woensdag 29 maart 2017

Het stoffelijk overschot als bron van vernieuwing (deel 1)

Duccio  di Buoninsegna: Transfiguratione (1308-1311)

In zijn eerste cursus voor de leraren van startende eerste vrijeschool in Stuttgart (Algemene Menskunde als basis voor de pedagogie) noemt Rudolf Steiner niet éénmaal de naam van Christus. Dit terwijl het Christuswezen en het offer op Golgotha een centraal thema is binnen de antroposofie, waarop de vrijeschoolpedagogie is gebaseerd.
In de 3e voordracht van die cursus echter stelt Rudolf Steiner de vraag: Stel dat de aarde er zou zijn zonder de mens? Hoe zouden de aarde, de natuur met planten, dieren en mineralen enzovoort er dan uitzien? De meesten zullen daarop antwoorden, dat er op aarde mineralen, planten en dieren zouden zijn, alleen de mens met al zijn cultuuruitingen zou er niet zijn. Maar Rudolf Steiner stelt dan: ‘Dat is niet juist. […] Het is niet zonder betekenis of de mens op aarde leeft of niet. […] De mens brengt bij zijn geboorte iets mee uit de bovenzinnelijke werelden naar de aarde. Dat wordt opgenomen in de stoffen en krachten die zijn lichaam tijdens zijn leven formeren en dat wordt na zijn dood door de aarde opgenomen. Daardoor is de mens het medium waardoor voortdurend bovenzinnelijke krachten kunnen doordruppelen naar de zintuiglijk fysieke wereld. […] Zonder de stoffelijke overschotten van de mensen was de aarde dus allang dood.’
In deze -veel uitgebreidere- passage van die 3e voordracht behandelt Rudolf Steiner voor de leerkrachten eigenlijk het geheim van de transsubstantiatie en het Mysterie van Golgotha en van de diepe betekenis daarvan voor de hele verdere aarde-evolutie.

Stephan Leber (1937-2015) was zelf leerling op de vrijeschool in Stuttgart en hij werd later leerkracht in Pforzheim en medewerker bij de Bund der Freie Waldorfschulen. Over Steiners eerste lerarencursus verzorgde hij drie banden met gedetailleerd commentaar. Per alinea, soms zelfs per zin onderzocht, becommentarieerde Leber iedere voordracht met de daarin door Steiner aangedragen menskundige inzichten en zocht aanvullingen daarbij uit het hele antroposofische voordrachtwerk van Steiner.
Het aanvullende hoofdstukje bij de 3e voordracht getiteld ‘Die Erneuerungskräfte der Leichname’ werd vertaald door collega Bert Verschoor, die zo vriendelijk was de vertaalde tekst met ons te delen.

Rond deze paastijd publiceren we deze tekst in delen op deze weblog.

Bron:
Stephan Leber: Kommentar zu Rudolf Steiners Vorträgen über Allgemeine Menschenkunde als Grundlage der Pädagogik, Band I (Stuttgart 2002, Verlag Freies Geistesleben)
Exkurs: Die Erneuerungskräfte der Leichname
Vertaling: Bert Verschoor


