maandag 27 maart 2017

Laetare - 4e zondag in de Vastentijd

Abraham Bloemaert 1566 – 1651
De wonderbaarlijke spijziging


Johannes 6 : 1 – 15     De spijziging van de vijfduizend

We lezen op deze 4e zondag in de Vastentijd over de spijziging van de vijfduizend, zoals dat wordt beschreven in het Evangelie volgens Johannes.
Voor onze beschouwing gaan we deze keer te rade bij Heinrich Ogilvie, die in zijn boekje 'Godszoon en Mensenzoon' (1946) beschouwingen geeft over het evangelie volgens Marcus en daarbij zowel de spijziging van de vijfduizend belicht als ook de spijziging van de vierduizend. Naast Johannes en Marcus beschrijft ook Mattheüs de spijzigingen. Ogilvie's beschouwing geeft een bijzondere blik op deze evangelie-verhalen en dat kan zeker bijdragen tot een verder begrip ervan.

Ten eerste stelt Ogilvie in zijn boekje dat de structuur van het Marcus-evangelie met zijn zestien hoofdstukken mede gezien kan worden als de beschrijving van een inwijdingsweg van de apostelen. En dat de evangelist daarnaast in de eerste acht hoofdstukken vertelt hoe de Christusgeest mens werd, hoe Hij zich belichaamde in Jezus middels de Doop in de Jordaan, en hoe de uitwerking daarvan was onder de mensen in Zijn omgeving. Het 9e hoofdstuk, dat begint met de Verheerlijking op de Berg, is een centraal punt in het evangelieboek, vanaf waar de evangelist de weg tot het grote Offer van Christus op Golgotha beschrijft.

En dan is verder van belang om mee te nemen wat er aan de spijziging van de vijfduizend vooraf ging, namelijk dat de apostelen door Jezus werden uitgezonden. Twee aan twee moesten zij gaan.
(Marcus 6 : 7-12).
Meteen voegt de evangelist het verhaal over de onthoofding van Johannes de Doper in (Marcus 6:13-29) en hij vertelt dan dat de leerlingen bij Jezus terugkeren en dat Hij hen meeneemt naar een stille plek.
De offerdood van Johannes maakte het mogelijk dat de Twaalf als priesterlijke Christusboden konden uittrekken. Johannes was met zijn dood de genius van hun werkende gemeenschap geworden. Daarom kwam Herodes tot de uitspraak: ‘Het is Johannes, die ik heb onthoofd, die weer is opgestaan.’ (Marcus 6:16). Johannes de Doper is Elia die komen zou en de spijziging van de vijfduizend is zeker niet te begrijpen zonder zijn betrokkenheid.

Jezus en zijn leerlingen ‘voeren met de boot naar een afgelegen plaats, om daar alleen te kunnen zijn.’ Bij het lezen van Bijbelteksten moet men altijd alert zijn op aanwijzingen in mysterie-taal, zoals ‘op de berg’, ‘in het huis’ of ‘op het meer’. In dit geval dus ‘met de boot’. Het duidt erop dat de afgelegen plaats waarvan sprake is niet moet worden opgevat als een fysiek geografische plek, maar als het geestesgebied dat men betreedt in de meditatie.  De spijziging is dan niet op te vatten als een maaltijd met fysiek brood, maar meer als het uitdelen van geestelijk voedsel, zoals het in de 'Parzival' de Graal is, die hemelse spijzen verschaft aan de Graalridders in de Graalburcht.

Jezus voelde medelijden met de grote menigte, ‘omdat zij leken op schapen zonder herder en hij onderwees hen langdurig.’ (Marcus 6:34). Deze zinnen zouden erop kunnen wijzen, dat de menigte eigenlijk bestond uit vele volgelingen van Johannes de Doper, die onthoofd was. Zij waren nu zonder herder.

