zondag 4 juni 2017

Het gesprek met Nikodemus - Trinitatis (1)

Rembrandt van Rijn: Jezus en Nikodemus
Trinitatis is de kerkelijke naam voor de zondag na Pinksteren (ook wel Hoogfeest van de Heilige Drie-eenheid of Drievuldigheidszondag genoemd)

Johannes 3 : 1 – 15          Het gesprek met Nikodemus

Nikodemus (of Nicodemus, Grieks: Νικόδημος, Hebreeuws: Nakdimon) was een Farizeeër en een lid van het Sanhedrin.
Nikodemus wordt drie keer genoemd in het Evangelie volgens Johannes:
    Hij kwam tot Jezus Christus in de nacht (Joh. 3 : 1-21).
    Hij nam het op voor Jezus in het Sanhedrin (Joh. 7 : 46-53).
    Na Jezus' dood was hij aanwezig bij zijn graflegging in het graf van Jozef van Arimatea  (Joh. 19 : 38-42).
Er bestaat een Evangelie van Nikodemus, een van de apocriefe boeken van het Nieuwe Testament. Dat geschrift bestaat uit twee delen, namelijk de Acta Pilati, ofwel Handelingen van Pilatus, en de Descensus Christi ad Inferos, ofwel Hellevaart van Christus.

beeldengroep graflegging: Groß St. Martinkerk (Keulen)
foto: © Raimond Spekking (via Wikimedia Commons)

In de vorige bijdrage over deze evangelietekst is een aantal citaten uit voordrachten van Rudolf Steiner te vinden. In het boek ‘Van de Jordaan tot Golgotha’ besteedt Emil Bock o.a. speciale aandacht aan de figuur van Nikodemus. In deze bijdrage enkele passages uit dit boek:

De diepe indruk, die het dramatische tafereel van de tempelreiniging op Nikodemus heeft gemaakt, drijft hem met onweerstaanbare kracht om naar Jezus toe te gaan (zie hierover ook de bijdrage uit 2009).
Wij hebben eerder al vermeld dat de opvallende woorden ‘in de nacht’, die het evangelie steeds herhaald worden wanneer de naam van Nikodemus wordt vermeld, méér zijn dan enkel een aanduiding van tijd. Er treedt hier een gestalte naar voren die tot de wereld van de mysteriën behoort. […] De ontmoeting vindt niet plaats op het fysieke vlak. Het is een spirituele, bovenzinnelijke ontmoeting in díe sfeer, waarin de ziel bevrijd is van het lichaam n.l. de sfeer waarin de mens gedurende slaap (in de nacht) vertoeft. In dat domein waarin normaal de slaap zijn donkere sluier over de mensen uitspreidt, kan Nikodemus met helder bewustzijn vertoeven, omdat hij een hoge rang heeft bereikt in de zielenontwikkeling. Hij is in staat om in deze sfeer Christus op te zoeken en hij ervaart dat hij door Christus wordt opgenomen en aanvaard. Er ontwikkelt zich een gesprek van grote betekenis en dat geeft aan de ontmoeting van deze leraren in het domein van de geest een diepe inhoud.

Nikodemus meent in Jezus een hoge ingewijde te herkennen en spreekt hem daarom aan met ‘Rabbi’ en ‘Didaskolos’, dat is ‘meester’ en ‘leraar’. Jezus kent Nikodemus dezelfde rang toe door te zeggen: ‘Gij zijt een leraar van Israël’ (‘Su ei ho didaskolos tau Israèl’). Nikodemus komt niet  slechts in naam van zichzelf. Hij staat als het ware als spreker namens alle ingewijden van de Oude Wereld voor Christus. Hij spreekt dan ook in de 3e persoon meervoud: ‘Meester wij weten dat gij van God gekomen zijt, want niemand kan die tekenen doen welke gij doet, tenzij God met hem is.’ Ook Jezus spreekt in deze vorm: ‘Wij spreken uit wat wij weten, en wij getuigen van wat wij gezien hebben.’ […] De stilering van het gesprek brengt ons ertoe in te zien dat wat hier wordt geschilderd ver uitstijgt boven het gewone menselijke niveau.

[…] Bovendien onthult het evangelie ons dat Nikodemus tot de orde van de Farizeeën behoort. […] Bij de Farizeeën is de spiritualiteit, die ééns heilig en goddelijk was, spookachtig en duister en tenslotte zelfs satanisch geworden. In de mensheid zijn zij de eigenlijke tegenstanders en antagonisten van Christus. Van des te groter betekenis is het dat wij in de glans van het begin van het leven van Christus een vooraanstaande Farizeeër ontmoeten, die nog langs de ware, oude spirituele wegen doorgedrongen is tot het ingewijd-zijn.
[…] De orde van de Farizeeën werd na de jaren van de Babylonische gevangenschap gesticht door de apocalypticus Ezra. De orde vertegenwoordigde oorspronkelijk een echte esoterische stroming. Hun innerlijke scholing was een laatste, geconcentreerde samenvatting van de oudtestamentische spiritualiteit. Door het doorlopen van een zorgvuldig afgewogen opeenvolgende reeks van inwijdingsgraden werden de krachten, die de mens uit bloedverwantschap en erfelijkheid meebracht tot een steeds dieper, innerlijk en vergeestelijkt bezit gemaakt, zodat zij tot aan de drempel van de geestelijke wereld voerden.

