dinsdag 28 november 2017

Verhaal: De vrienden van Sint Nicolaas


Een aantal jaren geleden vertelde Jan de Bats, priester van de Christengemeenschap in Rotterdam, dit verhaal voor kinderen van klas 4 (groep 6). Het doel van zijn verhaal was de overgang tussen het geloof in de Goedheiligman en het besef hoe de vork eigenlijk werkelijk in de steel zit -dat zo ongeveer in het 9e levensjaar doorbreekt- te begeleiden.
Dat laatste valt sowieso niet mee in onze tijd, waarin het Sint-Nicolaasfeest verworden is van een vriendelijk kinderfeest tot een door commercie en media opgeklopt, nerveusmakende gebeuren.
Kleine kinderen verwachten vol vertrouwen en met kloppend hart, dat de Sint bij hen zal komen. De wereld zou voor hen altijd als goed ervaren moeten worden. Maar het jaarlijkse Sinterklaasjournaal op TV brengt iedere keer opnieuw ondraaglijke onzekerheid. Bescheiden cadeaus voor klein en groot zijn er niet meer bij, want Sint-Nicolaasfeest wordt commercieel behoorlijk uitgebuit. Is de hele discussie over Nicolaas' knecht misschien o.a. ook niet veroorzaakt, doordat het kinderfeest volkomen uit zijn bescheiden voegen is gerukt?
Jan de Bats hechtte er waarde aan om de kinderen van 9 jaar innerlijke zekerheden aan te reiken en daarom vertelde hij aan het slot van zijn verhaal altijd: 'Er zijn natuurlijk óók nep Sinterklazen. Die zitten bij V&D, bij de HEMA, bij de Intertoys of lopen in het winkelcentrum. Dat zijn geen echte vrienden van Sint Nicolaas, want zij doen het voor het geld, zodat de winkels nog meer kunnen verkopen en verdienen.' Het is te hopen dat zij zo'n duiding opnemen en zodoende nog iets van de waardigheid van de Goedheiligman kunnen bewaren en het feest niet als leugen en bedrog zullen ervaren. 


Het verhaal van de vrienden van Sint Nicolaas
(voor klas 4)

Nicolaas leefde als bisschop in een grote stad. Hij woonde in een paleis met marmeren trappen en pilaren, grote zware deuren en tapijten aan de muren. Het zag er allemaal rijk uit, maar Nicolaas zelf gaf helemaal niet om al die rijkdom. Hij was als jongetje geboren in een arm dorpje. Dat was hij zijn hele leven niet vergeten, ook niet toen hij gevraagd werd om bisschop te worden. Wanneer je bisschop bent horen pracht en statie er nu eenmaal bij. Dat is nou eenmaal wat mensen graag zien.
Wanneer Nicolaas zijn verjaardag vierde, kwamen er meestal veel belangrijke mensen op bezoek, de burgemeester van de stad met de raadsheren, de rechters, de schout en de schepenen, de gildebroeders, kooplieden, noem maar op. En omdat het dan Nicolaas’ verjaardag was brachten al deze belangrijke lieden prachtige en vooral dure geschenken voor de bisschop mee. Hij kreeg bijvoorbeeld vazen met goud beschilderd, kunstige gebeeldhouwde marmeren beelden, gouden sieraden, kettingen, ringen, edelstenen, kledingstukken van dure zijde, kussens uit Arabië, een gouden pijp voor tabak, een zilveren koffieketel. Kortom, allemaal dingen waar je eigenlijk niet echt iets aan hebt, die alleen maar duur zijn, maar waar je best ook zonder kan. Nicolaas vond dat hij eigenlijk alleen maar een bed met een dekentje nodig had en een matje op om te knielen wanneer hij wilde bidden tot God. En wat deed hij wanneer het bezoek vertrokken was? Hij liet door een knecht alles weer netjes inpakken en liet de dure geschenken weer verkopen. Met het vele geld dat de knecht voor al die goederen kreeg, liet hij nuttige dingen kopen voor de arme kinderen uit de stad. Er werden warme mutsen gekocht, sokken en sjaals voor kinderen die het koud hadden, wat gereedschap voor een jongetje dat timmerman moest worden, nieuwe schoenen voor een meisje wiens voeten groter waren gegroeid. En heel vaak deed Nicolaas er ook een heel klein stukje speelgoed bij om mee te spelen. Een klein houten paardje, een karretje, een tol, of een springtouw. Want spelen is voor kinderen heel erg belangrijk wist Nicolaas. Daar worden ze groot van.

