zaterdag 20 april 2019

Surrexit Christus hodie

Museum Catharijneconvent - Utrecht

Surrexit Christus hodie
Alleluia


Na de sabbat, bij het aanbreken van de eerste dag van de week, kwamen Maria Magdalena en de andere Maria bij het graf kijken. Op dat moment ontstond er een geweldige aardbeving, want een engel van de Heer daalde neer uit de hemel, kwam naderbij, wentelde de steen weg en liet zich erop neer. Zijn gedaante was als de bliksem en zijn gewaad wit als sneeuw. De wachters beefden van vrees voor hem en zij werden als doden. De engel nam het woord en sprak tot de vrouwen: ‘Jullie, wees niet bevreesd. Ik weet dat jullie Jezus, de gekruisigde, zoeken. Hij is niet hier, want hij is opgestaan, zoals hij heeft gezegd. Kom en zie de plaats waar hij heeft gelegen.
(Matt.28:1-6)

Toen de sabbat voorbij was, kochten Maria van Magdala en Maria de moeder van Jakobus, en Salome geurige kruiden om hem te balsemen. Nog vroeg in de ochtend van de eerste dag van de week kwamen ze bij het graf; de zon was juist opgegaan. Ze zeiden tegen elkaar: ‘Wie zal voor ons de steen voor de ingang van de grafkamer wegrollen?’ Maar toen ze opkeken, werden zij gewaar, dat de steen al was weggerold. Deze steen was zeer groot. Binnengegaan in de grafkamer, zagen zij aan de rechterzijde een jongeling zitten bekleed met een wit lang gewaad, en zij schrokken. Maar hij sprak tot hen: ‘Schrik niet! Jullie zoeken Jezus, de Nazarener, de gekruisigde. Hij is opgestaan, hier is hij niet. Hier is de plaats waar zij hem hebben neergelegd.
(Mrc.16:1-6)

Op de eerste dag van de week gingen zij in de vroege ochtendschemering naar het graf, met de balsemkruiden, die ze hadden bereid. Zij vonden de steen voor de grafkamer weggerold, en toen ze naar binnen gingen, vonden ze het lichaam van de Heer Jezus niet.
Terwijl zij daarover verbijsterd waren, stonden er twee mannen in stralend witte gewaden bij hen. Toen zij van schrik het hoofd naar de grond bogen, zeide de mannen tegen hen: ‘Waarom zoeken jullie de levende bij de doden? Hij is niet hier, want hij is opgestaan. Herinner je wat hij tegen jullie sprak, toen hij nog in Galilea was en zei: De Mensenzoon moet in de handen van de zondige mensen worden overgeleverd en worden gekruisigd en op de derde dag opstaan? Nu herinnerden ze zich zijn woorden.
(Luc.24:1-8)

Ga snel op weg en zeg tegen zijn leerlingen: Hij is opgestaan uit de doden; en kijk, hij gaat jullie voor naar Galilea; daar zullen jullie hem aanschouwen. Let op, ik heb het jullie verzegd.
Zij gingen snel weg bij het graf, vervuld van eerbiedige vrees en grote vreugde, en liepen naar zijn leerlingen om het bericht over te brengen. Daar kwam Jezus hen tegemoet en sprak: Wees gegroet. Ze gingen naar hem toe, grepen zijn voeten en lagen in aanbidding voor hem neer. Toen zei Jezus tegen hen: ‘Wees niet bevreesd, ga mijn broeders en zeg hun, dat zij naar Galilea moeten gaan; daar zullen zij mij zien.’
(Matt.28:7-10)

Maar ga nu tegen zijn leerlingen en tegen Petrus zeggen: Hij gaat jullie voor naar Galilea; daar zullen jullie hem zien, zoals hij jullie heeft gezegd. Buiten gekomen vluchtten weg bij het graf, want ze beefden schrik en waren buiten zichzelf. Ze waren zo otzet dat ze tegen niemand iets zeiden.
(Mrc.16:7-8)

Herrezen op de eerste dag van de week verscheen hij eerst aan Maria van Magdala, bij wie hij zeven demonen had uitgedreven. Ze ging de boodschap vertellen aan hen die steeds bij hem geweest waren en die nu treurden en weenden. Maar toen zij hoorden dat hij leefde en dat zij hem had gezien, geloofden ze het niet.
(Mrc.16:9-11)

