I - 154   
1.
De grote daden van Vishnu wil ik prijzen,
hij die wijde ruimte van de aarde heeft doorkruist,
die de hoogste zetel in de hemel gegrondvest heeft,
driemaal vooruit schrijdend met machtige schreden
.

4.
Wij prijzen deze, zijn mannenkracht
van de sterke schutter, die niet straft, die genade beoefent,
die in drie schreden deze wijde aarderuimte
doorlopen heeft ten behoeve van onbegrensd levensgeluk.

5.
Wanneer nu de sterveling beschouwt de twee schreden van deze engelachtig uitziende,
komt hij ijverig in beweging
aan zijn derde schrede waagt niemand zich
zelfs de bevleugelde vogels niet, de vliegenden.


Veda VII - 99
1.
Aan het lichaam groeiend, boven alle maten,
hij heeft grootte verkregen, waaraan niemand gelijk is.
Wij kennen uw beide aarderuimten,
de hoogste van de hemel kent u zelf, god Vishnu.


In deze verzen worden dus de daden van het kosmische kind geprezen. In andere verzen wordt meer de tweede daad tot uitdrukking gebracht, waardoor de mens het vermogen tot spreken verkrijgt. Deze verzen zijn onduidelijker en moeilijk te begrijpen. Daarom worden die ook wel de mysterie-veda’s genoemd.

RgV X - 164
33
De hemel is mijn vader,
daar is mijn oorsprong,
Mijn moeder en familie is deze wijde aarde,
en tussen twee verre wereldschalen
is de schoot, die mij droeg,
daarin plaatste de vader de levensvrucht van de dochter.


34
Ik vraag je naar de verste uiteinden der aarde
ik vraag waar de navel van de wereld is,
ik vraag je naar het zaad van de bevruchtende hengst
ik vraag je naar de hoogste hemel waar de spraak (Vac) troont.
 

35
Dit altaar is het buitenste van de aarde,
dit offer is de navel van de wereld,
dit Soma is het zaad van de bevruchtende hengst
deze Brahmaan is de hoogste hemel waar de spraak troont.
 

36
Zeven uit een wereldhelft geborenen
staan als wereldzaad in opdracht van Vishnu aan de hemel
zij, wijzen van gedachten en geest,
zij, de Omvattenden, omvatten beschermend het Al.


Wat in deze hymne als de zeven talenten in de hemel met hun inwerking op het mensenlichaam en de levensorganen wordt beschreven, vindt men ook in andere hymnen.

RgV I - 22
16   
Van daaruit mogen de goden ons beschermen,
waar vandaan Vishnu zeven plaatsen door de aarde schreed.


In het verdere verloop wordt Vishnu in samenhang gebracht met de god Indra als zijn beste vriend. Indra is de drakenbestrijder uit de vedische tijd en hij wordt het meest bezongen in de Rig-Veda. We kunnen in hem de aartsengel Michaël zien en ook wel de Griekse god Apollo, hoewel hij hier niet identiek is met Vishnu. Wanneer Indra vlucht voor het verschrikkelijke gesnuif van de draak Vritra, dan is het Vishnu die Indra sterk maakt door dat hij de derde schrede zet in de hoogste hemel. Hij is het ook, die voor hem de hemelse drank Soma bereidt. Deze Soma werd door de Indiërs als de scheppende offerdrank gedronken: maar Soma is ook de maan, die de levensritmen in alle vloeibare stoffen bewerkstelligt.

In deze Vishnu-Soma-Indra-verbinding kan men duidelijk de derde daad van het nathanische Jezus-wezen herkennen, waardoor de zielenkrachten denken, voelen en willen in de mens geharmoniseerd werden.