De kinderen wisten eerst niet wie hun die nuttige geschenken en dat speelgoed gaf, maar voor lieve en eerlijke kinderen blijven geheimen meestal niet lang verborgen. En zo kwamen de kinderen van de stad erachter dat Nicolaas op de dag van zijn verjaardag altijd iets uitdeelde voor de kinderen die dat nodig hadden en die het ook verdienden omdat zij heel het jaar lief en gehoorzaam waren geweest. Zo ging dat ieder jaar. De kinderen van de stad kwamen er achter op welke dag in het jaar de verjaardag van Nicolaas was en zij waren ieder jaar weer vol verwachting óf en wat hij hen zou schenken. En nooit stelde hij de kinderen teleur. Ieder jaar opnieuw dacht hij aan de lieve kinderen van de stad. De kinderen hielden veel van Nicolaas en Nicolaas hield nog veel meer van de kinderen. Hij kende ze allemaal, want heel het jaar schreef hij in zijn grote boek, wat de kinderen voor goede dingen deden. Soms moest hij verdrietig ook iets opschrijven wat niet zo leuk was. Maar ook dan wist Nicolaas met een plagerig presentje, een ondeugend kind nog wel een lesje te leren. Alleen bij heel stoute kinderen, moest Nicolaas iets anders verzinnen. Die kregen  dan natuurlijk geen cadeau. De kinderen waren altijd heel dankbaar en blij en zij zongen de mooiste liederen ter ere van Nicolaas. Zo ging het vele jaren.

Maar op een dag voelde de oude Nicolaas dat hij heel moe was en ziek werd. Hij wist dat hij niet erg lang meer zou leven. Hij piekerde erover wat er moest gebeuren met de kinderen van de stad, wanneer hij niet meer als levende mens op aarde zou zijn? Nicolaas kreeg een idee. Hij riep zijn beste vrienden tot zich. Zij kwamen en zaten naast zijn ziekbed. Nicolaas zei: ‘Jullie weten dat ik ieder jaar de kinderen geschenken geef, dingen die ze echt nodig hebben maar ook iets om mee te spelen, want spelen is voor kinderen heel belangrijk. Daar worden ze groot van.’ De vrienden knikten want ze wisten er allemaal van. Sommigen van hen hadden zelf als klein kind van Nicolaas een geschenk gekregen en ze waren hem zo dankbaar dat ze voor altijd zijn vriend geworden waren.
‘Jullie zien dat ik nu oud en ziek ben,’ ging Nicolaas verder. ‘Het gaat niet meer zo goed met mij. Het duurt ook niet meer zo lang en dan zal ik sterven en het aardse leven verlaten.’ De vrienden schrokken. ‘Mijn grootste zorg is wat te doen met de kinderen. Zij zijn ieder jaar op mijn verjaardag vol verwachting. En ze zijn altijd zo blij en ze zingen dan zo mooi. Ik wil de kinderen niet teleurstellen. Ik wil dat er voor de kinderen van de stad ieder jaar op mijn verjaardag toch geschenken kunnen worden uitgedeeld. Ook wanneer ik niet meer op de aarde zal leven.’
De vrienden keken Nicolaas aan. Wat had deze wijze en goede man voor een plan in gedachten? Zij luisterden toen hij verder sprak.
‘Wanneer ik er niet meer zal zijn, wil ik dat jullie de kinderen de geschenken uitreiken en dat mijn verjaardag voor de kinderen een feestdag blijft. Want alleen zo blijven de kinderen geloven dat de goede God van ons verlangt dat de mensen weten dat geven beter is dan nemen.’
‘Hoe wil je dat wij dat dan doen, goede Nicolaas?’ vroegen de vrienden.
‘Jullie verkopen de dingen die je niet echt nodig hebt en kopen van het geld geschenken voor de lieve kinderen. Ik zal jullie mijn gewaden geven, mijn mantel, mijn mijter en mijn staf. Een van jullie moet zich aankleden en doen alsof hij Nicolaas is. Dan komen de kinderen naar het paleis en dan krijgen zij toch hun geschenk.’
‘Maar goede Nicolaas’, zeiden de vrienden, ‘dat gaat toch niet. De kinderen zien dan toch meteen dat u het zelf niet bent, maar dat een van ons doet alsof?’ Maar Nicolaas hield vol en zei: ‘Vanuit de hemel zal ik jullie helpen. Ik zal ervoor zorgen dat wanneer een van jullie, een van mijn goede vrienden, gekleed als Nicolaas naar de kinderen komt, die lieve kinderen dat niet zullen merken. Ik zegen vanuit de hemel jullie werk. Dan zullen alle kinderen denken dat de echte Nicolaas met zijn knecht voor hen staat. Zo wil ik graag dat jullie aan mij denken en mijn werk hier op aarde eren en voortzetten. Willen jullie dat mij beloven? Ik help dan vanuit de hemel met mijn zegen. En je merkt het vanzelf. Wanneer de kinderen echt denken en zien dat ik het ben die voor hen staat, dan weten ze dat door mijn zegen vanuit de hemel.’
Natuurlijk beloofden de vrienden van de goede Nicolaas te doen wat hij hen vroeg. Nicolaas was blij en kon zich zonder zorgen overgeven aan zijn ziekte en ouderdom. Na een paar weken stierf hij met een glimlach op zijn oude gelaat, alsof hij erop vertrouwde dat de vrienden hun belofte zouden houden.