‘Hij nam de vijf broden en de twee vissen en keek omhoog naar de hemel…’
Jezus Christus richtte zich daarmee tot de helende en verkwikkende krachten van de sterrenwereld. De Dierenriem omvat twaalf tekens, waarvan er vijf gerekend worden tot de nachtelijke tekens, nl. Schorpioen t/m Vissen. Hier, bij de spijziging van de vijfduizend, is sprake van vijf broden en er blijven twaalf manden met overgebleven stukken brood over. De getallen verwijzen naar macrokosmische verhoudingen in de sterrenwereld. ‘Er wordt ons niet zomaar een wonder verteld maar een geestelijk kosmisch gebeuren zoals de apostelen tijdens hun meditatie beleefd hebben. Zij beleefden in de meditatie, wat het wezenlijke was geweest in hun werk en wat zij in de toekomst zouden hebben te volbrengen. Tegenover het gruwelijk beeld van het bloedige hoofd van Johannes op de schotel, trad in hun geest het beeld op van de heilige maaltijd: hoe zij, de Twaalf, de sterrenspijs aan de menigte uitreikten als voedsel voor de zielen, die in hun aardse vereenzaming moesten hongeren naar eeuwig leven. De kracht van Johannes de Doper, die op hun kring was overgegaan, werd hun als levensbrood openbaar.’ (Ogilvie) De kracht van de broodvermenigvuldiging is een kenmerk van Elia, in de Bijbel verhaald in 1-Koningen 17. Johannes de Doper was de wedergekomen Elia. De vissen zijn het teken van Christus zelf.

Meteen daarna wordt verhaald, dat Jezus de apostelen terugstuurde en dat zij tijdens het varen over het meer een stevige tegenwind ervoeren. Het was een storm, die opstak uit de diepten van hun eigen zielenwezen, de kracht van hun schouwingen dreigde verloren te gaan, maar de Meester kwam hun zwakke zielen te hulp. Zij aanschouwden Hem ‘wandelend op de zee’ als de altijd tegenwoordige, altijd helpende Christus, maar ze begrepen nog steeds niet echt wie Hij was.
De spijziging van de vijfduizend was een 'nachtelijke' ervaring als in een droom waargenomen, die zij moesten zien over te brengen naar het wakkere bewustzijn van de dag.

In het 8e hoofdstuk verhaalt de evangelist de spijziging van de vierduizend. De leerlingen hebben nu zeven broden, het getal van de zeven dag-tekens van de Dierenriem (Ram t/m Weegschaal).
De spijziging van de vierduizend is niet gewoon een herhaling van eenzelfde trucje, maar het duidt erop dat de aanvankelijk nog verborgen werkzame kracht nu geïntensiveerd is. Ook hier duiden broden en vissen op geestelijke voedsel en niet op een fysieke maaltijd. Zowel de leerlingen als de menigte zullen innerlijke beelden hebben beleefd van een kosmisch gebeuren. De Bijbelse taal wijst er echter op dat de gebeurtenissen deze tweede keer meer tot het bewustzijn van de apostelen doordringen. Er staat bijvoorbeeld: ‘Hij zei tegen de mensen dat zij op de grond moesten gaan zitten.’ Het is de harde bodem van het dagbewustzijn, anders dan het zachte gras waarvan bij de spijziging van de vijfduizend  sprake is:  met groen gras bedekte grond, of zoals de Griekse tekst zegt: ‘χλωρῷ χόρτῳ - chloró chortó’. En er staat hier ook niet vermeld: ‘Hij zag op naar de hemel’. Er is geen sprake van een droomachtige nachtbelevenis, maar de leerlingen werkten nu in de realiteit van de dag voor de bewuste zielenkrachten van hun medemensen. Men zou zich deze spijziging van de vierduizend misschien ook wel kunnen voorstellen als een soort avondmaalsviering, een uiterlijk zichtbare handeling met kleine stukjes brood, waarbij de hoofdzaak is dat de zielen verzadigd worden, niet zozeer de magen. Er bleven zeven manden met brokken over. Opnieuw verwijst het getal naar kosmische verhoudingen.
Na deze spijziging van de vierduizend stapt Jezus met de leerlingen meteen weer in de boot om naar de overkant van het meer te varen. Er steekt dit keer geen storm op, maar Jezus onderwijst zijn leerlingen en waarschuwt hen voor ‘het zuurdesem van de Farizeeën en het zuurdesem van Herodes’, wat een beeld is voor de twee polaire krachten in de ziel, die de mens kunnen afbrengen van zijn eigenlijke weg. De leerlingen moeten die tegenmachten in de ziel nog leren onderkennen. En meteen daarna beginnen de leerlingen erover te spreken, dat zij geen brood hebben. Dat is bij eerste lezing een vreemde situatie, maar hier duidt de evangelist erop dat de leerlingen nog steeds niet helemaal begrijpen wat er plaatsheeft. Heeft het zuurdesem van de Farizeeën of het zuurdesem van Herodes hen toch in de greep? ‘Begrijpen jullie het dan nog niet, en ontbreekt het jullie aan inzicht? Zijn jullie dan zo hardleers? Jullie hebben ogen, maar zien niet? Jullie hebben oren, maar horen niet?’ (Marcus 8:17-18)
Daarop volgt in het evangelie de genezing van de Blinde van Betsaïda en met de genezing van deze blinde worden ook de ogen van de leerlingen weer een stuk verder geopend, waarna Jezus aan de apostelen de vraag kan stellen: ‘Wie zeggen de mensen dat ik ben?’ en ‘En wie ben ik volgens jullie?’ Petrus antwoordt dan: ‘U bent de Messias.’ Het inzicht breekt langzaam door.
In zijn 9e hoofdstuk verhaalt  de evangelist dan over de Verheerlijking op de Berg, waarbij Petrus, Jacobus en Johannes als enige van de Twaalf getuigen van zijn.

