woensdag 18 oktober 2017

De twee stromingen in Rudolf Steiners 'Algemene Menskunde' in verbinding met de Kinderhandeling *)


12 oktober 2017 is oud-vrijeschoolleraar Kim Lapré door de poort van de dood gegaan.
Hieronder een hoordersverslag van een van zijn voordrachten, gehouden op een themadag voor leraren Religieuze Oriëntatie (Driebergen, 18 maart 2000).

Rudolf Steiner: 4e Apokalyptische Zegel

In de oudheid werden tempels, zoals bijvoorbeeld in Egypte, omgeven door een hoge muur omdat ze alleen toegankelijk waren voor bepaalde mensen. Bij de ingang van de tempel stonden twee zuilen zoals bijvoorbeeld de obelisken, welke een diepe betekenis hadden. Deze twee zuilen stonden daar namelijk als beeld voor de twee grote stromingen die werkzaam zijn in ontwikkeling van mens en mensheid. De ene stroming is werkzaam vanuit het geestelijke gebied van het voorgeboortelijke, d.w.z. vanuit het verleden. De andere stroming werkt vanuit de toekomst, vanuit het leven dat volgt na de dood.

Rudolf Steiner spreekt in de 2e en 3e voordracht van de Algemene Menskunde over deze twee stromingen als de twee krachten, die werkzaam zijn in de ziel van de mens. Hij gebruikt daarvoor de termen ‘antipathie’ en ‘sympathie’.
In de 1e voordracht spreekt hij echter al over de ademhaling en hij zegt dan, dat het de opdracht van de pedagoog is om het kind op een juiste manier te leren ademen. Het inademen is namelijk de openbaring van de goddelijk scheppend werkende wereld.  En in het uitademen leeft de innerlijke verdichting van het Wereldwoord. De mens leeft in deze inademingsstroom en uitademingsstroom.
In de mens wordt het inademen tot gedachten – DENKEN.
Het uitademen wordt tot wilsmatig uitwerken van de gedachten – WILLEN.

Daan van Bemmelen, de eerste vrijeschoolleraar in Nederland, benadrukte altijd dat een leraar de polsslag en de ademhaling van de kinderen moest kennen en dat hij moest volgen hoe de verhouding tussen adem en polsslag zich bij het kind ontwikkelt. Uiteindelijk moet de verhouding tussen adem en polsslag worden 18 : 72 = 1 : 4.
Per etmaal haalt een mens 25.920 maal adem. Dat getal is gelijk aan het aantal jaren in een Platonisch wereldjaar (18 x 60 x 24).
De inademing is de gedachtestroom en de polsslag/hartslag hangt samen met het willen. Maar zoals in de ritmische afwisseling van in- en uitademen de genoemde tweeheid tot uiting komt, heeft ook het bloed een tweedeling: het zuurstofrijke bloed en het koolzuurrijke bloed. We zien daarmee, dat de twee genoemde stromingen zich tot in details kunnen uitdrukken.

De mens wordt geboren uit de voorgeboortelijke wereld van de kosmos. Het menselijk hoofd wordt uit het kosmische licht geboren en die voorgeboortelijke stroom heeft de voortdurende tendens zich naar het materiële te verdichten. Het menselijk zenuwstelsel is het resultaat van het geestelijke licht. Het is naar de aarde gericht ↧. Daartegenover leven in de stofwisseling en de bloedsomloop krachten, die vanuit de aarde opstijgen ↥. Het zenuwstelsel en de hersenen zijn het lichamelijk instrument waarmee de mens tot denken kan komen. De stofwisseling en de daarmee samenhangende ledematen en bloedsomloop zijn het instrument voor het menselijk handelen, voor het doen, voor het willen.
Het bewustzijnslicht in het zenuwstelsel wordt echter gewekt door het geheel van uiterlijke zintuigindrukken en deze wekkende zintuigindrukken komen op de mens af vanuit de ons uiterlijk omringende wereld.
Vanuit de voorgeboortelijke wereld worden wij uitgestoten door de krachten van kosmische antipathie. De term ‘antipathie’ moet worden begrepen als zijnde de tendens tot afscheiden, tot zelfstandig maken. In de mens (in het kind) ontstaat het denken doordat deze antipathiekrachten, die in eerste instantie lichaamsvormend werkzaam zijn, worden wakker geroepen vanuit de zintuigwereld. Wanneer het denken (voorstellen) zich versterkt dan wordt tot het geheugen. Het geheugen is versterkte antipathie.
Begrippen ontstaan door een nog sterkere antipathie. Het wordt een associatief, combinerend denken, d.w.z. een voorhoofdsdenken. Dit denken heeft de opdracht om in het materiële te sterven. De mens kan alleen denken over de dode materie.