Toen het jaargetijde weer keerde en het tegen de winter liep, begonnen de vrienden zich een beetje zorgen te maken. Zou het lukken wat Nicolaas hen gevraagd had? Ze kochten geschenken. ‘Wie moet de geschenken uitreiken aan de kinderen?’, vroegen zij aan elkaar en ‘Hoe zou het gaan?’ Een van de beste vrienden van Nicolaas besloot het te proberen. Met de hulp van de anderen trok hij de mantel aan, deed de stola om. Hij zette de mijter op zijn hoofd. Hij leek helemaal niet op de echte Nicolaas. Er moest een pruik gemaakt en een baard met net zulke mooie witte haren als de wijze Nicolaas had. Het gezicht van de vriend van Nicolaas werd een beetje wit gemaakt zodat hij er oud en wijs uitzag. De staf werd gepakt en zelfs aan een paard werd gedacht. Zou het lukken? Zouden de kinderen iets merken?
De vriend van Nicolaas ging zenuwachtig het paleis uit naar de kinderen, maar hij ging moedig door te denken aan wat hij beloofd had aan de oude zieke Nicolaas. Zijn hart klopte in zijn keel toen hij al die kinderstemmen vol verwachting hoorde zingen, vol verwachting van de komst van hun wijze en goede vriend Nicolaas. Ja hoor, daar was hij. En hij gaf alle lieve kinderen een geschenk, moest hier of daar nog een wijze of strenge raad geven. Het was een feest, een feest als ieder jaar. Iedereen was blij op deze feestdag.
De vriend van Nicolaas verbaasde zich dat geen van de kinderen zag dat hij eigenlijk helemaal Nicolaas zelf niet was, maar slechts de mantel, de mijter en de staf van Nicolaas droeg. Alle andere vrienden waren net zo verbaasd. Maar waarom moesten ze eigenlijk verbaasd zijn? Zij hadden gedaan wat zij aan Nicolaas beloofd hadden, want wat je belooft dat moet je doen. Maar ook Nicolaas had iets beloofd. Nicolaas had beloofd dat hij zijn vrienden van uit de hemel zou helpen, zodat de kinderen zouden denken dat hijzelf hen kwam bezoeken met geschenken. Ook Nicolaas deed wat hij beloofd had. Hij schonk zijn hemelse zegen aan iedereen die het goed voor had met de kinderen. En zo kwam het dat de kinderen niet zagen dat het niet de echte Nicolaas zelf was, die voor hen stond maar slechts een goede vriend van Nicolaas. En zij zongen vol blijdschap en dankbaarheid hun liederen, even hard als altijd.

