zaterdag 30 september 2017

Introductie tot religieuze oriëntatie aan vrijescholen - deel 3

Leonardo da Vinci - studie voor Het Laatste Avondmaal

De fase van de Zoongod-religie (9e tot 14e levensjaar)

Eerder behandelden we de lessen religieuze oriëntatie voor kinderen van 7 tot 9 jaar in de klassen 1 t/m 3 - groep 3 t/m 5 (zie hier).
Voor de volgende leeftijdsfase komen de volgende thema's in aanmerking:

het lot van de mens:
de eenmaligheid, het unieke van het individu - het verschil tussen de mens en de natuur, het dier, de individualiteit tegenover de erfelijkheid

een religieuze grondstemming ten opzichte van het lot:
eerbied - vertrouwen - gehoorzaamheid - beleven van een opgave

Christus als het lot van de mensheid:
De weg van de mensheid vanuit het paradijs - de Christusgebeurtenis als grote wending in de mensheidsgeschiedenis

Christus en het lot van de aarde:
De schepping en de zondeval - het stervende van het aardezijn - de geestelijke kiem van de nieuwe aarde,
behandeling van de inhouden van de evangeliën
===

Nadat we in de eerste schooljaren de verhalen steeds in een stemming van sprookjes en legenden hebben gebracht, waarin de werkzaamheid van het goddelijke in het natuur- en mensenrijk beleefd konden worden, en daarna in de derde klas (groep 5) aan de hand van de verhalen van het Oude Testament vanaf Abraham de leidende hand van God in het individuele mensenleven beleefd kon worden, gaan we er in klas 4 (groep 6) tot oever de vraag over het lot van de mens als onderwerp van onze lessen te maken. Dat creëert de voorwaarde voor christologische beschouwingen.

“Naar binnen leidt een mysterieuze weg” zou men met Novalis kunnen zeggen. Door de verhalen over de aartsvaders, over Jozef in Egypte bijvoorbeeld, is een gevoel ontstaan voor de wisselvalligheden van het leven, voor beproeving en beproevingstijden, voor het lichte en het donkere in de vorming van het levenslot dat wordt veroorzaakt door de eigen schuld of door anderen.
Nu moet het gevoel gewekt worden voor de in het innerlijk van de mens zelf wonende scheppende en dragende kracht, welke het lot dragen kan en gestalte geeft: voor de individualiteit van de mens, het unieke, bijzondere en het onverwisselbare daarvan.
We kunnen beginnen om onze blik te richten op de verschillen tussen mens en dier. Dieren hebben geen individuele lotsbestemming, hoogstens -als men wil- het lot van de soort.
Waarom hebben ze dat niet? Omdat dieren alleen hun instincten en driften kunnen volgen, die de natuur in hen heeft gelegd. De mens kan zich van instincten en driften bewust worden en kan leren  deze te sturen.

Het hielp enorm toen ik in deze samenhang meerdere lessen besteedde aan de gestalte van de mens in vergelijking met die van dieren. Het boek van Hermann Poppelbaum ‘Mens En Dier’ (Vrij Geesteslaven, Zeist 1973) was daarbij een waardevolle hulp.
Vooral wanneer kinderen op een reguliere school zitten en de ‘Mens- en Dierkunde’  niet kennen, zoals die in de vrijeschool (klas 4) wordt aangeboden, is het bekijken van de uiterlijke gestalte van de mens zeer wezenlijk. Dit kan tot een religieuze verdieping voeren. De rechtopstaande mens, de vorm van zijn hoofd als nabootsing van heelal, de vrije bewegingsmogelijkheden van zijn armen die hij niet voor het voortbewegen nodig heeft, de veelzijdige gebruiksmogelijkheden van zijn handen in tegenstelling tot de eenzijdig uitgevormde ledematen van het dier. En dan het aangezicht! Dieren hebben geen echt eigen gezicht. De dieren van een zelfde soort zien er allemaal ongeveer gelijk uit. Maar elke mens heeft zijn eigen gezicht.

Dieren die sterk bij de mens zijn gaan horen, zoals bijvoorbeeld de hond, bezitten naast de kenmerken van hun soort ook de mogelijkheid hun zielenbewegingen te uiten door te bewegen met hun staart, of met gebruik van hun stem. Maar alleen de mens toont zijn innerlijke roerselen in de mimiek van zijn gezicht, dat voortdurend veranderlijk is terwijl de dierensnuit steeds hetzelfde blijft.

Er kan bij zulke beschouwingen nog veel meer aan worden geknoopt over het gezicht en de verandering daarvan in de loop van het leven, de verdeling van het gelaat door moreel handelen, of de vergroving, ja zelfs verdierlijking door de zwaarte en zorgen in de rimpels van ouderdom.
De kinderen willen in zulke gesprekken graag meedoen en zelf iets vertellen. We moeten sowieso meer als in de lagere klassen erop rekenen dat de kinderen zelf actief zijn en niet alleen maar passief naar een verhaal luisteren.
Dat kan misschien eerst wat moeilijk zijn, vooral wanneer men de kinderen de eerste jaren verwend heeft met spannende verhalen.
Daarom moet men het lesuur goed indelen en tussendoor gedeelten van verhalen invoegen, die men kiest in relatie tot het te bespreken onderwerp. Wanneer men het menselijk gelaat behandelt, zou men bijvoorbeeld op een vrije manier en natuurlijk vooral behoorlijk aangepast het thema uit ‘Het Portret van Dorian Gray’ van Oscar Wilde kunnen vertellen.
De legende ‘De Zweetdoek van Veronica’ kan uiteindelijk de behandeling dit thema afsluiten en tot een hoogtepunt leiden: het gelaat van Christus, dat zich overal meer en meer openbaren zal en moet, ook in onze gelaatstrekken.
We kunnen een beeld ervan zien ’s zondags dat hangt op het altaar tijdens de Zondagshandeling: de tekening van Leonard da Vinci (zie boven).
[…]

Daarna kunnen we weer over de overeenkomsten spreken tussen dieren van verwante soorten en dan ertoe overgaan te kijken naar mensen van hetzelfde ras, hetzelfde volk en van een zelfde familie. Zo komt men op het vraagstuk van de erfelijkheid.

Hiervoor kan men uit biografieën veel voorbeelden halen, van hoe erfelijkheidskenmerken en eigenschappen door de generaties optreden en vaardigheden overgeërfd worden, zoals bijvoorbeeld het muzikale oor in de familie Bach, de wiskundige vaardigheden van de familie Bernouilli in Basel, de kunst van schilderen bij Raphael Santi en diens vader…

Goethe’s gedicht kan er dan ook bij gehaald worden, maar pas tegen het einde, wanneer de vraag naar het origineel komt:

Van mijn Vader heb ik de gestalte,
en het leven serieus te nemen,
Van m’n moedertje de vrolijke natuur
En de zin om te fantaseren.
1)


Dan kunnen we deze twee factoren bespreken die het levenslot vormen: De erfelijkheid en de individualiteit. Wat is overgeërfd en wat is van jezelf?
Dit moeten we uitvoerig uitwerken aan de hand van veel voorbeelden, ook uit de onmiddellijke omgeving van de kinderen.
Het helpt het kind, dat op deze leeftijd begint zijn eigen wezen sterker te beleven en een door hem onbegrepen wereld tegenover zich ziet. Het beleeft dat het anders-zijn van een enkele mens in vergelijking met de omgeving een algemeen menselijk feit is.
Daarmee zijn we met de algemene beschouwing van de vorm uitgegaan, van een zeker fundament van het menselijk levenslot.
Wanneer men zich er voor hoedt om zulke beschouwingen op een abstracte-intellectuele manier aan de kinderen aan te bieden, die daardoor meteen verveeld worden en opstandig zullen reageren, dan is men op de goede weg.
(wordt vervolgd)

1)
Vom Vater hab' ich die Statur,
Des Lebens ernstes Führen,
Vom Mütterchen die Frohnatur
Und Lust zu fabulieren.


J.W. Goethe

tekst:
Een gedeelte uit:
Alfred Schreiber: Einführung in den Freien Religionsunterricht - 'Aufsätze aus den Briefen über religiöse Erziehung im Elternhaus'
Privatbriefe, herausgegeben von A. Schreiber von 1950-1960'
uitgeven: Pädagogische Forschungstelle beim Bund der Freien Waldorfschulen, Stuttgart
 

zondag 4 juni 2017

Het gesprek met Nikodemus - Trinitatis (1)

Rembrandt van Rijn: Jezus en Nikodemus
Trinitatis is de kerkelijke naam voor de zondag na Pinksteren (ook wel Hoogfeest van de Heilige Drie-eenheid of Drievuldigheidszondag genoemd)

Johannes 3 : 1 – 15          Het gesprek met Nikodemus

Nikodemus (of Nicodemus, Grieks: Νικόδημος, Hebreeuws: Nakdimon) was een Farizeeër en een lid van het Sanhedrin.
Nikodemus wordt drie keer genoemd in het Evangelie volgens Johannes:
    Hij kwam tot Jezus Christus in de nacht (Joh. 3 : 1-21).
    Hij nam het op voor Jezus in het Sanhedrin (Joh. 7 : 46-53).
    Na Jezus' dood was hij aanwezig bij zijn graflegging in het graf van Jozef van Arimatea  (Joh. 19 : 38-42).
Er bestaat een Evangelie van Nikodemus, een van de apocriefe boeken van het Nieuwe Testament. Dat geschrift bestaat uit twee delen, namelijk de Acta Pilati, ofwel Handelingen van Pilatus, en de Descensus Christi ad Inferos, ofwel Hellevaart van Christus.

beeldengroep graflegging: Groß St. Martinkerk (Keulen)
foto: © Raimond Spekking (via Wikimedia Commons)

In de vorige bijdrage over deze evangelietekst is een aantal citaten uit voordrachten van Rudolf Steiner te vinden. In het boek ‘Van de Jordaan tot Golgotha’ besteedt Emil Bock o.a. speciale aandacht aan de figuur van Nikodemus. In deze bijdrage enkele passages uit dit boek:

De diepe indruk, die het dramatische tafereel van de tempelreiniging op Nikodemus heeft gemaakt, drijft hem met onweerstaanbare kracht om naar Jezus toe te gaan (zie hierover ook de bijdrage uit 2009).
Wij hebben eerder al vermeld dat de opvallende woorden ‘in de nacht’, die het evangelie steeds herhaald worden wanneer de naam van Nikodemus wordt vermeld, méér zijn dan enkel een aanduiding van tijd. Er treedt hier een gestalte naar voren die tot de wereld van de mysteriën behoort. […] De ontmoeting vindt niet plaats op het fysieke vlak. Het is een spirituele, bovenzinnelijke ontmoeting in díe sfeer, waarin de ziel bevrijd is van het lichaam n.l. de sfeer waarin de mens gedurende slaap (in de nacht) vertoeft. In dat domein waarin normaal de slaap zijn donkere sluier over de mensen uitspreidt, kan Nikodemus met helder bewustzijn vertoeven, omdat hij een hoge rang heeft bereikt in de zielenontwikkeling. Hij is in staat om in deze sfeer Christus op te zoeken en hij ervaart dat hij door Christus wordt opgenomen en aanvaard. Er ontwikkelt zich een gesprek van grote betekenis en dat geeft aan de ontmoeting van deze leraren in het domein van de geest een diepe inhoud.

Nikodemus meent in Jezus een hoge ingewijde te herkennen en spreekt hem daarom aan met ‘Rabbi’ en ‘Didaskolos’, dat is ‘meester’ en ‘leraar’. Jezus kent Nikodemus dezelfde rang toe door te zeggen: ‘Gij zijt een leraar van Israël’ (‘Su ei ho didaskolos tau Israèl’). Nikodemus komt niet  slechts in naam van zichzelf. Hij staat als het ware als spreker namens alle ingewijden van de Oude Wereld voor Christus. Hij spreekt dan ook in de 3e persoon meervoud: ‘Meester wij weten dat gij van God gekomen zijt, want niemand kan die tekenen doen welke gij doet, tenzij God met hem is.’ Ook Jezus spreekt in deze vorm: ‘Wij spreken uit wat wij weten, en wij getuigen van wat wij gezien hebben.’ […] De stilering van het gesprek brengt ons ertoe in te zien dat wat hier wordt geschilderd ver uitstijgt boven het gewone menselijke niveau.

[…] Bovendien onthult het evangelie ons dat Nikodemus tot de orde van de Farizeeën behoort. […] Bij de Farizeeën is de spiritualiteit, die ééns heilig en goddelijk was, spookachtig en duister en tenslotte zelfs satanisch geworden. In de mensheid zijn zij de eigenlijke tegenstanders en antagonisten van Christus. Van des te groter betekenis is het dat wij in de glans van het begin van het leven van Christus een vooraanstaande Farizeeër ontmoeten, die nog langs de ware, oude spirituele wegen doorgedrongen is tot het ingewijd-zijn.
[…] De orde van de Farizeeën werd na de jaren van de Babylonische gevangenschap gesticht door de apocalypticus Ezra. De orde vertegenwoordigde oorspronkelijk een echte esoterische stroming. Hun innerlijke scholing was een laatste, geconcentreerde samenvatting van de oudtestamentische spiritualiteit. Door het doorlopen van een zorgvuldig afgewogen opeenvolgende reeks van inwijdingsgraden werden de krachten, die de mens uit bloedverwantschap en erfelijkheid meebracht tot een steeds dieper, innerlijk en vergeestelijkt bezit gemaakt, zodat zij tot aan de drempel van de geestelijke wereld voerden.