voorstellen (denken) – antipathie – geheugen - begrip

Rudolf Steiner zegt echter dat kinderen iets beter kunnen onthouden wanneer er een sterk gevoel bij wordt opgeroepen. Wil je echter op een goede pedagogische manier met kinderen werken, dan moet je ook de kant van de wil laten leven. Het wilsleven is een kracht, die zich verbinden wil in liefde (sympathie) voor de kosmos.

willen – sympathie – fantasie - gewone imaginatie

Met de term ‘gewone imaginatie’ wordt de waarneming bedoeld, het vermogen in de ziel om de zintuiglijke wereld waar te nemen, wat afhangt van de willende interesse van de ziel.

In andere voordrachten noemt Rudolf Steiner deze twee kwaliteiten waarover we hier spreken ook: plastisch-architectonisch (antipathie) en muzikaal-dichterlijk (sympathie).
In de praktijk van de pedagogie zijn de twee krachten dagelijks aan de orde.
Rudolf Steiner noemt ze bijvoorbeeld ook ‘eerbied’ en ‘enthousiasme’: eerbied voor hetgeen geworden is en enthousiasme voor dat wil ontstaan. Wordt in de opvoeding het element van de antipathie te veel aangesproken (voorstellen, begrippenvorming, geheugen), dan wordt het intellect ontwikkeld dat zich op de dode materie richt, maar het gevoel voor de geest en voor het goddelijke verdwijnt erdoor. Wanneer we te sterk het geheugen aanspreken - d.w.z. te sterk intellectueel werken - heeft dat zelfs tot gevolg dat kinderen lichamelijk te lang en dun worden. Teveel voorstellingen, teveel uit het hoofd leren en parate kennis aanleggen zonder daarbij bewust het proces van het vergeten in te lassen, maakt de kinderen a-religieus. Maar al te vaak richt pedagogisch handelen zich te sterk op de antipathiekrachten.
Spreekt men in de pedagogische aanpak daarentegen te sterk de fantasie aan, dan blijven de kinderen te klein. Dus sterk de wil aanspreken zorgt dat kinderen wat kleiner blijven.

Leeft in een school de echte wilssubstantie, dan wekt dat bij de kinderen ook gevoel voor het religieuze en de vraag naar de Kinderhandeling. Komen er weinig kinderen naar de Kinderhandeling, dan geeft dat aan waarop het accent ligt binnen zo’n school. Want wanneer de leerkrachten echt weten te werken met de wilssubstantie, met fantasiebeelden en met het kunstzinnige in het onderwijs, dan voedt dat het innerlijke religieuze leven bij de kinderen en komen zij ook naar de Handeling.

Kijken we naar het bloed van de mens, dan zien we dat het ontstaat en weer heel vlug vergaat. Het bloed wil ons naar de geestelijke wereld voeren. In oudere tijden waren de bloedskrachten van de mens de bron van atavistische helderziendheid. Ze werden gebruikt op de oude weg van de inwijding. Daarbij werd gebruikgemaakt van de met het bloed verbonden krachten van de instincten, driften en begeerten in de mens. De inwijding was voor de mens een weg naar binnen. Maar de moderne mens kan dit in onze tijd niet meer verdragen. In onze tijd, waarin de bewustzijnsziel moet worden ontwikkeld, moet de ziel leren in de zintuigelijke wereld de werking van de realiteit van het geestelijke te zien, dat achter de schijnwereld van de zintuigen de wereld van de geestelijke werkelijkheid schuilgaat. Het is een scholingsweg naar buiten.

Niet al het denken in de mens hoeft alleen maar de weg richting het stervende te gaan. Er leeft iets in het denken, dat een wilselement heeft. Iets maakt dat het denken in zichzelf toch nog een verbinding kan vinden met de wilskracht, met de geestelijke wereld, iets dat terug kan gaan. Dat ‘iets’ druppelt als het ware binnen (zie 3e voordracht van Algemene Menskunde). Het denken moet daarvoor echter geschoold worden. Wat wordt daarmee gered?