Op deze in fragmenten overgeleverde oerwijsheid van de Indische Veda’s volgen in latere tijden heel andere verhalen. Dan heeft Vishnu de middenplaats van de Triniteit ingekomen tussen Brahma en Shiva. Dan wordt hij vaak de verzorger van de wereldschepping genoemd. Ontelbare tempels zijn aan hem gewijd en in vele beelden wordt hij in zijn mythologische verschijningen weergegeven. Uit de literatuur hierover krijgt men een overzicht over zijn werkzaamheden. Maar hier wil ik vooral het een en andere vertellen uit de Viṣṇu Purāṇa, een religieuze Hindoe tekst die zeer waarschijnlijk uit de laatste tijd voor Christus stamt. Daarin wordt van de tien Avataras, d.w.z. belichamingen, van Vishnu verhaald. Deze Avatara-vertellingen zijn niets anders dan de belevenissen van mensen in de mysteriën, zoals bijvoorbeeld ook over de Osiris-Mysteriën wordt beschreven. Daar beleefden de inwijdelingen het hogere Ik in de meest verschillende etherische vormen. Daarom konden zijn ook de vormen der diersoorten door een helderziend schouwen beleven. In de vier eerste: de vis, de schildpad, het everzwijn en de mens-leeuw zien we de metamorfoses, die de oermens heeft doorgemaakt voordat hij zijn menselijke gedaante ontving in de hyperboreïsche en lemurische tijd. (Als vis heeft Vishnu de grote Manu (Noach) gedurende de Zondvloed geleid en hem het zonnemysterie onderricht. De eerste mensenvorm is de dwerg Vamana. Er wordt verteld, dat de Asura Bali (een boze geest) de hele wereld beheerst. De dwerg Vamana-Vishnu vraagt hem om een gunst, om zoveel land te mogen bezitten als hij met drie stappen kan afmeten. Dat wordt hem toegestaan, omdat Bali denkt dat een dwerg in drie stappen toch niet veel land kan omvatten. Maar Vishnu, de dwerg - hij groeit steeds groter -, zet één voet in de hemel en de andere op de aarde. Daarmee omvat hij deze beide regionen. Daarna - nog steeds verder groeiend - omvat hij met zijn derde stap het hele rijk der goden. De Asura, waarvoor nu geen plaats meer is, wordt Vishnu verbannen naar de onderwereld. In deze vertelling ziet men de oude vedische wijdheid in een mythologische vorm terugkomen.

Zo kan men ook in de bekende vertelling over het karnen van de grote hemelzee, een zee van melk, een herinnering beleven aan de tweede daad van het nathanische Jezus-wezen, waarmee de levensorganen van de mens bevrijd werden van de inwerking door Lucifer en Ahriman. In de beeldspraak van de mythologie worden niet slechts de geschiedkundige feiten verteld, maar er wordt meteen ook in een beeld weergegeven van wat de Yogi in zijn lichaam beleeft, wanneer hij door middel van zijn geestelijke oefeningen de lotusbloemen (chakra’s) tot ontluiken brengt. De berg die als karnstok dient is een beeld van de elementaire ruggengraat, die met een slang - een beeld voor het Kundalinie-vuur - in beweging en tot draaien wordt gebracht. Vishnu als schildpad dient als onderkant van de karnstok en dat is een beeld voor de aarde en ook het hoofd van de mens, zoals dat in de voorstelling van de Indische mens leefde. De drie goden Brahma, Vishnu en Shiva werken samen met de demonen, namelijk Lucifer en Ahriman, aan het karntouw (de slang). Hierdoor werden de levenskrachten versterkt en het Wereldwoord begon weer te klinken, met ander woorden, wat door de Zondeval de mens wat ontnomen - de klankether - werd voor de helderzienden nu weer bereikbaar.
Door het karnen stijgt uit de melkzee de godin Lakshmi op, die de schaal met Amrita draagt, het beeld waarmee de levensether wordt aangeduid. Opdat Lucifer en Ahriman geen heerschappij kunnen krijgen over de levenskrachten, voorkomt Vishnu dat de demonen ook uit de schaal met Amrita kunnen drinken.