[…] Het fysieke lichaam van de mens moest de Farizeeën als een tempel voorkomen, daar de spiritualiteit die zij beoefenden, geheel werd geput uit de diepten van dit fysieke lichaam. En de tempel op de berg Moria stond voor hen dan ook in het centrum van hun voorstellingswereld, als een symbool dat het zuiverst uitdrukking gaf aan hun streven, hoewel de Farizeeën het houden van de priesterlijke eredienst aan anderen overlieten. In de tijd waarin Jezus leefde, was de orde echter allang vervallen tot onwaarachtigheid en machtswellust. De Farizeeën waren tenslotte zelf het duidelijkste bewijs voor het feit, dat hun spiritualiteit, die uitsluitend voortkwam uit de fysieke lichamelijkheid en uit de krachtbron van de bloedverwantschap en erfelijkheid, het dode punt van de volledige uitputting had bereikt.
Dat Nikodemus zo diep geschokt kon worden door de tempelreiniging en als gevolg van de invloed daarvan op zijn zielenleven zich zo onweerstaanbaar tot Christus voelde aangetrokken, toont dat hij er zeer aan toe was om in te zien, dat de spiritualiteit van de Farizeeën ten einde liep. De antwoorden die hij van Christus te horen krijgt, betekenen een radicaal afwijzen van de spirituele weg die slechts aanknoopt aan het geboren-worden uit het aardse en lichamelijke, aan de geboorte ‘van beneden af’. Alleen de nieuwe impuls van boven kan de toekomst van de mensheid redden.

Als Farizeeër kon Nikodemus alleen maar ‘de geboorte van beneden af’ begrijpen. Zijn blik was slechts gericht op de mens, geboren uit de lichamelijkheid. Verwonderd vraagt hij: ‘Hoe kan een mens geboren worden, als hij oud is? Kan hij voor een tweemaal in de moederschoot ingaan en geboren worden?’
Daarop krijgt hij het antwoord: ‘De wind waait waarheen hij wil en je hoort zijn stem, maar je weet niet vanwaar hij komt en waarheen hij gaat.’ Nikodemus moet leren in te zien dat de mens in waarheid een bovenzinnelijk wezen is. Geboorte en dood zijn slechts begin en einde van de lichamelijke mens. Met onze aardse zintuigen kan aan de op aarde levende mens niet worden waargenomen vanwaar hij in werkelijkheid komt en waarheen hij gaat. Slechts wanneer zijn geest zich roert kan af en toe het suizen van de wind worden vernomen. Van bovenaf, uit de wereld waarin de oorsprong en de oerbron ligt van zijn eigenlijke wezen van de mens, moet het streven van zijn ziel worden bevrucht en bevleugeld, wil dit niet definitief mede betrokken worden in het verstarren en afsterven van de lichamelijkheid.

Nikodemus kende als geschoolde Farizeeër het principe van de hemelvaart zeer goed. Immers, de inwijding die bij de Farizeeën werd voltrokken, leidde tot het punt waarop de ziel zich in visionaire extase boven het lichaam verheft. Alleen komt ook deze ‘hemelvaart’ in laatste instantie tot stand vanuit de krachten van de erfelijkheid, die in het fysieke lichaam sluimeren. Christus toont hem het principe van de nieuwe weg naar de wereld van de Geest: niemand kan de hemelvaart op de juiste wijze bereiken dan díe wezenheid in de mens, die zelf uit de hemel afkomstig is, namelijke de geestelijke mens, wiens ware wezen goddelijk is: ‘Niemand is naar de hemel opgestegen, behalve hij die uit de hemel is neergedaald: de Mensenzoon.’ (Joh. 3 : 13)

Nikodemus was geheel op de hoogte van het geheim van de ‘Mensenzoon’. Vanuit de spirituele stroming waarvan hij deel uitmaakte, kon hij onder de ‘Mensenzoon’ alleen in zoverre de geestelijke mens verstaan, zoals deze uit de krachten van de bloedverwantschap en de erfelijkheid wordt geboren in de wereld van de Geest. Het oude principe van dit ‘zoonschap’, dit ‘Zoon des Mensen-zijn’ verloor zijn geldigheid. ‘En zoals Mozes in de woestijn de slang heeft opgericht, zo moet de mensenzoon hoog opgericht worden.’ (Joh. 3 : 14)

In de tijd van Mozes was de heidense weg, die tot een magische schouwen toegang gaf, en die door het beeld van de slang werd gesymboliseerd, decadent geworden en doodgelopen. Doordat Mozes de om de kruisstam gewonden koperen slang oprichtte, stichtte hij ter genezing van het bewustzijn het teken van de esculaap.
[Nehushtan of Nohestan (Hebreeuws: נחושתן of נחש הנחושת neḥushtan, "Koperslang" of "slang van koper”) was volgens de traditie in de Hebreeuwse Bijbel een bronzen of koperen slang aan een paal die Mozes in opdracht van JHWH oprichtte. (Numeri 21:6-9)]

Door de aanblik van dit teken werd het volk genezen van de koortsachtige extase, waartoe het door de aanraking met de decadente heidense volkeren was vervallen. Aan een kruisstam zal de ‘Mensenzoon’ eens opgericht zijn, ten teken dat alle krachten waaruit de mens tot aan die tijd toe heeft geleefd, ten dode zijn opgeschreven.
Maar het lichaam dat aan het kruis hangt, zal niet slechts het dode lichaam van de ‘Mensenzoon’ zijn, maar tegelijk het aardse omhulsel waarin de ‘Godszoon’ gedurende drie jaren heeft geleefd. Hier mondt het einde van de oude weg uit in het genaderijk geschonken begin van een nieuwe weg.