============================================================

De dood als vernieuwer

Steiners uiteenzettingen over de betekenis van het menselijke stoffelijk overschot voor de evolutie van de aarde met haar verschillende natuurrijken wijken zoveel van de normale opvattingen af dat, om hiervoor begrip te krijgen, er zowel een grondigere interpretatie en een inbedding in het overige werk nodig is. Om de door Rudolf Steiner ontwikkelde gezichtspunten in hun veelvoud, hoewel niet geheel volledig, te schetsen is een bijzonder omvangrijke excursie noodzakelijk.
Tenslotte wordt hier de grootst denkbare paradox geformuleerd: de dood heeft een verlevendigende werking op de totale natuur. Hoe is dit te verklaren? Rudolf Steiner legt een aantal verbanden en spreekt daarover alsof het feiten zijn, waarover echter juist de empirische wetenschappen niets vergelijkbaars weten te melden. Hoe is deze kloof te overbruggen en deze paradox op te lossen ofwel mee te voltrekken?
Als eerste moeten we onthouden dat het proces waar het hier om gaat, dat (om het even of het een begrafenis of een crematie is) iedere seconde ergens op de aarde zich wel een paar keer voltrekt, een zeer subtiel levensproces in gang zet. Hier kunnen we al twee richtingen uit kijken: naar de stofprocessen en naar de vormprocessen.
Als het leven ophoudt, het hart en de adem niet meer werken, dan veranderen de hoogenergetische stofomzettingen (metabolisme) binnen het levende lichaam in processen die trapsgewijs in steeds lagere energieniveaus terechtkomen; aan het eind hiervan staat de dood van de cel. Uiterlijk gezien hebben sterven en dood een veelzijdig aanzien: dood is verstarring en stilstand van alles wat stroomt, is scheiding van alles wat verbonden is; dood is vervreemding van al het eigene. Deze veranderingsprocessen kunnen zich op twee manieren voltrekken, n.l. door verbranding of ontbinding.
Bij de verbranding wordt door een uiterlijk vuur een met vlamvorming, licht- en warmteontwikkeling gepaard gaande reactie in gang gezet in de stoffen die nog in het lichaam aanwezig zijn, tot dit zelf ontbrandt en de daarin nog aanwezige hogere energie als warmte vrijkomt. Wat ten slotte overblijft, is een anorganisch residu in de vorm van as, die voornamelijk uit de minerale substantie die bij het lichaam hoorde bestaat. Alle vluchtige bestanddelen zijn met de verbrandingslucht in de atmosfeer overgegaan: als waterdamp en als verschillende, deels giftige gassen: stikstofoxide, dioxine enz. (In dit opzicht zijn crematoria bronnen van luchtvervuiling)
Bij de ontbinding grijpen microbiële processen het ontzielde lichaam aan en bewerkstelligen door bacteriën en sporen de afbraak, waarbij zij de organische substanties onder toevoer van lucht omzetten in eenvoudige anorganische verbindingen. Wanneer daarbij de toevoer van zuurstof niet voldoende is, treedt een gedeeltelijke giftige eiwitverrotting op (met o.a. de rottingsbasen cadaverine en putrescine). We hebben tenslotte ook in dit geval te maken met zich in de natuur verspreidende anorganische materie, welke zich niet onderscheidt van andere in de natuur voorkomende stoffelijke verbindingen (terwijl de eiwitstructuur van ieder levend lichaam uniek is).
Alleen al door de aanwijzing dat het om het even is of de afbraak van het lichaam door crematie of door begraven, door verbranden of verrotting gebeurt wordt duidelijk dat het in deze overweging niet om het volgen van de materiële processen of om het volgen van de energiebalans gaat; want in beide gevallen wordt het vergaan van het lichaam vergezeld door het trapsgewijze afdalen naar lagere energieniveaus, onder het afgeven van warmte, zonder dat dit voor de wet van het behoud van energie betekenis heeft.

“Het verbranden van een substantie betekent, dat men de in haar gebonden imponderabiliën (etherkrachten) -vooral warmte en licht- uit deze substantie vrijmaakt; zij waaieren vormloos uit in de omgeving. Wat achterblijft noemen we ‘as’, iets aards, wat allen nog maar fysiek is. Men kan de as ook met een metafoor ‘stof’ noemen. Daar wordt dan de vormloosheid van de stof mee bedoeld.” (Dumke in Karl König: ‘Auferweckung und Auferstehung’ 1997/blz. 89 e.v.)
“En die stoffen, die we niet in een gekristalliseerde vorm, die we zonder gestalte of als stof of iets dergelijks vinden, zijn eigenlijk vernietigde kristallisaties.”
[Lebendiges Naturerkennen. Intellektueller Sündenfall und spirituelle Sündenerhebung (GA 220) 13-02-1923]