Het waren Maria van Magdala en Johanna en Maria, de moeder van Jakobus. Ook enkele andere vrouwen die bij hen waren, zeiden het tegen de apostelen. Die beschouwden het als kletspraat en zij geloofden hen niet. Maar Petrus stond op en liep naar de grafkamer. Toen hij zich bukte, zag hij alleen de linnen doeken liggen; hij ging weer weg, met verwondering denkend aan wat hij had gezien.
(Luc.24:10-12)

Op de eerste dag van de week, in de vroege morgen, terwijl het nog donker is, komt Maria Magdalena bij het graf. En zij ziet, dat de steen van de grafstede is weggenomen. Ze loopt naar Simon Petrus en de andere leerling, hij die Jezus liefhad, en zegt tegen hen: Zij hebben de Heer uit de grafkamer weggehaald en wij weten niet waar ze hem hebben neergelegd. Toen begaven Petrus en de andere leerling zich op weg en gingen naar het graf. Ze liepen samen, maar de andere leerling liep vooruit, sneller dan Petrus, en hij kwam als eerste bij de grafkamer. En toen hij zich voorover bukte, zag hij de doeken die daar lagen, maar hij ging niet naar binnen. Daarna kwam ook Simon Petrus, die hem volgde, en ging de grafkamer binnen. Hij zag de doeken die daar lagen; de zweetdoek die zijn hoofd had bedekt, lag niet bij de andere doeken, maar afzonderlijk ineengerold op een andere plaats. Nu ging ook de andere leerling, die het eerst bij het graf was gekomen, naar binnen en hij zag en geloofde. Want voor die tijd hadden zij het schriftwoord niet begrepen, dat hij zou opstaan uit de dood. De leerlingen keerden daarna weer naar huis terug.
Maria was wenend bij het graf blijven staan. Nog altijd wenend boog zij zich voorover om in de grafkamer te kijken en zij ziet twee engelen in witte gewaden, één zittend aan het hoofdeind en één aan het voeteneind van de plaats waar het lichaam van Jezus had gelegen. Zij vragen haar: Vrouw, waarom ween je? Zij zegt tegen hen: Zij hebben mijn Heer weggenomen en ik weet niet waar ze hem hebben neergelegd.
Toen zij dit gezegd had, keek zij om en zag achter zich Jezus staan, maar ze begreep niet, dat het Jezus was.
Jezus zegt tegen haar: Vrouw, waarom ween je,  wie zoek je? Zij meent dat het de tuinman is en zegt tegen hem: Heer, als jij hem hebt weggebracht, zeg mij waar je hem hebt neergelegd; dan zal ik hem halen. Jezus zegt tegen haar: Maria! Ze draait zich om en zegt in het Hebreeuws: Rabboeni! - Dat betekent: meester. Jezus zegt tegen haar: Houd me niet vast. Want ik ben nog niet opgestegen naar de Vader. Maar ga naar mijn broeders zeg hun: ik stijg op naar mijn Vader jullie Vader, mijn God  en jullie God. Zo komt Maria Magdalena ging bij de leerlingen met de boodschap: Ik heb de Heer gezien en dit is wat hij tegen heeft gezegd.
(Joh.20:1-18)

Daarna verscheen hij in een andere gedaante aan twee van hen toen die onder weg waren en over de velden liepen. Zij keerden terug en brachten de anderen de boodschap, maar ook hen geloofd zij niet. (Mrc.16:12-13)