[…] Tot Nikodemus moest Christus eerst over de tragiek van de ‘Mensenzoon’ speken, die slechts van de aarde uit naar de wereld van de Geest streeft. Maar Hij laat op het woord over de ‘Mensenzoon’ woorden over de ‘Godszoon’ volgen. (Die aanvullende woorden zijn jammer genoeg niet in de perikooplezing van deze dag opgenomen.):

‘Want God heeft de wereld zo liefgehad, dat hij de Zoon, de eengeborene, heeft gegeven, opdat wie in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar het eeuwig leven heeft. Want God heeft de Zoon niet in de wereld gezonden om over de wereld te oordelen, maar om door Hem de wereld te redden.’ (Joh. 3 : 16-17)

Wanneer de principes van de van onderaf geboren ‘Mensenzoon’ en van de van bovenaf geboren ‘Godszoon’ elkaar doordringen, dan doorstaat de mensheid de crisis die ten dode kan voeren. Het woord over de ‘Godzoon’ (Want God heeft de wereld zo liefgehad…enz.) heeft men maar al te vaak uit zijn verband gerukt, in egoïstisch streven om gesticht te worden. In de met grote precisie voortschrijdende onderwijzing van leraar tot leraar, dat Christus aan Nikodemus als ingewijde te beurt laat vallen, behoren beide uitspraken over de ‘Mensenzoon’ en de ‘Godszoon’ onafscheidelijk bij elkaar.

Het ware beeld van de mens zal in de donkere uren op Golgotha de mensheid opnieuw voor ogen worden gesteld. Maar doordat daarin de ‘Mensenzoon’ en de ‘Godszoon’ één worden, gaat de dood over in de opstanding. Het heeft diepe betekenis dat Christus tijdens het nachtelijke gesprek in het geestgebied door zijn profetische woorden het kruis op Golgotha voor het geestesoog van Nikodemus laat verrijzen. Nikodemus zal behoren tot diegenen die  op Goede Vrijdag onder dit kruis staan.

bron:
Emil Bock: ‘Die Drei Jahre’ - Urachhaus, Stuttgart 1981 (1946)
vertaling: ’Van de Jordaan tot Golgotha’ - Christofoor, Zeist

Nikodemus, beeldengroep graflegging: Groß St. Martinkerk (Keulen)


maandag 17 april 2017

Het stoffelijk overschot als bron van vernieuwing (deel 8 - slot)

Matthias Grünewald: Isenheimer Altaar.
"Het is niet zonder betekenis of de mens op aarde leeft of niet." […] De mens is "het medium waardoor voortdurend bovenzinnelijke krachten kunnen doordruppelen naar de zintuiglijk fysieke wereld. […] Zonder de stoffelijke overschotten van de mensen was de aarde dus allang dood."
uit: Algemene Menskunde als basis voor de pedagogie (GA 293) 3e voordracht -23-8-1919

 

Nu volgen nog een enkele uitspraken van Rudolf Steiner over dit thema:

“Wat de mens met zich meedraagt als zijn fysieke lichaam is gedurende de tijd van zijn bestaan tussen geboorte en dood doorweven van het zielsmatige. Nu, omdat we in dit tijdperk zijn aangeland is het zelfs met een bijzonder soort van het zielsmatige doorweven: het Ik en het astraallichaam duiken volledig in het fysieke lichaam onder. En weer, of we nu door het vuur of door het begraven van het stoffelijk overschot ons fysieke lichaam aan de aarde teruggeven; voor de huidige natuurwetenschap betekent dit niets anders als: dit stoffelijk overschot bestaat uit verschillende substanties die met de dood aan de aarde worden toegevoegd en hun weg gaan naar de verschillende principes die men tegenwoordig in de organische en speciaal in de anorganische chemie bestudeert. Maar dat is allemaal pure onzin. Waar het om gaat is veelmeer dit: dat het werkelijk aan dit menselijke lichaam niet zomaar voorbij gaat dat het van geboorte tot aan de dood bewoont is door een menselijk geest-zielewezen.
En we gaan met ons stoffelijk overschot over in de aarde in een vorm, in een hoedanigheid, die hij alleen kon verkrijgen doordat hij van geboorte tot aan de dood door een wezen doorleeft was, dat voor de geboorte respectievelijk de conceptie in de geestelijke wereld als zielegeest van de mens leefde. En de aarde in haar huidige ontwikkeling zou allang zijn vervallen, zijn verlaten wanneer zij niet als een ferment, om het even of zij het door begraven of door verbranding datgene zou opnemen wat door de ziel weliswaar verlaten, maar tot aan de dood toe doorleefde menselijke lichamen zijn.”