[…] Het fysieke lichaam van de mens moest de Farizeeën als een tempel voorkomen, daar de spiritualiteit die zij beoefenden, geheel werd geput uit de diepten van dit fysieke lichaam. En de tempel op de berg Moria stond voor hen dan ook in het centrum van hun voorstellingswereld, als een symbool dat het zuiverst uitdrukking gaf aan hun streven, hoewel de Farizeeën het houden van de priesterlijke eredienst aan anderen overlieten. In de tijd waarin Jezus leefde, was de orde echter allang vervallen tot onwaarachtigheid en machtswellust. De Farizeeën waren tenslotte zelf het duidelijkste bewijs voor het feit, dat hun spiritualiteit, die uitsluitend voortkwam uit de fysieke lichamelijkheid en uit de krachtbron van de bloedverwantschap en erfelijkheid, het dode punt van de volledige uitputting had bereikt.
Dat Nikodemus zo diep geschokt kon worden door de tempelreiniging en als gevolg van de invloed daarvan op zijn zielenleven zich zo onweerstaanbaar tot Christus voelde aangetrokken, toont dat hij er zeer aan toe was om in te zien, dat de spiritualiteit van de Farizeeën ten einde liep. De antwoorden die hij van Christus te horen krijgt, betekenen een radicaal afwijzen van de spirituele weg die slechts aanknoopt aan het geboren-worden uit het aardse en lichamelijke, aan de geboorte ‘van beneden af’. Alleen de nieuwe impuls van boven kan de toekomst van de mensheid redden.

Als Farizeeër kon Nikodemus alleen maar ‘de geboorte van beneden af’ begrijpen. Zijn blik was slechts gericht op de mens, geboren uit de lichamelijkheid. Verwonderd vraagt hij: ‘Hoe kan een mens geboren worden, als hij oud is? Kan hij voor een tweemaal in de moederschoot ingaan en geboren worden?’
Daarop krijgt hij het antwoord: ‘De wind waait waarheen hij wil en je hoort zijn stem, maar je weet niet vanwaar hij komt en waarheen hij gaat.’ Nikodemus moet leren in te zien dat de mens in waarheid een bovenzinnelijk wezen is. Geboorte en dood zijn slechts begin en einde van de lichamelijke mens. Met onze aardse zintuigen kan aan de op aarde levende mens niet worden waargenomen vanwaar hij in werkelijkheid komt en waarheen hij gaat. Slechts wanneer zijn geest zich roert kan af en toe het suizen van de wind worden vernomen. Van bovenaf, uit de wereld waarin de oorsprong en de oerbron ligt van zijn eigenlijke wezen van de mens, moet het streven van zijn ziel worden bevrucht en bevleugeld, wil dit niet definitief mede betrokken worden in het verstarren en afsterven van de lichamelijkheid.

Nikodemus kende als geschoolde Farizeeër het principe van de hemelvaart zeer goed. Immers, de inwijding die bij de Farizeeën werd voltrokken, leidde tot het punt waarop de ziel zich in visionaire extase boven het lichaam verheft. Alleen komt ook deze ‘hemelvaart’ in laatste instantie tot stand vanuit de krachten van de erfelijkheid, die in het fysieke lichaam sluimeren. Christus toont hem het principe van de nieuwe weg naar de wereld van de Geest: niemand kan de hemelvaart op de juiste wijze bereiken dan díe wezenheid in de mens, die zelf uit de hemel afkomstig is, namelijke de geestelijke mens, wiens ware wezen goddelijk is: ‘Niemand is naar de hemel opgestegen, behalve hij die uit de hemel is neergedaald: de Mensenzoon.’ (Joh. 3 : 13)

Nikodemus was geheel op de hoogte van het geheim van de ‘Mensenzoon’. Vanuit de spirituele stroming waarvan hij deel uitmaakte, kon hij onder de ‘Mensenzoon’ alleen in zoverre de geestelijke mens verstaan, zoals deze uit de krachten van de bloedverwantschap en de erfelijkheid wordt geboren in de wereld van de Geest. Het oude principe van dit ‘zoonschap’, dit ‘Zoon des Mensen-zijn’ verloor zijn geldigheid. ‘En zoals Mozes in de woestijn de slang heeft opgericht, zo moet de mensenzoon hoog opgericht worden.’ (Joh. 3 : 14)

In de tijd van Mozes was de heidense weg, die tot een magische schouwen toegang gaf, en die door het beeld van de slang werd gesymboliseerd, decadent geworden en doodgelopen. Doordat Mozes de om de kruisstam gewonden koperen slang oprichtte, stichtte hij ter genezing van het bewustzijn het teken van de esculaap.
[Nehushtan of Nohestan (Hebreeuws: נחושתן of נחש הנחושת neḥushtan, "Koperslang" of "slang van koper”) was volgens de traditie in de Hebreeuwse Bijbel een bronzen of koperen slang aan een paal die Mozes in opdracht van JHWH oprichtte. (Numeri 21:6-9)]

Door de aanblik van dit teken werd het volk genezen van de koortsachtige extase, waartoe het door de aanraking met de decadente heidense volkeren was vervallen. Aan een kruisstam zal de ‘Mensenzoon’ eens opgericht zijn, ten teken dat alle krachten waaruit de mens tot aan die tijd toe heeft geleefd, ten dode zijn opgeschreven.
Maar het lichaam dat aan het kruis hangt, zal niet slechts het dode lichaam van de ‘Mensenzoon’ zijn, maar tegelijk het aardse omhulsel waarin de ‘Godszoon’ gedurende drie jaren heeft geleefd. Hier mondt het einde van de oude weg uit in het genaderijk geschonken begin van een nieuwe weg.

[…] Tot Nikodemus moest Christus eerst over de tragiek van de ‘Mensenzoon’ speken, die slechts van de aarde uit naar de wereld van de Geest streeft. Maar Hij laat op het woord over de ‘Mensenzoon’ woorden over de ‘Godszoon’ volgen. (Die aanvullende woorden zijn jammer genoeg niet in de perikooplezing van deze dag opgenomen.):

‘Want God heeft de wereld zo liefgehad, dat hij de Zoon, de eengeborene, heeft gegeven, opdat wie in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar het eeuwig leven heeft. Want God heeft de Zoon niet in de wereld gezonden om over de wereld te oordelen, maar om door Hem de wereld te redden.’ (Joh. 3 : 16-17)

Wanneer de principes van de van onderaf geboren ‘Mensenzoon’ en van de van bovenaf geboren ‘Godszoon’ elkaar doordringen, dan doorstaat de mensheid de crisis die ten dode kan voeren. Het woord over de ‘Godzoon’ (Want God heeft de wereld zo liefgehad…enz.) heeft men maar al te vaak uit zijn verband gerukt, in egoïstisch streven om gesticht te worden. In de met grote precisie voortschrijdende onderwijzing van leraar tot leraar, dat Christus aan Nikodemus als ingewijde te beurt laat vallen, behoren beide uitspraken over de ‘Mensenzoon’ en de ‘Godszoon’ onafscheidelijk bij elkaar.

Het ware beeld van de mens zal in de donkere uren op Golgotha de mensheid opnieuw voor ogen worden gesteld. Maar doordat daarin de ‘Mensenzoon’ en de ‘Godszoon’ één worden, gaat de dood over in de opstanding. Het heeft diepe betekenis dat Christus tijdens het nachtelijke gesprek in het geestgebied door zijn profetische woorden het kruis op Golgotha voor het geestesoog van Nikodemus laat verrijzen. Nikodemus zal behoren tot diegenen die  op Goede Vrijdag onder dit kruis staan.

bron:
Emil Bock: ‘Die Drei Jahre’ - Urachhaus, Stuttgart 1981 (1946)
vertaling: ’Van de Jordaan tot Golgotha’ - Christofoor, Zeist

Nikodemus, beeldengroep graflegging: Groß St. Martinkerk (Keulen)


maandag 17 april 2017

Het stoffelijk overschot als bron van vernieuwing (deel 8 - slot)

Matthias Grünewald: Isenheimer Altaar.
"Het is niet zonder betekenis of de mens op aarde leeft of niet." […] De mens is "het medium waardoor voortdurend bovenzinnelijke krachten kunnen doordruppelen naar de zintuiglijk fysieke wereld. […] Zonder de stoffelijke overschotten van de mensen was de aarde dus allang dood."
uit: Algemene Menskunde als basis voor de pedagogie (GA 293) 3e voordracht -23-8-1919

 

Nu volgen nog een enkele uitspraken van Rudolf Steiner over dit thema:

“Wat de mens met zich meedraagt als zijn fysieke lichaam is gedurende de tijd van zijn bestaan tussen geboorte en dood doorweven van het zielsmatige. Nu, omdat we in dit tijdperk zijn aangeland is het zelfs met een bijzonder soort van het zielsmatige doorweven: het Ik en het astraallichaam duiken volledig in het fysieke lichaam onder. En weer, of we nu door het vuur of door het begraven van het stoffelijk overschot ons fysieke lichaam aan de aarde teruggeven; voor de huidige natuurwetenschap betekent dit niets anders als: dit stoffelijk overschot bestaat uit verschillende substanties die met de dood aan de aarde worden toegevoegd en hun weg gaan naar de verschillende principes die men tegenwoordig in de organische en speciaal in de anorganische chemie bestudeert. Maar dat is allemaal pure onzin. Waar het om gaat is veelmeer dit: dat het werkelijk aan dit menselijke lichaam niet zomaar voorbij gaat dat het van geboorte tot aan de dood bewoont is door een menselijk geest-zielewezen.
En we gaan met ons stoffelijk overschot over in de aarde in een vorm, in een hoedanigheid, die hij alleen kon verkrijgen doordat hij van geboorte tot aan de dood door een wezen doorleeft was, dat voor de geboorte respectievelijk de conceptie in de geestelijke wereld als zielegeest van de mens leefde. En de aarde in haar huidige ontwikkeling zou allang zijn vervallen, zijn verlaten wanneer zij niet als een ferment, om het even of zij het door begraven of door verbranding datgene zou opnemen wat door de ziel weliswaar verlaten, maar tot aan de dood toe doorleefde menselijke lichamen zijn.”

[Der Innere Aspekt des soziale Rätsels (GA 193), 14 september 1919]

“De mens doet mee aan de ontwikkeling van de aarde en heeft zelfs een bijzonder aandeel daarin. En zelfs hetgeen wij na de dood aan de aardeontwikkeling overgeven heeft voor haar betekenis. En het andere wat met de mens in zijn ontwikkeling, speciaal vanaf het de moderne tijd gebeurt, is het volgende: dat wanneer hij als hij op een leeftijd is aangekomen en ouder dan zevenentwintig, achtentwintig jaar wordt, dat hij dan met zijn fysieke lichaam in de waaktoestand op een heel speciale manier een verbinding aangaat die op een hele speciale manier op de geestelijke wereld, op de bovenaardse wereld inwerkt. Dat is een merkwaardige polariteit in de ontwikkeling van de mens gaat de mens door de poort van de dood, laat hij zijn lichaam achter, dan splitst er zich van dit lichaam iets af wat dient als ferment van de aardeontwikkeling. Komt hij dan in zijn leven in de periode tussen de achtentwintig en vijfendertig jaar, dan geeft hij iets aan de geestelijke wereld af wat voor de geestelijke wereld noodzakelijk is. …Wat men daar aan de geestelijke wereld afgeeft dat is het allerbelangrijkste wat men terugvindt als men na de dood in de geestelijke wereld het leven andersom beleeft. En dat is datgene wat men werkelijk aan de bovenaardse wereld afgeeft zoals men het stoffelijk overschot aan de aardse wereld afgeeft." (idem)

Door de wetten en krachten van de natuur worden we voortdurend op het verleden gewezen, op het sterven van de aarde. Opdat “de uiterlijke natuur niet zal sterven moet aan haar toegevoegd worden wat de mens door zijn astraallichaam en Ik bezit. Dat wil zeggen; omdat hij door zijn astraallichaam en zijn Ik zelfbewuste voorstellingen heeft moet de mens, wil hij voor de anders stervende aarde de toekomst zeker stellen, datgene aan haar overdragen wat in hemzelf bovenzinnelijk en onzichtbaar is. Net zoals de mens van dat wat voor hem onzichtbaar en bovenzinnelijk van aard is, namelijk de wederbelichaming in een volgend leven op aarde, niet van een sterfelijk fysiek en etherisch lichaam kan verwachten, zo kan ook uit dat wat ons als minerale en plantaardige aardbol omgeeft geen toekomstige aarde ontstaan. Enkel en alleen wanneer wij iets in deze aarde kunnen brengen wat zij niet van zichzelf heeft, kan er een toekomstige aarde ontstaan. Maar dat, wat niet vanzelf op aarde aanwezig is, zijn in eerste instantie de werkzame gedachten van de mens die in zijn zelfstandige, van evenwichtstoestanden in hem onafhankelijk natuurorganisme leven en weven. Wanneer hij deze zelfstandige gedachten verwerkelijkt dan geeft hij de aarde toekomst. Maar dat vereist wel dat hij ze wel heeft, dit soort zelfstandige gedachten, want alle gedachten die wij ontwikkelen over datgene wat stervend in de gebruikelijke natuurkennis aanwezig is, zijn spiegelgedachten, zijn geen werkelijkheden.
De gedachten die we opnemen uit het geestesonderzoek, ontstaan levend in de imaginatie, inspiratie en intuïtie. Nemen we deze op dan zijn ze zelfstandig in het aardeleven existerende scheppingen. Over deze scheppende gedachten kon ik destijds in mijn kleine boekje over de kennistheorie van de goetheanistische wereldbeschouwing zeggen: dit denken representeert de geestelijke vorm van het communiceren van de mensheid. – Want wanneer de mens zich alleen maar overgeeft aan de spiegelgedachten over de uiterlijke natuur, dan herhaalt hij slechts het verleden, leeft hij in een lijk van het goddelijke. Maar wanneer hij zijn gedachten verlevendigt, verbindt hij zich met zijn eigen wezen, communicerend de communie ontvangend, met het - de wereld doordringende, haar toekomst zeker stellende - goddelijk-geestelijke. Zo is spirituele kennis een werkelijke communie, het begin van een bij de moderne mens passende kosmische cultus, die kan groeien doordat de mens nu gewaar wordt hoe hij zijn fysiek- minerale en zijn vegetatieve organisme met zijn astrale en zijn Ik-organisatie doortrekt, hoe hij, doordat hij in zichzelf de geest levend maakt, nu ook in dat wat hem als iets doods, als iets stervends omgeeft, de geest binnenhaalt. … Wat eerst nog abstracte kennis was, wordt tot een voelende en willende verhouding tot de wereld. De wereld wordt tot een tempel, de wereld wordt tot een godshuis. De kennende mens, zichzelf opheffend tot voelen en willen, hij wordt een offerend wezen."