Daar tegenover staat het kristalliseren.
“Het kristalliseren is een proces waarbij in tegenstelling tot de amorfe as, de stof door een op haar inwerkende en beheersende vormkracht wordt geordend. Maar deze vorm die, zoals alle vormen, naar haar wezen bovenzinnelijk is, komt, omdat ze in de stof werkt, tot zichtbare verschijning. Zij is bij een kristal een totaal fysieke vorm, dat wil zeggen een in de ruimte verschijnende vorm. Zo’n kristallisatievorm, zoals de kristallografie die beschrijft kan men in de zin van Rudolf Steiners begripsvorming ook een ‘fantoom’ noemen. Het is het minerale fantoom, in tegenstelling tot het menselijke fantoom, dat weliswaar net zoals het minerale bovenzinnelijk en eveneens fysiek is, maar toch geen pure ruimtelijke vorm, maar een die een door het Ik aangezette menselijke vorm produceert. Het zuivere fantoom van zout is niet vermengd met stof, dus helemaal zonder amorfe materie. Maar dit pure zoutfantoom komt op aarde niet voor. Alleen in een diamant … nadert een “zout” dit pure zoutfantoom.”
[Dumke in Karl König: Auferweckung und Auferstehung 1997/blz. 89 e.v.]

Maar waar gaat het dan om? De uitspraak van Rudolf Steiner dat de wet van behoud van energie een obstakel vormt voor het begrijpen van het wezen van de mens vraagt natuurlijk om uiteenzettingen over hoe dit obstakel overwonnen kan worden. Centraal moet bij de rol die het stoffelijk overschot staan dat het in eerste instantie niet zo zeer om materiële processen gaat die terugwerken op de ermee verbonden energiebalans, maar veel meer om effecten in het gebied van de vormkrachten. Want de veranderingen van het lichaam tussen geboorte en dood zijn er niet alleen op terug te voeren, dat de stoffen een grondige uitwisseling en een omvorming ondergaan, maar ook dat het hele lichamelijke van de geboorte af door ziel en geest van de mens wordt beïnvloed, doorleefd en omgevormd; we hebben te maken met een ‘gerichte vorm die zich levend ontwikkelt’. Zo wordt bijvoorbeeld het overgeërfde eiwit verhoudingsgewijs snel – binnen een paar maanden – ingeruild voor door het organisme zelf voortgebracht eiwit. Het laatste erfelijke restant, het gebit, blijft tot het zevende jaar of later; de tanden worden met de tandenwisseling als hardste overgeërfde substantie uitgestoten. En zelfs deze krachten – die de vormverandering ingang zetten – gaan als verjongingskracht over in de kristallisatiesfeer van het aardeorganisme.

De betekenis en mysterie van dit proces met betrekking op het fysieke lichaam heeft Steiner herhaaldelijk in zijn betekenis en raadselachtigheid proberen te doorgronden.

(wordt vervolgd)

maandag 27 maart 2017

Laetare - 4e zondag in de Vastentijd

Abraham Bloemaert 1566 – 1651
De wonderbaarlijke spijziging


Johannes 6 : 1 – 15     De spijziging van de vijfduizend

We lezen op deze 4e zondag in de Vastentijd over de spijziging van de vijfduizend, zoals dat wordt beschreven in het Evangelie volgens Johannes.
Voor onze beschouwing gaan we deze keer te rade bij Heinrich Ogilvie, die in zijn boekje 'Godszoon en Mensenzoon' (1946) beschouwingen geeft over het evangelie volgens Marcus en daarbij zowel de spijziging van de vijfduizend belicht als ook de spijziging van de vierduizend. Naast Johannes en Marcus beschrijft ook Mattheüs de spijzigingen. Ogilvie's beschouwing geeft een bijzondere blik op deze evangelie-verhalen en dat kan zeker bijdragen tot een verder begrip ervan.