[Der Innere Aspekt des soziale Rätsels (GA 193), 14 september 1919]

“De mens doet mee aan de ontwikkeling van de aarde en heeft zelfs een bijzonder aandeel daarin. En zelfs hetgeen wij na de dood aan de aardeontwikkeling overgeven heeft voor haar betekenis. En het andere wat met de mens in zijn ontwikkeling, speciaal vanaf het de moderne tijd gebeurt, is het volgende: dat wanneer hij als hij op een leeftijd is aangekomen en ouder dan zevenentwintig, achtentwintig jaar wordt, dat hij dan met zijn fysieke lichaam in de waaktoestand op een heel speciale manier een verbinding aangaat die op een hele speciale manier op de geestelijke wereld, op de bovenaardse wereld inwerkt. Dat is een merkwaardige polariteit in de ontwikkeling van de mens gaat de mens door de poort van de dood, laat hij zijn lichaam achter, dan splitst er zich van dit lichaam iets af wat dient als ferment van de aardeontwikkeling. Komt hij dan in zijn leven in de periode tussen de achtentwintig en vijfendertig jaar, dan geeft hij iets aan de geestelijke wereld af wat voor de geestelijke wereld noodzakelijk is. …Wat men daar aan de geestelijke wereld afgeeft dat is het allerbelangrijkste wat men terugvindt als men na de dood in de geestelijke wereld het leven andersom beleeft. En dat is datgene wat men werkelijk aan de bovenaardse wereld afgeeft zoals men het stoffelijk overschot aan de aardse wereld afgeeft." (idem)

Door de wetten en krachten van de natuur worden we voortdurend op het verleden gewezen, op het sterven van de aarde. Opdat “de uiterlijke natuur niet zal sterven moet aan haar toegevoegd worden wat de mens door zijn astraallichaam en Ik bezit. Dat wil zeggen; omdat hij door zijn astraallichaam en zijn Ik zelfbewuste voorstellingen heeft moet de mens, wil hij voor de anders stervende aarde de toekomst zeker stellen, datgene aan haar overdragen wat in hemzelf bovenzinnelijk en onzichtbaar is. Net zoals de mens van dat wat voor hem onzichtbaar en bovenzinnelijk van aard is, namelijk de wederbelichaming in een volgend leven op aarde, niet van een sterfelijk fysiek en etherisch lichaam kan verwachten, zo kan ook uit dat wat ons als minerale en plantaardige aardbol omgeeft geen toekomstige aarde ontstaan. Enkel en alleen wanneer wij iets in deze aarde kunnen brengen wat zij niet van zichzelf heeft, kan er een toekomstige aarde ontstaan. Maar dat, wat niet vanzelf op aarde aanwezig is, zijn in eerste instantie de werkzame gedachten van de mens die in zijn zelfstandige, van evenwichtstoestanden in hem onafhankelijk natuurorganisme leven en weven. Wanneer hij deze zelfstandige gedachten verwerkelijkt dan geeft hij de aarde toekomst. Maar dat vereist wel dat hij ze wel heeft, dit soort zelfstandige gedachten, want alle gedachten die wij ontwikkelen over datgene wat stervend in de gebruikelijke natuurkennis aanwezig is, zijn spiegelgedachten, zijn geen werkelijkheden.
De gedachten die we opnemen uit het geestesonderzoek, ontstaan levend in de imaginatie, inspiratie en intuïtie. Nemen we deze op dan zijn ze zelfstandig in het aardeleven existerende scheppingen. Over deze scheppende gedachten kon ik destijds in mijn kleine boekje over de kennistheorie van de goetheanistische wereldbeschouwing zeggen: dit denken representeert de geestelijke vorm van het communiceren van de mensheid. – Want wanneer de mens zich alleen maar overgeeft aan de spiegelgedachten over de uiterlijke natuur, dan herhaalt hij slechts het verleden, leeft hij in een lijk van het goddelijke. Maar wanneer hij zijn gedachten verlevendigt, verbindt hij zich met zijn eigen wezen, communicerend de communie ontvangend, met het - de wereld doordringende, haar toekomst zeker stellende - goddelijk-geestelijke. Zo is spirituele kennis een werkelijke communie, het begin van een bij de moderne mens passende kosmische cultus, die kan groeien doordat de mens nu gewaar wordt hoe hij zijn fysiek- minerale en zijn vegetatieve organisme met zijn astrale en zijn Ik-organisatie doortrekt, hoe hij, doordat hij in zichzelf de geest levend maakt, nu ook in dat wat hem als iets doods, als iets stervends omgeeft, de geest binnenhaalt. … Wat eerst nog abstracte kennis was, wordt tot een voelende en willende verhouding tot de wereld. De wereld wordt tot een tempel, de wereld wordt tot een godshuis. De kennende mens, zichzelf opheffend tot voelen en willen, hij wordt een offerend wezen."

