donderdag 21 maart 2024

De drie opwekkingen in de evangeliën in het licht van het Mysterie van Golgotha


Liane Collot d' Herbois: Golgotha

Voorafgaande aan de opstanding van Christus uit het graf op Golgotha, vinden we als preludes daarop in de verschillende evangeliën drie andere verhalen over opwekkingen: de opwekking van het dochtertje van Jaïrus (Mattheüs 9:18-26), de opwekking van de jongeling van Naïn (Lucas 7:11-17), en de opwekking van Lazarus (Johannes 11:1-44). 
Deze laatste gebeurtenis was aanleiding voor de hogepriesters en de farizeeërs om in het Sanhedrin bij elkaar te komen en te overleggen wat zij zouden moeten doen. Op die bijeenkomst spreekt de hogepriester Kaïfas de profetische woorden:  ‘Besef toch dat het in jullie eigen belang is dat één mens sterft voor het hele volk, zodat niet het hele volk verloren gaat.' (Joh. 11:51). 
En vanaf die dag overlegden zij hoe ze Hem zouden doden. (Joh. 11:53).
Door het geesteswetenschappelijk onderzoek van Rudolf Steiner is het ons moderne mensen mogelijk gemaakt om niet alleen volgzaam gelovig, maar ook met ons denken toegang te krijgen en begrip te ontwikkeling voor wat zich heeft voorgedaan. Steiner wees er veelvuldig op, dat het Mysterie van Golgotha als mystiek feit de vervulling van de oude mysteriën was en tegelijk een impuls tot voortgang van de mensheid en de aardeontwikkeling.

De cultuurtijdperken, die hier op aarde zijn ontstaan en voorbijgegaan, bevatten een kiem, die bevrucht kon worden door de Christusimpuls en zij zullen opnieuw tot bloei komen in de tijdsperioden, die volgen na het Mysterie van Golgotha. Rudolf Steiner illustreerde dit met het voorbeeld van de geschenken, die de drie magiërs bij hun bezoek aan het Jezuskind in Bethlehem meebrachten.

Het Evangelie volgens Mattheüs vertelt ons hoe de drie magiërs uit het Oosten komen om hun wierook, goud en mirre aan te bieden aan het pasgeboren kind Jezus, de herboren Zarathustra. Zij brengen hulde aan hun opnieuw geïncarneerde meester, die in zijn verschillende incarnaties in de drie voorgaande culturele tijdperken heeft gewerkt. Zij zijn als het ware de bewaarders van de oude schatten van wijsheid uit de oude Indiase, oude Perzische en Egyptisch-Babylonische tijdperken. En door deze aan de voeten van het kind Jezus te leggen in de symbolische vorm van wierook, goud en mirre, wijzen zij er als het ware op, hoe hetgeen in deze perioden als cultuurkiemen heeft gewerkt alleen voor de mensheid gered kan worden, wanneer het doordrongen wordt van de Christuskracht, die dit kindje op een dag zal bezielen. Zijzelf zullen deze wederopstanding van de wijsheidsschatten van hun culturele tijdperken niet meer meemaken. ‘Ze keerden via een andere route terug naar hun land’

Wat de drie wijzen uit het Oosten [met hun geschenken] aan het Kind Jezus offerden als cultuurkiemen, wordt door Christus opgewekt. Het bevat de krachten, die deze drie latere cultuurperioden werkelijk met de Christusimpuls kunnen doordringen. Het derde na-Atlantische tijdperk met alles, wat het als wijsheid bevatte, zal door Christus worden opgewekt, zodat het ons vijfde na-Atlantische tijdperk kan bevruchten. Het tweede tijdperk, dat van Zarathustra, zal worden opgewekt, zodat het ware begrip van Christus aanwezig kan zijn in het zesde na-Atlantische tijdperk. En het eerste, het oud-Indiase tijdperk, beleeft zijn wederopstanding in het zevende na-Atlantische tijdperk met de hulp van de Christuskracht. En in elk van die gevallen moet Christus een bepaalde persoonlijkheid opwekken, een menselijke ziel, die door lotsbestemming werd geroepen om de speciale drager te zijn van de cultuurkiemen uit de oudheid, en die tegelijkertijd de ziel is, die ervoor kan zorgen dat, wat Christus als gaven aan de mensheid gebracht heeft, ook wordt voortgezet, dat het begrip van Christus en zijn missie ook in latere tijden op de juiste wijze aan de mensheid kan worden bijgebracht. Laten we achtereenvolgens naar deze opwekkingen kijken.