Sinds die eerste keer, hadden de vrienden van Nicolaas steeds weer moed om de belofte aan Nicolaas na te komen. Elk jaar kleedden zij zich weer in zijn gewaden en bezochten de kinderen. En steeds opnieuw kwam Nicolaas, die we nu wel de Heilige Nicolaas kunnen noemen, om hen te helpen vanuit de hemel met zijn zegen. Welzeker bad Nicolaas wel bij de goede God om heel veel kracht voor zijn zegen.

Tot op de dag van vandaag is dat zo gebleven. Echte vrienden van Sint Nicolaas trekken op die bijzondere dag zijn gewaden aan en zij spelen dat zij de echte Nicolaas zijn. De Heilige Nicolaas helpt hen en zorgt ervoor dat de kinderen denken dat zij met de echte levende Nicolaas te maken hebben. Dat is natuurlijk niet zo, maar de Heilige Nicolaas zorgt ervoor dat de lieve kinderen dat niet zien. En heb je gemerkt dat het werkt. Hebben jullie de zegen van Sint Nicolaas ook gevoeld? Hebben jullie ook gemerkt dat het net was of de echte Nicolaas voor je stond? Dan zijn jullie ook gezegend door Sint Nicolaas. Misschien mag je als je groot bent hem ook nog wel eens echt helpen als een echte vriend!

Er zijn natuurlijk ook nep Sinterklazen. Die zitten bij V&D, bij de HEMA of bij de Intertoys of lopen in het winkelcentrum. Dat zijn geen echte vrienden van Sint Nicolaas, want zij doen het voor het geld, zodat de winkels nog meer kunnen verkopen en verdienen. Die nepklazen hoeft de Heilige Nicolaas natuurlijk niet te helpen. Ze worden niet gezegend en daarom zie je dan vaak gelijk dat de baard scheef zit, de mijter scheef staat of zulke dingen. Maar échte vrienden van Sint Nicolaas, die voelen zelf heel stil van binnen in hun hart, dat de heilige man vanuit de hemel hen bijstaat met zijn kracht. Op die manier is het Sint-Nicolaasfeest een feest voor de kinderen en een feest voor Nicolaas in de hemel. Want niet alleen de kinderen zijn blij, ook de Heilige Nicolaas is blij dat er nog steeds vrienden van hem zijn, die zijn goede werk op aarde willen voortzetten.

Opgetekend door Bert Verschoor en Joep Eikenboom
Naar een verhaal van wijlen Jan de Bats, priester van de Christengemeenschap in Rotterdam

woensdag 18 oktober 2017

De twee stromingen in Rudolf Steiners 'Algemene Menskunde' in verbinding met de Kinderhandeling *)


12 oktober 2017 is oud-vrijeschoolleraar Kim Lapré door de poort van de dood gegaan.
Hieronder een hoordersverslag van een van zijn voordrachten, gehouden op een themadag voor leraren Religieuze Oriëntatie (Driebergen, 18 maart 2000).

Rudolf Steiner: 4e Apokalyptische Zegel

In de oudheid werden tempels, zoals bijvoorbeeld in Egypte, omgeven door een hoge muur omdat ze alleen toegankelijk waren voor bepaalde mensen. Bij de ingang van de tempel stonden twee zuilen zoals bijvoorbeeld de obelisken, welke een diepe betekenis hadden. Deze twee zuilen stonden daar namelijk als beeld voor de twee grote stromingen die werkzaam zijn in ontwikkeling van mens en mensheid. De ene stroming is werkzaam vanuit het geestelijke gebied van het voorgeboortelijke, d.w.z. vanuit het verleden. De andere stroming werkt vanuit de toekomst, vanuit het leven dat volgt na de dood.