[Das Verhältnis der Sternenwelt zum Menschen (GA 219), 31 december 1922]


De verandering van het fysieke lichaam in de loop van het leven

Het verteringsproces


De aanwijzing van Rudolf Steiner dat het lichaam in het verloop van het leven verandert, vestigt de aandacht op de stofwisseling. De stofwisseling is de lichamelijke basis voor de wil.
“Nu ontstaat de vraag: welk verband bestaat er eigenlijk voor de tegenwoordige mens – en daar hebben we het nu over – tussen de wilskrachten van de mens, die in zijn zwaartepunt zijn geconcentreerd, en tussen de uiterlijke fysieke en chemische krachten? – Onder normale omstandigheden komt dit verband alleen in de menselijke stofwisselingsprocessen tot uitdrukking. Als de mens de stoffen uit de buitenwereld in zich opneemt, dan is het eigenlijk zijn wil die deze stoffen verwerkt, verteert. En wanneer er niets anders zou werken als deze wil dan zou datgene wat van buitenaf opgenomen werd alleen maar afgebroken worden. De menselijke wil draagt de kracht in zich alle overige krachten om te zetten, op te lossen, en het verband tussen de mens en de overige minerale, plantaardige en dierlijke natuur is vandaag de dag een zodanige, dat zijn wil verband houdt met de afstervende krachten van onze planeet, met de vernietigende krachten van onze planeet. We leven van deze vernietiging maar het is en blijft een vernietiging. We zouden niet kunnen leven wanneer wij deze vernietiging niet tot stand zouden brengen. … We hangen door onze wil dus werkelijk samen met de ondergangskrachten van onze aardeplaneet. …
De mens is een dubbelwezen. Het ene deel van zijn wezen staat in verband met de afbrekende krachten van onze planeet, het andere deel van zijn wezen, dat zijn intelligente deel is, is zoals we al hebben vermeld, door de brug van het gemoed verbonden met de wil. Maar deze intelligentie van de mens komt met betrekking tot onze aardeplaneet zeer weinig aan bod, in zoverre wij in een waaktoestand verkeren. We zijn, als wij wakker zijn, eigenlijk niet in staat om via onze intelligentie een juiste verhouding tot het aardebestaan tot stand te brengen. Precies zoals de oorzaken van al de aardse afbraak (!) in de menselijke wil
liggen, die in het zwaartepunt van de mens is geconcentreerd, zo liggen de opbouwende krachten in de sfeer die de mens betreedt gedurende de slaap. Vanaf het moment van inslapen tot aan het wakker worden is de mens met zijn Ik en zijn astraallichaam in een toestand die we normaal gesproken zo beschrijven dat we figuurlijk zeggen: Het Ik en het astraallichaam zijn buiten het fysieke lichaam. Maar daar is de mens dus helemaal een geestelijk-zielsmatig wezen en daar ontwikkelt hij krachten die juist tussen inslapen en ontwaken actief worden. En gedurende deze tijd staat hij door die krachten in verbinding met alles wat de planeet aarde opbouwt, wat de opbouwende krachten aan de vernietigingskrachten toevoegen.”
[Soziales Verständnis (GA 191), 9 november 1919]

De slaap als kleine broeder van de dood brengt de mensen met de opbouwende krachten van de aarde in verbinding.
De wil is ook kiem en deze kiem heeft een gigantische kracht; denk alleen maar eens met wat een kracht kiemende planten door een asfaltlaag heen kunnen breken. Deze wil staat in eerste instantie diametraal tegenover de voorstelling.
“Wanneer wij denken, wanneer wij voorstellen speelt natuurlijk ook de wil mee in ons voorstellen, maar dan wel in een zeer, zeer verfijnde toestand. De mens merkt niet hoe de wil pulseert in zijn voorstellen en hoe anders de wil in zijn wezen werkt; dat weet hij dus niet. Het mysterie van de wil is op een bepaalde manier door de uitsluitend intellectualistische cultuur van de nieuwe tijd voor de moderne mens volledig ondergesneeuwd geraakt. Wanneer je nu met de middelen van de geesteswetenschap het onderzoek naar de wil in gang zet, dat wil zeggen, wanneer je probeert met behulp van imaginatie en inspiratie krachten op te wekken waarmee je, in de drukte die ontstaat wanneer de mens wil, kan schouwen, dan merk je dat in ons fysieke leven tussen geboorte en dood het willen werkelijk verbonden is, niet met opbouwkrachten, maar met afbraakkrachten. … Als in onze hersenen zich alleen opbouwende krachten zouden afspelen, dan zou er alleen dat gebeuren, wat bijvoorbeeld meestal bij het opnemen van de levenskrachten uit de voeding gebeurt. Ons ziele- en geestesleven door het zenuw- en hersengereedschap zou zich niet kunnen ontwikkelen. Alleen doordat er voortdurend iets in onze hersenen wordt afgebroken, dat er steeds vernietigingskrachten in aanwezig zijn, kan het ziele- en geestesleven er in aanwezig zijn. Maar daarin werkt nu ook juist de wil. De wil van de mens is in feite iets wat tijdens ons fysieke leven al voor een deel met de dood van de mens bezig is. Met betrekking tot de organisatie van ons hoofd sterven we voortdurend; en alleen doordat in de rest van onze organisatie tegen dit voortdurende sterven in het hoofd wordt ingewerkt, leven wij. En vooral de wil is in dit hoofdleven actief. In ons hoofd vindt voortdurend hetzelfde plaats wal buiten ons om objectief in de buitenwereld gebeurt wanneer wij door de fysieke dood zijn gegaan. Voorzover wij menselijke individualiteiten met ons geestelijk- psychisch wezen door de poort van de dood zijn heengegaan, hebben wij met ons stoffelijk overschot niets te maken, maar voor het heelal is het heel belangrijk, want het wordt, op welke manier maakt niets uit, door verbranding of door begraven, aan de elementen van de aarde overgeleverd; en daar zet zich op ongeveer dezelfde wijze voort wat onze menselijke wil gedeeltelijk in ons zenuwsysteem, in ons zintuigsysteem doet gedurende het leven tussen geboorte en dood. We stellen voor, we denken, doordat onze wil iets in ons afbreekt. We dragen ons stoffelijk overschot over aan de aarde en met hulp van dit zich oplossende stoffelijk overschot, dat nu het zelfde proces voortzet wat gedeeltelijk in ons leven plaatsvond, ‘denkt en stelt voor’ de aarde als totaliteit.
Dat … wat zich voortdurend afspeelt in de aarde door de wisselwerking tussen het van origine aardse en datgene wat zich in de aarde afspeelt door het verbinden van met de gestorven menselijke lichamen, is een activiteit die in zijn hoedanigheid volstrekt hetzelfde is als de wilsactiviteit die in onszelf voortdurend onbewust wordt uitgeoefend, en bij afbraak, afgebroken wordt, tot iets lijk- achtigs wordt verwerkt, tussen geboorte en dood in ons zenuw- zintuigsysteem. Tussen geboorte en dood werkt door de afbraak, dezelfde wil, als die zich met ons Ik verbindt, binnen de grenzen van onze huid. Dezelfde wil ook die kosmisch door middel van ons
stoffelijk overschot na onze dood in het denken en voorstellen van de totale aarde werkt, als wij dus ons stoffelijk overschot aan de aarde hebben geschonken. Zo zijn wij kosmisch verbonden met datgene wat je het geestelijk-zielsmatige proces van het totale aardebestaan zou kunnen noemen. Dit is een zeer belangrijke voorstelling, want ze plaatst de mens concreet in het kosmische van ons aardebestaan.”
[Weltsilvester und Neujahrsgedanken (GA 195) 28 december 1919]

Daarmee wordt ook in dit verband aangeduid hoe belangrijk juist het ‘reine’ denken is, omdat het tussen wil en voorstelling bemiddelt.
“Dat is juist een ongelooflijk belangrijk iets in de ontwikkeling van ons na-atlantische tijdperk, dat onze ziel en onze geest, ons Ik en ons astraallichaam nu pas volledig in het fysieke lichaam en etherlichaam kunnen onderduiken; in onze huidige tijd pas voor het eerst – later zullen de verhoudingen zich weer wat wijzigen – na het zevenentwintigste en achtentwintigste jaar. Dat is een belangrijk geheim in de ontwikkeling van de mensheid. De mens maakt het eigenlijk nu pas voor het eerst mee dat hij helemaal in zijn fysieke lichaam onderduikt en zelfs pas dan wanneer hij helemaal volwassen is geworden; met zevenentwintig, achtentwintig jaar. En wat betekent dit volledig onderduiken in het fysieke lichaam?
Dat betekent dat wij door dit onderduiken in staat zijn om dat soort gedachten te ontwikkelen, die ideeën te ontplooien, die de materialistische, natuurwetenschappelijke ideeën zijn sinds de tijd van Galileï en Copernicus. Voor dit soort ideeën, voor dit soort opvattingen is ons fysieke lichaam het juiste gereedschap. Dat was in het verleden niet mogelijk met ons waakbewustzijn, vandaar ook dat het natuurwetenschappelijke denken er nog niet was. Dat is helemaal aan het fysieke lichaam gebonden.”

[Der Innere Aspekt des soziale Rätsels (GA 193), 14 september 1919]

Na deze uiteenzettingen ligt het voor de hand om ook de stofwisseling en de daarmee verbonden spijsverteringsprocessen er bij te betrekken, die immers duidelijk onder invloed van ‘iets’, namelijk het reine denken, staan. Vanuit een ander perspectief is het de geestkiem die vanaf de conceptie in de mens actief is. Want deze geestkiem wordt als oerbeeld van het fysieke lichaam vooruit gestuurd, daalt af in de “bevruchte mensenkiem en vormt daar het groei-element.” (GA 218- 7-12-1922) Ook dit is iets waar Rudolf Steiner regelmatig over spreekt, want hij streeft er naar om het dualisme te overwinnen en – als derde element naast het voorstellen en waarnemen – het denken tot in zijn effecten in de lichamelijke organisatie en daarmee ook in de stofwisseling aan te tonen.
“(De mens) is in zijn leven hier op aarde zo aangepast dat hij bepaalde processen, die het dier helemaal doorzet, dat hij die niet tot het eind doorzet in zijn puur natuurlijk organisatie. Het dier wordt op een bepaalde manier helemaal ‘af’ geboren voor al zijn functies. De mens moet deze functie eerst zelf, door opvoeding enzovoorts, zien te verkrijgen. En wat zich hier in de mens afspeelt is in feite alleen een uiterlijke uitdrukking voor iets wat zich ook organisch voltrekt. Als je de stofwisseling van het dier op de juiste manier, geesteswetenschappelijk, bestudeert dan zie je dat de stofwisseling van het dier verder doorgezet is dan de stofwisseling van de mens.”
(Je kunt daarbij bijvoorbeeld denken aan het feit dat dieren met hun spijsvertering aan voedingsmiddelen aangepast zijn die voor mensen dodelijk zouden zijn; van insecten tot de aaseters en de herkauwers tot de gewervelde dieren toe, overal zijn hooggespecialiseerde spijsverteringsprocessen aanwezig. De mens is echter aangewezen om zijn voedsel door koken, roosteren, braden, fermenteren, bakken enzovoorts te bereiden, zodat het voor hem eetbaar wordt)
“De stofwisseling van de mens moet in een eerder stadium tegengehouden worden dan de stofwisseling van de dieren. Wat in de dieren naar een bepaalde hoogte wordt gedreven, moet bij de mens op een eerder niveau blijven staan. De mens mag, als ik me een beetje triviaal uit mag drukken, niet zo ver verteren als een dier. De mens moet eerder in het spijsverteren halt houden als het dier. Doordat de spijsvertering is teruggehouden doet hij krachten op die de fysieke drager worden van datgene wat door hij door de wil naar het hoofd stuurt.”
[Entsprechungen zwischen Mikrokosmos und Makrokosmos (GA 201), 1 mei 1920]