Op dezelfde dag waren ook twee van hen onderweg naar een dorp, zestig stadie van Jeruzalem gelegen, Emmaüs genaamd. Zij spraken met elkaar over alle gebeurtenissen. Terwijl zij zo spraken en van gedachten wisselden, kwam Jezus zelf naderbij en ging met hen mee. Maar hun ogen waren bevangen, zodat ze hem niet herkenden. Hij zei tegen hen: Wat zijn het voor gesprekken die jullie zo onderweg met elkaar voeren? Toen bleven ze met een droevig gezicht staan.
Een van hen, die Kléopas genaamd, gaf hem antwoord: Ben jij de enige vreemdeling in Jeruzalem, dat niet weet wat daar deze dagen is gebeurd? Hij zei tegen hen: Wat bedoel je? Zij zeiden tegen hem: Wat er is gebeurd met Jezus de Nazarener, een profeet was, machtig in woord en daad voor God en het hele volk; en hoe onze hogepriesters en de Hoge Raad hem hebben overgeleverd o, hem ter dood laten veroordelen en te kruisigen. Wij hoopten zelfs, dat hij de verlosser van Israël zou worden. Maar al met al is het nu de derde dag sinds dit alles is gebeurd. Bovendien hebben enige vrouwen uit onze kring ons in verwarring gebracht. Zij kwamen in de vroege ochtend bij het graf, maar hebben zijn lichaam niet gevonden en zij kwamen zeggen, dat zij zelfs een verschijning van engelen hadden gezien, die zeiden dat hij leeft. Enigen van ons zijn naar het graf gegaan en hebben alles aangetroffen, zoals de vrouwen hadden gezegd; maar hem hebben zij niet gezien.
Toen sprak hij tot hen: O onwetenden, met te trage harten om te geloven in alles wat de profeten hebben gezegd. Moest de Christus niet op deze wijze lijden om zijn eigenlijke wezen te kunnen openbaren? En beginnend bij Mozes en alle profeten legde hij hun uit wat in al de geschriften over hem is geschreven.
Zo naderden zij het dorp waarheen ze op weg waren en hij maakte aanstalten, verder te gaan. Toen drongen zij bij hem aan: Blijf bij ons, want het is tegen de avond en de dag is al ten einde. En hij ging naar binnen en bleef bij hen. En terwijl hij met hen aan tafel aanlag, nam hij het brood, zegende en brak het en gaf het hun. Toen werden hun ogen geopend en zij herkenden hem. Maar hij werd onzichtbaar voor hen. Zij zeiden tegen elkaar: Brandde ons hart niet in ons,  terwijl hij onderweg met ons sprak en de schriften voor ons opende? En onmiddellijk stonden zij op en keerden naar Jeruzalem terug. Daar vonden zij de elf en de anderen bijeen, die hen ontvingen met de woorden: De Heer is werkelijk opgestaan en is aan Simon verschenen. Zij vertelden wat er onderweg was gebeurd en hij zij hem onder het breken van het boord hadden herkend. Terwijl zij hierover spraken, stond hij zelf in hun midden staan en sprak: Vrede zij met jullie.
(Luc. 24:13-36)

Het laatst verscheen hij aan de elf terwijl ze aan tafel aanlagen. Hij verweet hun hun ongeloof en de verharding van hun hart, omdat ze hen die hem hadden geschouwd nadat hij was herrezen, niet hadden geloofd.
(Mrc.16:14)

Toen het avond was geworden op die dag, de eerste dag van de week, en de deuren fan het vertrek waar de leerlingen waren uit vrees voor de Joden, waren gesloten, kwam Jezus.Hij stond in hun midden en zei tegen hen: Vrede zij met jullie. En bij deze woorden toonde hij hun zijn handen en zijn zijde. De leerlingen waren vol vreugde toen zij de Heer zagen. Nogmaals zei hij tegen hen: Vrede zij met jullie. Zoals de Vader mij heeft gezonden, zo zend ik jullie. En toen hij dit had gezegd, liet hij zijn adem naar hen toestromen en zei tegen hen: ontvang heilige Geest! Van wie je de zonden afneemt, die zijn daarvan bevrijd; wie je de zonden laat behouden, die blijven eraan gebonden. (Joh.20:19-23)

===
vertaling van de teksten: Ton Besterveld
Uitgave van De Christengemeenschap

maandag 8 april 2019

Christus’ daden voor de ontwikkeling van mens en mensheid


Christus Pantocrator
 Mozaïek Cappella Palatina, Palermo Italië

Naast de bekende zeven zogenaamde ‘Ik-ben-woorden’ in het evangelie volgens Johannes vinden we in de Apocalyps, geschreven door dezelfde Johannes, er nog een: ‘Ik ben de Alfa en de Omega’, de oorsprong en het einde (Openbaringen 1:8, 21:6 en 22:13). Dit Ik-ben-woord wijst op ontwikkeling, op een weg waarvan het Christuswezen blijkbaar het begin en het einde vormt.
In deze bijdrage kijken we naar de ontwikkeling van de aarde, naar mens en mensheid in het algemeen, dan naar de individuele mens, in het bijzonder het kleine kind.