[Das Verhältnis der Sternenwelt zum Menschen (GA 219), 31 december 1922]


De verandering van het fysieke lichaam in de loop van het leven

Het verteringsproces


De aanwijzing van Rudolf Steiner dat het lichaam in het verloop van het leven verandert, vestigt de aandacht op de stofwisseling. De stofwisseling is de lichamelijke basis voor de wil.
“Nu ontstaat de vraag: welk verband bestaat er eigenlijk voor de tegenwoordige mens – en daar hebben we het nu over – tussen de wilskrachten van de mens, die in zijn zwaartepunt zijn geconcentreerd, en tussen de uiterlijke fysieke en chemische krachten? – Onder normale omstandigheden komt dit verband alleen in de menselijke stofwisselingsprocessen tot uitdrukking. Als de mens de stoffen uit de buitenwereld in zich opneemt, dan is het eigenlijk zijn wil die deze stoffen verwerkt, verteert. En wanneer er niets anders zou werken als deze wil dan zou datgene wat van buitenaf opgenomen werd alleen maar afgebroken worden. De menselijke wil draagt de kracht in zich alle overige krachten om te zetten, op te lossen, en het verband tussen de mens en de overige minerale, plantaardige en dierlijke natuur is vandaag de dag een zodanige, dat zijn wil verband houdt met de afstervende krachten van onze planeet, met de vernietigende krachten van onze planeet. We leven van deze vernietiging maar het is en blijft een vernietiging. We zouden niet kunnen leven wanneer wij deze vernietiging niet tot stand zouden brengen. … We hangen door onze wil dus werkelijk samen met de ondergangskrachten van onze aardeplaneet. …
De mens is een dubbelwezen. Het ene deel van zijn wezen staat in verband met de afbrekende krachten van onze planeet, het andere deel van zijn wezen, dat zijn intelligente deel is, is zoals we al hebben vermeld, door de brug van het gemoed verbonden met de wil. Maar deze intelligentie van de mens komt met betrekking tot onze aardeplaneet zeer weinig aan bod, in zoverre wij in een waaktoestand verkeren. We zijn, als wij wakker zijn, eigenlijk niet in staat om via onze intelligentie een juiste verhouding tot het aardebestaan tot stand te brengen. Precies zoals de oorzaken van al de aardse afbraak (!) in de menselijke wil
liggen, die in het zwaartepunt van de mens is geconcentreerd, zo liggen de opbouwende krachten in de sfeer die de mens betreedt gedurende de slaap. Vanaf het moment van inslapen tot aan het wakker worden is de mens met zijn Ik en zijn astraallichaam in een toestand die we normaal gesproken zo beschrijven dat we figuurlijk zeggen: Het Ik en het astraallichaam zijn buiten het fysieke lichaam. Maar daar is de mens dus helemaal een geestelijk-zielsmatig wezen en daar ontwikkelt hij krachten die juist tussen inslapen en ontwaken actief worden. En gedurende deze tijd staat hij door die krachten in verbinding met alles wat de planeet aarde opbouwt, wat de opbouwende krachten aan de vernietigingskrachten toevoegen.”
[Soziales Verständnis (GA 191), 9 november 1919]

De slaap als kleine broeder van de dood brengt de mensen met de opbouwende krachten van de aarde in verbinding.
De wil is ook kiem en deze kiem heeft een gigantische kracht; denk alleen maar eens met wat een kracht kiemende planten door een asfaltlaag heen kunnen breken. Deze wil staat in eerste instantie diametraal tegenover de voorstelling.
“Wanneer wij denken, wanneer wij voorstellen speelt natuurlijk ook de wil mee in ons voorstellen, maar dan wel in een zeer, zeer verfijnde toestand. De mens merkt niet hoe de wil pulseert in zijn voorstellen en hoe anders de wil in zijn wezen werkt; dat weet hij dus niet. Het mysterie van de wil is op een bepaalde manier door de uitsluitend intellectualistische cultuur van de nieuwe tijd voor de moderne mens volledig ondergesneeuwd geraakt. Wanneer je nu met de middelen van de geesteswetenschap het onderzoek naar de wil in gang zet, dat wil zeggen, wanneer je probeert met behulp van imaginatie en inspiratie krachten op te wekken waarmee je, in de drukte die ontstaat wanneer de mens wil, kan schouwen, dan merk je dat in ons fysieke leven tussen geboorte en dood het willen werkelijk verbonden is, niet met opbouwkrachten, maar met afbraakkrachten. … Als in onze hersenen zich alleen opbouwende krachten zouden afspelen, dan zou er alleen dat gebeuren, wat bijvoorbeeld meestal bij het opnemen van de levenskrachten uit de voeding gebeurt. Ons ziele- en geestesleven door het zenuw- en hersengereedschap zou zich niet kunnen ontwikkelen. Alleen doordat er voortdurend iets in onze hersenen wordt afgebroken, dat er steeds vernietigingskrachten in aanwezig zijn, kan het ziele- en geestesleven er in aanwezig zijn. Maar daarin werkt nu ook juist de wil. De wil van de mens is in feite iets wat tijdens ons fysieke leven al voor een deel met de dood van de mens bezig is. Met betrekking tot de organisatie van ons hoofd sterven we voortdurend; en alleen doordat in de rest van onze organisatie tegen dit voortdurende sterven in het hoofd wordt ingewerkt, leven wij. En vooral de wil is in dit hoofdleven actief. In ons hoofd vindt voortdurend hetzelfde plaats wal buiten ons om objectief in de buitenwereld gebeurt wanneer wij door de fysieke dood zijn gegaan. Voorzover wij menselijke individualiteiten met ons geestelijk- psychisch wezen door de poort van de dood zijn heengegaan, hebben wij met ons stoffelijk overschot niets te maken, maar voor het heelal is het heel belangrijk, want het wordt, op welke manier maakt niets uit, door verbranding of door begraven, aan de elementen van de aarde overgeleverd; en daar zet zich op ongeveer dezelfde wijze voort wat onze menselijke wil gedeeltelijk in ons zenuwsysteem, in ons zintuigsysteem doet gedurende het leven tussen geboorte en dood. We stellen voor, we denken, doordat onze wil iets in ons afbreekt. We dragen ons stoffelijk overschot over aan de aarde en met hulp van dit zich oplossende stoffelijk overschot, dat nu het zelfde proces voortzet wat gedeeltelijk in ons leven plaatsvond, ‘denkt en stelt voor’ de aarde als totaliteit.
Dat … wat zich voortdurend afspeelt in de aarde door de wisselwerking tussen het van origine aardse en datgene wat zich in de aarde afspeelt door het verbinden van met de gestorven menselijke lichamen, is een activiteit die in zijn hoedanigheid volstrekt hetzelfde is als de wilsactiviteit die in onszelf voortdurend onbewust wordt uitgeoefend, en bij afbraak, afgebroken wordt, tot iets lijk- achtigs wordt verwerkt, tussen geboorte en dood in ons zenuw- zintuigsysteem. Tussen geboorte en dood werkt door de afbraak, dezelfde wil, als die zich met ons Ik verbindt, binnen de grenzen van onze huid. Dezelfde wil ook die kosmisch door middel van ons
stoffelijk overschot na onze dood in het denken en voorstellen van de totale aarde werkt, als wij dus ons stoffelijk overschot aan de aarde hebben geschonken. Zo zijn wij kosmisch verbonden met datgene wat je het geestelijk-zielsmatige proces van het totale aardebestaan zou kunnen noemen. Dit is een zeer belangrijke voorstelling, want ze plaatst de mens concreet in het kosmische van ons aardebestaan.”
[Weltsilvester und Neujahrsgedanken (GA 195) 28 december 1919]