“We zullen er speciaal dat proces eruit lichten waarin zich, naast de smaakwaarnemingen, de voeding zich voltrekt. Daar zien we allereerst, terwijl de smaakwaarneming zich afspeelt en de voedingsopname in wordt geleid, dat uiterlijke stoffen opgelost worden door sappen die afkomstig zijn uit het menselijke organisme. Die uiterlijke stoffen, welke de plant opneemt uit de levenloze natuur zijn eigenlijk, in ieder geval in principe, gevormd. En stoffen in de levenloze natuur die op aarde geen vorm hebben zijn eigenlijk uit elkaar gevallen. We moeten eigenlijk in alle stoffen naar de kristallen zoeken. En al die stoffen die we niet in gekristalliseerde vorm, die we vormloos of als stof of iets dergelijks vinden dat zijn eigenlijk vernielde kristallisaties. En uit de gekristalliseerde levenloze natuur neemt de plant haar stoffen en bouwt ze dus op in de vorm op die de plant kan maken. Vervolgens neemt het dier daar weer haar stoffen op enzovoort. Zodat we kunnen zeggen: buiten in de natuur heeft alles haar vorm, heeft alles zijn gestalte. Als de mens deze gestalten in zich opneemt lost hij ze weer op. … Dat alles gaat op een bepaalde manier in het waterige, in het vloeibare over. Maar wanneer de mens dat opneemt in het waterige, in het vloeibare, dan bouwt hij innerlijk deze vormen weer op uit datgene wat hij eerst heeft opgelost. Hij schept deze gestalten weer. Wanneer wij zout tot ons nemen dan lossen we het door het vloeibare in ons organisme eerst op, maar daarna vormen we opnieuw wat eerst het zout was. Wanneer we een plant opnemen, dan lossen we eerst alle stoffen van deze plant op, en we vormen hem innerlijk opnieuw. Maar we vormen hem nu niet in het vloeibare, maar in het etherlichaam van de mens.
Nu is er het volgende aan de hand: Als u zich terug verplaatst in de oude tijden van de mensheidsontwikkeling, nam de mens bijvoorbeeld zout tot zich. Hij loste dat op en de oplossing vormde zich opnieuw in zijn etherlichaam, en in zijn etherlichaam was nu de zoutkubus; vandaar dat hij wist: het zout heeft de vorm van een kubus. En ze beleefde de mens als hij in zijn innerlijk onderdook dus ook de natuur in zijn innerlijk. De wereldgedachten werden zijn gedachten. Dat, wat hij als imaginatie zag verschijnen, als een droomachtige imaginatie, waren in de mens verschijningen, zich etherisch vormende gestalten, die wel de gestalten van de wereld waren. Maar nu brak de tijd aan dat de mens de mogelijkheid om in zich zijn oplossingsprocessen en opbouwende processen innerlijk mee te maken kwijtraakte en hij was er meer en meer op aangewezen de vragen aan de uiterlijke natuur te stellen. Hij kon niet meer in zijn innerlijk door aanschouwing beleven dat het zout een kubusvorm heeft. Hij moest in de uiterlijke natuur onderzoeken wat de vorm van het zout was. Zo werd de mens uit het innerlijk weggeleid en naar het uiterlijke toegetrokken. Deze radicale verandering naar de toestand dat hij de wereldgedachten niet meer in de zelfwaarneming van zijn etherlichaam beleefde, voltrok zich vanaf het begin van de 15e eeuw en was bijvoorbeeld al behoorlijk doorgedrongen in de tijd dat Giordano Bruno, Jacob Böhme en Baco von Verulam leefden.
… Alle stoffen zijn, voor zover zij voedingsstoffen zijn, zouten. Die lossen op. In het zout, in de zouten zijn de wereldgedachten op de aarde uitgedrukt. En de mens vormt opnieuw deze wereldgedachten in zijn etherisch lichaam. Dat is het zoutproces. Zo sprak Jacob Böhme stamelend datgene uit wat in vroeger tijden nog door een innerlijk beleven werd herkend. … Jacob Böhme legde de relatie tussen het denkproces, het proces dat men de wereld zich voorstelt in beelden, samen met het zoutproces, met het proces van het oplossen en het weer opnieuw vormen.
… De wereld opgebouwd uit gedachten die we belichaamd zien in de kristallisaties van de aarde, die de mens opnieuw opbouwt in zijn etherlichaam en in het kennen kan meebeleven, dat was vroeger een inzicht dat op een bepaald moment verdween.
Als men zich verplaatst in een oude geheime leer en men zou luisteren naar de manier waarop zo’n mysterie-ingewijde het heelal zou hebben beschreven, dan zou men ongeveer het volgende horen, precies zoals ik het net heb beschreven: overal in het Wereld-al werken de wereldgedachten, werkt de Logos. Schouwt de kristallisaties van de aarde! Daar vindt u de belichamingen van de afzonderlijke woorden van de universele Logos.”

[Lebendiges Naturerkennen (GA 220), 13 januari 1923]

De resultaten van de stofwisseling moeten weer tot in de afscheidingen te zien zijn.
“Zo stelt men het zich ruwweg, grofweg voor, laten we zeggen, daar buiten zijn de voedingsstoffen; het dier neemt ze op, slaat datgene op wat het kan gebruiken en scheidt datgene af wat het niet kan gebruiken. En men moet dan op verschillende dingen letten, bijvoorbeeld dat het dier niet wordt overvoerd, dat het voldoende voeding krijgt toegediend dat zo veel mogelijk voedingsstoffen bevat. … Ziet u, men heeft het over verbrandingsprocessen in het organisme. In het organisme zit natuurlijk helemaal geen verbrandingsproces en de verbinding van deze of gene stof met zuurstof betekent in het lichaam heel wat anders dan een verbrandingsproces. Een verbranding is een proces in de minerale levenloze natuur. Bovendien, net zoals een organisme iets anders is dan een kwartskristal, zo is ook datgene wat men beschrijft als verbranding in een organisme niet het dode verbrandingsproces zoals dat in de buitenwereld zich afspeelt, maar is het iets levends, het is zelfs iets gevoelsmatigs.”
[Vruchtbare landbouw op biologisch-dynamische grondslag (GA 327), 16 juni 1924]

“Laten we nu, omdat het om het voederen gaat, van het dier uitgaan. Bij het dier hebben we niet zo’n scherpe driegeleding van het organisme als bij de mens. We hebben bij de dieren ook de zenuw- zintuigorganisatie en het stofwisselings-ledematenstelsel. Die zijn duidelijk van elkaar gescheiden, maar de middelste, de ritmische organisatie is bij verschillende dieren wat vervaagd. Er gaat iets uit de zintuigorganisatie en de stofwisselingsorganisatie over in het ritmische zodat men eigenlijk anders over het dier moet praten dan over de mens.”

[Vruchtbare landbouw op biologisch-dynamische grondslag (GA 327), 16 juni1924]

De hersenen worden door de voedingsstroom uitgescheiden zoals op een andere manier de excrementen.
“De hersenmassa is gewoon een tot het einde toe doorgevoerde darmmassa. Vervroegde hersenafscheiding gaat door de darm. De darminhoud is voor wat het zijn processen betreft echt verwant met de herseninhoud. Als ik wat grotesk redeneer zou ik zeggen, wat zich in de hersenen uitbreidt, is een verder ontwikkelde mesthoop, zakelijk gezien is dat helemaal juist. Het is de mest die door het eigen organische proces in de edele massa van de hersenen omgezet wordt en daar de basis wordt voor de Ik-ontwikkeling. Bij de mens wordt zo veel mogelijk omgezet van buikmest naar hersenmest, omdat de mens zijn Ik op aarde draagt; bij het dier minder, daar blijft het meer binnen in de buikmest dat dan tot werkelijke mest wordt omgezet. Daar zit meer Ik in aanleg in. Omdat het dier het niet tot een Ik brengt blijft daar meer Ik in aanleg in zitten. Daarom zijn dierlijke mest en menselijke mest twee totaal verschillende dingen. In dierlijke mest zit Ik-aanleg.”
[Vruchtbare landbouw op biologisch-dynamische grondslag (GA 327), 16 juni1924]

Kras uitgedrukt betekent dat: De darminhoud is met de hersenen te vergelijken…
“De hersenen zijn uitwerpselen van het denken.”
[Natur und Mensch (GA 352), 23 februari 1924]

"De excrementen zijn iets wat uit het levensproces is ‘uitgeworpen’, zij vormen iets wat uit de hogere ontwikkeling is gevallen en zijn tegelijk door een omzetting de basis voor de economie van de toekomstige plantenkieming."
[Natur und Geistwesen (GA 98), 07 juni 1908]

Bron:
Stephan Leber: Kommentar zu Rudolf Steiners Vorträgen über Allgemeine Menschenkunde als Grundlage der Pädagogik, Band I (Stuttgart 2002, Verlag Freies Geistesleben)
Exkurs: Die Erneuerungskräfte der Leichname
Vertaling: Bert Verschoor

zondag 16 april 2017

Het stoffelijk overschot als bron van vernieuwing (deel 7)

Andrea da Firenze: Resurrectie
Het is niet zonder betekenis of de mens op aarde leeft of niet. […] Zonder de stoffelijke overschotten van de mensen was de aarde dus allang dood.
uit: Algemene Menskunde als basis voor de pedagogie (GA 293) 3e voordracht 23-8-1919

 

Onze stoffelijke overschotten werken de kristallisatie tegen


Door het causaliteitsprincipe kan de werkelijkheid niet worden begrepen. Je kunt de werkelijkheid veel beter benaderen wanneer je bedenkt dat er een hele evolutie aan de mens ten grondslag ligt en dat de mens er altijd bij aanwezig was en dat de aarde daarbij als een eenheid moet worden gezien,
“dat wil zeggen als een zodanige eenheid dat niets in de aardeloop kan gebeuren zonder dat de mens als de meewerkende oorzaak” aanwezig is.
Het “mensdom heeft … een kosmische voorgeschiedenis, een Saturnus-, Zon en Maangeschiedenis, maar de aardegeschiedenis was in eerste instantie een herhaling en de mensheid op aarde is op een specifieke tijd begonnen.”
[Die Polarität vom Werden des Menschen (GA184) 22 september 1918]

Dat betekent dat het menselijke lichaam iedere keer door aanpassingen veranderingen doormaakte. In de eerste plaats waren het voornamelijk warmteverschillen die de ene vorm van de andere scheidde; op aarde ondervond het een belangrijke verdichting. Binnen een fysieke vorm komen verdichtings- en vastheidskrachten voor die, wanneer de materie onder haar invloed komt, het lichaam eigen grenzen verlenen; dit is het resultaat van het principe van de zwaarte.
“Wanneer de steen zich tot een kristal omvormt dan werken vormgevende krachten in hem. Maar die zijn verwant aan de aardse krachten. Kortom, we hebben, als we om ons heen de wereld in kijken, stoffen die onderworpen zijn aan de aardse wetten. … Het fysieke lichaam van de mens is weliswaar zeer gecompliceerd, maar in feite ook een voorwerp dat onderworpen is aan deze fysieke krachten van de aarde, aan die krachten die afkomstig zijn uit het middelpunt van de aarde. Dat is het fysieke lichaam: datgene wat onderworpen is aan de krachten die vanuit het middelpunt van de aarde komen. Nu zijn er op aarde nog andere krachten aanwezig. Deze krachten komen uit de omgeving van de aarde. Stelt u zich eens voor: ik vertrek naar onbestemde verten. (buiten de aarde) Dan werken vanuit die onbestemde verten de krachten juist tegengesteld aan die van de aarde. Die krachten werken dan van alle kanten op ons in. Ja, er bestaan werkelijk van die krachten die van alle kanten op ons inwerken, die van alle richtingen uit het heelal overal dwars tegen het middelpunt van de aarde inwerken.”
[Der Jahreskreislauf als Atmungsvorgang der Erde (GA223),

30 december 1923]

Deze, tegen de kristallisatie en zwaarte inwerkende krachten, komen in de voortplanting, in de bevruchting van de eicel tot uitdrukking.
Naar de ‘Wetenschap van de Geheimen der Ziel’ is de mens in zijn tegenwoordige gestalte in de zelfde tijd verschenen als “het ontstaan van het minerale rijk duidelijk op de aarde is ingezet. Want we weten: dat, wat we nu het minerale rijk noemen, dat was in de Saturnus-, Zonne en Maantijd niet op dezelfde manier aanwezig. Het minerale rijk begint in de ontwikkeling van de aarde en tegelijkertijd met het intreden van deze macrokosmische gebeurtenis van het begin van het minerale verschijnt dan de mens in zijn huidige vorm in de aardeontwikkeling. In de vorm dus zoals zijn huidige lichaamsgestalte nu is. Hoewel deze menselijke gestalte pas in de loop van de tijd zijn volledige ontplooiing vond, is de aanzet tot deze tegenwoordige lichaamsgestalte, lichaamsvorming gelijktijdig met het begin van het minerale rijk in de aardeontwikkeling ingetreden. Zodat de mens op een bepaalde manier een verbinding is aangegaan als aardemens, of, nadat hij aardemens was geworden, tussen zijn vierde wezenslid, dat later het Ik werd, en het mineraalrijk.
Je kunt ook zeggen: in de menselijke microkosmos komt het menselijke Ik overeen met het mineraalrijk in de macrokosmos. Nu weten we ook, dat blijkt al uit een oppervlakkige waarneming van de natuur, dat het kosmische mineraalrijk kristallijn gevormd is. … Wanneer we eens goed naar deze in geometrische vormen uitdrukbare gestalten kijken, dan hebben we in feite de oereigen gestalte van het mineraalrijk voor ons. Deze kristallisaties, of beter gezegd, deze kristalvormen zijn het mineraalrijk bij wijze van spreke aangeboren, zijn iets wat haar eigen is. … Nu is daar ook een tegenpool , iets wat polair tegengesteld is aan de vorm in het mineraalrijk. Hoe de zaak in elkaar zit zal ik proberen met een beeld te verduidelijken. Door middel van een beeld zullen we proberen iets heel belangrijks in het leven te doorgronden. Niet waar, u kent allemaal het bekende verschijnsel dat bepaalde substanties oplosbaar zijn in water. U weet ook dat wanneer u een bepaalde hoeveelheid zout in een bepaalde hoeveelheid water doet, dat dan het water in staat is dit zout volledig op te lossen, zodanig dat het zout in zijn vaste gestalte niet meer terug is te vinden, maar helemaal in het water opgelost is….
Nu, dat wat tendens tot kristalvorming in de aardeontwikkeling is, dat moet precies zo veel met de aarde verbonden blijven als voor bepaalde praktische doeleinden de vaste vorm van het zout het zout mag blijven. De kokkin moet in staat zijn deze vaste vorm van het zout in de opgeloste vorm te veranderen; zij moet daarvoor een oplosmiddel gebruiken, anders zou het zout helemaal niet bruikbaar zijn. Zo moet ook in de kosmos de tendens van de aarde om al het minerale te kristalliseren opgelost worden.
Dat wil zeggen, er moet een tegenhanger, een tegenpool aan deze tendens tot kristallisatie zijn, die er toe leidt dat, wanneer de aarde het doel van haar ontwikkeling bereikt zal hebben en zich klaarmaakt om in de volgende vorm, de Jupitervorm over te gaan, de kristallisatietendens niet meer aanwezig is, maar is opgelost, verdwenen. Jupiter mag niet meer de neiging hebben de minerale substanties te kristalliseren. Deze kristallisatietendens moet alleen voor het aardelichaam behouden blijven en moet ophouden wanneer de aarde het doel van haar aardeontwikkeling bereikt zal hebben.”