Met deze beschouwingen aan de hand van Ogilvie kan men hopelijk en nieuwe en ruime invalshoek vinden voor het verstaan van de Perikooptekst voor de 4e zondag in de Vastentijd - Laetare.
zie ook de eerdere bijdragen op deze blog: http://vo-perikopen.blogspot.nl/search/label/Laetare 

geraadpleegde bron:
H.Ogilvie: Godszoon Mensenzoon - beschouwingen over het evangelie volgens Marcus
(Deventer, 1946)
illustratie: website Statenvertaling http://www.statenvertaling.net

dinsdag 7 maart 2017

Vasten

Anonymus: Acht genezingen van Jezus
houten paneel uit de 12e - 14e eeuw - El Escorial, bij Madrid

Het optreden van Christus op aarde betekent een algehele omwenteling, juist doordat Hij niets afbreekt of ontbindt, maar alles positief vervult. Hij is de ‘bruidegom’ voor de ziel van de mens. Hij herenigt de mensheid, die in de aardse materie is verstrikt geraakt, opnieuw met de wereld van de geest. Dat duiden Zijn woorden aan in het gesprek over het vasten. (Marcus 2 : 23 - 28)

In het vasten - en wij moeten hierbij meer in het algemeen aan de oude lichamelijke ascese denken, waarvan het vasten (d.w.z. het tijdelijk zich onthouden van bepaalde soorten voedsel) vormde daar slechts een onderdeel van - in het vasten ziet Jezus de uitdrukking van een negatieve toestand: de zielen hebben de geest verloren, door zich in de loop van de aardeontwikkeling te diep met het aardse te verbinden. Door onthouding streven de Farizeeërs en ook de leerlingen van Johannes naar de kracht, om zichzelf los te rukken van die aardse gebondenheid en zo de weg naar het bovenaardse geestgebied te gaan.

Nu is echter Christus uit de hoogten op aarde gekomen. Nu wordt hier op aarde de eeuwige bruiloft gevierd. De aarde wordt heilig land. Het rijk der hemelse krachten breidt zich over de rijken van de aardse natuur en aardse mensdom uit. Nu stijgt men niet meer op naar hogere werelden, door zich aan de aarde te onttrekken. Onthouding, vasten, ascese mogen zeker nog van waarde zijn voor persoonlijke ontwikkeling en zelfopvoeding, maar zij brengen de ziel niet meer nader tot de goddelijke geest. In het aardse kan nu het reine goddelijke leven gevonden worden, wanneer de ziel de kracht van Christus opneemt. Wandelend met Christus, zien de leerlingen de aardse dingen anders: de lelies, de vogels, het licht, de medemensen. Hun gewaarwordingen, hun denken en hun willen verandert langzamerhand. Het gebruiken van spijs en drank wordt tot communie, de vereniging met het oorspronkelijke Goddelijke leven in de vergankelijke aardse natuur.
Waarvoor moeten zij nog vasten en de aarde mijden?