De ontwikkeling van aarde en wat daaraan vooraf ging
Het boek Genesis beschrijft het begin van de schepping: ‘In het begin schiep God de hemel en de aarde.’ In het Hebreeuws staat er: ‘Bereshit bara Elohim et hashamayim ve'et ha’aretz.’ Het woord ‘Elohim’ staat er in het Hebreeuws in het meervoud. Het enkelvoud is ‘El’ - god, waaraan ook de naam Allah verwant is. Dus er staat: ‘In het begin schiepen de Goden de hemel en de aarde.’ Bij Rudolf Steiner kunnen we vinden, dat er aan de schepping van de aarde en de mens verschillende planetaire fases vooraf gingen, die we ook mogen opvatten als een voorbereiding van de ontwikkeling die wij nu als mensen meemaken. Tijdens die aan de aarde voorafgaande zogenaamde planetaire fases maakten wezens van de hiërarchieën die boven de mens staan, een ontwikkeling door. Terwijl zij dit deden bereidden zij ook de organisatie van de mens en de aarde voor. Op de Oude Saturnus, die bestond uit warmte, ondergingen de Archai, Oerkrachten of Heerschappijen een mensheidsontwikkeling. Op de Oude Zon was de beurt aan de Aartsengelen, op de Oude Maan voltrokken de Engelen een mensheidsontwikkeling, d.w.z. zij werden vanuit een groepsziel tot individuele wezens. Behalve dat gedurende deze planetaire ontwikkelingsfasen het fysieke lichaam, het etherlichaam en het astraallichaam werden voorbereid, werden ook de ruimtedimensies geleidelijk aan de schepping toegevoegd: warmte kan alles doordringen en heeft van zichzelf eigenlijk geen echte ruimtedimensie. Het karakter van licht is, dat het verschijnt in lineaire ééndimensionale vorm. Tegelijk met het licht ontstond op de Oude Zon ook schaduw: de lucht. Rudolf Steiner beschrijft dat we ons de Oude Maan mogen voorstellen als een soort spinaziesoep, d.w.z. een vloeibare substantie met daarin drijvend plantaardige verschijningsvormen, zoals bladeren en misschien iets wat op schors leek. De ruimtelijke dimensie was zoals we dat kennen van water en van het plantenrijk: tweedimensionaal.
En dan volgt de aarde-ontwikkeling. De goden willen een ruimte scheppen waarin de volgende hiërarchie een ontwikkeling kan doormaken. Na warmte, licht en water ontstaat het concrete minerale, het fysieke. Als derde dimensie wordt ook boven-onder toegevoegd en de mens zou een wezen moeten worden, dat zelf ook voor-achter, links-rechts en boven-onder in zich zou dragen om in de driedimensionale ruimte een Ik-ontwikkeling te gaan.
En zo scheppen de Elohim de mens: ‘En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen.’ (Genesis 1:27). De mens was mannelijk/vrouwelijk en wat daarmee beschreven wordt, dat is het door de goden gedachte en gewilde oerbeeld van de mens, bestemd om als tiende hiërarchie een Ik-ontwikkeling te gaan in een driedimensionale planetaire fase. Mens en aarde zijn dan nog één geestelijk ‘embryonaal’ wezen, in de traditie van de Joodse Kaballa, ‘Adam Kadmon’ (oermens) of ook ‘Adam Elyon’ of ‘Adam Ila’ah’ genoemd. De Edda, de Germaanse mythologie, spreekt over de reus Ymir, uit wiens lichaam de hele aardse ruimte geschapen wordt. En in de Chinese mythologie begint de schepping met eenzelfde beeld: de god Pangu.

De gevolgen van de zondeval voor de mens
Om tot Ik-bewustzijn te komen en een Ik-ontwikkeling te kunnen gaan moet je weerstand ontmoeten en moest er een dam worden opgeworpen tussen mens en wereld. De goden moesten toestaan dat het oerbeeld van de mens uiteen zou vallen. En zo lezen we in Genesis 2 over de scheiding van de geslachten en in Genesis 3 over de zondeval van de mens. Adam en Eva eten van de appel, zij namen iets van wat nog buiten hen was, op in hun organisatie. Uit de geesteswetenschap weten we dat door de verleiding van Lucifer de mens een vals Ik kreeg ingeplant in zijn astraallichaam, waardoor niet alleen de menselijke organisatie maar zelfs de hele aarde verdichtte: het dierenrijk, het plantenrijk en zelfs het rijk van de mineralen verdichtte en verhardde.