In zijn boek De filosofie van de vrijheid duidt Rudolf Steiner ook al op de genoemde twee stromen in mens en wereld: Denken en Waarnemen (waarnemen = wil).  Hij maakt duidelijk dat we niet kunnen spreken van vrijheid van de wil, maar dat juist het denken de aanzet kan geven om uit het doodsproces te komen om de wil te leiden, te sturen. In het denken kan de mens tot vrijheid komen. Het denken kan tot een idee komen dat niet uitsluitend uit de dode materie voortkomt en op die manier kan het denken de wil gaan aansturen.

Rudolf Steiner: ontwerp voor het Rode Venster van het 1e Goetheanum, Dornach
Om weer even terug te keren naar de oude mysterietempels, daar stonden de twee eerder genoemde zuilen bij de ingang als een maning. Zij representeerden de tweeledigheid van de ziel. Er is ook een samenhang tussen deze twee stromingen en de vensters van het Goetheanum als moderne mysterieplaats. In het rode venster vinden we namelijk een beeld van de zon (links bovenin) en van de aarde (rechts). Ook deze twee afbeeldingen staan voor de twee stromingen denken en willen – antipathie en sympathie.

We kunnen stellen dat de vrijeschoolpedagogie een christelijke pedagogie is en een uitvloeisel van een mysteriestroming. De tweeheid van denken en willen wordt ook aangesproken in de Kinderhandeling. In de cultus van de Handeling hebben we te maken met een zielenmysterie. In de Handeling klinkt dat de ziel zich zal ‘verheffen tot de Geest van de Wereld’. Verheffen is een activiteit. Er wordt niet gesproken over ‘ontvangen’. De Geest der Wereld heeft het kind iets te zeggen, waarnaar de ziel van het kind zich kan verheffen.
In het eerste gedeelte van de Kinderhandeling horen we de woorden ‘verheffen’ en ‘de gedachten en gevoelens’, waarmee wordt gesproken over het denken en het willen van de mens. Gevoelens zijn namelijk teruggehouden wilskrachten; het zielenmysterie rekent namelijk het gevoel bij de wil (zie hiervoor opnieuw de Algemene Menskunde).
We horen in de Handeling ook spreken over de geest, die leeft en werkt. De geest leeft namelijk concreet in onze voedingsprocessen, in groei, lichamelijke opbouw, herstel, de totale vorming van het lichamelijke. Het zijn de levensprocessen zonder bewustzijn, maar  zij behoren bij de stroom van de antipathie, van de scheppende werking van de Vader-God die alles in het Zijn roept, het scheppende principe dat zich tot in de materie uitdrukt. Anderzijds werkt de geest ook lichtwekkend in de zintuigen. Daar is het de wil, die werkt vanuit de aarde. De geest leeft en werkt daarom ook in steen, plant, dier.

En dan klinken er woorden over het denken en handelen van de mens en in de woorden over ‘al het werkende’ en ‘al het levende’ kunnen we opnieuw de twee polaire krachten herkennen: ‘al het werkende’ is de wil - sympathie en ‘al het levende’ is het denken - antipathie.

In de twee laatste zinnen van het eerste gedeelte van de Handeling-tekst herkennen we opnieuw de twee krachten, welke we op een bepaalde manier zelfs met de Rozenkruiserspreuk kunnen verbinden: ‘Die het levende in de dood voert opdat het herleve’, dat is EX DEO NASCIMUR (uit God zijn wij geboren) en IN CHRISTO MORIMUR (in Chistus sterven wij). En de zin: ‘Die het dode in het levende voert, dat is opnieuw IN CHRISTO MORIMUR, ‘opdat het de geest schouwe’ dat is verbonden met PER SPIRITUM SANCTUM REVIVISCIMUS (door de Heilige Geest zullen wij herleven).
Het levende van het voorgeboortelijke (antipathie-stroom) voert tot de dood in de minerale fysieke wereld, maar in de minerale wereld kan de mens pas tot vrijheid komen. Deze wereld is echter een onbekende wereld voor de geestelijke wezens van de hiërarchieën.