[Die Polarität von Dauer und Entwickelung im Menschen (GA 184),

22 september1918]

“De werkelijke alchemisten kenden de steen der wijzen heel goed, en als men ze had gevraagd – onder de ingewijde alchemisten was dat heel normaal - , dan hadden zij gezegd: de steen der wijzen, dat is niks anders als wat Gij, o mens, in u draagt, wat al wat leeft, al het organische doortrekt; de steen der wijzen is gewoon koolstof, niets anders. – Ze zouden de koolstof hebben bedoeld als een van de meeste wezenlijk bouwstenen van alle organische substanties, maar ook van heel veel anorganische substanties. Als u een van deze alchemisten gevraagd zou hebben naar de gestalte van het menselijke lichaam, bijvoorbeeld naar de structuur (dat zou hij hebben begrepen) van de oude en de nieuwe Adam, dan zou hij hebben gezegd: Kijk naar de koolstof en zie in, dat de diamant, het grafiet en de zwarte koolstof hetzelfde zijn. Maar als je de diamant werkelijk wil begrijpen dan moet je hem zo voorstellen dat je hem niet alleen zo doorzichtig ziet als hij aan je verschijnt maar in werkelijkheid nog doorzichtiger, dat hij zelfs uit niets anders bestaat dan uit geometrisch gevormd licht. Als je dat inziet, als je dat kunt denken dan zul je begrijpen wat een kristal als oerbeeld van al het zoutige is. Een lichtgestalte. Dus het tot licht gevormde zout is de diamant, de steen der wijzen. “Maar hoe meer hij zich verdicht, hoe meer substantie hij aantrekt, hoe dichter de koolstof wordt, des te meer wordt hij as, en zo ontstaat uit dat wat eens de reine Adam, de ongerepte mensenvorm is geweest, de oude Adam, beschadigd doordat de asbestanddelen in zijn vorm binnen zijn gedrongen."
[Karl König, Auferweckung und Auferstehung, (1997)]

“Nu is het absolute tegenbeeld van deze kristallisatietendens een tendens die in de menselijke vorm (niet de dierlijke), staat gegrift. En ieder lijk, dat we in welke vorm dan ook aan de aarde teruggeven, door een begrafenis of door vuur of hoe dan ook, ieder lijk, dat dus is losgelaten door het zielsmatig-geestelijke, werkt precies zo tegengesteld aan de minerale kristallisatietendens, als de negatieve elektriciteit tegengesteld werkt aan de positieve elektriciteit, of de duisternis tegengesteld werkt aan het licht. En aan het einde van de aardeontwikkeling zullen het totaal van de in de loop van deze ontwikkeling geschonken mensenvormen – ik zeg mensenvormen, want in de vorm van de mens ligt de krachttendens, en op de kracht, niet op de substantie komt het hier aan -, deze menselijke vormen zullen kosmisch de tendens tot minimaliseren, de kristallisatietendens in het minerale hebben opgelost. … De natuurwetenschap onderzoekt het materiaal wat na de dood ontstaat puur mineralogisch, zij past alleen de minerale wetten toe; zij is alleen op zoek naar wat in de tendens tot kristallisatie zit en gaat zo ook om met het lijk. Daarom zal ze er nooit achter komen welke belangrijke rol in de hele aardehuishouding de dode mensenlichamen, hun vorm, spelen. De aarde heeft zich sinds het midden van de Lemurische tijd al wezenlijk veranderd sinds de mineralisatie werd ingezet en daarmee ook de kristallisatietendens.
Dat wat nu aan de aarde minder mineraal is, minder naar mineralisatie neigt dan in het midden van de Lemurische tijd, dat hebben we te danken aan de zich oplossende vormen van de mensenlichamen. En wanneer de aarde op haar bestemming aan zal zijn gekomen dan zal er helemaal geen mineralisatietendens meer bestaan. Alle in de loop van de tijd aan de aarde overgedragen mensenvormen zullen als een tegenwicht hebben gewerkt en de kristallisatie hebben opgelost. Op deze manier wordt de dood van de mens als een puur fysiek verschijnsel in de totale wereldhuishouding ingebracht.”

[Die Polarität von Dauer und Entwickelung im Menschen (GA 184), 

22 september 1918]

Men kan zich afvragen:
”Waarom maakt de mens zich er druk over of hij of spiritueel of materieel is? Waarom maakt men zich druk over het feit of iemand puur lichamelijk of puur een psychisch wezen is? Waarom ziet de een in de mens alleen een lichaam … fysieke lichamelijkheid en anderen naast de fysieke lichamelijkheid ook nog iets zielsmatig-geestelijks? Omdat de mens beide is! En het geheim van het leven bestaat hieruit dat de mens allebei is. Wanneer u zegt: een gedachte, dat is een puur geestelijke entiteit, dat is iets helemaal geestelijks, dan heeft u gelijk, want de gedachte is iets puur geestelijks. Maar zo’n gedachte is nooit helemaal psychisch-geestelijks in u, zonder dat er een fysieke afdruk van bestaat, zodat u er eigenlijk ook altijd een fysieke afdruk van kunt vinden; die bestaat werkelijk.”
[Soziales Verständnis (GA 191), 5 oktober 1919]

“We moeten tegenwoordig weer terugkeren naar het erkennen van lichaam, ziel en geest. Want als we de uiterlijke wereld en onze menselijke organisatie bekijken in zoverre die op dezelfde manier wordt waargenomen als de uiterlijke wereld, dan nemen we een lichamelijke wereld waar. Wanneer we in ons innerlijk kijken, willen we ons denken, voelen en willen in een uiterlijke, oppervlakkige zelfwaarneming bekijken, of als we diep mystiek in onszelf afdalen; we nemen een ziel waar – van buiten lichaam, van binnen ziel – Maar de verbinding, het – in elkaar schuiven van die twee, het voortdurende in elkaar schuiven van het geestelijk- zielsmatige en het lichamelijk- fysieke, dan veroorzaakt het derde, we hebben er zelfs geen fatsoenlijk woord voor, we moeten het woord van één kant er bij halen – dat veroorzaakt de geest. Zodat we kunnen zeggen: er zijn twee verschillende aspecten, dat zijn lichaam en ziel, maar de geest vormt de verbinding.”
[Soziales Verständnis (GA 191), 5 oktober 1919]

Op deze manier is het terecht en noodzakelijk het lichaam als afdruk van de geest te zien.
”De gewone natuurwetenschap ziet de mens alleen tot zijn dood. Dan gaat zij na wat overgebleven is, gaat het hier op aarde overgeblevene na, het lichaam, gaat na hoe dat verbrandt wordt of aan de aarde overgegeven, tot stof vergaat. Nu kunnen ze onderzoeken welke onderdelen in dit stof van een menselijk organisme overblijven. En dan zal de uitkomst zijn: De menselijke substantie vervalt, gaat over in de aarde.- Nou, dat is nog geen kwart, zelfs geen achtste van de waarheid, dat is helemaal geen waarheid als men dit zegt. Want dat, wat daar in de aarde is overgegaan, het maakt niet uit of dat door verbranden of begraven gebeurt, dat heeft een menselijke vorm gehad doordat er vanaf de geboorte resp. de conceptie een geestelijk- psychische wezen is afgedaald vanuit de geestelijke werelden en in dit fysieke lichaam heeft gewerkt tot aan de dood. Dan verspreidt dit fysieke lichaam over de aarde. Dan werkt dat wat mensenvorm is in de aarde verder, het maakt niet uit of het is verbrandt of begraven, het werkt mee aan de aarde.
De aarde krijgt voortdurend datgene geschonken wat ze niet zou hebben als er geen menselijke lichamen na hun dood over haar werden verspreid. De aarde zou alleen nog maar aardse substanties hebben als zij geen mensenlichamen zou opnemen. Maar dit mensenlichaam is bewoond geweest door een psychisch-geestelijk wezen dat … afgedaald is uit de ziele-geesteswereld en structuur aan dit lichaam heeft verleend. Deze structuur blijft als iets wezenlijks behouden in ieder stofje, gaat over in de aarde of in de atmosfeer over bij het verbranden, het maakt niet uit hoe, en de aarde krijgt met dit menselijke lichaam toegevoegd dat wat uit de geestelijke wereld is afgedaald. Dat is niet zonder betekenis. Dat is niet zomaar een waarheid maar dat heeft zelfs een zeer, zeer grote betekenis. Want onze aarde is niet meer in ontwikkeling en het zou al lang zo zijn dat de mens en zelfs de dieren, hoewel de dieren misschien toch wel, haar nog zouden kunnen bewonen, als er niet bij voortduring verfrissingskrachten van geestelijk-zielsmatige aard via de mensenlichamen aan haar werden toegevoegd. Dat de aarde op dit moment nog een voor mensen bewoonbare plaats in het heelal is, komt omdat er voortdurend mensenlichamen aan haar worden toegevoegd. Deze frissen de krachten van de aarde voortdurend op.
Sinds het midden van de Atlantische tijd is de aarde al aan het verdorren. Ze heeft geen vernieuwingskrachten; die had ze in de oude Polaris en Lemurische tijd enz. Maar sinds het midden van de Atlantische tijd heeft de aarde vanuit zichzelf alleen nog maar verdorrende krachten en wordt voor haar verdere bestaan verfrist doordat de vormkrachten van de mensenlichamen in haar overgaan. Die werken in de aarde verder. En die alleen maken de aarde voor de mensen nog bewoonbaar.
… (De mens) geeft weer geestelijk-zielsmatige krachten aan de aarde terug, hij verzorgt ook de aarde met deze krachten. Hij brengt wanneer hij geboren wordt de geestelijk-zielsmatige krachten uit het geestelijke wereld-al mee naar de aarde, en gebruikt ze net zo lang als hij ze hier nodig heeft, tot zijn dood en draagt ze dan over aan de vormkrachten van de aarde en is zo een medebouwer aan de toekomstige aarde. … Geestelijke wetenschap leert ons dat de mens niet zomaar een toeschouwer hier op aarde is, maar dat hij door zijn bestaan een medebouwer, een medevormgever van de aarde is en dat hij alleen al door zijn lichaam, dat hij aan de aarde overdraagt, een bemiddelaar is tussen de geestelijke wereld en de fysieke aardewereld.”