Daarmee wordt ook in dit verband aangeduid hoe belangrijk juist het ‘reine’ denken is, omdat het tussen wil en voorstelling bemiddelt.
“Dat is juist een ongelooflijk belangrijk iets in de ontwikkeling van ons na-atlantische tijdperk, dat onze ziel en onze geest, ons Ik en ons astraallichaam nu pas volledig in het fysieke lichaam en etherlichaam kunnen onderduiken; in onze huidige tijd pas voor het eerst – later zullen de verhoudingen zich weer wat wijzigen – na het zevenentwintigste en achtentwintigste jaar. Dat is een belangrijk geheim in de ontwikkeling van de mensheid. De mens maakt het eigenlijk nu pas voor het eerst mee dat hij helemaal in zijn fysieke lichaam onderduikt en zelfs pas dan wanneer hij helemaal volwassen is geworden; met zevenentwintig, achtentwintig jaar. En wat betekent dit volledig onderduiken in het fysieke lichaam?
Dat betekent dat wij door dit onderduiken in staat zijn om dat soort gedachten te ontwikkelen, die ideeën te ontplooien, die de materialistische, natuurwetenschappelijke ideeën zijn sinds de tijd van Galileï en Copernicus. Voor dit soort ideeën, voor dit soort opvattingen is ons fysieke lichaam het juiste gereedschap. Dat was in het verleden niet mogelijk met ons waakbewustzijn, vandaar ook dat het natuurwetenschappelijke denken er nog niet was. Dat is helemaal aan het fysieke lichaam gebonden.”

[Der Innere Aspekt des soziale Rätsels (GA 193), 14 september 1919]

Na deze uiteenzettingen ligt het voor de hand om ook de stofwisseling en de daarmee verbonden spijsverteringsprocessen er bij te betrekken, die immers duidelijk onder invloed van ‘iets’, namelijk het reine denken, staan. Vanuit een ander perspectief is het de geestkiem die vanaf de conceptie in de mens actief is. Want deze geestkiem wordt als oerbeeld van het fysieke lichaam vooruit gestuurd, daalt af in de “bevruchte mensenkiem en vormt daar het groei-element.” (GA 218- 7-12-1922) Ook dit is iets waar Rudolf Steiner regelmatig over spreekt, want hij streeft er naar om het dualisme te overwinnen en – als derde element naast het voorstellen en waarnemen – het denken tot in zijn effecten in de lichamelijke organisatie en daarmee ook in de stofwisseling aan te tonen.
“(De mens) is in zijn leven hier op aarde zo aangepast dat hij bepaalde processen, die het dier helemaal doorzet, dat hij die niet tot het eind doorzet in zijn puur natuurlijk organisatie. Het dier wordt op een bepaalde manier helemaal ‘af’ geboren voor al zijn functies. De mens moet deze functie eerst zelf, door opvoeding enzovoorts, zien te verkrijgen. En wat zich hier in de mens afspeelt is in feite alleen een uiterlijke uitdrukking voor iets wat zich ook organisch voltrekt. Als je de stofwisseling van het dier op de juiste manier, geesteswetenschappelijk, bestudeert dan zie je dat de stofwisseling van het dier verder doorgezet is dan de stofwisseling van de mens.”
(Je kunt daarbij bijvoorbeeld denken aan het feit dat dieren met hun spijsvertering aan voedingsmiddelen aangepast zijn die voor mensen dodelijk zouden zijn; van insecten tot de aaseters en de herkauwers tot de gewervelde dieren toe, overal zijn hooggespecialiseerde spijsverteringsprocessen aanwezig. De mens is echter aangewezen om zijn voedsel door koken, roosteren, braden, fermenteren, bakken enzovoorts te bereiden, zodat het voor hem eetbaar wordt)
“De stofwisseling van de mens moet in een eerder stadium tegengehouden worden dan de stofwisseling van de dieren. Wat in de dieren naar een bepaalde hoogte wordt gedreven, moet bij de mens op een eerder niveau blijven staan. De mens mag, als ik me een beetje triviaal uit mag drukken, niet zo ver verteren als een dier. De mens moet eerder in het spijsverteren halt houden als het dier. Doordat de spijsvertering is teruggehouden doet hij krachten op die de fysieke drager worden van datgene wat door hij door de wil naar het hoofd stuurt.”
[Entsprechungen zwischen Mikrokosmos und Makrokosmos (GA 201), 1 mei 1920]