Ten eerste stelt Ogilvie in zijn boekje dat de structuur van het Marcus-evangelie met zijn zestien hoofdstukken mede gezien kan worden als de beschrijving van een inwijdingsweg van de apostelen. En dat de evangelist daarnaast in de eerste acht hoofdstukken vertelt hoe de Christusgeest mens werd, hoe Hij zich belichaamde in Jezus middels de Doop in de Jordaan, en hoe de uitwerking daarvan was onder de mensen in Zijn omgeving. Het 9e hoofdstuk, dat begint met de Verheerlijking op de Berg, is een centraal punt in het evangelieboek, vanaf waar de evangelist de weg tot het grote Offer van Christus op Golgotha beschrijft.

En dan is verder van belang om mee te nemen wat er aan de spijziging van de vijfduizend vooraf ging, namelijk dat de apostelen door Jezus werden uitgezonden. Twee aan twee moesten zij gaan.
(Marcus 6 : 7-12).
Meteen voegt de evangelist het verhaal over de onthoofding van Johannes de Doper in (Marcus 6:13-29) en hij vertelt dan dat de leerlingen bij Jezus terugkeren en dat Hij hen meeneemt naar een stille plek.
De offerdood van Johannes maakte het mogelijk dat de Twaalf als priesterlijke Christusboden konden uittrekken. Johannes was met zijn dood de genius van hun werkende gemeenschap geworden. Daarom kwam Herodes tot de uitspraak: ‘Het is Johannes, die ik heb onthoofd, die weer is opgestaan.’ (Marcus 6:16). Johannes de Doper is Elia die komen zou en de spijziging van de vijfduizend is zeker niet te begrijpen zonder zijn betrokkenheid.

Jezus en zijn leerlingen ‘voeren met de boot naar een afgelegen plaats, om daar alleen te kunnen zijn.’ Bij het lezen van Bijbelteksten moet men altijd alert zijn op aanwijzingen in mysterie-taal, zoals ‘op de berg’, ‘in het huis’ of ‘op het meer’. In dit geval dus ‘met de boot’. Het duidt erop dat de afgelegen plaats waarvan sprake is niet moet worden opgevat als een fysiek geografische plek, maar als het geestesgebied dat men betreedt in de meditatie.  De spijziging is dan niet op te vatten als een maaltijd met fysiek brood, maar meer als het uitdelen van geestelijk voedsel, zoals het in de 'Parzival' de Graal is, die hemelse spijzen verschaft aan de Graalridders in de Graalburcht.

Jezus voelde medelijden met de grote menigte, ‘omdat zij leken op schapen zonder herder en hij onderwees hen langdurig.’ (Marcus 6:34). Deze zinnen zouden erop kunnen wijzen, dat de menigte eigenlijk bestond uit vele volgelingen van Johannes de Doper, die onthoofd was. Zij waren nu zonder herder.

‘Hij nam de vijf broden en de twee vissen en keek omhoog naar de hemel…’
Jezus Christus richtte zich daarmee tot de helende en verkwikkende krachten van de sterrenwereld. De Dierenriem omvat twaalf tekens, waarvan er vijf gerekend worden tot de nachtelijke tekens, nl. Schorpioen t/m Vissen. Hier, bij de spijziging van de vijfduizend, is sprake van vijf broden en er blijven twaalf manden met overgebleven stukken brood over. De getallen verwijzen naar macrokosmische verhoudingen in de sterrenwereld. ‘Er wordt ons niet zomaar een wonder verteld maar een geestelijk kosmisch gebeuren zoals de apostelen tijdens hun meditatie beleefd hebben. Zij beleefden in de meditatie, wat het wezenlijke was geweest in hun werk en wat zij in de toekomst zouden hebben te volbrengen. Tegenover het gruwelijk beeld van het bloedige hoofd van Johannes op de schotel, trad in hun geest het beeld op van de heilige maaltijd: hoe zij, de Twaalf, de sterrenspijs aan de menigte uitreikten als voedsel voor de zielen, die in hun aardse vereenzaming moesten hongeren naar eeuwig leven. De kracht van Johannes de Doper, die op hun kring was overgegaan, werd hun als levensbrood openbaar.’ (Ogilvie) De kracht van de broodvermenigvuldiging is een kenmerk van Elia, in de Bijbel verhaald in 1-Koningen 17. Johannes de Doper was de wedergekomen Elia. De vissen zijn het teken van Christus zelf.