[Soziales Verständnis (GA 191), 5 oktober 1919]


(wordt vervolgd)

Bron:
Stephan Leber: Kommentar zu Rudolf Steiners Vorträgen über Allgemeine Menschenkunde als Grundlage der Pädagogik, Band I (Stuttgart 2002, Verlag Freies Geistesleben) 

Exkurs: Die Erneuerungskräfte der Leichname
Vertaling: Bert Verschoor

zaterdag 15 april 2017

Het stoffelijk overschot als bron van vernieuwing (deel 6)

Giotto di Bondone - Resurrection (detail) 1304-06
Het is niet zonder betekenis of de mens op aarde leeft of niet. […] Wanneer de mens uit de geestelijke wereld afdaalt in de fysieke wereld, wordt hij omhuld met zijn fysieke lichaam. Maar natuurlijk is het fysieke lichaam anders wanneer met het als kind ontvangt dan wanneer men het op zekere leeftijd door de dood weer aflegt. Dan is er iets gebeurd met het fysieke lichaam. Dat kan slechts plaats vinden doordat dit lichaam voordrongen is van de krachten van geest en ziel. […] Daardoor is de mens het medium waardoor voortdurend bovenzinnelijke krachten kunnen doordruppelen naar de zintuiglijk fysieke wereld. […] Zonder de stoffelijke overschotten van de mensen was de aarde dus allang dood.
uit: Algemene Menskunde als basis voor de pedagogie (GA 293), 3e voordracht -23-8-1919

vervolg:

As, warmte en zelfgevoel en het fysieke lichaam

Het begrip “as” zoals dat in verband met het fantoom wordt gebruikt, maakt duidelijk dat in de voorchristelijke tijd het lichaamsfantoom als geestgestalte een te vaste verbinding met het minerale van het fysieke lichaam aanging en daardoor in het evolutieproces “bedorven” of gedegenereerd raakte. Wanneer er in de religieuze overlevering in het aangezicht van de dood en van de vertering van het lichaam gesproken wordt als: “as tot as, stof tot stof”, gaat de blik eigenlijk in de richting die het stoffelijk overschot inslaat na de dood voor wat betreft de materie. Het proces waarbij as ontstaat verduidelijkt Rudolf Steiner voor de organische wereld aan het voorbeeld van zaadvorming bij de plant. Als de plant opbloeit dan intensiveert het vegetatieproces zich tot in de uiterste sfeer van de plant, ze verwijdt zich in de licht en warmtesfeer en verspreidt een geur in de omgeving. Ten gevolge van de bloei komt het dan tot een tot een stilstand en tot slot vormt zich het zaad a.h.w. als einde van een verbrandingsproces en een zoutproces. Wat in de oven uiterlijk zich voltrekt; dat namelijk de as uiteenvalt, dat gebeurt ook in het proces van de zaadvorming dat “in feite niets anders is dan een verbranding”: het zaad valt op aarde, en zo “valt voortdurend het as-achtige naar beneden” (GA 229 6 oktober 1923) en impregneert de hele aarde met dit as-achtige. Iets dergelijks, maar toch geheel anders, is de weg van het stoffelijk overschot. Het menselijke stoffelijk overschot probeert eigenlijk “de terugreis naar boven te aanvaarden”. (GA181 16 april 1918) Daarmee wordt bedoeld dat de uiteengevallen stofdeeltjes de richting van de zon opgaan, niet rechtstreeks na de verbranding of ontbinding maar na een langdurige tijdsspanne. Want “anders dan al de andere stof” had oorspronkelijk de mensenstof c.q. de menselijke as de neiging “door de gehele kosmos te willen verstuiven”. De zonnekracht neemt het op. Tegelijkertijd echter is er in deze zon nog een tweede kracht, in de onzichtbare, geestelijke zon aanwezig. We hebben “de onzichtbare zon, welke ten grondslag ligt aan de uiterlijke zon, zoals de ziel de basis is van de uiterlijke fysieke menselijke organisatie. Deze kracht (de onzichtbare zon) … activeert op een heel speciale manier de menselijke stof, op een manier zoals ze niets anders, niet de minerale, niet de plantaardige en niet de dierlijke materie activeert. Er vindt post mortem een voortdurende wisselwerking plaats tussen dat, wat er puur uiterlijk, lichamelijk van de mens overblijft en de krachten die van de zon naar beneden stralen. Die twee ontmoeten elkaar. De krachten die daar naar beneden stromen om de menselijke stof in beweging te zetten zijn nou juist die krachten die de overledene zelf, maar nu als geestelijk-zielsmatige individualiteit, ontdekt.
Terwijl wij, als we in het fysieke lichaam zijn geïncarneerd, de fysieke zon zien, ontdekt de overledene, wanneer hij door de poort van de dood is gegaan, de zon allereerst als wereldwezen, die daar beneden de menselijke stof activeert. Dat is een ontdekking die de overledene, naast de algemene ontdekkingen, daar ook doet. Hij leert het 'in elkaar verweven zijn' van de zonnekracht, van de zielsmatige zonnekracht met het menselijke stof. En nu hij dit verweven zijn leert kennen tussen de zonnekracht en het mensenstof, leert hij in de eerste plaats het geheim van de reïncarnatie in zijn algemeenheid, vanuit de andere kant gezien kennen, de volgende incarnatie voorbereidend, uit de kosmos de volgende incarnatie wevend.”

[Erdensterben und Weltenleben (GA181) 16 april 1918/blz. 229 e.v.]

Occult gezien gaat er dus vanuit de oorspronkelijke werkingssfeer van de Zoon een activerende werking uit op de minerale overschotten van het lichaam. De lichaamsloze geest van de overledene neemt daarin na de dood in de allereerste plaats de zonnewerking waar. Deze uitspraak wordt aangevuld en gedifferentieerd door het volgende:
“Alle fysieke gebeurtenissen hebben ook hun geestelijke betekenissen. Er is geen enkele fysieke gebeurtenis die niet ook een geestelijke betekenis heeft. Dus het is de fysieke gebeurtenis dat het lichaam ons ontvalt, bij wijze van spreke in zijn delen, in zijn moleculen, in zijn atomen wordt versnipperd en aan de aarde wordt overgegeven. Nu is het een heel groot vooroordeel van de huidige materialistische wereldbeschouwing, die in feite al heel lang min of meer de mensheid beheerst, dat het menselijke lichaam dat wij vanaf onze geboorte tot de dood met ons meedragen, dat dit menselijke lichaam simpelweg in kleine deeltjes uiteenvalt, in atomen, en dat deze atomen dan in de aarde opgenomen worden en dan atomen blijven en als atomen door andere levensvormen worden opgenomen. … Atomen in de zin zoals de chemicus aanneemt dat ze er zijn, bestaan in werkelijkheid helemaal niet. Dat wat uit de allerkleinste deeltjes van ons lichaam ontstaat, om het even of het door de aarde weer wordt opgenomen of niet, dat wordt uiteindelijk warmte. Ons hele fysieke organisme zet zich op een bepaalde manier na kortere of langere tijd helemaal om in warmte. … En het is deze warmte die aan de aarde wordt geschonken. Zij wordt aan de aarde meegedeeld. Wij geven dus van ons fysieke lichaam uit warmte aan onze aarde. En de warmte die binnen de aarde voorhanden is hangt werkelijk innig samen met dat wat de mensen achterlaten. De mens verandert zich niet in water, lucht, enzovoort. Dat zijn alleen maar overgangstoestanden. Wat van hem lucht en water wordt, wordt uiteindelijk allemaal warmte.”
[Die Verbindung zwischen Lebenden und Toten (GA168) 16 februari 1916/blz.12 e.v.]

Door de eerste wereldoorlog kon de dood een rijke oogst binnenhalen. Ook talrijke met Rudolf Steiner verbonden mensen lieten hun leven in de oorlog en andere vrienden stierven door ziekten en ouderdom. Daarom was Rudolf Steiner destijds, gewoon door de gegeven aardse omstandigheden in staat om zich intensief met de dood en zijn betekenis bezig te houden. In de eerste plaats schetste hij in talrijke voordrachten de weg van ziel en geest van de overledenen in het ziele- en geestesland (op astraal niveau en in het Devachaan) en opende daarmee steeds weer nieuwe perspectieven. Maar ook de gang van het lichaam en zijn vormkrachten werden nagegaan. Bij de beschrijving van datgene wat als geestelijke gestalte in de aardesfeer overgaat, sluit Rudolf Steiner bij de indrukwekkende beschrijvingen in zijn 'De Wetenschap van de Geheimen der Ziel' aan. Daar wordt de eerste elementaire toestand van ons planetensysteem 'Saturnus' toestand genoemd; in onze kosmische ruimte ontstaat als eerste de warmte, een emanatie van hoge hiërarchische wezens, de Tronen. Zij laten deze warmtesubstanties uit zichzelf te voorschijn komen. In deze kosmos van warmte dalen, als spiegelingen van de activiteit van andere hiërarchische wezens, de allereerste differentiëringen en vormen af. En deze differentiëringen zijn de allereerste aanzetten voor het latere menselijke fysieke lichaam. Als bij deze verdichting van de warmte plekken ontstaan die zich duidelijk van andere plekken onderscheiden, vormen zij de eerste basis voor het ruimtelijk naast elkaar bestaan, voor de verscheidenheid in de lichamelijke wereld van de naast elkaar bestaande lichamen, voor de een of de ander; voor een innerlijke identiteit tegenover de wereld waar ze door omgeven wordt. En precies daardoor wordt het fysieke lichaam geconstitueerd, doordat het zich in de begrenzing van de huid onderscheid van andere lichamen.
Dit principe, waardoor een binnen- of een innerlijke wereld wordt geschapen die tegenover anderen kan staan of zich kan opstellen, is er opnieuw de voorwaarde voor dat ons zelfbeleven zich met onze binnenwereld kan identificeren, zodat zich dus een zelfbewustzijn kan ontwikkelen. Daarmee is het ruimteprincipe met het zelfbeleven verbonden. Wat het menselijke lichaam onderscheidt van de overige minerale wereld is de bij hem behorende (binnen)ruimte van de lichaamswarmte. Door deze fijn afgestemde warmte van ongeveer 37℃ is er pas een Ik-beleven binnen het lichaam mogelijk.

We moeten dus onderscheiden:
1    het fysieke principe, dat ruimtelijke grenzen schept -en daarmee een binnenruimte- en hem afgrenst van alle andere lichamen
2    de warmte van het lichaam zelf
3    het Ik-beleven.

Alle drie factoren vormen een diep, in de evolutie inbegrepen innerlijk verband. Over dit verband en de verhouding tot het stoffelijk overschot in het leven na de dood spreekt Rudolf Steiner op verschillende manieren.
Het lichaam verenigt zich na de dood geleidelijk aan met de aarde, tot zich, na korte of langere tijd al het materiële heeft opgelost en tot slot onze “gehele fysieke organisme uiteindelijk in warmte” heeft omgezet.
De warmte vormt, en dat druist in tegen de voorstellingen van de moderne fysica, een eigen aggregatietoestand. Wanneer nu door het stoffelijk overschot warmte aan de aarde wordt toegevoegd, wordt de warmtebalans van de aarde veranderd. De andere aggregatietoestanden – aarde (vast), lucht (gasvormig), water (vloeibaar) – vormen bij de omzetting van het lichaam alleen overgangstoestanden, het hele proces loopt altijd uit op warmte. Dat komt doordat alle bovenzinnelijke krachten van het fysieke lichaam, die niet van de aarde zelf afkomstig zijn, er ook niet in kunnen overgaan; zij gaan op in de kosmos.
“Van ons fysieke lichaam, van dit wonderbaarlijke bouwsel, het meest wonderbaarlijke dat er überhaupt in de wereld aanwezig is, van ons fysieke lichaam wordt … alleen datgene aan de aarde teruggegeven wat de aarde hem gegeven heeft. En het andere, waar is dat dan wanneer wij door de poort van de dood zijn gegaan? – Dat andere trekt zich terug uit datgene wat in de aarde zinkt door verbranding of ontbinding; het overige wordt opgenomen in het totale universum”
[Die Verbindung zwischen Lebenden und Toten (GA168) 16. februari 1916/blz.70 e.v.]

Maar een gedeelte van dit geestelijke “dat in de warmte leeft wordt afgescheiden en blijft bij de aarde. Warmte, onze innerlijke warmte, onze eigen warmte wordt afgescheiden, dat blijft bij de aarde....Voor de aarde heeft dat een grote betekenis, maar ook voor de overledene zelf.”
[Die Verbindung zwischen Lebenden und Toten (GA168) 22 februari 1916/blz. 12 e.v.]

Het stoffelijk overschot wordt na het intreden van de dood totaal door de “krachten van de uiterlijke aardenatuur opgeëist”, [GA181 - 9 april 1918] in een mate waarin dat tijdens het leven nooit het geval was, omdat het toen was doordrongen met het ‘zielsmatig levende’. Door het mysterie van de dood wordt de ziel van de mens voor een raadsel gesteld. Zolang dit zielsmatig levende samenhing met het materiële, was het lichaam op een bepaalde manier aan de in hem werkende aardekrachten onttrokken.
“Als we nu in gedachten nagaan wat er met een stoffelijk overschot gebeurt, om het even of het betreffende lichaam wordt verbrandt of langzamer door ontbinding wordt opgelost; de beide processen zijn precies hetzelfde en ze verschillen alleen door de kortere of langere tijd. Wat materieel in de mens was verbonden, wordt na kortere of langere tijd in het totale materiële proces van de aarde opgelost, dat gaat er helemaal in op.” Geesteswetenschappelijk is nu na te gaan hoe door de eeuwen heen de overgebleven stoffen langzamerhand in “een enorm groot gebied (op aarde) overgaan, eigenlijk in “de totaliteit van datgene wat überhaupt onze zichtbare, uiterlijk waarneembare wereld is.”
[Erdensterben und Weltenleben (GA181), 9 april, 1918 blz.204]

Wanneer men echter nagaat wat er met het Ik-bewustzijn gebeurt, bedoeld is dan niet het Ik als wezen, maar het aan het lichaam gebonden zelfbeeld van het Ik, dan ziet men: dit beeld lost zich na de dood in het universum op. Dit duidt op iets buitengewoon belangrijks:
“In werkelijkheid behoort ons Ik-bewustzijn toe aan het universum waarin het stoffelijk overschot zich oplost.” (idem)

Dat wij deze herkomst van het Ik-bewustzijn niet meer doorschouwen ligt hieraan,
“dat de stofmassa’s van ons lichaam tussen geboorte en dood bij elkaar worden gehouden. Dit bij elkaar houden is de reden dat wij ook aan de ruimtelijke vorm, die wij met ons vlees en bloed opvullen toeschrijven dat wij ons daar bevinden. Maar feitelijk is dat absurd, wij bevinden ons helemaal niet daar. In werkelijkheid zijn wij overal elders en proberen zelfs van inslapen tot het ontwaken overal daar te zijn waar na de dood de stofdeeltjes van ons lichaam zullen zijn.” (idem)
– in het universum. En de dood is onder andere de weerlegging van dit Maya-bewustzijn voor de fysiek-materiële wereld. Het brengt de deeltjes van ons lichaam daarheen, waar zich in werkelijkheid ons Ik-bewustzijn altijd ophoudt.
Drie krachten dragen ons Ik-bewustzijn in de wereldverten:
1    De oprichtingskracht; zij houdt tijdens het leven de zwaartekracht in evenwicht.
2    De spraakkracht; aanschouwelijk gemaakt door een spiraalvorm die zich om een rechte heen slingert.
3    De in het denken levende kracht, die de mens opheft uit de natuurlijke dierlijkheid.