Ten eerste vinden we in het evangelie volgens Lucas (7e hoofdstuk) een ontroerend verslag van de opstanding van de jongeling in Naïn. Elk woord in dit verhaal is veelzeggend en geeft aan hoe het hele derde na-Atlantische tijdperk, de Egyptisch-Chaldeïsche cultuur, in de jongeling te Naïn leefde, precies zoals het zich kon ontwikkelen onder invloed van de krachten, die in die tijd op de menselijke ziel inwerkten. 

Rudolf Steiner: "De jongeling van Nain in het Evangelie van Lucas is niemand anders dan de jongeling van Sais. [...] De jongeling van Sais wilde zonder voorbereiding de geheimen van de geestelijke wereld leren kennen; net als de andere ingewijden wilde hij een ’zoon van de weduwe‘ worden, van Isis, die rouwde om het verlies van haar man Osiris. Maar omdat hij onvoorbereid was, omdat hij het beeld van Isis op het fysieke vlak wilde onthullen en de hemelse geheimen wilde schouwen, stierf hij. Geen sterveling kon op dat moment de sluier van Isis oplichten. De jongeling van Sais symboliseert de machteloze wijsheid van de Egyptische tijd. Hij wordt wedergeboren, hij groeit op als de jongeling van Naïn. Hij is dan opnieuw een ’zoon van de weduwe‘, en opnieuw sterft hij op jonge leeftijd.


En Christus Jezus naderde, terwijl de dode uit de stadspoort werd gedragen. En ’veel mensen uit de stad‘ waren bij zijn moeder. Dat is de schare van Egyptische ingewijden. [...] Christus Jezus had medelijden met de moeder, die daar stond als Isis, de zuster en gemalin van Osiris. En hij zei: ’Jongeling, ik zeg je, sta op!’ ’En de dode stond op en begon te spreken, en Hij gaf hem aan zijn moeder.’ [...] De zoon werd teruggegeven aan zijn moeder. Het is nu aan hem om zich volledig met haar te verbinden. ’En de omstanders loofden God en zeiden: Een groot profeet is onder ons opgestaan‘. Want de jongeling van Naïn ontving door Christus Jezus, met de inwijding, door deze opstanding, een kiem die pas in zijn volgende incarnatie tot bloei kon komen. Een groot profeet is de jongeling van Nain geworden, een machtige godsdienstleraar! In de derde eeuw na Christus verscheen voor het eerst in Babylonië Mani of Manes, de stichter van het manicheïsme."

Dan is er de opwekking van Lazarus:
Rudolf Steiner: "Het tweede na-Atlantische tijdperk is dat van Zarathustra. Hij had dus een speciale verbinding met Christus. Want Zarathustra wees op de zonnegod, Ahura Mazdao, die de aarde naderde en die niemand minder was dan de toekomstige Christus. En in zijn hele missie maakte Zarathustra de weg vrij voor Christus door te onderrichten om de aarde te koesteren en te bewerken en niet te vluchten voor de kwade machten, maar juist om ze te overwinnen en op die manier te verlossen. [...] Het Ik van Zarathustra, het hoogst ontwikkelde menselijke ik, werd uitverkoren om achttien jaar te verblijven in de omhulsels, die daarna de Christusgeest zouden opnemen. Zijn Ik verliet die omhulsels kort voor de Johannes’ Doop in de Jordaan. Hij was dus niet belichaamd, toen Christus op aarde rondtrok. 
[...]
Dus Christus Jezus kon Zarathustra niet opwekken als de aangewezen vertegenwoordiger van het tweede na-Atlantische tijdperk. Maar in die tijd was er een andere individualiteit op aarde geïncarneerd als een soort vertegenwoordiger, wiens ontwikkeling en belangrijkste missie voor de mensheid op een bijzondere manier parallel liep aan die van Zarathustra. Dit was Lazarus.