Meteen daarna wordt verhaald, dat Jezus de apostelen terugstuurde en dat zij tijdens het varen over het meer een stevige tegenwind ervoeren. Het was een storm, die opstak uit de diepten van hun eigen zielenwezen, de kracht van hun schouwingen dreigde verloren te gaan, maar de Meester kwam hun zwakke zielen te hulp. Zij aanschouwden Hem ‘wandelend op de zee’ als de altijd tegenwoordige, altijd helpende Christus, maar ze begrepen nog steeds niet echt wie Hij was.
De spijziging van de vijfduizend was een 'nachtelijke' ervaring als in een droom waargenomen, die zij moesten zien over te brengen naar het wakkere bewustzijn van de dag.

In het 8e hoofdstuk verhaalt de evangelist de spijziging van de vierduizend. De leerlingen hebben nu zeven broden, het getal van de zeven dag-tekens van de Dierenriem (Ram t/m Weegschaal).
De spijziging van de vierduizend is niet gewoon een herhaling van eenzelfde trucje, maar het duidt erop dat de aanvankelijk nog verborgen werkzame kracht nu geïntensiveerd is. Ook hier duiden broden en vissen op geestelijke voedsel en niet op een fysieke maaltijd. Zowel de leerlingen als de menigte zullen innerlijke beelden hebben beleefd van een kosmisch gebeuren. De Bijbelse taal wijst er echter op dat de gebeurtenissen deze tweede keer meer tot het bewustzijn van de apostelen doordringen. Er staat bijvoorbeeld: ‘Hij zei tegen de mensen dat zij op de grond moesten gaan zitten.’ Het is de harde bodem van het dagbewustzijn, anders dan het zachte gras waarvan bij de spijziging van de vijfduizend  sprake is:  met groen gras bedekte grond, of zoals de Griekse tekst zegt: ‘χλωρῷ χόρτῳ - chloró chortó’. En er staat hier ook niet vermeld: ‘Hij zag op naar de hemel’. Er is geen sprake van een droomachtige nachtbelevenis, maar de leerlingen werkten nu in de realiteit van de dag voor de bewuste zielenkrachten van hun medemensen. Men zou zich deze spijziging van de vierduizend misschien ook wel kunnen voorstellen als een soort avondmaalsviering, een uiterlijk zichtbare handeling met kleine stukjes brood, waarbij de hoofdzaak is dat de zielen verzadigd worden, niet zozeer de magen. Er bleven zeven manden met brokken over. Opnieuw verwijst het getal naar kosmische verhoudingen.
Na deze spijziging van de vierduizend stapt Jezus met de leerlingen meteen weer in de boot om naar de overkant van het meer te varen. Er steekt dit keer geen storm op, maar Jezus onderwijst zijn leerlingen en waarschuwt hen voor ‘het zuurdesem van de Farizeeën en het zuurdesem van Herodes’, wat een beeld is voor de twee polaire krachten in de ziel, die de mens kunnen afbrengen van zijn eigenlijke weg. De leerlingen moeten die tegenmachten in de ziel nog leren onderkennen. En meteen daarna beginnen de leerlingen erover te spreken, dat zij geen brood hebben. Dat is bij eerste lezing een vreemde situatie, maar hier duidt de evangelist erop dat de leerlingen nog steeds niet helemaal begrijpen wat er plaatsheeft. Heeft het zuurdesem van de Farizeeën of het zuurdesem van Herodes hen toch in de greep? ‘Begrijpen jullie het dan nog niet, en ontbreekt het jullie aan inzicht? Zijn jullie dan zo hardleers? Jullie hebben ogen, maar zien niet? Jullie hebben oren, maar horen niet?’ (Marcus 8:17-18)
Daarop volgt in het evangelie de genezing van de Blinde van Betsaïda en met de genezing van deze blinde worden ook de ogen van de leerlingen weer een stuk verder geopend, waarna Jezus aan de apostelen de vraag kan stellen: ‘Wie zeggen de mensen dat ik ben?’ en ‘En wie ben ik volgens jullie?’ Petrus antwoordt dan: ‘U bent de Messias.’ Het inzicht breekt langzaam door.
In zijn 9e hoofdstuk verhaalt  de evangelist dan over de Verheerlijking op de Berg, waarbij Petrus, Jacobus en Johannes als enige van de Twaalf getuigen van zijn.