“Door deze drie krachten, de in het spreken werkende kracht en de in het denken werkende kracht, worden de delen van het menselijk stoffelijk overschot langzaamaan uit het universum gedirigeerd. Natuurlijk werkt de zwaarte hierbij tegen, en ook andere, bijvoorbeeld chemische krachten die aan haar tegengesteld zijn. Maar deze drie krachten overwinnen dit tegenwerkende. Maar wanneer er niets anders zou zijn als deze drie krachten dan kon de overledene niet weten dat het zijn vorm is, dat dit alles eigenlijk van zichzelf afkomstig is. Hij zou het wel waarnemen maar als iets vreemds. Want het gaat er om, dat hij niet alleen dit zich oplossende waarneemt, maar dat hij kan weten dat het van hem afkomstig is, dat het een restant is van datgene wat hij op aarde in zijn vorm bij elkaar heeft gehouden. En dit brengt ons bij iets anders.
En nu moet ik u op iets wijzen wat in onze droge, nuchtere, papieren tijd totaal niet met de benodigde eerbied wordt behandeld, terwijl het er altijd is en om ons heen te zien is. Het is iets wat binnen de fysieke wereld eigenlijk heel mysterieus werkt … Het is het menselijke inkarnaat, datgene was zich in de menselijke vleeskleur naar buiten toe openbaart. U hoeft zich alleen maar voor de geest te halen wat een variaties aan individualiteit zich uitdrukt in het feit dat ons de mens met zijn inkarnaat tegemoet treedt, hoe in feite deze vleeskleur toch bij ieder mens weer anders is, en ons in net zoveel schakeringen tegemoet treedt als er mensen zijn. Deze kenmerkende teint van het inkarnaat is afhankelijk van twee tegen elkaar inwerkende drukkrachten die in de mens werken. Hier werken op een bepaalde manier het ether- of vormkrachtenlichaam drukkend naar buiten en het astraallichaam daar tegenin drukkend naar binnen, en dit op alle plaatsen. Wil het astraallichaam zich samentrekken, van buiten naar binnen drukken; het ether-of vormkrachtenlichaam wil zich van binnen naar buiten drukken, zich uitzetten. En wat daardoor ontstaat, doordat aan de menselijke oppervlakte deze twee drukkrachten elkaar ontmoeten, dat werkt mee in wat zich openbaart in de vorming van het inkarnaat. Wat het etherlichaam en het astraallichaam elkaar onderling hebben te zeggen, dat drukt zich op een geheimzinnige manier uit in het inkarnaat.”

Wordt nu het inkarnaat niet van buitenaf, maar van binnenuit bekeken, dan ontstaat de tegenkleur, bij blanken is dat een groenig blauw in verschillende tinten.
“Strikt genomen is dit inkarnaat in zijn mysterieuze verschijning niet alleen individueel erg verschillend bij de verschillende mensen, maar het verandert ook nog eens in de loop van iemands leven, hoewel in kleine nuancen. … Wanneer het nu eens van de andere kant wordt bekeken, zoals de dode dit ziet, dat komt er nog iets anders uit naar voren. Dan zien we, als op een tapijt uitgeschilderd, onze hele herinneringswereld. Als we ons beeldend uit willen drukken, dan moeten we ons dit inkarnaattapijt als een kleed voorstellen, als een heel fijn kleed, en dit binnenstebuiten gedraaid, zoals je een handschoen omkeert. Dan zullen we de andere kant zien van wat eerst binnen is gekeerd en wat we ons, juist omdat het naar binnen is gedraaid alleen maar bewust kunnen worden omdat het, wanneer het in het bewustzijn komt, als herinnering optreedt, niet als gedachte-inhoud, maar gedachten in de vorm van aura’s verschillend vormgegeven, als slingerende gedachten.
Wat wij in ons onderbewustzijn wegstoppen leren we nu in het leven buiten ons kennen. Zoals het in ons inkarnaat doorschijnt, dat is voor ons niet kenbaar, en dat leert de overledene pas door het nawerken van het inkarnaat kennen. Wanneer de overledene terugkijkt op het oplossen van zijn vormkrachtenlichaam, dan laat hij het als herinnering achter zich en hij weet: Dat is hij, dat ben Ik!”

[Erdensterben und Weltenleben (GA181) 9 april 1918, blz. 204, 205, 207 en 209]

(wordt vervolgd)

Bron:
Stephan Leber: Kommentar zu Rudolf Steiners Vorträgen über Allgemeine Menschenkunde als Grundlage der Pädagogik, Band I (Stuttgart 2002, Verlag Freies Geistesleben) Exkurs: Die Erneuerungskräfte der Leichname
Vertaling: Bert Verschoor

vrijdag 14 april 2017

Het stoffelijk overschot als bron van vernieuwing (deel 5)

Transfiguratie - Pietro Perugino, 1497-1500
uit: Algemene Menskunde als basis voor de pedagogie (GA 293) 3e voordracht -23-8-1919
Het is niet zonder betekenis of de mens op aarde leeft of niet. […] Wanneer de mens uit de geestelijke wereld afdaalt in de fysieke wereld, wordt hij omhuld met zijn fysieke lichaam. Maar natuurlijk is het fysieke lichaam anders wanneer met het als kind ontvangt dan wanneer men het op zekere leeftijd door de dood weer aflegt. Dan is er iets gebeurd met het fysieke lichaam. Dat kan slechts plaats vinden doordat dit lichaam voordrongen is van de krachten van geest en ziel. […] Daardoor is de mens het medium waardoor voortdurend bovenzinnelijke krachten kunnen doordruppelen naar de zintuiglijk fysieke wereld. […] Zonder de stoffelijke overschotten van de mensen was de aarde dus allang dood.


We zetten de overwegingen over de werking van het stoffelijk overschot verder voort: 

“Het fysieke lichaam bestaat werkelijk uit absolute doorzichtigheid, en het zijn de luciferische krachten in de mens die het ondoorzichtig hebben gemaakt, zodat het ondoorzichtig en tastbaar voor ons staat. Daaruit kunt u opmaken dat de mens enkel en alleen doordat hij door Lucifer is verleid en er bepaalde krachten in zijn astraallichaam gegoten werden, het wezen is geworden dat de stoffen en de krachten van de aarde, die met de dood weer worden prijsgegeven, in zich opneemt.”
[Wegen naar Christus (GA 131) blz, 151]


"Onder de invloed van Lucifer treedt ook de vernietiging van het fysieke lichaam in. Nu laat ook het fantoom, het fysieke geestlichaam, een ontwikkeling zien binnen de evolutie, want al deze “geestlichamelijkheden” zijn onderworpen aan de “zondeval”. Alleen één ziel was daarvan uitgezonderd, de oerziel, de ziel van de Nathanische Jezus; zij bleef als het ware in de schoot der goden beschermd tegen de invloed van Lucifer. Zij was het die zonder het vervallende stoffelijke deel van het lichaam de Christusgeest bij de Doop in de Jordaan in zich kon opnemen."
[Wegen naar Christus (GA 131) blz. 162 e.v]

"Dat is het grote verschil tussen het lichaam van Jezus Christus en alle andere mensenlichamen, dat hij het oerbeeld van het lichaam ongeschonden kon bewaren. En wanneer wij ons oefenen om “een lichaam ten aanzien van zijn “gestalte” en zijn “uitdrukking” te bekijken, en daarbij afzien van wat hem stoffelijk weegbaar bekleedt, dan zijn wij op weg naar zo’n hoger lichaamsinzicht. Zo is het opstandingslichaam waarop we voor de “jongste dag” hopen, voor te stellen als een lichaam wat een volledige omzetting heeft ondergaan. Alleen op deze manier kan de mens het als bijeengeraapte “oogst” van al zijn aardse ervaringen en uitvoerend orgaan van zijn eeuwig Ik-wezen in de eeuwigheid meenemen.”
[Rudolf Frieling: Christologische Aufsätze (1982)]

“Zelfs een wezen als dat wat we aanspreken als Jezus van Nazareth, die veel incarnaties had doorgemaakt en op een hoger plan aangekomen was … was niet gelijk bij zijn geboorte in staat om drager van de Christusindividualiteit te worden. Pas nadat het zich door een leven van dertig jaar had voorbereid, was het geschikt geworden om de uiterlijke menselijke omhulsels, het fysieke lichaam, het ether- en astraallichaam zo te louteren en te reinigen dat de individualiteit van Jezus van Nazareth dit gereinigde lichaam kon verlaten. De individualiteit van Jezus van Nazareth verliet in zijn dertigste levensjaar de uiterlijke omhulsels die door de kracht van deze individualiteit waren gereinigd. Dit verlaten van de uiterlijke lichamelijke hulsels wordt in het evangelie aangeduid door doop door Johannes in de Jordaan. Het is op die plaats waar het wezen ingewisseld wordt, waar het Christuswezen bezit neemt van, nu niet een gewoon, mensenlichaam, maar van een lichaam, dat puur is, gelouterd is in dertig jaar. … Bij deze doop, daar waar dit betekenisvolle symbool van de duif verschijnt boven het hoofd van Jezus, die niet alleen wordt geïnspireerd, maar zelfs rechtstreeks wordt geïntuïteerd door de Christus, schiet iets door het hele lichaam van Jezus van Nazareth heen, tot in die lichamelijke wezensdelen, die in de huidige mensheidsontwikkeling het meeste aan de menselijke invloed zijn onttrokken, tot in de botten toe, gebeurt er iets….. Tot in de botten strekte de werking zich uit, het lichaam van Jezus van Nazareth werd doorgloeid en doorwarmd door de Christusindividualiteit, door de hoge zonnegeest. Wanneer u een bot verbrandt, dan verbrandt ook de botmassa, en de as van het bot blijft over. Wat je ten slotte ziet is datgene wat aan het vuur totaal is tegengesteld; juist daarom is het een daarmee verbonden kracht die de minerale materie en de botmassa bij elkaar houdt ...
De mens is in onze tijd in staat om zijn hand te bewegen, maar hij heeft geen macht om in te werken in de chemische krachten van zijn botten, daar is het helemaal vast. Beheersing van de kracht die de kraakbeenmassa en de as van de botten bij elkaar houdt, dat behield, als enige lichaam dat er ooit op aarde heeft bestaan, het lichaam van Jezus van Nazareth door de intuïtie van Christus. Dat is daaraan af te lezen, dat door het beheersen van de botten die kracht in de wereld kwam die in staat was de dood werkelijk te overwinnen tot in de fysieke materie. Want de botten zijn schuldig aan de dood van de mens; doordat de mens zo werd gevormd dat hij de vaste botmassa in zich opnam, verstrikte hij zich in het minerale van de aarde. Daardoor werd hem de dood ingeplant.”

[Welt, Erde und Mensch (GA 105) 14 augustus 1908]

Doordat het menselijke fantoom, de eigenlijke oergestalte “in zich opneemt, de materiële elementen opzuigt en ze dan met de dood afgeeft”, moest het in de mensheidsontwikkeling tot aan het mysterie van Golgotha degenereren.
“We kunnen deze degeneratie op een bepaalde manier zo opvatten dat eigenlijk vanaf het begin van de menselijke ontwikkeling dit fantoom ertoe bestemd was om onaangetast te blijven door de materiële substanties die uit het mineraal-, planten-, of dierenrijk door mensen als voedingsmiddel opgenomen worden. Daar zou het fantoom niet door aangeraakt worden. Maar door de luciferische invloed ontstond er een nauwe verbinding tussen het fantoom en de krachten die de mens in zich opneemt door de aardse ontwikkeling- speciaal met de asbestanddelen. Het gevolg van de luciferische invloeden was dat het fantoom, terwijl het met de verdere ontwikkeling van de mensheid meegaat, een te sterke aantrekkingskracht tot de asbestanddelen ontwikkelde; en daardoor, in plaats van met het etherlichaam mee te gaan, ging het met datgene mee wat de afbraakproducten waren.”
[Wegen naar Christus (GA 131) 12-10-1911/blz. 185]

Dit is de beschadiging van het fantoom. Door de belichaming van Christus in Jezus voltrok zich een fundamenteel genezingsproces voor de mensheid.:
“Zo bleef dit fantoom drie jaar lang onaangetast door de materiële delen. Occult drukt men dat zo uit: Oorspronkelijk zou het menselijke fantoom nadat het zich door de Saturnus-, Zonne- en Maantijd heen had ontwikkeld, geen asbestanddelen aan hebben moet trekken, maar het zou alleen de zich oplossende zoutbestanddelen aan hebben moeten trekken, zodat het de weg tot vervluchtiging kon gaan, in de mate waarin zoutbestanddelen zich oplossen.”
[Wegen naar Christus (GA 131) 12-10-1911]

Het oerbeeld van de mens werd door Christus  weer “hersteld”, d.w.z. in de toestand van de tweede Adam gebracht.
“Daarom vonden de discipelen die naar Hem zochten alleen de doeken waarmee Hij was toegedekt; maar het fantoom, waarvan de ontwikkeling van het Ik afhankelijk is, was uit het graf opgestaan. Dat Maria Magdalena, die alleen het vroegere, van alle elementen van de aarde doortrokken fantoom kende, hem niet herkende nu zij hem helderziend waarnam in dit van alle aardezwaarte bevrijde fantoom, is niet zo verwonderlijk. Dit was namelijk een heel ander gestalte.”
[Wegen naar Christus (GA 131) 12-10-1911]

De opstanding voltrekt zich in een onvergankelijk geestlichaam, het gereinigde fantoom, een proces waaraan in het vervolg ieder mens deel zou krijgen, en wel in die mate, waarin hij met medewerking van de krachten van het zuivere denken, dus die krachten die hem uit de geestelijke wereld spijzigen en hem moraliteit doen toekomen, in zijn lichaam leeft. 