Sij aten en in de eigen stond
wierd heel de waerelt met verwond.

In de menselijke organisatie traden verschuivingen op waardoor de menselijke zintuigen ‘geopend’ werden, de mens aardesubstantie tot voedsel moest gaan gebruiken en zijn stofwisselingsorganisatie en kliersysteem kregen en een andere wijze van voortplanten. Zelfs het menselijk bloed verloor zijn oorspronkelijke etherische kwaliteit en werd een drager van instincten, driften en begeerten, kortom van egoïsme.

Ick heb ontfangen een gebodt
al van den allerhoogsten god 
dat ick Adam en Eva heden 
verjaghe uyten hof van Eden  
Soo gaet dan henen voor altyt,
bebouwt het veldt met noeste vlyt!
int zweet uws aanschyns eet u broot
Adam - en Eva ghy met noot
draegt uwe kinders ondert harte
vermenichvuldigt sy u smarte. *)

De luciferische tegenstandersmacht wierp de mens terug naar de bestaansvorm, zoals die was op de Oude Maan, d.w.z. een tweedimensionale toestand. De mens werd teruggeworpen in een horizontale bestaansvorm. Rudolf Steiner beschrijft, dat de mens door de zondeval werd tot een krab-achtig wezen, dat zich op vier ledematen moest voortbewegen. Dit alles gold voor de lichamelijke organisatie van de mens: voor zijn astraallichaam, etherlichaam en fysiek lichaam. Een ander deel van de mens werd ter bescherming opgenomen in de loge van de geestelijke werelden, totdat de tijd zou komen dat het zich weer met de aardse menselijke organisatie zou kunnen verbinden: de geest- en zielen-wezensdelen van Adam, de mens.

Drie geestelijke voorstadia van het mysterie van Golgotha
Vanuit de hoogste regionen kwam het Christuswezen de mensheid tegemoet. Het openen van de zintuigen als gevolg van de zondeval was voor de mens een enorm pijnlijke ervaring. Als eerste daad verbond het Christuswezen zich met de geest-ziel van Adam en richtte de mens weer op terug in zijn verticale positie. Daarmee kon de mens weer afstand nemen van de zintuigwereld. Dit vond plaats in de Lemurische tijd. De mens leerde weer te staan. Een tweede daad voltrok zich in de Atlantische tijd, waarbij het Christuswezen zich opnieuw met de geest-ziel van Adam verbond en het driftleven van de mens werd gereinigd. Daarmee kreeg de mens het vermogen om niet langer slechts te brullen of te krijsen, maar om zich te uiten in de verschillende vocalen, klinkers. d.w.z. de mens leerde om zingend zijn emoties te uiten, een soort spreken. Tenslotte verbond het Christuswezen zich nog eenmaal met de geest-ziel van Adam en gaf de mens het vermogen om de medeklinkers in zijn spraak op te nemen. Alle medeklinkers in de taal zijn nabootsingen van verschijnselen in de buitenwereld. Met de klinkers drukt de mens nog steeds de gevoelens van zijn eigen binnenwereld uit. Met het opnemen van de medeklinkers kreeg de mens het vermogen om de buitenwereld in beelden te verinnerlijken, d.w.z. het vermogen om te denken. Zo werd de lichamelijke organisatie van de mens, die door de zondeval was gecorrumpeerd, enigszins hersteld. Tenslotte voltrok het Christuswezen met het mysterie van Golgotha zijn grootste liefdesdaad: bij de verrijzenis stond het oorspronkelijke oerbeeld van de mens – zoals het ooit door de goden was gedacht en gewild – op uit het graf. ‘Ecce homo’ - ‘Zie de mens’, sprak Pilatus al voordat Christus-Jezus op Golgotha stierf. Wat bedoelde Pilatus daarmee ‘Zie de mens - zoals hij oorspronkelijk bedoeld was.’?