In het tweede gedeelte van de Handeling-tekst klinken er woorden waarmee wordt aangeduid dat de Geest der wereld lichaam aannam in Jezus van Nazareth. De tekst spreekt over Christus, die als godheid ook het doodsproces van de antipathie heeft meegemaakt. Het godswezen dat als mens geboren is, heeft ook de angst gekend, de angst namelijk welke ontstaat doordat we uitgestoten zijn uit de geestelijke wereld. In de harten van de mens kan Hij levend worden wanneer de mensen Hem daarin woning geven. In de mensenharten wordt door liefde, medelijden en verwondering nieuwe ethersubstantie ontwikkeld ten bate van de Christus.

Dan spreekt het derde gedeelte van de Kinderhandeling-tekst tot de kinderen over het leren en begrijpen en het werken in de wereld, opnieuw over de antipathie en sympathie. De liefde, die ons door Christus geleerd wordt, brengt leven in al het mensenwerk.

In het vierde gedeelte volgt dan het kindergebed. In dit gebed zitten zeven trappen van wil, zeven wilsmotieven, de zeven vormen van wil zoals zij worden beschreven in Algemene Menskunde (4e voordracht). In het kindergebed van de Handeling vinden we deze zeven vormen van wil verbonden met zeven werkwoorden en we zetten ze hier nog even op een rij:
‘Verheffen’ hangt samen met het  instinct d.w.z. het fysiek lichaam
‘Vereren’ hangt samen met de drift d.w.z. het etherlichaam
‘Liefhebben’ hangt samen met begeerte d.w.z. het astraallichaam
‘Zullen denken’ hangt samen met motief d.w.z. het Ik van de mens
‘Alleen zijn’ hangt samen met de wens d.w.z. het geestzelf
‘Met mensen te samen zijn’ hangt samen met het voornemen d.w.z. de levensgeest
‘Dan zal Hij met ons zijn’ hangt samen met het besluit d.w.z. de geestmens

Als vijfde gedeelte volgt daarop de rondgang. Dit mogen we opvatten als een soort communie. De leraar die de Handeling houdt, kan daarvoor een kort moment nemen voor concentratie op de inhoud:
Ex Deo nascimur
In Christo morimur
Per Spiritum Sanctum reviviscimus
Tijdens de rondgang straalt de geestelijke wereld je tegemoet vanuit de ogen van de kinderen, wanneer het kind antwoordt dat het de Godesgeest wil zoeken.
Wat is de Godesgeest? Rudolf Steiner zei daarover dat daarmee de hele hiërarchische wereld wordt aangeduid. Het zijn alle hiërarchische wezens (= de Vader-God) die zich hebben gesteld onder de leiding van Christus, het Lam.

In het zesde gedeelte wordt het evangelie gelezen. De woorden van het evangelie moeten klinken vanaf de linkerkant voor het altaar. Wie de lijst van de Perikoopteksten bestudeert, waarop is aangegeven welke evangelieteksten op de zondagen gelezen worden, zal opmerken dat deze evangelieteksten uit een oud mysterieweten zo zijn gerangschikt, dat denken en willen regelmatig afwisselend aan bod komen. In de perikopen, die het ademende ritme van de jaarfeesten volgen, wisselen namelijk antipathie en sympathie (verleden en toekomst) elkaar af. En in de verschillende seizoenen weten we de werkzaamheid van de aartsengelen:
Gabriël - van Kerst tot Pasen - antipathie
Raphael - van Pasen tot Sint Jan - sympathie
Uriël - van Sint Jan tot Michaël - antipathie
Michaël - van Michaël tot Kerst - sympathie

Op de evangelielezing volgt de zang van de kinderen en het is alsof dat gezang vanuit de aardse zielenkracht opstijgt naar de geestelijke wereld. Bid dat dit zangoffer van de kinderen door de goddelijke wereld mag worden opgenomen.
Tenslotte wordt de Kinderhandeling afgesloten met de woorden
‘Bewaar in goede gedachten’, d.w.z. het geheugen (antipathiestroom) dat levend is (sympathiestroom)
wat je hier hebt gehoord = willen
gevoeld en = voelen
gedacht = denken

Na de afsluitende muziek kan de leraar, die de Handeling houdt, blij en warm afscheid van de kinderen nemen, vooral niet priesterlijk streng.