Rudolf Steiner spreekt in de 2e en 3e voordracht van de Algemene Menskunde over deze twee stromingen als de twee krachten, die werkzaam zijn in de ziel van de mens. Hij gebruikt daarvoor de termen ‘antipathie’ en ‘sympathie’.
In de 1e voordracht spreekt hij echter al over de ademhaling en hij zegt dan, dat het de opdracht van de pedagoog is om het kind op een juiste manier te leren ademen. Het inademen is namelijk de openbaring van de goddelijk scheppend werkende wereld.  En in het uitademen leeft de innerlijke verdichting van het Wereldwoord. De mens leeft in deze inademingsstroom en uitademingsstroom.
In de mens wordt het inademen tot gedachten – DENKEN.
Het uitademen wordt tot wilsmatig uitwerken van de gedachten – WILLEN.

Daan van Bemmelen, de eerste vrijeschoolleraar in Nederland, benadrukte altijd dat een leraar de polsslag en de ademhaling van de kinderen moest kennen en dat hij moest volgen hoe de verhouding tussen adem en polsslag zich bij het kind ontwikkelt. Uiteindelijk moet de verhouding tussen adem en polsslag worden 18 : 72 = 1 : 4.
Per etmaal haalt een mens 25.920 maal adem. Dat getal is gelijk aan het aantal jaren in een Platonisch wereldjaar (18 x 60 x 24).
De inademing is de gedachtestroom en de polsslag/hartslag hangt samen met het willen. Maar zoals in de ritmische afwisseling van in- en uitademen de genoemde tweeheid tot uiting komt, heeft ook het bloed een tweedeling: het zuurstofrijke bloed en het koolzuurrijke bloed. We zien daarmee, dat de twee genoemde stromingen zich tot in details kunnen uitdrukken.

De mens wordt geboren uit de voorgeboortelijke wereld van de kosmos. Het menselijk hoofd wordt uit het kosmische licht geboren en die voorgeboortelijke stroom heeft de voortdurende tendens zich naar het materiële te verdichten. Het menselijk zenuwstelsel is het resultaat van het geestelijke licht. Het is naar de aarde gericht ↧. Daartegenover leven in de stofwisseling en de bloedsomloop krachten, die vanuit de aarde opstijgen ↥. Het zenuwstelsel en de hersenen zijn het lichamelijk instrument waarmee de mens tot denken kan komen. De stofwisseling en de daarmee samenhangende ledematen en bloedsomloop zijn het instrument voor het menselijk handelen, voor het doen, voor het willen.
Het bewustzijnslicht in het zenuwstelsel wordt echter gewekt door het geheel van uiterlijke zintuigindrukken en deze wekkende zintuigindrukken komen op de mens af vanuit de ons uiterlijk omringende wereld.
Vanuit de voorgeboortelijke wereld worden wij uitgestoten door de krachten van kosmische antipathie. De term ‘antipathie’ moet worden begrepen als zijnde de tendens tot afscheiden, tot zelfstandig maken. In de mens (in het kind) ontstaat het denken doordat deze antipathiekrachten, die in eerste instantie lichaamsvormend werkzaam zijn, worden wakker geroepen vanuit de zintuigwereld. Wanneer het denken (voorstellen) zich versterkt dan wordt tot het geheugen. Het geheugen is versterkte antipathie.
Begrippen ontstaan door een nog sterkere antipathie. Het wordt een associatief, combinerend denken, d.w.z. een voorhoofdsdenken. Dit denken heeft de opdracht om in het materiële te sterven. De mens kan alleen denken over de dode materie.

voorstellen (denken) – antipathie – geheugen - begrip

Rudolf Steiner zegt echter dat kinderen iets beter kunnen onthouden wanneer er een sterk gevoel bij wordt opgeroepen. Wil je echter op een goede pedagogische manier met kinderen werken, dan moet je ook de kant van de wil laten leven. Het wilsleven is een kracht, die zich verbinden wil in liefde (sympathie) voor de kosmos.

willen – sympathie – fantasie - gewone imaginatie

Met de term ‘gewone imaginatie’ wordt de waarneming bedoeld, het vermogen in de ziel om de zintuiglijke wereld waar te nemen, wat afhangt van de willende interesse van de ziel.