Met deze beschouwingen aan de hand van Ogilvie kan men hopelijk en nieuwe en ruime invalshoek vinden voor het verstaan van de Perikooptekst voor de 4e zondag in de Vastentijd - Laetare.
zie ook de eerdere bijdragen op deze blog: http://vo-perikopen.blogspot.nl/search/label/Laetare 

geraadpleegde bron:
H.Ogilvie: Godszoon Mensenzoon - beschouwingen over het evangelie volgens Marcus
(Deventer, 1946)
illustratie: website Statenvertaling http://www.statenvertaling.net

dinsdag 7 maart 2017

Vasten

Anonymus: Acht genezingen van Jezus
houten paneel uit de 12e - 14e eeuw - El Escorial, bij Madrid

Het optreden van Christus op aarde betekent een algehele omwenteling, juist doordat Hij niets afbreekt of ontbindt, maar alles positief vervult. Hij is de ‘bruidegom’ voor de ziel van de mens. Hij herenigt de mensheid, die in de aardse materie is verstrikt geraakt, opnieuw met de wereld van de geest. Dat duiden Zijn woorden aan in het gesprek over het vasten. (Marcus 2 : 23 - 28)

In het vasten - en wij moeten hierbij meer in het algemeen aan de oude lichamelijke ascese denken, waarvan het vasten (d.w.z. het tijdelijk zich onthouden van bepaalde soorten voedsel) vormde daar slechts een onderdeel van - in het vasten ziet Jezus de uitdrukking van een negatieve toestand: de zielen hebben de geest verloren, door zich in de loop van de aardeontwikkeling te diep met het aardse te verbinden. Door onthouding streven de Farizeeërs en ook de leerlingen van Johannes naar de kracht, om zichzelf los te rukken van die aardse gebondenheid en zo de weg naar het bovenaardse geestgebied te gaan.

Nu is echter Christus uit de hoogten op aarde gekomen. Nu wordt hier op aarde de eeuwige bruiloft gevierd. De aarde wordt heilig land. Het rijk der hemelse krachten breidt zich over de rijken van de aardse natuur en aardse mensdom uit. Nu stijgt men niet meer op naar hogere werelden, door zich aan de aarde te onttrekken. Onthouding, vasten, ascese mogen zeker nog van waarde zijn voor persoonlijke ontwikkeling en zelfopvoeding, maar zij brengen de ziel niet meer nader tot de goddelijke geest. In het aardse kan nu het reine goddelijke leven gevonden worden, wanneer de ziel de kracht van Christus opneemt. Wandelend met Christus, zien de leerlingen de aardse dingen anders: de lelies, de vogels, het licht, de medemensen. Hun gewaarwordingen, hun denken en hun willen verandert langzamerhand. Het gebruiken van spijs en drank wordt tot communie, de vereniging met het oorspronkelijke Goddelijke leven in de vergankelijke aardse natuur.
Waarvoor moeten zij nog vasten en de aarde mijden?