In het hierop volgende verhaal in het Marcus-evangelie komt iets dergelijks tot uiting
(Marcus 2 : 23 - 3 : 6).
De leerlingen, die met hun meester op een Sabbat door de korenvelden gaan, plukken argeloos aren af. Dat was meer dan wat een rechtschapen Jood op de Sabbat doen mocht. De Farizeeërs berispen daarom de meester. En Jezus wijst hen op het koninklijke oerbeeld van de Messias. Hij wijst hen op David, die eens met zijn begeleiders, tegen de rituele regels in, de gewijde toonbroden at, om in een dringende menselijk behoefte te voordien, zonder daardoor de Godheid te beledigen, zoals uit het Oude Testament blijkt.

In het Bijbelboek 1 Samuël staat het verslag opgetekend van David die op de vlucht is voor Koning Saul. Wanneer hij met zijn mannen in de tabernakel te Nob aankomt, vraagt hij de hogepriester Achimelech om wat voedsel. Omdat er niets anders voorhanden is dan het toonbrood, krijgen ze het vervangen toonbrood te eten, nadat ze Achimelech hebben verzekerd rein te zijn volgens de Joodse wetten.

De ‘Mensenzoon’ is de Messias, maar voor de wereld is Hij de Zoon des Mensen, Hij, die het menszijn volledig vertegenwoordigt, die het gehele wezen van de mens en de mensheid in zich draagt. Hij is ook de Heer van de Sabbat.

Daarmee wordt niet gezegd, dat Hij het ritme van de zeven dagen, dat diep in de menselijke natuur gegrond is en een spiegeling is van kosmische wetmatigheden, naar willekeur zou kunnen veranderen. Maar er wordt mee aangegeven dat Hij zonder uiterlijke voorschriften maar van binnen uit het juiste gebruik weer te maken van zulke oude wijze instellingen, zoals het vieren van elke zevende dag als rustdag op religieuze dag.

‘De Sabbat ontstond terwille van de mens, niet de mens terwille van de Sabbat.’ Voor de Joden was het houden van de Sabbat het kenmerk van een godsdienstig leven, van eerbied voor de Wet; het was de centrale religieuze plicht. Daarom zegt het woord van Jezus niet minder dan: de godsdienst, de Wet met de geboden en instellingen, die geïnspireerde uitdrukkingen van Goddelijke leiding zijn, zijn terwille van de mens gegeven. Nooit is de mens slechts middel of materiaal. De geboden van de goddelijke wil beogen niet een doelloze onderwerping en beheersing van het mensdom. De mens naar zijn ingeboren goddelijke bestemming is de zin en het doel van de goddelijke bemoeiing.

In de Mensenzoon is dat doel bereikt. Hij is de Heer van de Wet. Want Hij draagt de goddelijke wil in zichzelf en Hij verwezenlijkt die van binnen uit en oorspronkelijk.

In de grote godsdienstige culturen van de oudheid, ook in het leven van Israël, was de enkele mens slechts materiaal en middel voor de verwezenlijking van een bepaalde gezette ordening, voor een bepaalde godsdienstig-maatschappelijke opbouw en structuur. En zo is het nog steeds in de hedendaagse cultuur, in zoverre zij nog voorchristelijk, of on-christelijk of schijnbaar-christelijk is. De impuls van Christus betekent de grootste omwenteling: het aanbreken van een nieuwe werelddag.

=

tekst uit
H.A.P.J.Ogilvie: Godszoon en Mensenzoon, beschouwingen over het evangelie volgens Marcus
Amsterdam juli 1946
Uitgevers-mij. A.E.Kluwer, Deventer

bron afbeelding
www.statenvertaling.net