In andere voordrachten noemt Rudolf Steiner deze twee kwaliteiten waarover we hier spreken ook: plastisch-architectonisch (antipathie) en muzikaal-dichterlijk (sympathie).
In de praktijk van de pedagogie zijn de twee krachten dagelijks aan de orde.
Rudolf Steiner noemt ze bijvoorbeeld ook ‘eerbied’ en ‘enthousiasme’: eerbied voor hetgeen geworden is en enthousiasme voor dat wil ontstaan. Wordt in de opvoeding het element van de antipathie te veel aangesproken (voorstellen, begrippenvorming, geheugen), dan wordt het intellect ontwikkeld dat zich op de dode materie richt, maar het gevoel voor de geest en voor het goddelijke verdwijnt erdoor. Wanneer we te sterk het geheugen aanspreken - d.w.z. te sterk intellectueel werken - heeft dat zelfs tot gevolg dat kinderen lichamelijk te lang en dun worden. Teveel voorstellingen, teveel uit het hoofd leren en parate kennis aanleggen zonder daarbij bewust het proces van het vergeten in te lassen, maakt de kinderen a-religieus. Maar al te vaak richt pedagogisch handelen zich te sterk op de antipathiekrachten.
Spreekt men in de pedagogische aanpak daarentegen te sterk de fantasie aan, dan blijven de kinderen te klein. Dus sterk de wil aanspreken zorgt dat kinderen wat kleiner blijven.

Leeft in een school de echte wilssubstantie, dan wekt dat bij de kinderen ook gevoel voor het religieuze en de vraag naar de Kinderhandeling. Komen er weinig kinderen naar de Kinderhandeling, dan geeft dat aan waarop het accent ligt binnen zo’n school. Want wanneer de leerkrachten echt weten te werken met de wilssubstantie, met fantasiebeelden en met het kunstzinnige in het onderwijs, dan voedt dat het innerlijke religieuze leven bij de kinderen en komen zij ook naar de Handeling.

Kijken we naar het bloed van de mens, dan zien we dat het ontstaat en weer heel vlug vergaat. Het bloed wil ons naar de geestelijke wereld voeren. In oudere tijden waren de bloedskrachten van de mens de bron van atavistische helderziendheid. Ze werden gebruikt op de oude weg van de inwijding. Daarbij werd gebruikgemaakt van de met het bloed verbonden krachten van de instincten, driften en begeerten in de mens. De inwijding was voor de mens een weg naar binnen. Maar de moderne mens kan dit in onze tijd niet meer verdragen. In onze tijd, waarin de bewustzijnsziel moet worden ontwikkeld, moet de ziel leren in de zintuigelijke wereld de werking van de realiteit van het geestelijke te zien, dat achter de schijnwereld van de zintuigen de wereld van de geestelijke werkelijkheid schuilgaat. Het is een scholingsweg naar buiten.

Niet al het denken in de mens hoeft alleen maar de weg richting het stervende te gaan. Er leeft iets in het denken, dat een wilselement heeft. Iets maakt dat het denken in zichzelf toch nog een verbinding kan vinden met de wilskracht, met de geestelijke wereld, iets dat terug kan gaan. Dat ‘iets’ druppelt als het ware binnen (zie 3e voordracht van Algemene Menskunde). Het denken moet daarvoor echter geschoold worden. Wat wordt daarmee gered?

In zijn boek De filosofie van de vrijheid duidt Rudolf Steiner ook al op de genoemde twee stromen in mens en wereld: Denken en Waarnemen (waarnemen = wil).  Hij maakt duidelijk dat we niet kunnen spreken van vrijheid van de wil, maar dat juist het denken de aanzet kan geven om uit het doodsproces te komen om de wil te leiden, te sturen. In het denken kan de mens tot vrijheid komen. Het denken kan tot een idee komen dat niet uitsluitend uit de dode materie voortkomt en op die manier kan het denken de wil gaan aansturen.