Het kleine kind
Ieder mensenkind herhaalt in de eerste drie levensjaren de drie ontwik-kelingsstappen die de mensheid met behulp van het Christuswezen heeft kunnen zetten. Het duurt een jaar voordat het kind kan staan en lopen. Daarvoor moet het evenwichtszintuig en de eigenbewegingszin worden geoefend. De functie van het evenwichtsorgaan is van een enorm groot belang bij het zich oprichten uit de zwaartekracht, omdat door middel van het evenwichtsorgaan het geestwezen van de mens zich kan verbinden met de driedimensionale ruimte van de fysieke wereld. En alléén op de aarde kan de mens zijn zelfbewuste Ik-ontwikkeling gaan. Middels de levenszin leert het kleine kind zich in te voegen in het ritme van dag en nacht, van slapen en waken, leert het wennen aan de vaste tijden om te eten. Die ritmes gelden niet in de voorgeboortelijke werelden. Volgens Rudolf Steiner zijn de hoogste geestelijke wezensdelen van de mens in deze lichaamszintuigen werkzaam.
In het tweede levensjaar gaat het kind spreken. Het is ongelooflijk welke hoeveelheid nieuwe woorden een kind elke dag leert en leert gebruiken. Tenslotte ontwaakt rond het derde levensjaar ook het geheugen, maakt een kind een begin met het denken. Deze hele ontwikkeling doet het kind onder leiding van hogere geestelijke wezens, het doet het niet zelf. Pas rond het derde levensjaar ontstaat het zelfbewustzijn, dat eigenlijk een element van de zondeval in zich draagt. Het is het lagere ik in het wilsleven van de mens, maar dat eigenlijk is gebaseerd op instinct, drift, begeerte, kortom op egoïsme. Dat leeft in onze stofwisseling en ons bloed. De opvoeding moet ertoe leiden, dat de wilskrachten worden opgetild tot het gebeid van het door het hogere Ik gestuurde motief.

Evangelie en Onze Vader
In de traditie van de Katholieke kerk klonken na de evangelielezing in de Heilige Mis de volgende woorden, die tegenwoordig niet meer gebruikt worden:

‘Per evangelica dicta deleantur nostra delicta’
Moge door de woorden van het evangelie onze zonden worden uitgewist.

In de Mensenwijdingsdienst van de Christengemeenschap klinkt een soort-gelijke bede:
Het woord van het evangelie
delgt uit onze woorden
wat onrein in hen is.’

En ook in de Offerhandeling, de cultus die Rudolf Steiner aan de Waldorf-schoolbeweging en daarmee aan de hele antroposofische beweging heeft doorgegeven, klinkt:

‘Wij verheffen onze ziel 
tot U, o Christus.
Uw evangelie
als het reine woord
delgt wat onrein is 
uit onze woorden.

In het verheffen van de ziel tot Christus klinkt iets door wat nog verwijst naar het leren staan en lopen van de mensheid als geheel, en van ieder individueel mensenkind, het zich oprichten uit de zwaartekracht. Bij het luisteren naar de woorden van het evangelie gaat men traditiegetrouw ook staan. Maar zouden we dit niet met meer inzicht kunnen verstaan en deze gewoonte en woorden ook letterlijk nemen? Wat doet het, wanneer wij bijvoorbeeld met regelmaat hardop passages uit de evangeliën lezen, bijvoorbeeld de perikoop van de actuele week?
Of …. wat doen we voor de aarde, voor de medemens en voor onszelf, wanneer we elke dag hardop het gebed uitspreken, dat Christus zelf gegeven heeft, het Onze Vader? Het is bekend, dat Rudolf Steiner dat gebed elke dag hardop sprak. Zijn huisgenoten tijdens de Berlijnse tijd hoorde hem door de muren heen. Toen hij later met Ita Wegman werkte aan het boek: ‘Grondslagen voor een verruiming van de geneeskunde’, kwam hij iedere dag van zijn ziekbed om het Onze Vader staande en luid te bidden.

Dat is een gedachte waarmee ik wilde eindigen: Kun je met het lezen van het evangelie of het hardop bidden van het Onze Vader, aansluiting vinden bij dat geestelijke wezen, dat de mensheid in oeroude tijden, en in onze vroege jeugd ieder van ons individueel heeft leren staan/lopen, spreken en denken? Wat zou dat kunnen betekenen voor de aarde en de mensheid?

*) uit: Oberufer Paradijsspel

Bron:
Deze bijdrage is eerder verschenen in NIEUWBRIEF No.13 van de Landelijke Ledengroep Christologie en Antroposofie van de Antroposofische Vereniging.