“We zullen er speciaal dat proces eruit lichten waarin zich, naast de smaakwaarnemingen, de voeding zich voltrekt. Daar zien we allereerst, terwijl de smaakwaarneming zich afspeelt en de voedingsopname in wordt geleid, dat uiterlijke stoffen opgelost worden door sappen die afkomstig zijn uit het menselijke organisme. Die uiterlijke stoffen, welke de plant opneemt uit de levenloze natuur zijn eigenlijk, in ieder geval in principe, gevormd. En stoffen in de levenloze natuur die op aarde geen vorm hebben zijn eigenlijk uit elkaar gevallen. We moeten eigenlijk in alle stoffen naar de kristallen zoeken. En al die stoffen die we niet in gekristalliseerde vorm, die we vormloos of als stof of iets dergelijks vinden dat zijn eigenlijk vernielde kristallisaties. En uit de gekristalliseerde levenloze natuur neemt de plant haar stoffen en bouwt ze dus op in de vorm op die de plant kan maken. Vervolgens neemt het dier daar weer haar stoffen op enzovoort. Zodat we kunnen zeggen: buiten in de natuur heeft alles haar vorm, heeft alles zijn gestalte. Als de mens deze gestalten in zich opneemt lost hij ze weer op. … Dat alles gaat op een bepaalde manier in het waterige, in het vloeibare over. Maar wanneer de mens dat opneemt in het waterige, in het vloeibare, dan bouwt hij innerlijk deze vormen weer op uit datgene wat hij eerst heeft opgelost. Hij schept deze gestalten weer. Wanneer wij zout tot ons nemen dan lossen we het door het vloeibare in ons organisme eerst op, maar daarna vormen we opnieuw wat eerst het zout was. Wanneer we een plant opnemen, dan lossen we eerst alle stoffen van deze plant op, en we vormen hem innerlijk opnieuw. Maar we vormen hem nu niet in het vloeibare, maar in het etherlichaam van de mens.
Nu is er het volgende aan de hand: Als u zich terug verplaatst in de oude tijden van de mensheidsontwikkeling, nam de mens bijvoorbeeld zout tot zich. Hij loste dat op en de oplossing vormde zich opnieuw in zijn etherlichaam, en in zijn etherlichaam was nu de zoutkubus; vandaar dat hij wist: het zout heeft de vorm van een kubus. En ze beleefde de mens als hij in zijn innerlijk onderdook dus ook de natuur in zijn innerlijk. De wereldgedachten werden zijn gedachten. Dat, wat hij als imaginatie zag verschijnen, als een droomachtige imaginatie, waren in de mens verschijningen, zich etherisch vormende gestalten, die wel de gestalten van de wereld waren. Maar nu brak de tijd aan dat de mens de mogelijkheid om in zich zijn oplossingsprocessen en opbouwende processen innerlijk mee te maken kwijtraakte en hij was er meer en meer op aangewezen de vragen aan de uiterlijke natuur te stellen. Hij kon niet meer in zijn innerlijk door aanschouwing beleven dat het zout een kubusvorm heeft. Hij moest in de uiterlijke natuur onderzoeken wat de vorm van het zout was. Zo werd de mens uit het innerlijk weggeleid en naar het uiterlijke toegetrokken. Deze radicale verandering naar de toestand dat hij de wereldgedachten niet meer in de zelfwaarneming van zijn etherlichaam beleefde, voltrok zich vanaf het begin van de 15e eeuw en was bijvoorbeeld al behoorlijk doorgedrongen in de tijd dat Giordano Bruno, Jacob Böhme en Baco von Verulam leefden.
… Alle stoffen zijn, voor zover zij voedingsstoffen zijn, zouten. Die lossen op. In het zout, in de zouten zijn de wereldgedachten op de aarde uitgedrukt. En de mens vormt opnieuw deze wereldgedachten in zijn etherisch lichaam. Dat is het zoutproces. Zo sprak Jacob Böhme stamelend datgene uit wat in vroeger tijden nog door een innerlijk beleven werd herkend. … Jacob Böhme legde de relatie tussen het denkproces, het proces dat men de wereld zich voorstelt in beelden, samen met het zoutproces, met het proces van het oplossen en het weer opnieuw vormen.
… De wereld opgebouwd uit gedachten die we belichaamd zien in de kristallisaties van de aarde, die de mens opnieuw opbouwt in zijn etherlichaam en in het kennen kan meebeleven, dat was vroeger een inzicht dat op een bepaald moment verdween.
Als men zich verplaatst in een oude geheime leer en men zou luisteren naar de manier waarop zo’n mysterie-ingewijde het heelal zou hebben beschreven, dan zou men ongeveer het volgende horen, precies zoals ik het net heb beschreven: overal in het Wereld-al werken de wereldgedachten, werkt de Logos. Schouwt de kristallisaties van de aarde! Daar vindt u de belichamingen van de afzonderlijke woorden van de universele Logos.”