*) Op de vraag van de priesters van de toenmaals pas opgerichte Beweging voor religieuze vernieuwing - de Christengemeenschap - naar een rituaal speciaal voor kinderen, gaf Rudolf Steiner het antwoord, dat hij die al eerder had gegeven aan de leraren van de Waldorf Schule (Stuttgart). De priesters konden aan de leraren vragen of zij de tekst van en aanwijzingen voor die cultus wilden delen. De Kinderdienst van de Christengemeenschap was dus als eerste gegeven als cultus aan de godsdienstleraren van de vrijescholen.


zaterdag 30 september 2017

Introductie tot religieuze oriëntatie aan vrijescholen - deel 3

Leonardo da Vinci - studie voor Het Laatste Avondmaal

De fase van de Zoongod-religie (9e tot 14e levensjaar)

Eerder behandelden we de lessen religieuze oriëntatie voor kinderen van 7 tot 9 jaar in de klassen 1 t/m 3 - groep 3 t/m 5 (zie hier).
Voor de volgende leeftijdsfase komen de volgende thema's in aanmerking:

het lot van de mens:
de eenmaligheid, het unieke van het individu - het verschil tussen de mens en de natuur, het dier, de individualiteit tegenover de erfelijkheid

een religieuze grondstemming ten opzichte van het lot:
eerbied - vertrouwen - gehoorzaamheid - beleven van een opgave

Christus als het lot van de mensheid:
De weg van de mensheid vanuit het paradijs - de Christusgebeurtenis als grote wending in de mensheidsgeschiedenis

Christus en het lot van de aarde:
De schepping en de zondeval - het stervende van het aardezijn - de geestelijke kiem van de nieuwe aarde,
behandeling van de inhouden van de evangeliën
===

Nadat we in de eerste schooljaren de verhalen steeds in een stemming van sprookjes en legenden hebben gebracht, waarin de werkzaamheid van het goddelijke in het natuur- en mensenrijk beleefd konden worden, en daarna in de derde klas (groep 5) aan de hand van de verhalen van het Oude Testament vanaf Abraham de leidende hand van God in het individuele mensenleven beleefd kon worden, gaan we er in klas 4 (groep 6) tot oever de vraag over het lot van de mens als onderwerp van onze lessen te maken. Dat creëert de voorwaarde voor christologische beschouwingen.

“Naar binnen leidt een mysterieuze weg” zou men met Novalis kunnen zeggen. Door de verhalen over de aartsvaders, over Jozef in Egypte bijvoorbeeld, is een gevoel ontstaan voor de wisselvalligheden van het leven, voor beproeving en beproevingstijden, voor het lichte en het donkere in de vorming van het levenslot dat wordt veroorzaakt door de eigen schuld of door anderen.
Nu moet het gevoel gewekt worden voor de in het innerlijk van de mens zelf wonende scheppende en dragende kracht, welke het lot dragen kan en gestalte geeft: voor de individualiteit van de mens, het unieke, bijzondere en het onverwisselbare daarvan.
We kunnen beginnen om onze blik te richten op de verschillen tussen mens en dier. Dieren hebben geen individuele lotsbestemming, hoogstens -als men wil- het lot van de soort.
Waarom hebben ze dat niet? Omdat dieren alleen hun instincten en driften kunnen volgen, die de natuur in hen heeft gelegd. De mens kan zich van instincten en driften bewust worden en kan leren  deze te sturen.

Het hielp enorm toen ik in deze samenhang meerdere lessen besteedde aan de gestalte van de mens in vergelijking met die van dieren. Het boek van Hermann Poppelbaum ‘Mens En Dier’ (Vrij Geesteslaven, Zeist 1973) was daarbij een waardevolle hulp.
Vooral wanneer kinderen op een reguliere school zitten en de ‘Mens- en Dierkunde’  niet kennen, zoals die in de vrijeschool (klas 4) wordt aangeboden, is het bekijken van de uiterlijke gestalte van de mens zeer wezenlijk. Dit kan tot een religieuze verdieping voeren. De rechtopstaande mens, de vorm van zijn hoofd als nabootsing van heelal, de vrije bewegingsmogelijkheden van zijn armen die hij niet voor het voortbewegen nodig heeft, de veelzijdige gebruiksmogelijkheden van zijn handen in tegenstelling tot de eenzijdig uitgevormde ledematen van het dier. En dan het aangezicht! Dieren hebben geen echt eigen gezicht. De dieren van een zelfde soort zien er allemaal ongeveer gelijk uit. Maar elke mens heeft zijn eigen gezicht.