De schaal wordt door Lakshmi, de bruid van Vishnu, aan de goden aangeboden. Zij draagt de schaal met Amrita. Samen met haar bewoont Vishnu zijn juwelentroon, dat is het hartenmidden, waarin de Zonnelogos gehoord kan worden. In de volgende tekst uit de Upanishad wordt over de betekenis van het karnen en over de plaatst van Vishnu in het menselijke innerlijk gesprokken:

Zoals de boter ligt verborgen in melk,
Zo ligt het ware inzicht verborgen in de harten van allen.
Karn voortdurend door middel van de geest als karnstok (meditatie);
Een ieder zal het in zichzelf tevoorschijn moeten brengen,
door het draaitouw van het inzicht (de slang) te gebruiken.
Licht uw vuur door middel van meditatie op het:
Het Zelf, al geheel, alle vrede, alle zekerheid.
 “Ik ben de Brahman”, zoals het heet.

Amritabindu Upanishad

XIII-5
Alles wat in de gehele wereld
zichtbaar en wat hoorbaar is,
dat alles is van binnen en van buiten
doordrongen door Narayana
(Vishnu)

XIII-6
Oneindig, eeuwig, vol van wijsheid,
woont het einde der zee, aan alles heil en vreugde brengend,
als hart gelijk een lotusknop
waarvan de punt naar onder staat,


XIII-7
Woont een handwijdte onder de adamsappel,
een handwijdte boven de navel, hij
waar het gloeit in een aureool,
het grote steunpunt van het wereld-al.


XIII-8
Het hart hangt door aderen omsponnen,
omlaag bijna zoals een bloemenkelk,
er is daarin een kleine ruimte,
waarin het wereld-al zijn stut vindt.


XIII-9
En in hem vlamt een groot vuur,
stralend naar alle kanten,
eerst neemt het het aangereikte voedsel op
en verdeelt het dan met wijsheid, niets veranderend.
Zijwaards naar boven en onder
breiden zich zijn stralen uit.


XIII-10
Het verwarmt het lichaam waarin het woont,
van de voetzolen tot het hoofd.
In het midden van dat vuur
dat het hele lichaam verwarmt
is een vurige tong
die ragfijn naar boven streeft.


XIII—12
Midden in deze tong van vuur
troont de hoogste zielenwereld.
Dat is Brahma Vishnu Shiva,
de eeuwige, de hoogste Heer

Maha Narayanana Upanishad

Wanneer de eerste vijf Avatara (bestaansvormen) van Vishnu in de rijken van de geest zijn en voor de mensen met een helderziende blik tot bewustzijn kunnen komen, zo treden in de volgende Avatara mensen op, die in hun daden op aarde de impulsen verwerkelijken, die zijn in de geestelijke wereld hebben ontvangen. Men kan zeggen, dat deze mensen met het hogere deel van hun wezen met Vishnu ofwel het nathanische Jezus-wezen verbonden zijn. Dat is zo bij de Oude Rama en de Rama uit het epos Ramayana, Krishna, Gautama Buddha en Kalkin.

De eerste twee zijn helden, die met hun strijd tegen de boze machten een beeld representeren van de Strijd in de Hemel, zoals die door Vishnu en Indra eenmaal gestreden werd. Bij Krishna hebben we te maken met een nog intensievere inwerken van het Jezus-wezen op de aarde. Rudolf Steiner spreekt over een ‘vervangende incarnatie”  waarin profetisch het Mysterie van Golgotha tijdens het Indische cultuurtijdperk werd voorbereid. Dit vond plaats bij de overgang van het derde naar het vierde na-Atlantische Tijdperk, zo ongeveer in de 8e eeuw v.Chr. Toen begon het oude helderziende vermogen waarmee men zich met het nathanische Jezus-wezen kon verbinden, af te nemen. De oude helderziendheid was nog verenigd met de slang, zoals het bij het karnen van de hemelzee beschreven is. De held Krishna heeft de slang Kali de kop vermorzeld, waarbij hij echter zijn eigen voet verwondde. Dat wijst erop dat hij de verbinding met de elementen verloor. Hij moest de mens een nieuwe weg wijzen. Deze weg kan niet langer leiden via de poort die wordt aangegeven door de oude Yoga-scholing. Hij leidt nu via het denken. De oude scholingsweg begint met het ontwikkelen van de vierbladige lotusbloem in het onderlichaam en stijgt dan op via de wervelkolom. De nieuwe scholingsweg begint met het ontvouwen van de tweebladige lotusbloem. Deze nieuwe weg wordt in de Bhagavad-Gita beschreven, wanneer Krishna zijn leerling Arjuna in een mysterie-leergesprek onderricht. In deze tijd wordt de Griekse filosofie geboren en voor de Indische mens de Sjamkya-filosofie, die samen met de Raja-Yoga tot een ontmoeting met het Hogere Ik voert.