[Lebendiges Naturerkennen (GA 220), 13 januari 1923]

De resultaten van de stofwisseling moeten weer tot in de afscheidingen te zien zijn.
“Zo stelt men het zich ruwweg, grofweg voor, laten we zeggen, daar buiten zijn de voedingsstoffen; het dier neemt ze op, slaat datgene op wat het kan gebruiken en scheidt datgene af wat het niet kan gebruiken. En men moet dan op verschillende dingen letten, bijvoorbeeld dat het dier niet wordt overvoerd, dat het voldoende voeding krijgt toegediend dat zo veel mogelijk voedingsstoffen bevat. … Ziet u, men heeft het over verbrandingsprocessen in het organisme. In het organisme zit natuurlijk helemaal geen verbrandingsproces en de verbinding van deze of gene stof met zuurstof betekent in het lichaam heel wat anders dan een verbrandingsproces. Een verbranding is een proces in de minerale levenloze natuur. Bovendien, net zoals een organisme iets anders is dan een kwartskristal, zo is ook datgene wat men beschrijft als verbranding in een organisme niet het dode verbrandingsproces zoals dat in de buitenwereld zich afspeelt, maar is het iets levends, het is zelfs iets gevoelsmatigs.”
[Vruchtbare landbouw op biologisch-dynamische grondslag (GA 327), 16 juni 1924]

“Laten we nu, omdat het om het voederen gaat, van het dier uitgaan. Bij het dier hebben we niet zo’n scherpe driegeleding van het organisme als bij de mens. We hebben bij de dieren ook de zenuw- zintuigorganisatie en het stofwisselings-ledematenstelsel. Die zijn duidelijk van elkaar gescheiden, maar de middelste, de ritmische organisatie is bij verschillende dieren wat vervaagd. Er gaat iets uit de zintuigorganisatie en de stofwisselingsorganisatie over in het ritmische zodat men eigenlijk anders over het dier moet praten dan over de mens.”

[Vruchtbare landbouw op biologisch-dynamische grondslag (GA 327), 16 juni1924]

De hersenen worden door de voedingsstroom uitgescheiden zoals op een andere manier de excrementen.
“De hersenmassa is gewoon een tot het einde toe doorgevoerde darmmassa. Vervroegde hersenafscheiding gaat door de darm. De darminhoud is voor wat het zijn processen betreft echt verwant met de herseninhoud. Als ik wat grotesk redeneer zou ik zeggen, wat zich in de hersenen uitbreidt, is een verder ontwikkelde mesthoop, zakelijk gezien is dat helemaal juist. Het is de mest die door het eigen organische proces in de edele massa van de hersenen omgezet wordt en daar de basis wordt voor de Ik-ontwikkeling. Bij de mens wordt zo veel mogelijk omgezet van buikmest naar hersenmest, omdat de mens zijn Ik op aarde draagt; bij het dier minder, daar blijft het meer binnen in de buikmest dat dan tot werkelijke mest wordt omgezet. Daar zit meer Ik in aanleg in. Omdat het dier het niet tot een Ik brengt blijft daar meer Ik in aanleg in zitten. Daarom zijn dierlijke mest en menselijke mest twee totaal verschillende dingen. In dierlijke mest zit Ik-aanleg.”
[Vruchtbare landbouw op biologisch-dynamische grondslag (GA 327), 16 juni1924]

Kras uitgedrukt betekent dat: De darminhoud is met de hersenen te vergelijken…
“De hersenen zijn uitwerpselen van het denken.”
[Natur und Mensch (GA 352), 23 februari 1924]

"De excrementen zijn iets wat uit het levensproces is ‘uitgeworpen’, zij vormen iets wat uit de hogere ontwikkeling is gevallen en zijn tegelijk door een omzetting de basis voor de economie van de toekomstige plantenkieming."
[Natur und Geistwesen (GA 98), 07 juni 1908]

Bron:
Stephan Leber: Kommentar zu Rudolf Steiners Vorträgen über Allgemeine Menschenkunde als Grundlage der Pädagogik, Band I (Stuttgart 2002, Verlag Freies Geistesleben)
Exkurs: Die Erneuerungskräfte der Leichname
Vertaling: Bert Verschoor