In het hierop volgende verhaal in het Marcus-evangelie komt iets dergelijks tot uiting
(Marcus 2 : 23 - 3 : 6).
De leerlingen, die met hun meester op een Sabbat door de korenvelden gaan, plukken argeloos aren af. Dat was meer dan wat een rechtschapen Jood op de Sabbat doen mocht. De Farizeeërs berispen daarom de meester. En Jezus wijst hen op het koninklijke oerbeeld van de Messias. Hij wijst hen op David, die eens met zijn begeleiders, tegen de rituele regels in, de gewijde toonbroden at, om in een dringende menselijk behoefte te voordien, zonder daardoor de Godheid te beledigen, zoals uit het Oude Testament blijkt.

In het Bijbelboek 1 Samuël staat het verslag opgetekend van David die op de vlucht is voor Koning Saul. Wanneer hij met zijn mannen in de tabernakel te Nob aankomt, vraagt hij de hogepriester Achimelech om wat voedsel. Omdat er niets anders voorhanden is dan het toonbrood, krijgen ze het vervangen toonbrood te eten, nadat ze Achimelech hebben verzekerd rein te zijn volgens de Joodse wetten.

De ‘Mensenzoon’ is de Messias, maar voor de wereld is Hij de Zoon des Mensen, Hij, die het menszijn volledig vertegenwoordigt, die het gehele wezen van de mens en de mensheid in zich draagt. Hij is ook de Heer van de Sabbat.

Daarmee wordt niet gezegd, dat Hij het ritme van de zeven dagen, dat diep in de menselijke natuur gegrond is en een spiegeling is van kosmische wetmatigheden, naar willekeur zou kunnen veranderen. Maar er wordt mee aangegeven dat Hij zonder uiterlijke voorschriften maar van binnen uit het juiste gebruik weer te maken van zulke oude wijze instellingen, zoals het vieren van elke zevende dag als rustdag op religieuze dag.

‘De Sabbat ontstond terwille van de mens, niet de mens terwille van de Sabbat.’ Voor de Joden was het houden van de Sabbat het kenmerk van een godsdienstig leven, van eerbied voor de Wet; het was de centrale religieuze plicht. Daarom zegt het woord van Jezus niet minder dan: de godsdienst, de Wet met de geboden en instellingen, die geïnspireerde uitdrukkingen van Goddelijke leiding zijn, zijn terwille van de mens gegeven. Nooit is de mens slechts middel of materiaal. De geboden van de goddelijke wil beogen niet een doelloze onderwerping en beheersing van het mensdom. De mens naar zijn ingeboren goddelijke bestemming is de zin en het doel van de goddelijke bemoeiing.

In de Mensenzoon is dat doel bereikt. Hij is de Heer van de Wet. Want Hij draagt de goddelijke wil in zichzelf en Hij verwezenlijkt die van binnen uit en oorspronkelijk.

In de grote godsdienstige culturen van de oudheid, ook in het leven van Israël, was de enkele mens slechts materiaal en middel voor de verwezenlijking van een bepaalde gezette ordening, voor een bepaalde godsdienstig-maatschappelijke opbouw en structuur. En zo is het nog steeds in de hedendaagse cultuur, in zoverre zij nog voorchristelijk, of on-christelijk of schijnbaar-christelijk is. De impuls van Christus betekent de grootste omwenteling: het aanbreken van een nieuwe werelddag.

=

tekst uit
H.A.P.J.Ogilvie: Godszoon en Mensenzoon, beschouwingen over het evangelie volgens Marcus
Amsterdam juli 1946
Uitgevers-mij. A.E.Kluwer, Deventer

bron afbeelding
www.statenvertaling.net