(wordt vervolgd)

Bron:
Stephan Leber: Kommentar zu Rudolf Steiners Vorträgen über Allgemeine Menschenkunde als Grundlage der Pädagogik, Band I (Stuttgart 2002, Verlag Freies Geistesleben) Exkurs: Die Erneuerungskräfte der Leichname
Vertaling: Bert Verschoor

woensdag 12 april 2017

Het stoffelijk overschot als bron van vernieuwing (deel 4)

Transfiguratie - onbekende icoonschilder
uit: Algemene Menskunde als basis voor de pedagogie (GA 293) 3e voordracht -23-8-1919
Het is niet zonder betekenis of de mens op aarde leeft of niet. […] De mens brengt bij zijn geboorte iets mee uit de bovenzinnelijke werelden naar de aarde. Dat wordt opgenomen in de stoffen en krachten die zijn lichaam tijdens zijn leven formeren en dat wordt na zijn dood door de aarde opgenomen. […] Wanneer de mens uit de geestelijke wereld afdaalt in de fysieke wereld, wordt hij omhuld met zijn fysieke lichaam. Maar natuurlijk is het fysieke lichaam anders wanneer met het als kind ontvangt dan wanneer men het op zekere leeftijd door de dood weer aflegt. Dan is er iets gebeurd met het fysieke lichaam. Dat kan slechts plaats vinden doordat dit lichaam voordrongen is van de krachten van geest en ziel. […] Daardoor is de mens het medium waardoor voortdurend bovenzinnelijke krachten kunnen doordruppelen naar de zintuiglijk fysieke wereld. […] Zonder de stoffelijke overschotten van de mensen was de aarde dus allang dood.


De fysieke werkingssfeer:

stof of vorm? (3)

Wat het hier geschetste thema betreft, daarvoor gebruikt Rudolf Steiner bij verschillende samenhangen in zijn werk ook verschillende benamingen, waarvan de precieze betekenis iedere keer weer opnieuw achterhaald moet worden: fantoom, geestkiem van het fysieke lichaam, fysiek lichaam, fysiek- materieel lichaam, oude Adam, nieuwe Adam en opstandingslichaam.
Het principiële verschil tussen fysiek en materieel hebben we al behandeld.
Wat het bovenzinnelijk- fysiek mensenlichaam is, wordt in maart 1911 in de “Okkulte Physiologie” (GA 128), de “mensenvorm” genoemd. In de voordrachtencyclus “Wegen naar Christus” (GA 131), in oktober van hetzelfde jaar gehouden, wordt niettemin hetzelfde occulte feitenmateriaal “fantoom” genoemd.


Een andere mogelijkheid tot het begrijpen van het “fantoom” opent zich wanneer men naar de processen bij het scheppen van de mens in het begin van de aarde-evolutie kijkt. In de “Wetenschap van de Geheimen van de Ziel” wordt in het hoofdstuk: “De wereldontwikkeling en de mens”, bij de beschrijving van het aardestadium van de planetaire ontwikkelingen geschetst dat de huidige mens uit voorstadia is voortgekomen. Deze stadia voltrekken zich op de ‘Saturnus’, ‘Zon’ en ‘Maan’ genoemde stadia, voordat dan na herhalingen aan het begin van de eigenlijke aardebelichaming de “voormens” verschijnt. Pas op het derde belichamingsstadium van de aarde, in de Lemurische tijd, komt dan het Ik van de mens uit de Elohim of de Geesten van de Vorm als een puur geestelijk, dus bovenzinnelijk wezen voort, doordat die het uit hun eigen wezenssubstantie laten uitstromen. Tegelijk daarmee verdichten zij de nog in een waterige, Maanachtige toestand bevindende aarde tot een vaste aggregatietoestand. De “voormens” kon zich in de warmte- luchttoestand van de voorlemurische tijd nog direct afwisselend belichamen en ontlichamen. Deze in- en excarnaties kunnen nog niet met de tegenwoordige processen van geboorte en dood worden vergeleken. Zij hadden eerder het karakter van wat je bij de planten in het voorjaar en najaar ziet en wat dus met ontspruiten en verwelken samenhangt. Bij de nu tot vaste aarde verdichte aggregatietoestand waren dit soort plantachtige ontmoetingen en terughoudingen tussen de mensenzielen en een nog maagdelijke aarde niet meer mogelijk. Maar omdat het door de Elohim geschapen kernwezen van de mens, het eigenlijke Ik, zich nu op de vast geworden aarde kon belichamen, moesten de Geesten van de Vorm een beslissende stap zetten. Ze sloten als het ware een “godenverdrag”, dat ongeveer hetzelfde inhield als wat Mozes beschrijft als het “laat ons mensen maken”. De zeven leidende Geesten van de Vorm maakten zich los van hun activiteiten die de mens betroffen. Terwijl zes van de hiërarchische geesten op de zon verbleven en daar, dat wil zeggen “in de hemel”, het Ik-wezen van de mensheid behoedden, trok de machtigste van de zeven, Jahwe-Elohim, de maan uit de Maanaarde. Daarmee ontlastte hij de aarde van de verhardende krachten en maakte zo een evenwichtige ontwikkeling van de mens in het vaste element van de aarde mogelijk. Maar dat betekende wel een tweede schepping van de mens. Jahwe-Elohim schiep – op de aarde – een geestelijke mensenvorm die paste bij de vaste aggregatietoestand die de aarde had aangenomen. Deze mens was dus weliswaar een fysiek-bovenzinnelijke, en geen individuele, maar een meer archetypische mensengestalte, geschapen naar het “beeld van God”, maar nu op aarde. We hebben dus te maken met een dubbele mensenschepping, zoals die ook in Genesis wordt beschreven; een oorspronkelijke schepping van het geestelijke mensenwezen door de zeven Elohim gemeenschappelijk op de zon, een zonnemens, (Genesis 1:26) en een mensenschepping door Jahwe-Elohim op aarde, dat wil zeggen, in de fysieke structuur, de schepping van Adam uit een kluit aarde. (Genesis 2:7) Allebei zijn ze onzichtbaar-bovenzinnelijk, één in het zonnerijk helemaal geestelijk, één op aarde, fysiek. Pas door de luciferische-ahrimanische verleiding wordt deze paradijselijke mens van de tweede schepping, de Oude Adam bij Paulus, zichtbaar; er zet zich materie af in zijn lichaam.
Het oerbeeld van de oorspronkelijke mens voegt zich samen met de erfelijkheidsstroom en brengt het individuele tot uitdrukking. Door de luciferisch-ahrimanische invloed, de “erfzonde”, wordt het oorspronkelijke paradijselijke fantoom geleidelijk aan doordrongen met het “stof” van de materie waardoor er een degeneratie van het fantoom ontstaat.

Wanneer Christus bij de Doop in de Jordaan in het aardse lichaam van Jezus van Nazareth trekt, wordt een nieuw fantoom opgebouwd, een Nieuwe Adam. Dit fantoom, waarvan het materiële deel bij de graflegging tot stof vervalt, stijgt als een nieuw geborene uit het graf.
“Het fundamentele verschil van deze tweede mensenschepping door Christus ten opzichte van de eerste (door de samenwerkende Elohim) is dat bij deze nieuwe schepping van Adam nu een unieke, geest en lichaam omvattende schepping plaatsvindt. De Oude Adam komt voort uit twee verschillende scheppingen, een in de hemel en een op de aarde. De Nieuwe Adam, dat wil zeggen, de Christus, schept als zonnegeest op aarde, zijn nieuwe lichaam zelf, zonder dat Jahwe hem een erfelijk lichaam ter beschikking hoeft te stellen. Waar de mensenziel in het Hyperboreïsche (zonne)tijdperk nog wel toe in staat was, namelijk zelf een lichaam uit warmte en lucht vormen, daar was Christus, door zijn allesomvattende volmacht toe in staat in het vaste element.” 

[Klaus Dumke in: Karl König, Auferweckung und Auferstehung (1997), blz. 85-87]

Deze opstanding breidt zich als nieuwe schepping geleidelijk aan uit onder de mensen, niet terstond; want “we zijn niet alle op dezelfde manier onsterfelijk… Hoeveel echter of hoe weinig van deze persoonlijkheid het overigens verdient dat het voortbestaat is een andere vraag.”
Met deze woorden duidt Goethe de richting aan, waarin naar een begrijpen van de opstandingsbelofte kan worden gezocht. … Het zou een huiveringwekkend bedrukkende, groteske voorstelling zijn om zich voor te stellen dat die toekomstige verlichte wereld met onze huidige, vaak decadente lichamen met al hun ziektes, verminkingen en lijden zou zijn bevolkt. Alleen dat deel van ons wezen zal een hogere duurzaamheid deelachtig kunnen worden, wat zich met de eeuwigheid kan vergelijken. Er wordt vergankelijkheid gezaaid en we staan onvergankelijk op. Er wordt gezaaid in oneer en opgestaan in heerlijkheid. Er wordt gezaaid in zwakheid en opgestaan in kracht. Er wordt gezaaid een natuurlijk lichaam en er zal een geestelijk lichaam opstaan. “ (1 Kor. 15:42). Dat betekent dat wij ons de wetten van ons eeuwige wezen moeten inprenten, om waardig te zijn voor de opstanding, dat wij de slakken van het vergankelijke in het vuur van de geest moeten doorgloeien en om moeten smelten om niet te vervallen in het vergaan.”

“Zo bestaat er een opstanding van gedachten en begrippen, die in de loop van de afgelopen duizend jaar meer en meer zijn verduisterd, abstract en dood zijn geworden en alleen nog maar het starre en het dode kunnen begrijpen…. De verlevendiging van het gedachtewezen straalt verhelderend door tot in het lichaam. De zweem van een bovenaardse reinheid waait langs ons wanneer wij het doorleefde gelaat van een grote denker bekijken. Er bestaat een opstanding van de gevoelens. … De sporen van een leven geleid in eerbied en vroomheid drukken zich geleidelijk aan in heel het mensenwezen af. En niet alleen de ogen en de gelaatstrekken, maar ook de handen en het gehele lichaam van een in aandacht oud geworden mens stralen bijna lichamelijk een zegenende substantie van zegen en goedheid uit, die getuigen van de veranderende kracht van de geest. Er bestaat een opstanding van de wil … Iedere werkelijk vrije daad wordt een steentje in de mozaïekvorm van de verlichte mens. Ieder offer, iedere daad van liefde, iedere morele impuls heeft iets van de geldigheid in zich die in eeuwigheid zal opstaan en al hier in het lichaam het zegel van de geest afdrukt. … Al deze inspanningen werken vergeestelijkend op het lichaam en vormen mede zijn toekomstige lichtgestalte dat zich aan de dood der materie zal ontrukken.” 

[Alfred Schutze, Zugang zum Christentum/blz.138 e.v. Stuttgart 1964]
 

"Voor wat betreft dit verheerlijkte lichaam waarvan Sint Paulus zegt dat het als een dierlijk lichaam is gezaaid en als een geestelijk lichaam op zal staan en dat niet verwisseld mag worden met de astrale lijken van de overledene zegt Friedrich Ruckert:

O, was is het geestelijke lichaam? Het lichaam is het niet,
Dat, opgebouwd uit stof, tot stof weer gaat teniet
Dit is het geestelijke lichaam: de vorm die het zich bouwt
Waarin zich met een geestesblik een geest de andere schouwt

Dat is het lichaam, dat, nu het corpulente lijf
Doorschemert, nu zij vervalt, vervangt door lichte volheid.
En in dit lichaam snakken wij naar daar; laat ons vertrouwen;
De geest bezit dit lijf om zelf geschouwd, te schouwen.

Er zijn dus twee soorten van adepten, zij die op aarde belichaamd zijn en andere die onzichtbaar het hogere bestaan genieten, over de mensheid waken en daar, wanneer de wetten van het karma het toelaten, helpend als beschermengelen inwerken. Maar ook deze beschermengelen kunnen zich weer op aarde belichamen en als zichtbare mensen verschijnen.” 

[Georg Hartmann, 1978]

(wordt vervolgd)

Bron:
Stephan Leber: Kommentar zu Rudolf Steiners Vorträgen über Allgemeine Menschenkunde als Grundlage der Pädagogik, Band I (Stuttgart 2002, Verlag Freies Geistesleben) Exkurs: Die Erneuerungskräfte der Leichname
Vertaling: Bert Verschoor