Rudolf Steiner: ontwerp voor het Rode Venster van het 1e Goetheanum, Dornach
Om weer even terug te keren naar de oude mysterietempels, daar stonden de twee eerder genoemde zuilen bij de ingang als een maning. Zij representeerden de tweeledigheid van de ziel. Er is ook een samenhang tussen deze twee stromingen en de vensters van het Goetheanum als moderne mysterieplaats. In het rode venster vinden we namelijk een beeld van de zon (links bovenin) en van de aarde (rechts). Ook deze twee afbeeldingen staan voor de twee stromingen denken en willen – antipathie en sympathie.

We kunnen stellen dat de vrijeschoolpedagogie een christelijke pedagogie is en een uitvloeisel van een mysteriestroming. De tweeheid van denken en willen wordt ook aangesproken in de Kinderhandeling. In de cultus van de Handeling hebben we te maken met een zielenmysterie. In de Handeling klinkt dat de ziel zich zal ‘verheffen tot de Geest van de Wereld’. Verheffen is een activiteit. Er wordt niet gesproken over ‘ontvangen’. De Geest der Wereld heeft het kind iets te zeggen, waarnaar de ziel van het kind zich kan verheffen.
In het eerste gedeelte van de Kinderhandeling horen we de woorden ‘verheffen’ en ‘de gedachten en gevoelens’, waarmee wordt gesproken over het denken en het willen van de mens. Gevoelens zijn namelijk teruggehouden wilskrachten; het zielenmysterie rekent namelijk het gevoel bij de wil (zie hiervoor opnieuw de Algemene Menskunde).
We horen in de Handeling ook spreken over de geest, die leeft en werkt. De geest leeft namelijk concreet in onze voedingsprocessen, in groei, lichamelijke opbouw, herstel, de totale vorming van het lichamelijke. Het zijn de levensprocessen zonder bewustzijn, maar  zij behoren bij de stroom van de antipathie, van de scheppende werking van de Vader-God die alles in het Zijn roept, het scheppende principe dat zich tot in de materie uitdrukt. Anderzijds werkt de geest ook lichtwekkend in de zintuigen. Daar is het de wil, die werkt vanuit de aarde. De geest leeft en werkt daarom ook in steen, plant, dier.

En dan klinken er woorden over het denken en handelen van de mens en in de woorden over ‘al het werkende’ en ‘al het levende’ kunnen we opnieuw de twee polaire krachten herkennen: ‘al het werkende’ is de wil - sympathie en ‘al het levende’ is het denken - antipathie.

In de twee laatste zinnen van het eerste gedeelte van de Handeling-tekst herkennen we opnieuw de twee krachten, welke we op een bepaalde manier zelfs met de Rozenkruiserspreuk kunnen verbinden: ‘Die het levende in de dood voert opdat het herleve’, dat is EX DEO NASCIMUR (uit God zijn wij geboren) en IN CHRISTO MORIMUR (in Chistus sterven wij). En de zin: ‘Die het dode in het levende voert, dat is opnieuw IN CHRISTO MORIMUR, ‘opdat het de geest schouwe’ dat is verbonden met PER SPIRITUM SANCTUM REVIVISCIMUS (door de Heilige Geest zullen wij herleven).
Het levende van het voorgeboortelijke (antipathie-stroom) voert tot de dood in de minerale fysieke wereld, maar in de minerale wereld kan de mens pas tot vrijheid komen. Deze wereld is echter een onbekende wereld voor de geestelijke wezens van de hiërarchieën.

In het tweede gedeelte van de Handeling-tekst klinken er woorden waarmee wordt aangeduid dat de Geest der wereld lichaam aannam in Jezus van Nazareth. De tekst spreekt over Christus, die als godheid ook het doodsproces van de antipathie heeft meegemaakt. Het godswezen dat als mens geboren is, heeft ook de angst gekend, de angst namelijk welke ontstaat doordat we uitgestoten zijn uit de geestelijke wereld. In de harten van de mens kan Hij levend worden wanneer de mensen Hem daarin woning geven. In de mensenharten wordt door liefde, medelijden en verwondering nieuwe ethersubstantie ontwikkeld ten bate van de Christus.