Wees gezegend. Ik zal u de belangrijkste van Mijn goddelijke heerlijkheden mededelen, o beste der Kurus; want er is geen einde aan Mijn bijzonderheden.
“Ik Ben” de ziel van deze wereld, tronend in het hart van alle schepselen.
“Ik Ben” het begin, het midden en ook het einde van alle wezens.
Van de Adityas (vedische goden) ben Ik Vishnu, van de hemellichamen ben Ik de schitterende Zon.

 Bhagavad-Gita - 10e hoofdstuk

Hij wekt niet alleen het denkvermogen bij zijn leerling, hij ontvouwt bij hem ook een nieuw geestelijk orgaan, de tweebladig lotusbloem, waardoor hij de genade van het hogere wezen, de Krishna Vishnu schouwen kan.

In uw gestalte, o Heer, zie ik al de goden en scharen van velerlei wezens;
Brahma, de Heer, op zijn lotustroon gezeten en al de Rishis en de goddelijke slangen.
Met talloos vele monden, ogen, armen, lijven, aanschouw ik U allerwegen, onbegrensd: ik zie begin, noch midden, noch einde van U, o Heer; ook niet Uw oorsprong, o Gij wiens vorm het oneindige Al is.
Straling en schittering alom; met kroon en scepter en discus zie ik U; als laaiend vuur, als zon, oogverblindend, het ganse firmament vervullend, ongemeten.

Bhagavad-Gita - 11e hoofdstuk

Zo wordt Krishna voor de Indische mensheid tot leider van het Ik-Ben, zoals Mozes dat werd voor het Hebreeuwse volk. De latere Boeddha heeft deze wijsheid via een andere weg, doormiddel van het achtvoudige pad aan de mensen gegeven. Dat was de weg, waardoor de mens zich van de gevolgen van de Zondeval kon bevrijden. Daarom kunnen we in Vishnu Purana de samenhang zien tussen het wezen van de zondeloze oermens, de nathanische Jezus en de Boeddha. Later kon dan ook het astraallichaam van Boeddha zich verbinden met de nathanische Jezus, zoals de engel het openbaarde aan de herders op het veld in Bethlehem en zoals het door Simeon in de tempel werd beleefd. De grote voorchristelijke openbaring van het wezen van de Heiland kon zich niet nog een keer in India  herhalen, maar het kind, dat de verwachting zou vervullen, werd in Palestina geboren. Toen en daar moesten de bovenzinnelijke krachten van het voorchristelijke mensenwezen, die steeds in de eerste drie levensjaren van een kind werkzaam zijn, zich met de dood-brengende stoffelijkheid verbinden, welke door Lucifer en Ahriman in het menselijk lichaam is gelegd. Een vierde maal verenigde het nathanische Jezus-wezen zich met het Christuswezen en alleen daardoor kon het Mysterie van Golgotha plaatsvinden. De dood, als consequentie van de Zondeval, werd overwonnen, en de mens, zoals die bedoeld was in het oorspronkelijke goddelijke wereldplan, stond op uit het graf. Het onschuldig gebleven gedeelte van het zielenwezen van Adam kon door de apostelen geschouwd worden, zoals Arjuna het profetisch in Krishna had geschouwd. Paulus wist dat toen hij zei: “De eerste mens Adam is een levend aards wezen. De laatste Adam werd een levenmakende Geest.” (1 Korintiërs 15:45)