Dieren die sterk bij de mens zijn gaan horen, zoals bijvoorbeeld de hond, bezitten naast de kenmerken van hun soort ook de mogelijkheid hun zielenbewegingen te uiten door te bewegen met hun staart, of met gebruik van hun stem. Maar alleen de mens toont zijn innerlijke roerselen in de mimiek van zijn gezicht, dat voortdurend veranderlijk is terwijl de dierensnuit steeds hetzelfde blijft.

Er kan bij zulke beschouwingen nog veel meer aan worden geknoopt over het gezicht en de verandering daarvan in de loop van het leven, de verdeling van het gelaat door moreel handelen, of de vergroving, ja zelfs verdierlijking door de zwaarte en zorgen in de rimpels van ouderdom.
De kinderen willen in zulke gesprekken graag meedoen en zelf iets vertellen. We moeten sowieso meer als in de lagere klassen erop rekenen dat de kinderen zelf actief zijn en niet alleen maar passief naar een verhaal luisteren.
Dat kan misschien eerst wat moeilijk zijn, vooral wanneer men de kinderen de eerste jaren verwend heeft met spannende verhalen.
Daarom moet men het lesuur goed indelen en tussendoor gedeelten van verhalen invoegen, die men kiest in relatie tot het te bespreken onderwerp. Wanneer men het menselijk gelaat behandelt, zou men bijvoorbeeld op een vrije manier en natuurlijk vooral behoorlijk aangepast het thema uit ‘Het Portret van Dorian Gray’ van Oscar Wilde kunnen vertellen.
De legende ‘De Zweetdoek van Veronica’ kan uiteindelijk de behandeling dit thema afsluiten en tot een hoogtepunt leiden: het gelaat van Christus, dat zich overal meer en meer openbaren zal en moet, ook in onze gelaatstrekken.
We kunnen een beeld ervan zien ’s zondags dat hangt op het altaar tijdens de Zondagshandeling: de tekening van Leonard da Vinci (zie boven).
[…]

Daarna kunnen we weer over de overeenkomsten spreken tussen dieren van verwante soorten en dan ertoe overgaan te kijken naar mensen van hetzelfde ras, hetzelfde volk en van een zelfde familie. Zo komt men op het vraagstuk van de erfelijkheid.

Hiervoor kan men uit biografieën veel voorbeelden halen, van hoe erfelijkheidskenmerken en eigenschappen door de generaties optreden en vaardigheden overgeërfd worden, zoals bijvoorbeeld het muzikale oor in de familie Bach, de wiskundige vaardigheden van de familie Bernouilli in Basel, de kunst van schilderen bij Raphael Santi en diens vader…

Goethe’s gedicht kan er dan ook bij gehaald worden, maar pas tegen het einde, wanneer de vraag naar het origineel komt:

Van mijn Vader heb ik de gestalte,
en het leven serieus te nemen,
Van m’n moedertje de vrolijke natuur
En de zin om te fantaseren.
1)


Dan kunnen we deze twee factoren bespreken die het levenslot vormen: De erfelijkheid en de individualiteit. Wat is overgeërfd en wat is van jezelf?
Dit moeten we uitvoerig uitwerken aan de hand van veel voorbeelden, ook uit de onmiddellijke omgeving van de kinderen.
Het helpt het kind, dat op deze leeftijd begint zijn eigen wezen sterker te beleven en een door hem onbegrepen wereld tegenover zich ziet. Het beleeft dat het anders-zijn van een enkele mens in vergelijking met de omgeving een algemeen menselijk feit is.
Daarmee zijn we met de algemene beschouwing van de vorm uitgegaan, van een zeker fundament van het menselijk levenslot.
Wanneer men zich er voor hoedt om zulke beschouwingen op een abstracte-intellectuele manier aan de kinderen aan te bieden, die daardoor meteen verveeld worden en opstandig zullen reageren, dan is men op de goede weg.
(wordt vervolgd)

1)
Vom Vater hab' ich die Statur,
Des Lebens ernstes Führen,
Vom Mütterchen die Frohnatur
Und Lust zu fabulieren.


J.W. Goethe

tekst:
Een gedeelte uit:
Alfred Schreiber: Einführung in den Freien Religionsunterricht - 'Aufsätze aus den Briefen über religiöse Erziehung im Elternhaus'
Privatbriefe, herausgegeben von A. Schreiber von 1950-1960'
uitgeven: Pädagogische Forschungstelle beim Bund der Freien Waldorfschulen, Stuttgart