Dan spreekt het derde gedeelte van de Kinderhandeling-tekst tot de kinderen over het leren en begrijpen en het werken in de wereld, opnieuw over de antipathie en sympathie. De liefde, die ons door Christus geleerd wordt, brengt leven in al het mensenwerk.

In het vierde gedeelte volgt dan het kindergebed. In dit gebed zitten zeven trappen van wil, zeven wilsmotieven, de zeven vormen van wil zoals zij worden beschreven in Algemene Menskunde (4e voordracht). In het kindergebed van de Handeling vinden we deze zeven vormen van wil verbonden met zeven werkwoorden en we zetten ze hier nog even op een rij:
‘Verheffen’ hangt samen met het  instinct d.w.z. het fysiek lichaam
‘Vereren’ hangt samen met de drift d.w.z. het etherlichaam
‘Liefhebben’ hangt samen met begeerte d.w.z. het astraallichaam
‘Zullen denken’ hangt samen met motief d.w.z. het Ik van de mens
‘Alleen zijn’ hangt samen met de wens d.w.z. het geestzelf
‘Met mensen te samen zijn’ hangt samen met het voornemen d.w.z. de levensgeest
‘Dan zal Hij met ons zijn’ hangt samen met het besluit d.w.z. de geestmens

Als vijfde gedeelte volgt daarop de rondgang. Dit mogen we opvatten als een soort communie. De leraar die de Handeling houdt, kan daarvoor een kort moment nemen voor concentratie op de inhoud:
Ex Deo nascimur
In Christo morimur
Per Spiritum Sanctum reviviscimus
Tijdens de rondgang straalt de geestelijke wereld je tegemoet vanuit de ogen van de kinderen, wanneer het kind antwoordt dat het de Godesgeest wil zoeken.
Wat is de Godesgeest? Rudolf Steiner zei daarover dat daarmee de hele hiërarchische wereld wordt aangeduid. Het zijn alle hiërarchische wezens (= de Vader-God) die zich hebben gesteld onder de leiding van Christus, het Lam.

In het zesde gedeelte wordt het evangelie gelezen. De woorden van het evangelie moeten klinken vanaf de linkerkant voor het altaar. Wie de lijst van de Perikoopteksten bestudeert, waarop is aangegeven welke evangelieteksten op de zondagen gelezen worden, zal opmerken dat deze evangelieteksten uit een oud mysterieweten zo zijn gerangschikt, dat denken en willen regelmatig afwisselend aan bod komen. In de perikopen, die het ademende ritme van de jaarfeesten volgen, wisselen namelijk antipathie en sympathie (verleden en toekomst) elkaar af. En in de verschillende seizoenen weten we de werkzaamheid van de aartsengelen:
Gabriël - van Kerst tot Pasen - antipathie
Raphael - van Pasen tot Sint Jan - sympathie
Uriël - van Sint Jan tot Michaël - antipathie
Michaël - van Michaël tot Kerst - sympathie

Op de evangelielezing volgt de zang van de kinderen en het is alsof dat gezang vanuit de aardse zielenkracht opstijgt naar de geestelijke wereld. Bid dat dit zangoffer van de kinderen door de goddelijke wereld mag worden opgenomen.
Tenslotte wordt de Kinderhandeling afgesloten met de woorden
‘Bewaar in goede gedachten’, d.w.z. het geheugen (antipathiestroom) dat levend is (sympathiestroom)
wat je hier hebt gehoord = willen
gevoeld en = voelen
gedacht = denken

Na de afsluitende muziek kan de leraar, die de Handeling houdt, blij en warm afscheid van de kinderen nemen, vooral niet priesterlijk streng.

*) Op de vraag van de priesters van de toenmaals pas opgerichte Beweging voor religieuze vernieuwing - de Christengemeenschap - naar een rituaal speciaal voor kinderen, gaf Rudolf Steiner het antwoord, dat hij die al eerder had gegeven aan de leraren van de Waldorf Schule (Stuttgart). De priesters konden aan de leraren vragen of zij de tekst van en aanwijzingen voor die cultus wilden delen. De Kinderdienst van de Christengemeenschap was dus als eerste gegeven als cultus aan de godsdienstleraren van de vrijescholen.