[...] ‘Toen sprak Thomas, die de Tweeling genoemd wordt, tegen de discipelen: ‘Laten we met Hem meegaan, opdat we met Hem sterven.’” (Joh. 11:16). Bij deze opwekking, die met Lazarus plaatsvond, behoorden de zielen van het tweede na-Atlantische tijdperk, vertegenwoordigd door Thomas, de ‘Tweeling’. Want het tweede na-Atlantische
tijdperk was het tijdperk van Tweelingen.[...] Dat wat leefde als een culturele kiem in het oude Perzische tijdperk is niet gestorven. Het ging niet om een opwekking van een dode, maar om de inwijding van een levende. Dat is het grote verschil tussen deze opwekking en de andere twee."

Als derde is er de opwekking van het dochtertje van Jaïrus.
Rudolf Steiner daarover: "Toen Christus Jezus op aarde rondtrok, waren er alleen nog nakomelingen van het derde na-Atlantische cultuurtijdperk over. Het tweede na-Atlantische tijdperk was als cultureel centrum bijna volledig van de aarde verdwenen, met slechts her en der verspreide volgelingen van de vaak ontaarde Zarathustra-religie. Het oude Indiase culturele tijdperk, het oudste en meest spirituele, had zijn afstammelingen zowel in de tijd van Christus Jezus als in onze eigen tijd, ook al was de cultuur zwak geworden en geïnfecteerd door materialisme. Het is het tijdperk dat als laatste zal opstaan, het tijdperk dat het langst zal moeten wachten.
En deze opstanding wordt ons op mysterieuze wijze verteld in het verhaal van de opstanding van het twaalfjarige dochtertje van Jaïrus en de genezing van de vrouw, die al twaalf jaar aan bloedingen leed. Het meisje is de dood nabij en Christus Jezus moet haar genezen. Maar er is ook de vrouw, wier ziekte begon bij de geboorte van dit meisje. Het bloed, het leven stroomt uit haar weg. Het is dat wat er geworden is van de eens zo bloeiende geestelijke cultuur van het oude India, wat niet genezen kon worden door de doktoren, want geen van de yogische methodes, geen Vedanta- geen Vedanta- filosofie in al haar verhevenheid kon de oud-Indiase cultuur van de ondergang redden. 

De vrouw is karmisch verbonden met het meisje, dat twaalf jaar oud is. Dit houdt in, dat de ontwikkeling van het etherlichaam bijna voltooid is. De oude Indiase cultuurperiode was de tijd van de ontwikkeling van het etherlichaam. Dat wat in de oud-Indiase cultuur als kiem in dit etherische lichaam werd gelegd, moet worden opgewekt en bewaard voor het laatste, het zevende tijdperk. [...] Het is het dochtertje van Jaïrus, een “overste van de synagoge”, want de eerste cultuurperiode was die van de Brahmanen, de priesters. Mattheüs noemt de fluitspelers (9:23) die bij de doden speelden; Krishna speelde ook op de fluit en de mensen volgden dit geluid. [...] Er vond een groot mysterie plaats, want de opstanding van juist het eerste tijdperk en zijn ontwikkeling van het etherlichaam heeft te maken met diepe mysteries van de menselijke natuur."

Zo bezien kunnen we deze evangelie-verhalen lezen als opwekkende daden van Christus, zodat zij tot tot kiem kunnen worden, bevrucht  door de Christusimpuls en in omgekeerde volgorde opnieuw tot bloei zullen komen in de cultuurperioden, volgend op het Mysterie van Golgotha: de derde (Egyptisch-Chaldeïsche) cultuurperiode in de vijfde na-Atlantische tijd, de tweede (Perzische) ) cultuurperiode in de zesde na-Atlantische tijd en de eerste (oud-Indische) cultuurperiode in de zevende na-Atlantische tijd.
Het Mysterie van Golgotha zelf vormt de 'Tijdenwending'. 

Bron: Zur Geschichte und aus den Inhalten der ersten Abteilung der Esoterischen Schule 
(GA 264) - Een herinneringsnotitie van Elisabeth Vreede.
Afbeeldingen: eigen fotomateriaal van fresco's in de St. Georgkirche (Reichenau-Oberzell)
Schildering op houten paneel van Liane Collot d' Herbois (eigen foto)

Dit artikel verscheen in een iets andere vorm in Nieuwsbrief 33 van de Landelijke Ledengroep Christologie en Antroposofie van de AViN.