In hetzelfde 15e hoofdstuk van diezelfde Brief aan de Korintiërs spreekt Paulus over het zaad, terwijl het opstandingslichaam van de laatste Adam als kiem kan worden aangemerkt voor het geesteslichaam van alle mensen, die de Christus-impuls hebben opgenomen. In onze tijd zullen deze mensen de Christus-Jezus in zijn ethergestalte kunnen schouwen, zoals Rudolf Steiner heeft geopenbaard. Niet alleen Paulus spreekt van de Wederkomst (Parousia) in deze michaëlische tijd, ook Vishnu Purana doe dat. Daar vindt men een uitvoerige beschrijving van het einde van het Kali Yuga (het Duistere Tijdperk), dat in 3101 voor Christus begon en 1899 na Christus eindigde. De beelden, die door Vishnu Purana aan ons zijn overgeleverd, deze beelden van het zoeken naar ons thuis, dat over de mensheid zal komen, zijn op allerlei manieren te vergelijken met die beelden, uit de apocalyptische rede van Christus die we in de evangeliën vinden. Het laatste deel tegen het einde spreekt in een duidelijk taal. We zien Kalkin (Vishnu Avatara) met een gevleugeld paard, een kroon op zijn hoofd, een zwaard in zijn hand. Een treffende overeenkomst met het beeld dat de Apocalyps van Johannes geeft met de duidelijke beschrijvingen van de geestelijke vaardigheden van de mens, die zich met de openbaring van Christus verbindt.


Wanneer de praktijken onderwezen door de Veda's en de institutie der wet bijna zullen hebben opgehouden te bestaan, en het einde van het Kali Yuga tijdperk nabij zal zijn, zal een deel van dat goddelijke wezen dat door zijn geestelijke natuur naar karakter uit Brahma is, neerdalen op aarde. Hij is het begin en het einde, en begrijpt alle dingen. Hij zal worden geboren in de familie van Vishńu Yaśas, een voorname Brahman uit het land Shambala, en zoals Kalkin beschikkend over de acht bovenmenselijke vermogens. Door zijn onweerstaanbare macht zal hij vernietigen alle Mlechchha's en dieven en alle verworpenen vernietigen en alle wier geest is gewijd aan de ongerechtigheid. Hij zal de gerechtigheid op aarde herstellen en de geestkracht van degenen die aan het einde van het Kali Yuga tijdperk leven zo helder maken als kristal. De mensen die op die manier hun deugden hebben gewijzigd in die bijzondere tijd zullen zijn als de kiemen van het mensenwezen, die een nieuw mensenras op aarde zullen vormen, welke de wetten van het Krita Yuga, het tijdperk van zuiverheid zullen vervullen.

In deze tweeduizend jaar oude profetie wordt gewezen op de wederkomst van Christus in de etherwereld, wat wordt bedoeld met ‘het land Shambala’. Het Mysterie va Golgotha is aan de Indische wijzen nog niet geopenbaard. Maar door de exacte beschrijving van de nieuwe geestelijke vermogens van de mens in ons tijdperk, is de ontwikkeling in christelijke zin verstaan. Maar pas door de antroposofie van Rudolf Steiner kunnen we de boodschap uit de Indische cultuur begrijpen.

Bronnen:
-Rudolf Steiner: Christus en het Mysterie van de Graal (GA 149)
-Rudolf Steiner: Vorstufen zum Mysterium von Golgotha (GA 152)
-Rudolf Steiner:  Uit de Akasha Kroniek (GA 11), hoofdstuk Onze Atlantische voorouders
-dra. C. Keus: Bhagavad Gita (2007, uitgeverij Ankh-Hermes, Deventer)
voor enkele van de vertalingen
-Wikipedia





Geen opmerkingen: