Posts tonen met het label handeling. Alle posts tonen
Posts tonen met het label handeling. Alle posts tonen

zondag 22 juni 2025

De cultus als de weg van de ziel naar het geestelijk-essentiële

 
een hoofdstuk uit: 
Elisabeth von Kügelgen 'Kultus als spiritueller Weg'

De religies bieden in hun ceremoniën, hun sacramenten en rituelen de uiterlijk zichtbare weergaven van hogere geestelijke gebeurtenissen en wezens. Alleen iemand die de diepgang van de grote wereldgodsdiensten nog niet heeft doorschouwd, kan de betekenis daarvan ontkennen. Wie echter zelf de geestelijke werkelijkheid kan waarnemen, zal ook begrip hebben van de grote betekenis van die uiterlijk zichtbare handelingen. En voor hem wordt dan de religieuze dienst zelf een weergave van de omgang met die wereld die geestelijke boven ons staat. 1)
***

Wat is een cultus?

Een cultus is een pad dat de menselijke ziel leidt naar de geestelijke wereld, naar geestelijke wezens, waaronder ons hogere zelf. De christelijke cultus leidt naar Christus en de sfeer van de Triniteit, van de Drie-eenheid. Een cultus is een kunstwerk geschapen door wetten en krachten die leiden tot een samenleven van micro- en macrokosmos. Of, anders gezegd: wie een cultus wil scheppen, moet zich kunnen verdiepen in het mysterie van de mens en zijn verbinding met de kosmos.
Want: “Symboliek heeft zijn grond in het wereld-al, daar ergens is het. En zo is het ook met cultus.”2)
In een cultus is niets willekeurig: ze volgt kosmische wetten, ze beeldt hen af. Die kosmische wetten leiden tot de structuur ervan en ook tot de uiterlijke vormelementen. Om een cultus te scheppen moet men "ook gevoel krijgen voor de innerlijke mathematische structuur in het universum.”3)
De zevenheid en de drieheid zijn uit het universum te verwerven en de mens is tenslotte een drieledig wezen: “dat sijpelt dan door naar de cultusvorm.”4)
Als voorbeeld wijst Steiner dan op de Kinderhandeling van de vrijscholen, Waldorfscholen.

De cultusvormen, die we in onze tijd hebben, zijn in de regel oeroud. Ze komen voort uit de wijsheid van ingewijden die een schouwend bewustzijn hadden. Rudolf Steiner heeft die wijsheid opnieuw toegankelijk gemaakt voor onze tijd. Het vormgeven aan een cultische handeling vereist kennis van de hogere werelden: “In onze tijd is het alleen mogelijk tot symbolen te komen als men zich liefdevol verdiept in de mysteries van de wereld; en alleen uit de antroposofie kan vandaag de dag daadwerkelijk een cultus of een symboliek ontstaan.”5)

De cultusvorm die Rudolf  Steiner aan de vrijscholen heeft gegeven, worden in mijn boek behandeld. Christelijk gedachtengoed en de antroposofie kunnen ons helpen de Handelingen, die een cultus is, te begrijpen, ook al kunnen wij zelf niet in de geestelijke wereld en de geestelijke wezens schouwen. Dit begrip betreft in de eerste plaats de inhoud ervan. Maar we kunnen ook een wetmatigheid ontdekken die we uit eigen ervaring kennen en die we als leraren dagelijks bij het lesgeven in de klas toepassen.

Wanneer we ons een onderwerp eigen willen maken of wanneer we tijdens een gesprek iemand echt willen begrijpen, merken we dat de ziel een vierledig proces doorloopt:
  1. We kijken naar een afbeelding, lezen voor uit een boek, luisteren naar muziek of we volgen een uitleg of instructie in de klas. Wat gebeurt er? De inhoud komt op ons af, we ontvangen een “boodschap”. Onze wakkere zintuig-mens wordt onmiskenbaar aangesproken. Deze boodschap komt van buitenaf.
  2. Wij moeten ons openstellen, ons inlaten met wat op ons af komt, luisteren: in onszelf een ruimte creëren waarin we iets kunnen opnemen. We moeten al onze aandacht, toewijding en concentratie aan deze boodschap schenken. Dat betekent dat we ons eigen wezen enigszins moeten terugnemen, ”opofferen", anders blijft het nieuwe vreemd voor ons en kunnen we het niet op nemen. Hoe onbaatzuchtiger onze interesse en onze aandacht is, hoe dieper we kunnen opnemen wat tot ons komt.
  3. Wat wij in de ziel toelaten door te kijken of te horen, dat doet iets met ons; het dringt bij ons binnen en verandert ons. Een inhoud, een ontmoeting met iemand of met een kunstwerk kan een diepgaande invloed hebben op onze gevoelens en onze wil. Het kan sterke reacties oproepen. Bij het kleine kind is dit opnemen en verinnerlijken daadwerkelijk tot in het lichamelijke substantievormend. Ook op latere leeftijd is dat nog zo. Wat we van buiten in ons opnemen kan ons ziek maken of gezond makend werken, het doordringt ons hele wezen.
  4. We verbinden ons met de boodschap, met de inhoud, verwerken wat we hebben gehoord, gezien of gelezen. Kennis is communicatie, één worden met het erkende. “Ver-staan” is in dit verband daarvoor een doeltreffende uitdrukking: het andere “staat” in mij, en ik sta daarin. Heb ik een andere mens in mij opgenomen, dan voelt hij zich ook ver-staan, d.w.z. begrepen. Er heeft een wezenlijke ontmoeting plaatsgevonden.
Menskundig gezien kijken we naar een gebeurtenis die ons hele wezen tot activiteit aanzet: Eerst komt ons waarnemen of denken aan bod. Daarna ons voelen, we laten iets toe in onze innerlijke zielenruimte, we reageren met mede-vreugde, medelijden en onder de indruk zijn. Als derde wordt onze wil geraakt, ons vermogen tot verandering of onze bereidheid tot handelen en/of onszelf daarbij te veranderen.

Het vierde stadium leidt naar het Ik, de bereidheid om het ontvangen te verenigen met ons eigen wezen Hier wordt duidelijk of de boodschap mijn Ik voedt en zijn behoefte aan zingeving verrijkt; of er iets werkelijk essentieels ligt in de ontmoeting. Dat is het enige wat we kunnen meenemen in de nacht, wanneer ons denken slaapt en onze wil wakker is. Het Ik heeft wilsnatuur. 7)

Wanneer Steiner “Het bewust worden van de idee in de werkelijkheid” de "Ware Communie van de mens" noemt, wijst hij op een weg van inzicht, die de mens kan verenigen met de essentie van de wereld. 8)

De Handelingen willen, zoals elke vorm van onderwijs, een proces opgang brengen, dat de ziel leidt naar een innerlijke weg, die zij met behulp van de cultisch-mantrische woorden belevend gaat en mede voltrekt, waardoor het zielsmatig-geestelijke in de mens door een goddelijk-geestelijke wereld werkelijk kan worden aangeraakt en zich daarmee verbinden kan. Dat betekent meteen ook de verbinding van de mens met zijn hogere zelf en zijn levensdoelen: “Het woord ‘religie’ betekent: verbinding van de mens met zijn goddelijk wezen, met de geestelijke wereld.” 9) De mens verlangt naar vereniging met het goddelijke, omdat hij voelt dat “zijn wil alleen sterk kan zijn als hij is doordrenkt met goddelijke krachten.” 10)  De ziel verlangt naar de ontmoeting met de krachten van zijn oorsprong en ontwikkeling. Ons Ik zoekt de verbinding met de wereld, met de medemensen, met zijn zelf en met de scheppende krachten van de Logos, die de grond vormen van al het worden en leven. 11) Tot de Logos waardoor alles is geworden, het ‘Ik Ben’ (Joh. 8:28), die in Jezus als de Christus verscheen en zich met de aarde verbonden heeft. 12)

Steiner maakt ons erop opmerkzaam, dat je de drie jaren van het leven van Christus na de Doop in de Jordaan kunt beschouwen als een Oer-Cultus: “Het leven van Christus Jezus was een cultus voor degenen die om hem heen waren. Hetgeen daar in werkelijkheid plaatsvond was cultus: Het grote misoffer werd gebracht op Golgotha. Daar worden we teruggevoerd naar de eerste voltrekking van de cultus.” 13) Een kosmisch wezen komt naar de aarde en naar de mensen: Christus brengt het offer, om een sterfelijk mens te worden in Jezus, waarbij hij de grote transformatie voltrekt van de menselijke wezensleden in een toekomstige en volmaakte toestand. In de dood en de opstanding voltrekt zich een vereniging (communie) met de aarde en de mensheid. Deze vier stadia kunnen we ook op de weg naar de inwijding herkennen: de scholingsweg voert na de voorbereiding (beleven van de devotie) via studie, catharsis, transformatie van ons wezen tot de verlichting en de vereniging met het geestelijke wereldwezen. Over de oorsprong van de Rooms-Katholieke Mis in de Mysteriën zei Steiner: 
“Als je de oorsprong van de katholieke Mis wilt leren kennen, moet je haar geschiedkundig terug volgen tot de mysteriën. De mysteriën zijn cultusplaatsen waar de hogere kennis niet alleen werd onderwezen en verworven, maar in betreffende verschijningsvormen ook werden getoond. De mysteriën namen een bijzonder populaire vorm aan in de culturele stromingen die overkwamen vanuit Perzië en Egypte. Hieruit is de Mis ontstaan. Wie vóór de verschijning van Christus kennis wilde verkrijgen van hogere werelden, moest worden opgenomen als leerling in een geheime mysterie-school.” 14)
In de cultus is deze scholingsweg verdicht. De vier treden van deze weg zijn:
  1. Evangelium - boodschap, verkondiging
  2. Offertorium - offer
  3. Transsubstiatio - verwandeling
  4. Communio - Vereniging
Steiner verduidelijkt deze vier delen van de cultus in een voordracht voor geïnteresseerde theologen en de godsdienstleraren van de school:
“Het voorlezen van het evangelie betekent het binnenbrengen van het geïnspireerde Woord "uit het Engelen-Al”, de openbaring van het Woord "uit de som van de geestelijke wereld.” God komt tot de mensen. “Wat uit de geestelijke wereld oprijst, in ons de vorm van het woord aanneemt”, dat is de eerste daad van cultus.” 15)

Centraal in alle christelijke cultische vieringen staat de menswording van Christus in Jezus van Nazareth. In het offertorium is de blik gericht op het goddelijke wezen "dat lichaam aannam”, zoals het in de Kinderhandeling klinkt, dat dit lichaam verwandelde (= trans-substantieerde), dat door de dood en ging en tenslotte uit de dood opstond. Hij overwon de dood, om de mensenzielen op aarde nieuwe levenskrachten te schenken. In de cultus maken we ons bewust, dat Christus de bron is van de eeuwig vernieuwende, en transformerende ontwikkelingskrachten, het voorbeeld van de menswording in de hoogste betekenis. Wij kijken op naar Hem. Wij willen ons met Hem verbinden en ons met Zijn krachten verenigen. We bereiden ons daarop voor door “het werkelijke gebed”, “het gevoel van toewijding” van de ziel aan het bovenzinnelijke als antwoord op het lezen van het evangelie. 16) Wanneer we de naar ons toestromende krachten opnemen, dan verwandelen deze ons en kunnen zij door ons werken - Transsubstantiatie. Dat is het doel dat Paulus na zijn ontmoeting met de Opgestane Heer voor Damascus zo uitdrukte: “Ik leef, maar niet ikzelf, maar de Christus leeft in mij”, in mijn Ik. (Galaten 2:20).
In de Zondagshandeling klinkt dat als volgt:

“Ons hart wende zich tot Hem, 
Het doordringe zich met Zijn kracht, 
opdat Hij erin werke, 
opdat Hij doordringe 
ons denken, voelen en willen.” 

Wij voelen goddelijke substantie in ons - het sterflijke in de mens verenigt zich met het onsterfelijke, het bovenzinnelijke.

Steiner gaf de cultische ritualen voor de Waldorfschool de naam “Handelingen”. Een cultus is daad, een reeële handeling, doordat er iets in de mens en in de wereld gebeurt; het is een daad, die uit vrijheid wordt uitgevoerd; je bent vrij om eraan deel te nemen, waarmee dus de goddelijke wil en de menselijke wil zich kunnen verenigen. De cultus is de ontmoetingsplaats voor mens en godheid. En er gebeurt niet alleen in de mens iets maar ook in de goddelijke wereld: de geest dringt door tot in de materie. Wanneer een cultische voltrekking in de handelingsruimte begint, dan begint er ook een handeling in de geestelijke wereld, dat zich met het menselijke doen in vrijheid verenigt. De geestelijke en de fysieke wereld werken samen. “Een cultus ontstaat niet door die uit te denken, want dan is het geen cultus. Een cultus ontstaat doordat het een beeld is van hetgeen er in de geestelijke wereld plaatsvindt.” 17) Wat wij als cultus voltrekken, ontvangt zijn werkelijkheid en waarheid vanuit de "hemelse cultus", omdat het een afspiegeling is van een 'oorspronkelijk beeld'; “alleen dan is een cultus een waarheid als het deze reële oorsprong heeft.” 18) “Een rituaal dat deze oorsprong heeft, kan alleen ontvangen worden en moet worden voltrokken met zo’n houding, dat alles wat vanuit de woorden overstroomt in de handeling alleen in christelijke zin kan worden voltrokken, als in degene die de Handeling voltrekt het Paulinische bewustzijn leeft: Niet ik, maar Christus in mij! — In een Handeling kan niets zonder bewustzijn worden voltrokken: De Handeling wordt voltrokken als een innerlijk goddelijk gebod, als datgene wat wordt voltrokken in de zin van de Christusopdracht zelf. Het moet voor ons duidelijk zijn dat wij slechts het instrument zijn om Christus tot de mensen te laten spreken.” 19)

Het voltrekken van een cultus komt voort uit ons begrip van priesterlijke handelen. Rudolf Steiner breidde dit idee uit door te wijzen op het centrale moment van priesterlijk handelen op andere levensterreinen, waar het ook gaat om de verbinding van het goddelijk-geestelijk-wezenlijke met het aards-fysieke, ofwel om de openbaring van iets geestelijks in het aardse. Niet bij een alledaagse invulling van religieuze begrippen blijven staan, maar vol betrokken zijn bij de bedoelde samenhang en inhoud. Zo spreekt Steiner van "de dienst van de opvoeder die een priesterdienst moet worden, tot een soort cultus", en van de "godendienst der opvoeding”. 20) In zijn toespraak bij de feestelijke opening van de eerste vrijeschool in Stuttgart op 7 september 1919 presenteerde Steiner de nieuwe pedagogie aan het publiek en schuwde hij niet om te formuleren wat de diepste zorg is van deze opvoedingskunst: “En is het tenslotte niet een allerhoogste, heilige, religieuze plicht om het goddelijk-geestelijke, dat toch in ieder mensenkind steeds opnieuw tot verschijning komt en zich opnieuw openbaart, in de opvoeding met zorg te omringen?" Is deze opvoedende dienst geen religieuze cultus in de hoogste zin van het woord?


“Moet niet het allerheiligste wat ons als mens beweegt, met name wat betreft onze religieuze gevoelens, samenvloeien in de altaardienst, die wij verrichten wanneer wij in het wordende kind datgene proberen te vormen wat zich als het goddelijk-geestelijke in de mens openbaart!” 21)

“Het goddelijk-geestelijke” dat zich in het kind openbaart, in het kind mens wil worden, “in het onderwijs te verzorgen.” Wat als aanleg in het kind is helpen zich te ontvouwen is een dienst aan de mens. In de grondsteenspreuk, die Steiner gaf voor het eerste eigen gebouw van de Waldorfschool Stuttgart-Uhlandshöhe, noemt hij de leraren “met kracht begaafde, aan het licht toegewijde mensenverzorgers.” En die grondsteenspreuk leidt tot een innerlijke verplichting: 

Dies möchten wir bekennen: Dit is waarvoor we willen staan:
In Christi Namen         In Christus’ naam
In reinen Absichten         Met zuivere intenties
Mit guten Willen.         Met goede wil.

Daaronder volgenden de handtekeningen van Rudolf Steiner, Emil Molt en alle leerkrachten.

Verzorgers van de menswording zouden leraren moeten zijn, verzorgers van de geestelijke krachten die zich in de lichamelijkheid willen incarneren, die de lichamelijkheid willen aangrijpen opdat de individualiteit tot verschijning kan komen. Verzorgers ook van de verbinding van het wezen van het kind met zijn geestelijke thuis, opdat de geestelijke krachtstroom, die nodig is om een leven lang te willen leren en zich te ontwikkelen, niet opdroogt. In onderwijs en opvoeding gaat het overal om het verzorgen van krachten en aanleg, om het scheppen van voorwaarden waarin deze krachten zich kunnen ontplooien, zich kunnen metamorfoseren naargelang de leeftijd en de aanleg tot vaardigheden kan worden.
De geest kan zich met de materie verenigen, erin werken, als hij ze kan omvormen, erin binnendringen en het lichaam tot instrument maken; maar hij kan ook in de materie versterven, in de materie ten ondergaan.

Het woord “mensenverzorger” voor alle opvoeders en onderwijzenden gebruikte Rudolf Steiner ook in een voordracht voor pedagogen in Londen: “Wij zijn de verzorgers van de goddelijk-geestelijke wereldorde, wij zijn medewerkers die het eeuwige in de mens willen verzorgen.“  Dit is waar het onderwijs voor moet dienen. Een religieuze cultus dient het verzorgen van onze sociale, onbaatzuchtige, menselijke en op natuur betrokken vermogens, zoals dankbaarheid en waarachtigheid, en de cultivering van onze relatie tot de goddelijke bronnen van deze menswordings-krachten. In elke van de door Steiner gegeven Handelingen ontstaat het ideaal van de mens opnieuw in ons.

Het Woord in de cultus

Met ons gewone dagelijkse denken zijn wij als mensen toeschouwers van de wereld, onze gedachte spiegelt in de voorstelling de uiterlijke verschijnselen. Het is een ‘spiegelgedachte’ in de hersenen. Ons normale denken in begrippen is een stoffelijk overschot (lijk) van het Woord, het omsluit iets wat in ons is gestorven. De inhoud ervan is aan de zintuiglijke wereld ontleend.

Anders is het bij de klank, bij het gesproken woord: hierbij gaat de impuls van binnen naar buiten. Met het gesproken woord komt onmiddellijk iets innerlijks zielsmatig-geestelijks mee naar buiten en gaat over in een uiterlijke realiteit. Het woord ontstaat door een innerlijk beleven, met de klank treedt dit naar buiten in de wereld en kan iets bewerkstelligen. Daardoor kan het woord drager zijn van een sacramentale handeling: Iets geestelijks, dat niet aan de zintuigelijke wereld en door het gewone denken is verkregen, grijpt aan in de materie, grijpt aan in onze lichamelijkheid. Het woord, de klanken van de taal bemiddelen tussen de geestelijke wereld en de materiële wereld. Zo wordt de reële transformatie van substantie, de transsubstantiatie, mogelijk. Daarnaast is er de bemiddelende werking van wat we met de adem vanuit het luchtelement opnemen. Ons denken is in eerste instantie subjectief; in de klanken van de taal leeft echter iets objectiefs. Daarom bestaat “de mogelijkheid dat er iets in het woord stroomt dat geestelijk objectief is. Daarmee verbindt zich de voorstelling dat in het woord meer gegeven kan zijn dan in het alleen door mensen voorgebrachte denken, dat er iets goddelijks in het woord kan vloeien, dat als het ware het goddelijke in het woord zich via de mens uitspreekt, dat de boodschap van het goddelijke in het woord kan liggen. […] Zo werd het Evangelie-woord ervaren, dat er iets goddelijks in dit woord van het evangelie binnenstroomt” 23) Hiermee hebben we "het eerste element van hoe de mens cultusachtig overgaat van zijn subjectieve naar het objectieve”. 24)
Steiner noemt het resultaat van dit betekenisvolle proces in de Offerhandeling ‘het reine woord’

Mediteren, een cultus beleven of houden betekent dat we het eigen denken met inhouden vullen, die niet afkomstig zijn uit de zintuiglijke wereld of uit het eigen beleven, maar uit de bovenzinnelijke wereld. Het woord kan deze inhouden overbrengen omdat het zelf van nature uit de geestelijke wereld stamt. Het woord is een bemiddelaar: het kan iets subjectiefs overbrengen of iets uit de zintuiglijke wereld. Het “reine Woord” kan een rein geestelijke inhoud overbrengen, die door geestelijk schouwen vanuit de geestelijke wereld werd verkregen.

De muziek in de cultus

In de cultus verenigen zich woord, beeld, symbool, kleuren en vormen tot een geheel. In hun samenhang spreekt zich uit wat moet gebeuren. Een ander belangrijk element is de muziek. Rudolf Steiner onderbouwt dit menskundig met de polariteit van het lichtende en het klinkende. Het lichtende is de waarnemingskant, het beeldende-gedachtenachtige, dat wat van buitenaf op de mens afkomt; het klinkende, het muzikale zit in de mens. In de cultus worden zij samengebracht: “Wat de mens is als schepsel van licht wordt in samenhang gebracht met wat de mens is als klankschepsel.” 25) De cultische Handeling moet altijd beginnen met het Woord. Wanneer wij spreken, scheppen we beelden, die voor de mens komen te staan, en deze beelden doordringen we dan met het muzikale; of instrumentaal of met gezang. Daardoor verenigt de cultus de polariteit: het doordringen van het lichtachtige met het klankachtige. Het muzikale element in de cultus is hetgeen dat in de mens het sterkte verinnerlijkt wordt, terwijl het woord hetgeen is, wat het uitgieten van de mens in het Wereld-Al bevordert: “Op deze manier hebben wij de mogelijkheid om enerzijds de mens zich wijd te laten worden door alles wat licht-achtig, gedachte-achtig is, en anderzijds om hem te brengen tot het samenballen in zichzelf, tot het ontvangen van het bovenzinnelijke door het muzikale. En terwijl bijvoorbeeld het niet-muzikale, het lichtende in de cultus in staat is ons een gevoel voor de wereld bij te brengen, is het muzikale in staat om ons Ik-gevoel ten opzichte van het goddelijke te verdiepen. Het ideaal zou zijn om het lichtende tot op zekere hoogte op te voeren en dan te laten overgaan in het muzikale, om het heel organisch te laten overgaan. Op die manier zou je door de cultus de mens in zijn constitutie in feite hebben nagebootst.” 26)

Naast het woord en de muziek maken de gebaren, het altaarbeeld, de werking van vorm en kleuren deel uit van de voltrekken van het rituaal; een cultus is een ‘Gesamtkunstwerk’. Of, wanneer je denkt aan de verschillende kunsten en hun betekenis voor de wezensdelen van de mens. Samen zijn zij een hele mens. 27)

Over de betekenis van het cultische handelen voor de toekomst van de aarde

Veel mensen zien tegenwoordig een cultische handeling als iets ouderwets, als iets dat bij het verleden hoort. Rudolf Steiner zei echter, dat in de cultus mysteriën liggen, welke zich pas in de toekomst in hun volle betekenis zullen openbaren. Er zal opnieuw een verdiept begrip van alle cultische handelingen ontstaan, wanneer de ingewijde zijn leerlingen duidelijk kan maken dat de cultische handeling iets is dat een "veel grotere betekenis heeft in samenhang met de kosmos, met het universum" dan onze handelingen in de uiterlijke wereld.  Wanneer de mensen weer zullen begrijpen, dat het voltrekken van een cultische handeling een appel is aan geestelijke machten, om zich met de aarde te verbinden, dan zal het voor mensen weer mogelijk worden, om met geestelijke wezens te kunnen verkeren. Wanneer wij een cultus, een rituaal voltrekken, heeft dat ook een uitwerking op de omgeving. Daar moeten in vroegere tijden een duidelijk bewustzijn of een gevoel van hebben gehad. We kunnen daarbij bijvoorbeeld denken aan de monniken, die hun kloosters en kerken zeer doordacht in de natuur integreerde, b.v. de Cisterciënzers. Rudolf Steiner wees ook heel specifiek op het belang, dat de christelijke cultus heeft voor de in de natuur werkzame elementenwezens: “De geestelijk-elementaire wezens die worden binnengeroepen wanneer een cultische handeling wordt voltrokken, hebben deze cultus nodig, want daaruit putten zij hun voeding, hun groeikrachten.” 29) Al het uiterlijke zal geen stand houden; “maar op deze aarde zullen in de toekomst cultische handelingen worden voltrokken, die voortkomen uit een werkelijk begrijpen van de geestelijke wereld. […] Doordat die juiste cultische handelingen worden voltrokken, zullen in de sfeer van deze cultische handelingen elementaire-geestelijke wezens binnengeroepen worden. En dat zal voor de toekomst een kiem zijn en verder leven tot in het Jupiter-bestaan. 30)
Dat is de betekenis van een echte cultus voor de aarde en haar toekomst.
Elisabeth von Kügelgen

Bronvermelding:
1) R. Steiner: Een weg tot inzicht in hogere werelden - Zeist 1991 (blz. 127)
2) R.Steiner: Vorträge über christlich-religiöses Wirken 1 (GA 342) Stuttgart, 14. Juni 1921 - Dornach 1993
3)idem bal 128
4) idem bla. 129
5) idem blz. 123
6) Elisabeth von Kügelgen: Kultus als spiritueller Weg - Stuttgart 2021 - Edition Waldorf
7) R. Steiner: Algemene Menskunde (GA 293) 4e voordracht
8) R.Steiner: Einleitung zu Goethes Naturwissenschaftlichen Schriften (GA 1) Dornach 173 - blz. 126
9) R.Steiner: Apokalyps De openbaring van Johannes (GA 104) - 1e voordracht Neurenberg 17 juni 1908
10) idem
11) Logos, zoals in de Proloog van het Evangelie volgens Johannes.
12) Emil Bock: Das neue Testament, Stuttgart 1980
13) R.Steiner: Vorträge über christlich-religiöses Wirken 1 (GA 343)
14) R.Steiner: Über die Bedeutung der katholichen Messe im Sinne der Mystik  Köln 17 maart 1905 (in GA 90b)
15) R.Steiner: Vorträge über christlich-religiöses Wirken 1 (GA 342) Stuttgart, 14. Juni 1921 - Dornach 1993 (blz. 101)
16) idem bla. 99
17) R.Steiner: Esoterische Betrachtungen karmischer Zusammenhänge (GA 236) - blz. 283
voordracht Dornach 27 juni 1924
18) idem bla. 284
19) R.Steiner: Vorträge über christlich-religiöses Wirken 2 (GA 343) Stuttgart, Voordracht Dornach 27. Juni 1924 (blz. 314)
20) R.Steiner: Die Methodik des Lehrens und die Lebensbedingungen des Erziehens (GA 308) - 
Stuttgart, voordracht 9 april 1924
21)  R.Steiner: Rudolf Steiner in der Waldorfschule (GA 298) - Stuttgart, 7 september 1919
   NL-vertaling in de uitgave van Algemene Menskunde
22) R.Steiner: Anthroposophische Menschenkunde und Pädagogik (GA 304a) - voordracht 30 augustus 1924
23) R.Steiner: Vorträge über christlich-religiöses Wirken 2 (GA 343) - Dornach, 27 September 1921 (blz. 39)
24) idem bal. 40
25)  R.Steiner: Vorträge über christlich-religiöses Wirken 1 (GA 342) - 14 Juni 1921 (blz. 132)
26) idem blz. 132
27) R.Steiner: Kunst im Lichte der Mysterienweisheit (GA 275) - NL: Kunst en kunstvernieuwing
28)  R.Steiner: Grundimpulse des weltgeschichtlichen Werden der Menschheit (GA 216) blz. 96
29)  Idem blz.97
30) Met de term ‘Jupiter-bestaan’ duidt Rudolf Steiner op een toekomstige planetaire toestand van de aarde.

woensdag 18 oktober 2017

De twee stromingen in Rudolf Steiners 'Algemene Menskunde' in verbinding met de Kinderhandeling *)


12 oktober 2017 is oud-vrijeschoolleraar Kim Lapré door de poort van de dood gegaan.
Hieronder een hoordersverslag van een van zijn voordrachten, gehouden op een themadag voor leraren Religieuze Oriëntatie (Driebergen, 18 maart 2000).

Rudolf Steiner: 4e Apokalyptische Zegel

In de oudheid werden tempels, zoals bijvoorbeeld in Egypte, omgeven door een hoge muur omdat ze alleen toegankelijk waren voor bepaalde mensen. Bij de ingang van de tempel stonden twee zuilen zoals bijvoorbeeld de obelisken, welke een diepe betekenis hadden. Deze twee zuilen stonden daar namelijk als beeld voor de twee grote stromingen die werkzaam zijn in ontwikkeling van mens en mensheid. De ene stroming is werkzaam vanuit het geestelijke gebied van het voorgeboortelijke, d.w.z. vanuit het verleden. De andere stroming werkt vanuit de toekomst, vanuit het leven dat volgt na de dood.

Rudolf Steiner spreekt in de 2e en 3e voordracht van de Algemene Menskunde over deze twee stromingen als de twee krachten, die werkzaam zijn in de ziel van de mens. Hij gebruikt daarvoor de termen ‘antipathie’ en ‘sympathie’.
In de 1e voordracht spreekt hij echter al over de ademhaling en hij zegt dan, dat het de opdracht van de pedagoog is om het kind op een juiste manier te leren ademen. Het inademen is namelijk de openbaring van de goddelijk scheppend werkende wereld.  En in het uitademen leeft de innerlijke verdichting van het Wereldwoord. De mens leeft in deze inademingsstroom en uitademingsstroom.
In de mens wordt het inademen tot gedachten – DENKEN.
Het uitademen wordt tot wilsmatig uitwerken van de gedachten – WILLEN.

Daan van Bemmelen, de eerste vrijeschoolleraar in Nederland, benadrukte altijd dat een leraar de polsslag en de ademhaling van de kinderen moest kennen en dat hij moest volgen hoe de verhouding tussen adem en polsslag zich bij het kind ontwikkelt. Uiteindelijk moet de verhouding tussen adem en polsslag worden 18 : 72 = 1 : 4.
Per etmaal haalt een mens 25.920 maal adem. Dat getal is gelijk aan het aantal jaren in een Platonisch wereldjaar (18 x 60 x 24).
De inademing is de gedachtestroom en de polsslag/hartslag hangt samen met het willen. Maar zoals in de ritmische afwisseling van in- en uitademen de genoemde tweeheid tot uiting komt, heeft ook het bloed een tweedeling: het zuurstofrijke bloed en het koolzuurrijke bloed. We zien daarmee, dat de twee genoemde stromingen zich tot in details kunnen uitdrukken.

De mens wordt geboren uit de voorgeboortelijke wereld van de kosmos. Het menselijk hoofd wordt uit het kosmische licht geboren en die voorgeboortelijke stroom heeft de voortdurende tendens zich naar het materiële te verdichten. Het menselijk zenuwstelsel is het resultaat van het geestelijke licht. Het is naar de aarde gericht ↧. Daartegenover leven in de stofwisseling en de bloedsomloop krachten, die vanuit de aarde opstijgen ↥. Het zenuwstelsel en de hersenen zijn het lichamelijk instrument waarmee de mens tot denken kan komen. De stofwisseling en de daarmee samenhangende ledematen en bloedsomloop zijn het instrument voor het menselijk handelen, voor het doen, voor het willen.
Het bewustzijnslicht in het zenuwstelsel wordt echter gewekt door het geheel van uiterlijke zintuigindrukken en deze wekkende zintuigindrukken komen op de mens af vanuit de ons uiterlijk omringende wereld.
Vanuit de voorgeboortelijke wereld worden wij uitgestoten door de krachten van kosmische antipathie. De term ‘antipathie’ moet worden begrepen als zijnde de tendens tot afscheiden, tot zelfstandig maken. In de mens (in het kind) ontstaat het denken doordat deze antipathiekrachten, die in eerste instantie lichaamsvormend werkzaam zijn, worden wakker geroepen vanuit de zintuigwereld. Wanneer het denken (voorstellen) zich versterkt dan wordt tot het geheugen. Het geheugen is versterkte antipathie.
Begrippen ontstaan door een nog sterkere antipathie. Het wordt een associatief, combinerend denken, d.w.z. een voorhoofdsdenken. Dit denken heeft de opdracht om in het materiële te sterven. De mens kan alleen denken over de dode materie.

voorstellen (denken) – antipathie – geheugen - begrip

Rudolf Steiner zegt echter dat kinderen iets beter kunnen onthouden wanneer er een sterk gevoel bij wordt opgeroepen. Wil je echter op een goede pedagogische manier met kinderen werken, dan moet je ook de kant van de wil laten leven. Het wilsleven is een kracht, die zich verbinden wil in liefde (sympathie) voor de kosmos.

willen – sympathie – fantasie - gewone imaginatie

Met de term ‘gewone imaginatie’ wordt de waarneming bedoeld, het vermogen in de ziel om de zintuiglijke wereld waar te nemen, wat afhangt van de willende interesse van de ziel.

In andere voordrachten noemt Rudolf Steiner deze twee kwaliteiten waarover we hier spreken ook: plastisch-architectonisch (antipathie) en muzikaal-dichterlijk (sympathie).
In de praktijk van de pedagogie zijn de twee krachten dagelijks aan de orde.
Rudolf Steiner noemt ze bijvoorbeeld ook ‘eerbied’ en ‘enthousiasme’: eerbied voor hetgeen geworden is en enthousiasme voor dat wil ontstaan. Wordt in de opvoeding het element van de antipathie te veel aangesproken (voorstellen, begrippenvorming, geheugen), dan wordt het intellect ontwikkeld dat zich op de dode materie richt, maar het gevoel voor de geest en voor het goddelijke verdwijnt erdoor. Wanneer we te sterk het geheugen aanspreken - d.w.z. te sterk intellectueel werken - heeft dat zelfs tot gevolg dat kinderen lichamelijk te lang en dun worden. Teveel voorstellingen, teveel uit het hoofd leren en parate kennis aanleggen zonder daarbij bewust het proces van het vergeten in te lassen, maakt de kinderen a-religieus. Maar al te vaak richt pedagogisch handelen zich te sterk op de antipathiekrachten.
Spreekt men in de pedagogische aanpak daarentegen te sterk de fantasie aan, dan blijven de kinderen te klein. Dus sterk de wil aanspreken zorgt dat kinderen wat kleiner blijven.

Leeft in een school de echte wilssubstantie, dan wekt dat bij de kinderen ook gevoel voor het religieuze en de vraag naar de Kinderhandeling. Komen er weinig kinderen naar de Kinderhandeling, dan geeft dat aan waarop het accent ligt binnen zo’n school. Want wanneer de leerkrachten echt weten te werken met de wilssubstantie, met fantasiebeelden en met het kunstzinnige in het onderwijs, dan voedt dat het innerlijke religieuze leven bij de kinderen en komen zij ook naar de Handeling.

Kijken we naar het bloed van de mens, dan zien we dat het ontstaat en weer heel vlug vergaat. Het bloed wil ons naar de geestelijke wereld voeren. In oudere tijden waren de bloedskrachten van de mens de bron van atavistische helderziendheid. Ze werden gebruikt op de oude weg van de inwijding. Daarbij werd gebruikgemaakt van de met het bloed verbonden krachten van de instincten, driften en begeerten in de mens. De inwijding was voor de mens een weg naar binnen. Maar de moderne mens kan dit in onze tijd niet meer verdragen. In onze tijd, waarin de bewustzijnsziel moet worden ontwikkeld, moet de ziel leren in de zintuigelijke wereld de werking van de realiteit van het geestelijke te zien, dat achter de schijnwereld van de zintuigen de wereld van de geestelijke werkelijkheid schuilgaat. Het is een scholingsweg naar buiten.

Niet al het denken in de mens hoeft alleen maar de weg richting het stervende te gaan. Er leeft iets in het denken, dat een wilselement heeft. Iets maakt dat het denken in zichzelf toch nog een verbinding kan vinden met de wilskracht, met de geestelijke wereld, iets dat terug kan gaan. Dat ‘iets’ druppelt als het ware binnen (zie 3e voordracht van Algemene Menskunde). Het denken moet daarvoor echter geschoold worden. Wat wordt daarmee gered?

In zijn boek De filosofie van de vrijheid duidt Rudolf Steiner ook al op de genoemde twee stromen in mens en wereld: Denken en Waarnemen (waarnemen = wil).  Hij maakt duidelijk dat we niet kunnen spreken van vrijheid van de wil, maar dat juist het denken de aanzet kan geven om uit het doodsproces te komen om de wil te leiden, te sturen. In het denken kan de mens tot vrijheid komen. Het denken kan tot een idee komen dat niet uitsluitend uit de dode materie voortkomt en op die manier kan het denken de wil gaan aansturen.

Rudolf Steiner: ontwerp voor het Rode Venster van het 1e Goetheanum, Dornach
Om weer even terug te keren naar de oude mysterietempels, daar stonden de twee eerder genoemde zuilen bij de ingang als een maning. Zij representeerden de tweeledigheid van de ziel. Er is ook een samenhang tussen deze twee stromingen en de vensters van het Goetheanum als moderne mysterieplaats. In het rode venster vinden we namelijk een beeld van de zon (links bovenin) en van de aarde (rechts). Ook deze twee afbeeldingen staan voor de twee stromingen denken en willen – antipathie en sympathie.

We kunnen stellen dat de vrijeschoolpedagogie een christelijke pedagogie is en een uitvloeisel van een mysteriestroming. De tweeheid van denken en willen wordt ook aangesproken in de Kinderhandeling. In de cultus van de Handeling hebben we te maken met een zielenmysterie. In de Handeling klinkt dat de ziel zich zal ‘verheffen tot de Geest van de Wereld’. Verheffen is een activiteit. Er wordt niet gesproken over ‘ontvangen’. De Geest der Wereld heeft het kind iets te zeggen, waarnaar de ziel van het kind zich kan verheffen.
In het eerste gedeelte van de Kinderhandeling horen we de woorden ‘verheffen’ en ‘de gedachten en gevoelens’, waarmee wordt gesproken over het denken en het willen van de mens. Gevoelens zijn namelijk teruggehouden wilskrachten; het zielenmysterie rekent namelijk het gevoel bij de wil (zie hiervoor opnieuw de Algemene Menskunde).
We horen in de Handeling ook spreken over de geest, die leeft en werkt. De geest leeft namelijk concreet in onze voedingsprocessen, in groei, lichamelijke opbouw, herstel, de totale vorming van het lichamelijke. Het zijn de levensprocessen zonder bewustzijn, maar  zij behoren bij de stroom van de antipathie, van de scheppende werking van de Vader-God die alles in het Zijn roept, het scheppende principe dat zich tot in de materie uitdrukt. Anderzijds werkt de geest ook lichtwekkend in de zintuigen. Daar is het de wil, die werkt vanuit de aarde. De geest leeft en werkt daarom ook in steen, plant, dier.

En dan klinken er woorden over het denken en handelen van de mens en in de woorden over ‘al het werkende’ en ‘al het levende’ kunnen we opnieuw de twee polaire krachten herkennen: ‘al het werkende’ is de wil - sympathie en ‘al het levende’ is het denken - antipathie.

In de twee laatste zinnen van het eerste gedeelte van de Handeling-tekst herkennen we opnieuw de twee krachten, welke we op een bepaalde manier zelfs met de Rozenkruiserspreuk kunnen verbinden: ‘Die het levende in de dood voert opdat het herleve’, dat is EX DEO NASCIMUR (uit God zijn wij geboren) en IN CHRISTO MORIMUR (in Chistus sterven wij). En de zin: ‘Die het dode in het levende voert, dat is opnieuw IN CHRISTO MORIMUR, ‘opdat het de geest schouwe’ dat is verbonden met PER SPIRITUM SANCTUM REVIVISCIMUS (door de Heilige Geest zullen wij herleven).
Het levende van het voorgeboortelijke (antipathie-stroom) voert tot de dood in de minerale fysieke wereld, maar in de minerale wereld kan de mens pas tot vrijheid komen. Deze wereld is echter een onbekende wereld voor de geestelijke wezens van de hiërarchieën.

In het tweede gedeelte van de Handeling-tekst klinken er woorden waarmee wordt aangeduid dat de Geest der wereld lichaam aannam in Jezus van Nazareth. De tekst spreekt over Christus, die als godheid ook het doodsproces van de antipathie heeft meegemaakt. Het godswezen dat als mens geboren is, heeft ook de angst gekend, de angst namelijk welke ontstaat doordat we uitgestoten zijn uit de geestelijke wereld. In de harten van de mens kan Hij levend worden wanneer de mensen Hem daarin woning geven. In de mensenharten wordt door liefde, medelijden en verwondering nieuwe ethersubstantie ontwikkeld ten bate van de Christus.

Dan spreekt het derde gedeelte van de Kinderhandeling-tekst tot de kinderen over het leren en begrijpen en het werken in de wereld, opnieuw over de antipathie en sympathie. De liefde, die ons door Christus geleerd wordt, brengt leven in al het mensenwerk.

In het vierde gedeelte volgt dan het kindergebed. In dit gebed zitten zeven trappen van wil, zeven wilsmotieven, de zeven vormen van wil zoals zij worden beschreven in Algemene Menskunde (4e voordracht). In het kindergebed van de Handeling vinden we deze zeven vormen van wil verbonden met zeven werkwoorden en we zetten ze hier nog even op een rij:
‘Verheffen’ hangt samen met het  instinct d.w.z. het fysiek lichaam
‘Vereren’ hangt samen met de drift d.w.z. het etherlichaam
‘Liefhebben’ hangt samen met begeerte d.w.z. het astraallichaam
‘Zullen denken’ hangt samen met motief d.w.z. het Ik van de mens
‘Alleen zijn’ hangt samen met de wens d.w.z. het geestzelf
‘Met mensen te samen zijn’ hangt samen met het voornemen d.w.z. de levensgeest
‘Dan zal Hij met ons zijn’ hangt samen met het besluit d.w.z. de geestmens

Als vijfde gedeelte volgt daarop de rondgang. Dit mogen we opvatten als een soort communie. De leraar die de Handeling houdt, kan daarvoor een kort moment nemen voor concentratie op de inhoud:
Ex Deo nascimur
In Christo morimur
Per Spiritum Sanctum reviviscimus
Tijdens de rondgang straalt de geestelijke wereld je tegemoet vanuit de ogen van de kinderen, wanneer het kind antwoordt dat het de Godesgeest wil zoeken.
Wat is de Godesgeest? Rudolf Steiner zei daarover dat daarmee de hele hiërarchische wereld wordt aangeduid. Het zijn alle hiërarchische wezens (= de Vader-God) die zich hebben gesteld onder de leiding van Christus, het Lam.

In het zesde gedeelte wordt het evangelie gelezen. De woorden van het evangelie moeten klinken vanaf de linkerkant voor het altaar. Wie de lijst van de Perikoopteksten bestudeert, waarop is aangegeven welke evangelieteksten op de zondagen gelezen worden, zal opmerken dat deze evangelieteksten uit een oud mysterieweten zo zijn gerangschikt, dat denken en willen regelmatig afwisselend aan bod komen. In de perikopen, die het ademende ritme van de jaarfeesten volgen, wisselen namelijk antipathie en sympathie (verleden en toekomst) elkaar af. En in de verschillende seizoenen weten we de werkzaamheid van de aartsengelen:
Gabriël - van Kerst tot Pasen - antipathie
Raphael - van Pasen tot Sint Jan - sympathie
Uriël - van Sint Jan tot Michaël - antipathie
Michaël - van Michaël tot Kerst - sympathie

Op de evangelielezing volgt de zang van de kinderen en het is alsof dat gezang vanuit de aardse zielenkracht opstijgt naar de geestelijke wereld. Bid dat dit zangoffer van de kinderen door de goddelijke wereld mag worden opgenomen.
Tenslotte wordt de Kinderhandeling afgesloten met de woorden
‘Bewaar in goede gedachten’, d.w.z. het geheugen (antipathiestroom) dat levend is (sympathiestroom)
wat je hier hebt gehoord = willen
gevoeld en = voelen
gedacht = denken

Na de afsluitende muziek kan de leraar, die de Handeling houdt, blij en warm afscheid van de kinderen nemen, vooral niet priesterlijk streng.

*) Op de vraag van de priesters van de toenmaals pas opgerichte Beweging voor religieuze vernieuwing - de Christengemeenschap - naar een rituaal speciaal voor kinderen, gaf Rudolf Steiner het antwoord, dat hij die al eerder had gegeven aan de leraren van de Waldorf Schule (Stuttgart). De priesters konden aan de leraren vragen of zij de tekst van en aanwijzingen voor die cultus wilden delen. De Kinderdienst van de Christengemeenschap was dus als eerste gegeven als cultus aan de godsdienstleraren van de vrijescholen.


maandag 14 september 2015

Het wezen van de nathanische Jezus in het Indische cultuurtijdperk


In een op deze blog eerder geplaatste voordracht van Daan van Bemmelen konden we lezen dat de Kinderhandeling in de geschiedenis van de mensheid een andere oorsprong heeft dan de Offerhandeling en de Mensenwijdingsdienst (van de Christengemeenschap). Deze laatste twee zijn beeld van het Laatste Avondmaal.
Bij de Kinderhandeling (Christengemeenschap: Kinderdienst) gaat het 
echter om het Jezus-mysterie en niet in eerste instantie om het Christus-mysterie. Het Jezus-mysterie wijst naar het Kerstfeest en omdat de Kinderhandeling zijn oorsprong heeft in het Jezus-mysterie, gaf Rudolf Steiner de tekst daarvan waarschijnlijk dan ook in de kersttijd aan de leraren van de eerste Waldorfschool in Stuttgart.

Het wezen van de nathanische Jezus in het Indische cultuurtijdperk

een voordracht door Daan van Bemmelen
Godsdienstlerarenconferentie in Den Haag, Trinitatis 1972


Om het kosmische wezen van Christus en zijn werken op aarde opnieuw dichter tot ons te brengen, heeft Rudolf Steiner vanaf de eerste voordracht voor de Theosofische Vereniging tot aan zijn laatste voordracht in Dornach ons materiaal aangereikt. Hij zei daarbij, dat de mensheid nu rijp geworden is, om tot de Christusopenbaring te komen. Maar een openbaring over Jezus zal de mens pas verkrijgen wanneer hij voldoende incarnaties heeft doorgemaakt (Karma des Berufes GA 172 - laatste voordracht). Wel kan men in Steiners nalatenschap voldoende materiaal vinden, om de figuur van Jezus te leren begrijpen. In ‘De Geestelijke Leiding van Mens en Mensheid’ (GA 15) werd voor het eerst het feit aangeroerd, dat er twee Jezus-knapen zijn geweest. Voor veel mensen is dit een zeldzame en schokkende mededeling, die door de evangeliën zelf, maar ook door aan het licht komende feiten in de kunst in de geschiedenis bevestigd wordt. Zo vinden we in de Dode Zee-rollen vele aanduidingen over twee Messiassen, een uit de priesterlijke en een uit de koninklijke stam. Evenzo is bekend geworden, dat de ontdekte boekrollen boeken van de orde der Essenen waren, waarover Rudolf Steiner ons veel heeft verteld in samenhang met de beide Jezus-knapen oftewel de beide Messiassen.

Nu willen wij ons hier in het bijzonder bezig houden met het kind, dat beschreven wordt in het Evangelie volgens Lucas, het kind uit de nathanische of priesterlijke stam. Het was dit wezen, dat gedurende de tijd vanaf zijn twaalfde jaar tot aan het moment van de Doop in de Jordaan woning verschafte aan de individualiteit van Zarathustra, om daarna bij de Doop in de Jordaan de drager van het Christuswezen te worden. Dit wezen is het dat aan het kruis werd geslagen, dat stierf en door Christus uit het graf verrees.
Het moet toch onze interesse wekken, dat in het evangelie volgens Lucas pas na de beschrijving van de Doop in de Jordaan in het 3e hoofdstuk, de stamboom wordt ingevoegd in de vertelling (Lucas 3:23-38), waarbij de geslachtsrij van de godenzoon teruggevoerd wordt tot Adam. Volgens Rudolf Steiner vormde deze stamboom met zijn kosmische wetmatigheden een middel voor geestesscholing bij de Orde der Essenen, die zich tot het wezen van de Messias omhoog wilden ontwikkelen. Het wezen van de Messias voerde de inwijdeling tot het mysterie van Adam, de eerste aardemens. Dat betekende, dat door de Zondeval het hogere wezen van Adam teruggehouden werd om in de geestelijke wereld bewaard te blijven, terwijl de menselijke lagere wezensdelen zich in de incarnatiestroom verder ontwikkelden. Dat hogere wezensdeel wordt in het boek Genesis aangeduid als de Boom des Levens, waarvan de mens niet eten zal, zodat hij niet het eeuwige leven zal verwerven.

Alles, wat de Elohim gedacht hadden als de mensengestalte, leeft in het hogere wezen van Adam, maar wat door de verleiding van Lucifer in de Lemurische tijd is gebeurd heeft dit wezen niet meegemaakt. Deze zusterziel van Adam heeft in zijn oorspronkelijke reine onschuldige toestand van het menszijn behouden. Zij had het dode stoffelijke van de lichamelijkheid niet in zich opgenomen, maar zij leefde verder in de lichtgestalte van het etherlichaam in de geestelijke werelden. Rudolf Steiner zei dat dit etherlichaam in de zonneloge werd bewaard en dat het slechts in enkele mysterieplaatsen kon worden waargenomen. Maar dit onschuldige mensenwezen had zich niet van zijn mensenbroeders en zusters afgewend. Het verbond zich juist met het lot van de mensheid. Het kon vanuit de rijken der hiërarchieën helpende krachten naar de mensheid zenden om het lot van de mensen te verbeteren. Deze helpende daden waren niet ten behoeve van de enkele mens, maar voor de toekomstige ontwikkeling van de hele mensheid.

In voordrachten uit het jaar 1914 vinden we meer over deze helpende daden. Drie kosmische daden verrichtte het kosmische Adam-wezen als voorstadia tot het Mysterie van Golgotha. De eerste vond plaats in de Lemurische tijd, de tweede in de vroeg-Atlantische tijd en de derde in de laat-Atlantische tijd. We kunnen deze dingen hier slechts aanduiden, men kan ze in de genoemde voordrachten lezen. Maar de voordracht gehouden op 7 maart 1914 in Pforzheim (GA 152) is voor deze beschouwing van het grootste belang. Daar worden deze drie daden in verbinding gebracht met de ontwikkeling van ieder kind wanneer het leert het lopen, spreken en denken.

We kunnen de mens zoals hij in de Lemurische tijd was, het beste vergelijken met een kind dat in de wieg ligt. Zo’n kind moet zich eerst nog leren oprichten, in een verticale houding komen, terwijl een dier altijd met zijn horizontale houding aan de aardezwaarte gebonden blijft. Het zich oprichten en vervolgens het leren lopen over de aarde is geheel afhankelijk van de ontwikkeling van de zintuigorganen. Vooral de ontwikkeling van de evenwichtszin en de eigen-bewegingszin (proprioceptie) is daarmee nauw verbonden. Toen bij de Zondeval het zintuigorganisme van de mens door luciferische invloeden geheel in de egoïstisch-emotionele sfeer werd getrokken, kon de mens het oprichten en voortbewegen niet meer op menselijke manier volbrengen, maar moest hij vervallen in een lager stadium. Om dit gevaar af te wenden, verbond de kosmische Heiland (het hogere wezen van Adam) zich in de zonnesfeer met het Christuswezen. Zoals de zon krachten vanuit de twaalf richtingen van de dierenriem naar de aarde zendt, zo zond de Christus-Heiland zijn krachten in de twaalf zintuigen en maakte daarmee mogelijk dat de mens zich kon oprichten. Dat was de eerste voorchristelijke daad. En daardoor kan ieder mensenkind, zonder invloed van luciferische of ahrimanische krachten zijn eerste ontwikkeling op de aarde doormaken.

De tweede kosmische daad hangt samen met het spreken, zoals de mens dat in de vroeg-atlantische tijd heeft geleerd. Door de invloed van Lucifer en Ahriman op de levensorganen was het gevaar ontstaan dat de spraakorganen in het gebied van de dierlijke begeerten getrokken zouden worden. Daarmee zou de mens dan alleen nog maar kreten van lust, vreugde of pijn hebben kunnen uitslaan, maar geen woorden vanuit de oertaal hebben kunnen vormen. Om dit gevaar tegemoet te treden, werd de Heiland opnieuw met het Christuswezen doordrongen; vanuit de rijken der planeten zond hij zijn kracht in de lichaamsorganen, waardoor deze uit de sfeer van Lucifer en Ahriman werden bevrijd.

Wanneer wij nu bij een kind kunnen waarnemen, dat het zijn spraakorganen ontwikkelt, dan mogen we diegene dankbaar zijn, die dat mogelijk heeft gemaakt.

De derde kosmische daad in de laat-Atlantische tijd hangt samen met het harmoniseren van de zielenkrachten denken, voelen en willen. Die waren door de luciferisch-ahrimanische invloed volkomen in wanorde geraakt. We kunnen dat lezen in het 2e hoofdstuk van de 'Uit de Akasha Kroniek' (GA 11), ‘De Atlantische voorvaderen’, waar het verraad van de Mysteriën bij de Oer-Turaniërs wordt beschreven. Door het misbruik van de zielenkrachten werden natuurelementen in chaos gebracht, wat uiteindelijk de Zondvloed, de ondergang van Atlantis tot gevolg had. Als tegenbeweging tegen dit gebeuren kan men bij de Oer-Semieten de scholing van denkkrachten vinden. Ook hier vinden we een samenhang met de kosmische daden van de Heiland, die zich verbond met het Christuswezen dat zich in de sfeer tussen de zon en de maan en de aarde bevond. Van daaruit overwon hij het boze, dat als draak de mensheid bedreigde. En hij zond zijn helpende krachten naar de mensen die van goede wille waren. Het ging erom, de menselijke spraak te doordringen met de wijsheidskrachten van de Logos, waardoor later de denk-intelligentie zich in de mens kon ontwikkelen. Het eigenlijke zelfstandige denken kon - zo zei Rudolf Steiner - pas kort voor het Mysterie van Golgotha worden geboren, zoals het onder andere in de Griekse filosofie tevoorschijn kwam. Bij het kleine kind kunnen we echter zien, dat door het zinvolle gebruik van de taal en het spreken de aanleg voor het denken wordt ontwikkeld.

In het kind werken gedurende de eerste drie levensjaren de hogere krachten van de Christus-Heiland. En we kunnen nu begrijpen, dat deze ook in de voorchristelijke tijd werkzaam waren, omdat zij van het kosmische Jezus-wezen uitgingen.
Na de eerste drie levensjaren ontwaakt in het kind het zelfbewuste Ik, wat echter direct met Lucifer in aanraking komt. Het hogere Ik trekt zich terug en wacht - terwijl het aardse schijn-ik in de mens zelfstandig wordt - tot de weg naar een hogere ontwikkeling wordt ingeslagen en òf via de Mysteriën, òf door religie er weer een verbinding mogelijk wordt gemaakt.
In de talloze religies in de wereld wordt dat hogere Ik op de meest verschillende manieren vereerd. Rudolf Steiner wees op de leer van Zarathustra betreffende Ahura Mazdao en zijn Ameschaspentas, op de Babylonische planeten-goden, of op de Griekse goden en in het bijzonder op Apollo. Deze laatste was de duidelijkste representant van de nathanische Jezus in relatie tot de derde kosmische heilsdaad. Naast deze algemene religieuze richtingen waren er de mysteriën, die voor mensen de ontmoeting met het hogere Ik-wezen mogelijk maakten, vooral de mysteriën van Isis en Osiris, maar ook de Dionysische mysteriën, de Mitrasmysteriën en de Adonismysteriën. Al deze feiten zijn voldoende bekend uit de antroposofische literatuur en hoeven hier nu niet behandeld te worden.
Ik wil hier een inkijk geven vanuit de Indische literatuur, hoe zich daar die drie daden van het nathanische Jezus-wezen openbaarden.


In Rudolf Steiners voordrachtencyclus ‘De Bhagavad-Gita und die Paulusbriefe’ (GA 142) geeft hij duidelijk aan, dat het Jezus-wezen zich in Krishna openbaarde (De Indiër sprak over Vishnu, die zich tot op een zeker niveau in Krishna incarneerde, een Avatara). In Vishnu kunnen we een aanduiding voor de kosmische Heiland zien, hoewel de Indische religie in de loop van de ontwikkeling zichzelf verloren heeft in verschillende dwaalwegen. Het liefdevolle, behoedende, vreedzame en reine is in deze godengestalte altijd bewaard gebleven, terwijl de andere godheid uit de Indische Triniteit, Shiva, meer luciferisch is geworden.
In de oudste Veda, de Rig-Veda, wordt Vishnu verschillende malen genoemd en bezongen. Deze hymnen zijn uit de herinnering aan de wijsheid der zeven Rishi’s opgeschreven, die in de vroegste tijd van het Indische cultuurtijdperk onderricht hebben gegeven. Daaruit wordt duidelijk dat Vishnu oorspronkelijk geen god was, maar hij wordt daarin een jongere broeder der goden genoemd. Omdat hij zich met de Allerhoogste verbonden had, werd hij als boven de goden staande vereerd. In deze verbinding met de Allerhoogste zag men later Brahma. Maar hier in de Veda’s wordt het Christus-wezen nog Vishnu Karman genoemd, die zich boven de sfeer van de Rishi’s verheffen kon. Men kan het ook als het oerwezen van de mens betrachten, de Adam Kadmon, die Purusha genoemd wordt in de Veda. In de Upanishads (Uitleg van de Veda’s) wordt een duidelijke samenhang  getoond tussen hem en Vishnu Karman ofwel Christus.

Ik ken Purusha de Grote
voorbij de duisternis, lichtend als de zon.
Alleen wie hem kent, ontsnapt aan het dodenrijk.
Er is geen andere weg om te gaan.

Niets is er hoger dan hij.
Niet iets kleiners, niet iets groters van wat dan ook.
Als een boom geworteld in de hemel is de Ene,
de Purusha, die de hele wereld vult.

Uit wateren en het sap der aarde geschapen,
kwam hij in den beginne als Vishnu Karman.
Tvashtr komt om zijn gestalte te vormen.
Dus is de mens in eerste oorsprong goedheid.


In deze hymne wordt ook verteld over de Boom des Levens, die bij de Zondeval van de mens is afgenomen, zoals we in Genesis 2:3 kunnen lezen. Deze levensboom is dezelfde als de heilige vijgenboom uit de Veda’s, waarin de goden hun woonplaats hebben in de derde hemel. Wie de weg tot hen gaat, verlaat het rijk waarin de aardse dood heerst.
In de hymnen, waarin de daden van Vishnu worden beschreven, wordt verteld over de drie stappen die deze door de hemel zette tijdens zijn vijfde Avatara als de dwerg Vamana. Volgens deze geschriften redde hij de wereld van de demon Bali, die de macht over de hele wereld, of volgens andere bronnen zelfs over de drie werelden van de goden, de mensen en de demonen had gekregen. In de gedaante van Vamana, een kind of dwerg gaat Vishnu naar Bali en vraagt om een stuk grond dat drie stappen groot is. Als hij toestemming krijgt verandert hij zichzelf in een reus en zet drie stappen om de hele wereld (Of dus van de godenwereld naar de mensenwereld, en met de tweede stap naar de wereld van de demonen) en krijgt die zo terug.
Vamana is in twee stappen om de aarde. Hij vraagt dan aan Bali waar hij de derde stap moet zetten. Als Bali weet dat Vamana een incarnatie is van Vishnu, zegt hij tegen Vamana dat hij de derde stap op zijn hoofd mag zetten. Vamana gaat ermee akkoord en verbant Bali van de aarde naar de onderwereld. Daar wordt Bali koning en moet hij voor de god Vishnu bidden. Vamana belooft Bali dat hij hem ooit op zal zoeken in een andere incarnatie.

We kunnen hierin het beeld herkennen van het zich oprichten, bewegen en lopen van een klein mensenkind. Er wordt ook beschreven dat de dwerg Vamana steeds groter werd, dat hij groeit als een kind. Door de drie schreden door de hemel bewerkstelligde Vishnu het heil der mensen en bereidde hij een woning op de aarde voor hen voor.

Veda I - 154   
1.
De grote daden van Vishnu wil ik prijzen,
hij die wijde ruimte van de aarde heeft doorkruist,
die de hoogste zetel in de hemel gegrondvest heeft,
driemaal vooruit schrijdend met machtige schreden
.

4.
Wij prijzen deze, zijn mannenkracht
van de sterke schutter, die niet straft, die genade beoefent,
die in drie schreden deze wijde aarderuimte
doorlopen heeft ten behoeve van onbegrensd levensgeluk.

5.
Wanneer nu de sterveling beschouwt de twee schreden van deze engelachtig uitziende,
komt hij ijverig in beweging
aan zijn derde schrede waagt niemand zich
zelfs de bevleugelde vogels niet, de vliegenden.


Veda VII - 99
1.
Aan het lichaam groeiend, boven alle maten,
hij heeft grootte verkregen, waaraan niemand gelijk is.
Wij kennen uw beide aarderuimten,
de hoogste van de hemel kent u zelf, god Vishnu.


In deze verzen worden dus de daden van het kosmische kind geprezen. In andere verzen wordt meer de tweede daad tot uitdrukking gebracht, waardoor de mens het vermogen tot spreken verkrijgt. Deze verzen zijn onduidelijker en moeilijk te begrijpen. Daarom worden die ook wel de mysterie-veda’s genoemd.

RgV X - 164
33
De hemel is mijn vader,
daar is mijn oorsprong,
Mijn moeder en familie is deze wijde aarde,
en tussen twee verre wereldschalen
is de schoot, die mij droeg,
daarin plaatste de vader de levensvrucht van de dochter.


34
Ik vraag je naar de verste uiteinden der aarde
ik vraag waar de navel van de wereld is,
ik vraag je naar het zaad van de bevruchtende hengst
ik vraag je naar de hoogste hemel waar de spraak (Vac) troont.
 

35
Dit altaar is het buitenste van de aarde,
dit offer is de navel van de wereld,
dit Soma is het zaad van de bevruchtende hengst
deze Brahmaan is de hoogste hemel waar de spraak troont.
 

36
Zeven uit een wereldhelft geborenen
staan als wereldzaad in opdracht van Vishnu aan de hemel
zij, wijzen van gedachten en geest,
zij, de Omvattenden, omvatten beschermend het Al.


Wat in deze hymne als de zeven talenten in de hemel met hun inwerking op het mensenlichaam en de levensorganen wordt beschreven, vindt men ook in andere hymnen.

RgV I - 22
16   
Van daaruit mogen de goden ons beschermen,
waar vandaan Vishnu zeven plaatsen door de aarde schreed.


In het verdere verloop wordt Vishnu in samenhang gebracht met de god Indra als zijn beste vriend. Indra is de drakenbestrijder uit de vedische tijd en hij wordt het meest bezongen in de Rig-Veda. We kunnen in hem de aartsengel Michaël zien en ook wel de Griekse god Apollo, hoewel hij hier niet identiek is met Vishnu. Wanneer Indra vlucht voor het verschrikkelijke gesnuif van de draak Vritra, dan is het Vishnu die Indra sterk maakt door dat hij de derde schrede zet in de hoogste hemel. Hij is het ook, die voor hem de hemelse drank Soma bereidt. Deze Soma werd door de Indiërs als de scheppende offerdrank gedronken: maar Soma is ook de maan, die de levensritmen in alle vloeibare stoffen bewerkstelligt.

In deze Vishnu-Soma-Indra-verbinding kan men duidelijk de derde daad van het nathanische Jezus-wezen herkennen, waardoor de zielenkrachten denken, voelen en willen in de mens geharmoniseerd werden.


Op deze in fragmenten overgeleverde oerwijsheid van de Indische Veda’s volgen in latere tijden heel andere verhalen. Dan heeft Vishnu de middenplaats van de Triniteit ingekomen tussen Brahma en Shiva. Dan wordt hij vaak de verzorger van de wereldschepping genoemd. Ontelbare tempels zijn aan hem gewijd en in vele beelden wordt hij in zijn mythologische verschijningen weergegeven. Uit de literatuur hierover krijgt men een overzicht over zijn werkzaamheden. Maar hier wil ik vooral het een en andere vertellen uit de Viṣṇu Purāṇa, een religieuze Hindoe tekst die zeer waarschijnlijk uit de laatste tijd voor Christus stamt. Daarin wordt van de tien Avataras, d.w.z. belichamingen, van Vishnu verhaald. Deze Avatara-vertellingen zijn niets anders dan de belevenissen van mensen in de mysteriën, zoals bijvoorbeeld ook over de Osiris-Mysteriën wordt beschreven. Daar beleefden de inwijdelingen het hogere Ik in de meest verschillende etherische vormen. Daarom konden zijn ook de vormen der diersoorten door een helderziend schouwen beleven. In de vier eerste: de vis, de schildpad, het everzwijn en de mens-leeuw zien we de metamorfoses, die de oermens heeft doorgemaakt voordat hij zijn menselijke gedaante ontving in de hyperboreïsche en lemurische tijd. (Als vis heeft Vishnu de grote Manu (Noach) gedurende de Zondvloed geleid en hem het zonnemysterie onderricht. De eerste mensenvorm is de dwerg Vamana. Er wordt verteld, dat de Asura Bali (een boze geest) de hele wereld beheerst. De dwerg Vamana-Vishnu vraagt hem om een gunst, om zoveel land te mogen bezitten als hij met drie stappen kan afmeten. Dat wordt hem toegestaan, omdat Bali denkt dat een dwerg in drie stappen toch niet veel land kan omvatten. Maar Vishnu, de dwerg - hij groeit steeds groter -, zet één voet in de hemel en de andere op de aarde. Daarmee omvat hij deze beide regionen. Daarna - nog steeds verder groeiend - omvat hij met zijn derde stap het hele rijk der goden. De Asura, waarvoor nu geen plaats meer is, wordt Vishnu verbannen naar de onderwereld. In deze vertelling ziet men de oude vedische wijdheid in een mythologische vorm terugkomen.

Zo kan men ook in de bekende vertelling over het karnen van de grote hemelzee, een zee van melk, een herinnering beleven aan de tweede daad van het nathanische Jezus-wezen, waarmee de levensorganen van de mens bevrijd werden van de inwerking door Lucifer en Ahriman. In de beeldspraak van de mythologie worden niet slechts de geschiedkundige feiten verteld, maar er wordt meteen ook in een beeld weergegeven van wat de Yogi in zijn lichaam beleeft, wanneer hij door middel van zijn geestelijke oefeningen de lotusbloemen (chakra’s) tot ontluiken brengt. De berg die als karnstok dient is een beeld van de elementaire ruggengraat, die met een slang - een beeld voor het Kundalinie-vuur - in beweging en tot draaien wordt gebracht. Vishnu als schildpad dient als onderkant van de karnstok en dat is een beeld voor de aarde en ook het hoofd van de mens, zoals dat in de voorstelling van de Indische mens leefde. De drie goden Brahma, Vishnu en Shiva werken samen met de demonen, namelijk Lucifer en Ahriman, aan het karntouw (de slang). Hierdoor werden de levenskrachten versterkt en het Wereldwoord begon weer te klinken, met ander woorden, wat door de Zondeval de mens wat ontnomen - de klankether - werd voor de helderzienden nu weer bereikbaar.
Door het karnen stijgt uit de melkzee de godin Lakshmi op, die de schaal met Amrita draagt, het beeld waarmee de levensether wordt aangeduid. Opdat Lucifer en Ahriman geen heerschappij kunnen krijgen over de levenskrachten, voorkomt Vishnu dat de demonen ook uit de schaal met Amrita kunnen drinken.

De schaal wordt door Lakshmi, de bruid van Vishnu, aan de goden aangeboden. Zij draagt de schaal met Amrita. Samen met haar bewoont Vishnu zijn juwelentroon, dat is het hartenmidden, waarin de Zonnelogos gehoord kan worden. In de volgende tekst uit de Upanishad wordt over de betekenis van het karnen en over de plaatst van Vishnu in het menselijke innerlijk gesprokken:

Zoals de boter ligt verborgen in melk,
Zo ligt het ware inzicht verborgen in de harten van allen.
Karn voortdurend door middel van de geest als karnstok (meditatie);
Een ieder zal het in zichzelf tevoorschijn moeten brengen,
door het draaitouw van het inzicht (de slang) te gebruiken.
Licht uw vuur door middel van meditatie op het:
Het Zelf, al geheel, alle vrede, alle zekerheid.
 “Ik ben de Brahman”, zoals het heet.

Amritabindu Upanishad

XIII-5
Alles wat in de gehele wereld
zichtbaar en wat hoorbaar is,
dat alles is van binnen en van buiten
doordrongen door Narayana
(Vishnu)

XIII-6
Oneindig, eeuwig, vol van wijsheid,
woont het einde der zee, aan alles heil en vreugde brengend,
als hart gelijk een lotusknop
waarvan de punt naar onder staat,


XIII-7
Woont een handwijdte onder de adamsappel,
een handwijdte boven de navel, hij
waar het gloeit in een aureool,
het grote steunpunt van het wereld-al.


XIII-8
Het hart hangt door aderen omsponnen,
omlaag bijna zoals een bloemenkelk,
er is daarin een kleine ruimte,
waarin het wereld-al zijn stut vindt.


XIII-9
En in hem vlamt een groot vuur,
stralend naar alle kanten,
eerst neemt het het aangereikte voedsel op
en verdeelt het dan met wijsheid, niets veranderend.
Zijwaards naar boven en onder
breiden zich zijn stralen uit.


XIII-10
Het verwarmt het lichaam waarin het woont,
van de voetzolen tot het hoofd.
In het midden van dat vuur
dat het hele lichaam verwarmt
is een vurige tong
die ragfijn naar boven streeft.


XIII—12
Midden in deze tong van vuur
troont de hoogste zielenwereld.
Dat is Brahma Vishnu Shiva,
de eeuwige, de hoogste Heer

Maha Narayanana Upanishad

Wanneer de eerste vijf Avatara (bestaansvormen) van Vishnu in de rijken van de geest zijn en voor de mensen met een helderziende blik tot bewustzijn kunnen komen, zo treden in de volgende Avatara mensen op, die in hun daden op aarde de impulsen verwerkelijken, die zijn in de geestelijke wereld hebben ontvangen. Men kan zeggen, dat deze mensen met het hogere deel van hun wezen met Vishnu ofwel het nathanische Jezus-wezen verbonden zijn. Dat is zo bij de Oude Rama en de Rama uit het epos Ramayana, Krishna, Gautama Buddha en Kalkin.

De eerste twee zijn helden, die met hun strijd tegen de boze machten een beeld representeren van de Strijd in de Hemel, zoals die door Vishnu en Indra eenmaal gestreden werd. Bij Krishna hebben we te maken met een nog intensievere inwerken van het Jezus-wezen op de aarde. Rudolf Steiner spreekt over een ‘vervangende incarnatie”  waarin profetisch het Mysterie van Golgotha tijdens het Indische cultuurtijdperk werd voorbereid. Dit vond plaats bij de overgang van het derde naar het vierde na-Atlantische Tijdperk, zo ongeveer in de 8e eeuw v.Chr. Toen begon het oude helderziende vermogen waarmee men zich met het nathanische Jezus-wezen kon verbinden, af te nemen. De oude helderziendheid was nog verenigd met de slang, zoals het bij het karnen van de hemelzee beschreven is. De held Krishna heeft de slang Kali de kop vermorzeld, waarbij hij echter zijn eigen voet verwondde. Dat wijst erop dat hij de verbinding met de elementen verloor. Hij moest de mens een nieuwe weg wijzen. Deze weg kan niet langer leiden via de poort die wordt aangegeven door de oude Yoga-scholing. Hij leidt nu via het denken. De oude scholingsweg begint met het ontwikkelen van de vierbladige lotusbloem in het onderlichaam en stijgt dan op via de wervelkolom. De nieuwe scholingsweg begint met het ontvouwen van de tweebladige lotusbloem. Deze nieuwe weg wordt in de Bhagavad-Gita beschreven, wanneer Krishna zijn leerling Arjuna in een mysterie-leergesprek onderricht. In deze tijd wordt de Griekse filosofie geboren en voor de Indische mens de Sjamkya-filosofie, die samen met de Raja-Yoga tot een ontmoeting met het Hogere Ik voert.

Wees gezegend. Ik zal u de belangrijkste van Mijn goddelijke heerlijkheden mededelen, o beste der Kurus; want er is geen einde aan Mijn bijzonderheden.
“Ik Ben” de ziel van deze wereld, tronend in het hart van alle schepselen.
“Ik Ben” het begin, het midden en ook het einde van alle wezens.
Van de Adityas (vedische goden) ben Ik Vishnu, van de hemellichamen ben Ik de schitterende Zon.

 Bhagavad-Gita - 10e hoofdstuk

Hij wekt niet alleen het denkvermogen bij zijn leerling, hij ontvouwt bij hem ook een nieuw geestelijk orgaan, de tweebladig lotusbloem, waardoor hij de genade van het hogere wezen, de Krishna Vishnu schouwen kan.

In uw gestalte, o Heer, zie ik al de goden en scharen van velerlei wezens;
Brahma, de Heer, op zijn lotustroon gezeten en al de Rishis en de goddelijke slangen.
Met talloos vele monden, ogen, armen, lijven, aanschouw ik U allerwegen, onbegrensd: ik zie begin, noch midden, noch einde van U, o Heer; ook niet Uw oorsprong, o Gij wiens vorm het oneindige Al is.
Straling en schittering alom; met kroon en scepter en discus zie ik U; als laaiend vuur, als zon, oogverblindend, het ganse firmament vervullend, ongemeten.

Bhagavad-Gita - 11e hoofdstuk

Zo wordt Krishna voor de Indische mensheid tot leider van het Ik-Ben, zoals Mozes dat werd voor het Hebreeuwse volk. De latere Boeddha heeft deze wijsheid via een andere weg, doormiddel van het achtvoudige pad aan de mensen gegeven. Dat was de weg, waardoor de mens zich van de gevolgen van de Zondeval kon bevrijden. Daarom kunnen we in Vishnu Purana de samenhang zien tussen het wezen van de zondeloze oermens, de nathanische Jezus en de Boeddha. Later kon dan ook het astraallichaam van Boeddha zich verbinden met de nathanische Jezus, zoals de engel het openbaarde aan de herders op het veld in Bethlehem en zoals het door Simeon in de tempel werd beleefd. De grote voorchristelijke openbaring van het wezen van de Heiland kon zich niet nog een keer in India  herhalen, maar het kind, dat de verwachting zou vervullen, werd in Palestina geboren. Toen en daar moesten de bovenzinnelijke krachten van het voorchristelijke mensenwezen, die steeds in de eerste drie levensjaren van een kind werkzaam zijn, zich met de dood-brengende stoffelijkheid verbinden, welke door Lucifer en Ahriman in het menselijk lichaam is gelegd. Een vierde maal verenigde het nathanische Jezus-wezen zich met het Christuswezen en alleen daardoor kon het Mysterie van Golgotha plaatsvinden. De dood, als consequentie van de Zondeval, werd overwonnen, en de mens, zoals die bedoeld was in het oorspronkelijke goddelijke wereldplan, stond op uit het graf. Het onschuldig gebleven gedeelte van het zielenwezen van Adam kon door de apostelen geschouwd worden, zoals Arjuna het profetisch in Krishna had geschouwd. Paulus wist dat toen hij zei: “De eerste mens Adam is een levend aards wezen. De laatste Adam werd een levenmakende Geest.” (1 Korintiërs 15:45)

In hetzelfde 15e hoofdstuk van diezelfde Brief aan de Korintiërs spreekt Paulus over het zaad, terwijl het opstandingslichaam van de laatste Adam als kiem kan worden aangemerkt voor het geesteslichaam van alle mensen, die de Christus-impuls hebben opgenomen. In onze tijd zullen deze mensen de Christus-Jezus in zijn ethergestalte kunnen schouwen, zoals Rudolf Steiner heeft geopenbaard. Niet alleen Paulus spreekt van de Wederkomst (Parousia) in deze michaëlische tijd, ook Vishnu Purana doe dat. Daar vindt men een uitvoerige beschrijving van het einde van het Kali Yuga (het Duistere Tijdperk), dat in 3101 voor Christus begon en 1899 na Christus eindigde. De beelden, die door Vishnu Purana aan ons zijn overgeleverd, deze beelden van het zoeken naar ons thuis, dat over de mensheid zal komen, zijn op allerlei manieren te vergelijken met die beelden, uit de apocalyptische rede van Christus die we in de evangeliën vinden. Het laatste deel tegen het einde spreekt in een duidelijk taal. We zien Kalkin (Vishnu Avatara) met een gevleugeld paard, een kroon op zijn hoofd, een zwaard in zijn hand. Een treffende overeenkomst met het beeld dat de Apocalyps van Johannes geeft met de duidelijke beschrijvingen van de geestelijke vaardigheden van de mens, die zich met de openbaring van Christus verbindt.


Wanneer de praktijken onderwezen door de Veda's en de institutie der wet bijna zullen hebben opgehouden te bestaan, en het einde van het Kali Yuga tijdperk nabij zal zijn, zal een deel van dat goddelijke wezen dat door zijn geestelijke natuur naar karakter uit Brahma is, neerdalen op aarde. Hij is het begin en het einde, en begrijpt alle dingen. Hij zal worden geboren in de familie van Vishńu Yaśas, een voorname Brahman uit het land Shambala, en zoals Kalkin beschikkend over de acht bovenmenselijke vermogens. Door zijn onweerstaanbare macht zal hij vernietigen alle Mlechchha's en dieven en alle verworpenen vernietigen en alle wier geest is gewijd aan de ongerechtigheid. Hij zal de gerechtigheid op aarde herstellen en de geestkracht van degenen die aan het einde van het Kali Yuga tijdperk leven zo helder maken als kristal. De mensen die op die manier hun deugden hebben gewijzigd in die bijzondere tijd zullen zijn als de kiemen van het mensenwezen, die een nieuw mensenras op aarde zullen vormen, welke de wetten van het Krita Yuga, het tijdperk van zuiverheid zullen vervullen.

In deze tweeduizend jaar oude profetie wordt gewezen op de wederkomst van Christus in de etherwereld, wat wordt bedoeld met ‘het land Shambala’. Het Mysterie va Golgotha is aan de Indische wijzen nog niet geopenbaard. Maar door de exacte beschrijving van de nieuwe geestelijke vermogens van de mens in ons tijdperk, is de ontwikkeling in christelijke zin verstaan. Maar pas door de antroposofie van Rudolf Steiner kunnen we de boodschap uit de Indische cultuur begrijpen.

Bronnen:
-Rudolf Steiner: Christus en het Mysterie van de Graal (GA 149)
-Rudolf Steiner: Vorstufen zum Mysterium von Golgotha (GA 152)
-Rudolf Steiner:  Uit de Akasha Kroniek (GA 11), hoofdstuk Onze Atlantische voorouders
-dra. C. Keus: Bhagavad Gita (2007, uitgeverij Ankh-Hermes, Deventer)
voor enkele van de vertalingen
-Wikipedia





zaterdag 15 december 2012

De Kersthandeling

Hieronder vindt u een bewerking van een prachtig en waardevol artikel, geschreven door Marianne de Nooij, (geestelijke van de Christengemeenschap in de gemeente Amsterdam) www.christengemeenschap.nl

Voor deze weblog is de originele tekst over de Kinderdienst op enkele plaatsen aangepast, zodat de inhoud meer een weergave is van de situatie in de scholen. Zo zijn o.a. de begrippen 'Zondagsdienst voor kinderen' en 'Kerstdienst' vervangen door 'Handeling' en 'Kersthandeling'. Het originele artikel kunt u nalezen via deze link: http://www.christengemeenschap.nl/wp-content/uploads/VI-Op-de-groei-9-Op-de-plaats-van-de-armoede-Advent-2012-.pdf



Rembrandt: Aanbidding door de herders

‘Op de plaats van de armoede’

Op tweeënvijftig zondagen per jaar klinken voor de kinderen de woorden van de Kinderhandeling. Hetzelfde gebeurt in de Kinderdienst in de kerken van de Christengemeenschap over de hele wereld. Elke week weer opnieuw worden dezelfde woorden gesproken, weliswaar klinkt steeds een ander evangelie en een ander lied, maar de Handeling zelf is het hele jaar door datzelfde vertrouwde basisvoedsel voor de ziel van kinderen, van hun zevende tot hun veertiende levensjaar. Eenmaal per jaar gaan de kinderen echter naar een heel andere Handeling, op de Eerste Kerstdag, die meestal niet op zondag valt.
 De eerste Kersthandeling werd gehouden op 25 december 1920 in de eerste Waldorfschule (vrijeschool) in Stuttgart door de godsdienstleraren, die daarbij werden geholpen door Rudolf Steiner. De ouders van de kinderen die aan de Handelingen deelnamen zochten naar een vorm van religieuze opvoeding voor hun kinderen, die zij niet konden vinden in de katholieke en protestantse traditie, en de Christengemeenschap bestond toen nog niet.
De taal die in deze beide Handelingen klinkt is geen 'kindertaal'. In het regelmatig deelnemen aan deze cultus worden de krachten van verwondering en devotie gevoed, zielenkrachten die de basis vormen voor een vrij en eigen zelfstandig religieus leven in de volwassenheid.

Samen met de herders op weg

De Kersthandeling is geen enigszins aangepaste zondagshandeling, waar op de plaats van het evangelie het kerstverhaal klinkt. Het is een volledig andere tekst. Niettemin is er wel een aantal overeenkomsten met de gewone Handeling. De woorden waarmee de kinderen in de handelingsruimte worden binnengelaten zijn dezelfde. Komen ze bij de Kersthandeling echter binnen in de handelingsruimte, dan zien de kinderen bij het altaar ook de kerstboom staan, versierd met dertig rode en drie witte rozen en soms ook de planetentekens en met brandende kaarsjes.
Ook is er een rondgang, net als in de zondagshandeling, waarbij de handelinghoudende leraar rond gaat om ieder kind een hand te geven waarbij een korte tekst wordt gesproken. Maar anders dan bij de gewone Handeling geven de kinderen nu geen antwoord. Evenmin spreken de kinderen het gebed. In een stil zwijgen nemen ze zo luisterend het kerstverhaal in zich op, net als de verwonderde herders deden in de kerstnacht.
In de gewone Handeling wendt de leraar zich op een zeker moment naar het altaar toe en wijst op de beeltenis boven het altaar. In de Kersthandeling blijft de handelinghoudende leraar gedurende de hele dienst naar de kinderen toe gewend en keert zich niet om naar het altaar. Heeft het altaar in de Kersthandeling dan nog wel een taak, als grensgebied tussen deze wereld en de goddelijke wereld? Het lijkt er op dat Degene op wie de leraar in de gewone Handeling wijst, als hij zich naar het altaar toewendt, in de Kerstnacht midden onder ons is aangekomen en dat Diegene nu in het eigen hart beleefd kan worden. In de Zondagshandeling ervaren we deze Godesgeest wanneer we, met de aanduidende hand van de leraar mee, de blik omhoog richten. We kijken omhoog naar dat 'venster' van de altaarschildering, het venster naar de hemel toe. In de Kersthandeling mogen we deze Godesgeest als 'Geesteszon', die in de Kerstnacht naar de aarde toe kwam, midden onder ons ervaren, net zoals de herders dat in de eerste kerstnacht ervoeren.
De herders namen het licht van de Geesteszon in zich op, dat zij in die eerste wereldkerstnacht zagen stralen uit de ogen van het kindje toen ze in de stal knielden bij de kribbe, op 'de plaats van de armoede'. We gaan samen met de herders op weg in de Kersthandeling. We beleven de vroomheid en de deemoed van de herders in die eerste wereldkerstnacht mee, vroomheid en deemoed die ons eigen hart openen.
In de gewone Handeling worden de kinderen in de slotwoorden aangesproken om hetgeen zij er hebben gehoord, gevoeld en gedacht, in hun hart te bewaren. In de slotwoorden van de Kersthandeling klinkt de oproep om dat wat je in je hart bewaart, vanuit de Kersttijd het hele jaar binnen te dragen.

Zeven en twaalf

De Handeling is zevenledig opgebouwd (zie hiervoor de bijdrage 'De zeven stappen in de Kinderhandeling). Het getal zeven verschijnt in talloze sprookjes, denk maar aan de zeven dwergen over de zeven bergen, de zeven raven of de zeven geitjes. Ook in de Openbaring van Johannes komt de zevenheid veel voor; iemand heeft ooit 7700 zevenheden in dit laatste bijbelboek geteld! Zevenheid duidt op tijdsprocessen: op ontwikkeling in de aardse werkelijkheid van ruimte en tijd, op de groei en ontwikkeling van de mens na zijn geboorte hier op aarde.
De Kersthandeling is niet zevenledig, maar bestaat uit twaalf gedeelten. Ook de twaalfheid is in vele sprookjes te vinden: de twaalf vensters in 'Het Zeehaasje', 'De Twaalf Broers' (waarin het zusje overigens zeven jaren niet mag spreken om hen te verlossen), of 'De Twaalf Jagers'. Ook in de Openbaring van Johannes verschijnt de twaalfheid in de laatste hoofdstukken: de zeven brieven, de zeven bazuinen en de zeven schalen van toorn zijn voorbij en de hemelse stad Jeruzalem met haar twaalftal twaalfheden daalt uit de hemel neer. Wanneer we het getal twaalf tegenkomen, duidt dat meestal op processen die met de krachten uit de sterrenwereld van de dierenriem, dus met de hemel te maken hebben. Dan gaat het om ontwikkeling die aangezet wordt vanuit de hemel, van buiten de aardse werkelijkheid van ruimte en tijd.
In de Kersthandeling klinkt de kerstboodschap in twaalf strofen, in twaalf gebeden. Zoals de zon door het jaar heen door de twaalf beelden van de dierenriem beweegt, zo hebben in deze Kersthandeling de herders, die 'op de plaats van de armoede' knielen in de stal, twaalfvoudig deel aan de geboorte van de Geesteszon op aarde. Vanuit twaalf richtingen wordt de geboorte van het Kind belicht.

De kinderen kunnen van hun zevende tot hun veertiende levensjaar in principe zeven maal de Kersthandeling meemaken, telkens op een andere dag van de week, want Kerst valt immers op de vaste datum van 25 december. Van jaar tot jaar heeft de Kersthandeling zo telkens de kwaliteit van een andere weekdag. Hiermee wordt de hemelse kwaliteit van de twaalfheid in deze dienst verbonden met de aardse zevenheid van de zeven weekdagen in onze aardse tijdrekening.
De moderne mens is de harte-innigheid van de herders en de sterrenwijsheid van de drie koningen voor een groot deel kwijt geraakt. De mens heeft immers de opdracht om op aarde de vrijheid te verwerven, vrij te worden van de leiding uit de geestelijke wereld. In die zin kun je dan ook zeggen, dat onze kinderen ter wereld komen en opgroeien 'op de plaats van de armoede' waar de oude harte-innigheid en sterrenwijsheid verloren zijn gegaan.
In het vieren van het Kerstfeest kunnen we, in vrijheid, de herders-innigheid en koningswijsheid opnieuw verwerven. De Kersthandeling voor de kinderen, waar overigens ook volwassenen hartelijk welkom zijn, heeft een stemming van rust, innigheid, warmte en omhulling. De herdersboodschap van het hart is gehuld in een twaalfvoudige koningsmantel van sterrenwijsheid. En zo wordt de kerstboodschap als een levende kiem gezaaid in het hart, een kiem die vanuit de Kersttijd mag groeien en vrucht dragen in het leven van het gehele jaar.

Het originele artikel met de titel 'Op de plaats van de armoede' verscheen in 'In Beweging' het kwartaalblad van de Christengemeenschap - Advent 2012. 
Het originele artikel kunt u vinden op de website van de Christengemeenschap of via deze link (klik hier)

zaterdag 6 oktober 2012

De zeven stappen in de Kinderhandeling

Toen de priesters van de in 1922 opgerichte Christengemeenschap te kennen gaven dat zij ook een viering wensten speciaal voor de kinderen, antwoordde Rudolf Steiner op hun vraag, dat hij niet voor een tweede keer een Kinderhandeling kon geven, zoals die al aan de vrijeschool in Stuttgart overhandigd was en vanaf februari 1920 werd gehouden, maar dat hij bij de godsdienstleraren van deze Waldorfschool navraag zou doen. Enige tijd later overhandigden de leraren op Steiners verzoek de tekst van de Kinderhandeling aan de priesters van de Christengemeenschap. 
Daarom kunnen we ons er niet genoeg van bewust zijn, welke enorme (esoterische) betekenis deze Kinderhandeling, die aan de vrijeschool-beweging gegeven is, heeft als cultus binnen  het geheel van de antroposofische beweging (zie ook het hier eerder gepubliceerde artikel van Daniel van Bemmelen over de Betekenis van de Kinderhandeling).

Hieronder volgt een bewerking van een bijdrage aan de studiedag voor leraren religieuze oriëntatie aan vrijescholen.
22 september 2007.

------

De zeven stappen in de Kinderhandeling

Naast alles wat het leerplan van de vrijescholen te bieden heeft aan waardevolle bijdragen voor de opvoeding van het kind, vormen de lessen Religieuze Oriëntatie en de daarbij horende Handelingen wel een heel bijzonder element binnen het vrijeschool-onderwijs. Tegelijk blijkt echter dat het ritueel van de Handeling voor velen moeilijk toegankelijk is. Wat Rudolf Steiner aan de pedagogen gegeven heeft, is eigenlijk vooruitstrevend nieuw. Tegelijk kan men ook leren zien dat hij daarmee wilde aansluiten bij een eeuwenoude esoterische traditie en een impuls wilde geven als begin van Nieuwe Mysteriën. Laten we daarom een poging wagen om op een bepaalde manier te begrijpen wat er gebeurt.

Eerst een stukje geschiedenis: Nadat op een ouderavond (3 november 1919) ouders vroegen of er een zondagsviering kon komen voor de kinderen die naar het Freie Religionsunterricht gingen, antwoordde Rudolf Steiner ‘Dan moet het ook een cultus zijn! Maar het zal moeilijk worden om dat vorm te geven. Als we zo iets gaan doen mag het niet mislukken. Het zal zo moeten worden dat het ‘Taboe’ is.’ Volgens het woordenboek is een cultus: eredienst, in- en uitwendige verering van God.’ Het karakteristieke van een cultus is dat inhoud en vorm met elkaar in overeenstemming zijn. Vanuit  een geesteswetenschappelijk gezichtspunt kunnen we tegenwoordig ook zeggen dat een cultus qua inhoud en vorm zo is vormgegeven, dat zij ook voor de geestelijke wereld een betekenis heeft. Daarom kunnen we ons ook voorstellen dat Steiner aangaf dat het zo moest worden dat het ‘taboe’ was, want hetgeen zou ontstaan, kon niet vervangen worden door iets anders. Dat bleek dus ook toen de priesters van de toentertijd pas gestichte Christengemeenschap te kennen gaven ook voor de kinderen een viering te wensen.

We willen nu deze Kinderhandeling vanuit drie invalshoeken bekijken: Wat is er te zien? Wat is er te horen? En wat gebeurt er?
Met andere woorden: we kijken nu naar het visuele aspect, het auditieve element en het bewegingsaspect d.w.z. de gebaren. Eigenlijk vragen we onszelf daarmee af: Wat is de Handeling als beeld, imaginatie? Wat is de inspiratie en wat de intuïtie die in de Handeling tot uiting komt? Daardoor kunnen we meteen een verbinding leggen met hetgeen Rudolf Steiner aangaf over hoe dat de wezens van de derde hiërarchie (engelen, aartsengelen en archai) het pedagogische werk van leraren willen ondersteunen met imaginaties, inspiraties en intuïties. Op het werk van deze engelwezens van de derde hiërarchie zullen we aan het einde van deze bijdrage nog terug komen.

Meteen wanneer de kinderen de handelingsruimte binnen komen, krijgen we antwoord op de vraag: Wat doe je eigenlijk in de Handeling? Tot ieder kind afzonderlijk wordt gezegd: “Je weet dat je gaat naar de Handeling, die je ziel zal verheffen tot de Geest van de Wereld.” Dat doet de Handeling dus, de Kinderhandeling verheft je ziel. Zij verheft de ziel tot de Geest van de Wereld en we weten dat sinds het Mysterie van Golgotha het Christuswezen zelf de Geest van de Wereld is. Het werkwoord ‘verheffen‘ komt overigens in de tekst van de Kinderhandeling driemaal voor.
Deze eerste zin, die bij het binnenkomen uitgesproken wordt, zet meteen de toon. Het is geen belerende tekst in de trant: “Weet je wel dat je naar de Handeling gaat!”, ook geen sentimentele begroeting: “O wat leuk dat je naar de Handeling bent gekomen. Gezellig, welkom en ga fijn bij ons zitten!” Elke vorm van sentimentaliteit is funest voor de kinderziel, niet alleen in dit verband maar zeer zeker hierbij. Wat klinkt is volkomen objectief en daarmee kan de ziel van het kind het in vrijheid opnemen en met zich meedragen.

Na deze begroeting komen de kinderen de handelingsruimte binnen. Het moet geen apart ‘kapelletje’ zijn maar een lokaal of zaal van de school, die de rest van de week ook voor andere activiteiten wordt gebruikt. Voor de zondagse Handeling is de inrichting opgetuigd en het valt meteen op dat de gordijnen en het altaar rood van kleur zijn. In een van de karmavoordrachten spreekt Rudolf Steiner over de tempelarchitectuur en het ontwerp van het 1e Goetheanum. Hij vertelt dat de normale zintuigindrukken ons alleen de schijnwereld laten zien, die ons door toedoen van het wezen Lucifer als reëel voordoet, maar die ons eigenlijk wil afhouden van een werkelijke verbinding met ons innerlijk en met het geestelijke in de wereld. De architectuur van de heiligdommen, tempels, kathedralen en kerken was zo, dat het de menselijke ziel voerde naar de diepten van het innerlijk leven. Het licht dat door de gekleurde, gebrandschilderde vensters scheen was een representant van het geestelijk gekleurde licht van de planetenwereld. Het witte luciferische licht dat ons de Maya van de zintuigwereld binnenleidt, wordt erdoor geweerd. De kleuren die aangegeven zijn voor de handelingsruimte en het altaar zouden in dit licht gezien kunnen worden. Ze zijn niet willekeurig gekozen, maar juist deze kleuren helpen mee de cultus te voltrekken. Door verschillende grote stukken gekleurd karton met elkaar te vergelijken en je voor te stellen dat altaar en gordijnen die kleuren zouden hebben, kun je er al snel achterkomen dat andere kleuren veel minder geschikt zouden zijn. Ook hier kom je in het gebied van de objectieve realiteiten, niet geleid door modetrends of persoonlijke voorkeur en smaak. Over het rood is dan ook nog te zeggen dat het kleur van de goddelijke toorn is en dat kijken naar rood het bloed in ons organisme activeert.
Dan is er het blauw van de lijst om de afbeelding van het gelaat van Christus door Leonardo da Vinci tegen de achtergrond van dat rood. Blauw en rood zijn de archetypische kleuren staande voor de zielekrachten antipathie en sympathie. Het zwart en wit van de kandelaars en de kaarsen zijn ook archetypische kleuren voor deze twee zelfde krachten, maar dan gezien vanuit een geestelijke standpunt:
wit = antipathie, zwart = sympathie.
Overigens, wanneer je de combinatie rood-zwart-wit bij elkaar ziet, merk je de kracht ervan. Sneeuwwitje uit het sprookje wordt beschreven in dezelfde kleurcombinatie, zo ook Maria uit de West Side Story in haar baljurk, het kostuum van Herodes in het Driekoningenspel, de shirts en shorts van Feyenoord en Ajax. Voor verpakking van  bepaalde sigarettenmerken en zelfs ook in het Duitsland van voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de kracht van deze kleurcombinatie geweten en gebruikt, met uiterst negatieve bedoelingen.

Naast de kleuren die te zien zijn valt ook de vorm van het altaar op. Ook daarvan liggen de maten vast. Het achterdeel is een driehoek en daaronder een rechthoek. We kennen dit o.a. uit de Griekse architectuur, maar we vinden het natuurlijk ook gewoon in een huisje op een kindertekening: de goddelijke wereld (3) en de fysieke wereld (4). De Sixtijnse Madonna van Raphael kende deze geometrische verhoudingen. Wanneer je een horizontale lijn trekt boven de hoofden van Sixtus en Barbara, dan ontdek je een vierkant onder deze lijn. En deze lijn vormt ook meteen de basis voor een driehoek waarvan de punt boven het hoofd van de Madonna ligt. Haar gelaat en het kind vormen het centrum van deze driehoek. De buitenste lijnen van driehoek en vierkant vormen samen overigens een soort vijfhoek.

Raphael Santi: Sixtijnse Madonna
Aan de zijkanten van het altaar kunnen twee zetels staan. Toen in de begintijd alleen nog maar de Kinderhandeling gegeven was, waren deze zetels er nog niet maar bij de invoering van de Offerhandeling (Pasen 1923) zijn ze erbij gekomen. Deze twee zetels versterken nog meer de optische vorm van driehoek en vierkant en ook benadrukken zij nog eens extra het links-rechts-aspect van het altaar, of beter gezegd: de verdeling in drieën: links – midden – rechts. Wanneer je het aspect ‘tijd’ grafisch in een horizontale lijn uitzet, dan is hetgeen van links komt afkomstig uit het verleden. Dat wat van rechts komt werpt vanuit de toekomst al zijn licht vooruit in het heden. Zo representeert de linkerkant het verleden, het midden het heden en de rechterkant de toekomst. Vanuit het verleden komt de scheppende antipathiestroom die al het onzichtbare tot openbaring brengt, vanuit de toekomst werkt de oplossende sympathiestroom van de wil. Kijk eens in de Algemene Menskunde naar de diagrammen, dan zie je dat daar ook weer terug. De antipathiestroom is ook de plastisch-architectonische stroom, via links treedt de mens in de plastische verschijning. Het muzikale en het dichterlijke woord van de sympathiestroom is rechts.
Staande voor een altaar in een middeleeuwse kathedraal of een kerk, kijken wij altijd in de richting van het oosten, naar daar waar de zon opkomt. Daarvan stamt het woord ‘oriënteren, wat wil zeggen ‘zoeken naar de Oriënt (het oosten)’. Links van ons is dan het koude noorden met de onbeweeglijke poolster, rechts is het warme zuiden met de dynamiek van de langs de hemel reizende zon, maan en planeten. Rudolf Steiner gaf aan dat de linkerhelft van het mensenlichaam is opgebouwd door dezelfde geestelijke krachten, die ook het noordelijk halfrond met zijn vele continenten hebben gevormd. Daardoor is alles in fysieke verschijning getreden. De rechter lichaamshelft is veel flexibeler en is gevormd door krachten die in verre oertijden ook het zuidelijk halfrond met het vele water van de oceanen hebben gevormd.
In de Katholieke Kerk kende men het gebruik dat het missaal op het altaar steeds van rechts naar links en in het midden en weer terug werd verplaatst (zie hier). Dat komt men ook tegen in de Christengemeenschap. Wie bekend is met de Mensenwijdingsdienst kent ook de verschillende taken van de twee ministranten. De linker ministrant verricht de fysieke handelingen met kaarsen, wijn en water, wierookvat, kazuifel. Hij spreekt niet. De rechter ministrant is degene die spreekt en deze komt slechts naar links om het evangelieboek op te houden. De plastisch-architectonische stroom links, de muzikaal-dichterlijke stroom rechts. We herkennen in het altaar een beeld voor de door geestelijke krachten opgebouwde organisatie van de mens.

Nog een ander visueel element: Op het altaar zien we zeven kaarsen. Zij worden van links naar rechts neergezet en in een punt naar voren. De grootte van de kandelaars zorgt ervoor dat de kaarsen van groot naar klein gerangschikt zijn en dan weer groter worden.

1e lang                               7e zelfde hoogte als 1e
     2e korter                  6e zelfde als 2e
          3e nog korter   5e zelfde als 3e
                       4e kortst

Op het altaar in de Christengemeenschap hebben de kaarsen dezelfde grootte. De zeven kaarsen zullen meteen de associatie oproepen met de menora, de zevenarmige kandelaar uit de Joodse traditie. We hebben de getallen 3 en 4 (samen 7) al gezien in de vorm van het altaar. Het getal zeven duidt op de archetypische fasen van ontwikkeling. Daardoor kan men  het getal zeven ook terugvinden in veel andere zaken: de dagen van de week, de tonen van de toonladder, de kleuren van de regenboog, de zichtbare planeten, de zeven boomsoorten, de metalen, de zeven levensprocessen, de zeven vrije kunsten, de sacramenten, de werken van barmhartigheid, de zeven Ik-ben-woorden uit het Johannes-evangelie, de zeven woorden van Christus aan het kruis, zeven schalen van gramschap uit de Apocalyps en zelfs met de traditionele zeven doodzonden.
Het getal zeven is een herinnering aan de ontwikkelingsfase van de Oude Maan, waar het Boze in de ontwikkeling binnentrad. Als beeld vinden we ook dit weer in het sprookje van Sneeuwwitje, waar we zien hoe de ziel (Sneeuwwitje) leeft in een fysiek lichaam (huisje) . De levensprocessen van het etherlichaam (de dwergen) worden vergiftigd door de jaloerse stiefmoeder, de  kwaadaardige invloeden (=Lucifer) op de ziel en haar drievoudige functies denken, voelen en willen (hoofd, middel, stofwisseling). In een ander sprookje De Wolf en de Zeven Geitjes zien we de werking van een andere boze macht (Ahriman, het leugenbeest) in datzelfde gebied van de zeven levenskrachten. Hier blijkt dat het slechts de hartenkrachten van de mens zijn (het geitje in de klok), die nog redding kunnen bieden tegen de aanvallen van dit leugenbeest.

Wat we nu op het altaar hebben gezien, kunnen we vervolgens als visuele ondersteuning gebruiken om te volgen wat er in gesproken woorden tot ons (de kinderen) komt. Dit is het auditieve element, het hoorbare element van de inspiratie. Elk van de zeven kaarsen zou kunnen staan voor een gedeelte van de Handeling, voor de ontwikkeling die door de tekst van de Handeling heen klinkt. Daarom verbinden we de zeven kaarsen op het altaar ook met de zeven ontwikkelingsfasen van de aarde en met de zeven wezensdelen van de mens.

De 1e kaars herinnert ons aan de ontwikkelingfase van de Oude Saturnus, toen de Archai hun individualiteit ontwikkelden en het menselijk fysieke lichaam met zijn twaalf zintuigen voorbereidden. Tijdens de Oude Saturnus fase van de aarde bestond alles uit enkel warmte. Nu werken de Archai in de wil van de mens, wanneer de mens zijn fysieke lichaam in beweging wil brengen. Deze hiërarchie heeft ook bemoeienis met de zintuigen van de mens. De Oude Saturnus is de fase waarmee de schepping, de aarde ontwikkeling een aanvang nam, het scheppende principe van de Vader God.
Het eerste gedeelte van de Kinderhandeling spreekt over het aspect van de Vader God, de schepper van hemel en aarde. Er klinkt: ‘Wij verheffen ons’, en het is de wil waarover wordt gesproken.
Oude Saturnus – hiërarchie van de Archai - Vader God – fysiek lichaam - Willen

De 2e kaars herinnert ons aan de ontwikkelingfase van de Oude Zon, toen naast warmte ook licht en lucht ontstonden en waarin de aartsengelen het etherlichaam van de mens voorbereidden. De aartsengelen zijn nu werkzaam in het voelen van de mens. Het woord ‘hart’ klinkt werkelijk in dit gedeelte van de Handeling.
Voor dit tweede stuk van de Handeling draait de leraar, die de Handeling houdt, zich om naar de beeltenis van Christus en met een opgeheven hand wijzend op deze beeltenis spreekt hij Zijn naam uit. Hij is het zonnewezen dat leeft als ‘Geest in het Al’, de Zoon Gods, die levend kan worden in de harten van de mensen.
Oude Zon – Aartsengelen – Zoon God – etherlichaam – Voelen

We komen steeds dichter bij de aardeontwikkeling en de tekst van de Handeling komt dichter bij de kinderen. Er klinkt nu de aanhef: “Lieve kinderen…”
De 3e kaars herinnert ons aan de ontwikkelingfase de Oude Maan. De engelen ontwikkelden toen het astraallichaam in een wereld bestaande uit warmte, licht/lucht en water. De tekst van de Handeling bespreekt de drievoudige functies van het astraallichaam: denken, voelen en willen. De kinderen worden eraan herinnerd dat wij leren om te begrijpen en leren om in de wereld te werken. En dat de liefde van de mensen tot elkaar leven brengt in al het werk van de mensen. Leren heeft geestkarakter, de Heilige Geest.
In voorchristelijke tijden waren het leren begrijpen, werken en elkaar liefhebben geen individuele zaak maar een groepsgebeuren. Door de offerdaad van Christus zijn begrijpen, werken en liefhebben een aangelegenheid van het individu geworden. Daarom zijn het drie Christusgaven waarover in dit derde gedeelte van de Handeling gesproken wordt. We voelen hier de Heilige Geest. Een heel belangrijke zin klinkt: Christus is de leraar is van  de mensenliefde.
Oude Maan – Engelen – Heilige Geest – astraallichaam -  Denken

De 4e kaars staat op de kortste kandelaar. Nu zijn we aangekomen bij de huidige aardeontwikkeling, waarin wij als mensen onze Ik-ontwikkeling moeten gaan in een wereld bestaande uit warmte, licht/lucht, water en fysieke aarde.
Door het Mysterie van Golgotha werd aan de mens de kracht van het individuele Ik gegeven. Tijdens dit vierde gedeelte van de Handeling spreken de kinderen dan ook zelf. Het gebed heeft opnieuw zeven regels, die een samenhang hebben waarop we nog terug zullen komen. Het spreken van het gebed eist de Ik-kracht van de mens, die op aarde leeft.

Er volgen de drie kaarsen aan de rechterkant van het altaar. Dat is de kant met toekomstkarakter. De 5e kaars is een voorbode van de Jupiterfase na de aarde. In de zevendelige mens hangt dit samen met het Geestzelf, een omwerking van het astraallichaam wanneer het is gereinigd door de inwerking van het bewuste hogere Ik. Om je daar iets bij voor te stellen kun je denken aan het beeld van de pas geschapen Adam, die aan alles wat hij waarnam een naam moest gaven. De waarneming van de buitenwereld verloopt via het astraallichaam.  Het geven van namen komt van binnen uit. Met iedere naam plaatste Adam zijn innerlijk tegenover de buitenwereld. In het Geestzelf, het gereinigde astraallichaam zal de mens herkennen dat alles in de zintuiglijke wereld geheel vervult is met de werking van de Geest, van de Goden. De naam van God zal hij herkennen in alles wat hij zal waarnemen. Het is een toekomstbeeld van de tijd wanneer Gods naam zal worden geheiligd.
Uw naam worde geheiligd.

In het 5e gedeelte van de Handeling vindt de rondgang plaats. De leraar die de Handeling houdt, stapt bewust vanuit het midden naar rechterkant (toekomstkant) van het altaar, voordat hij naar de kinderen loopt. De kinderen antwoorden dat zij de Godesgeest zullen zoeken.
Daarna volgt een zegen waarbij de handelende met de handen een gebaar maakt, dat zijn wortels heeft in de Joodse traditie van het Oude Testament. Het is het zegenende gebaar van de Joodse priester, de Kohenin uit de stam van Aaron. Lees hiervoor de tekst uit Numeri 6:22-27, waarin wordt vertelt hoe Mozes de opdracht krijgt om zijn broerder Aaron te leren hoe het volk te zegenen. Volgens de Joodse traditie houd je de zegen die van HEM komt, niet in gesloten handen.
Shefa Tal
De vingers van beide handen vormen de Hebreeuwse letter ‘Shin’ van ‘Shaddai’, de Almachtige God.
De vingers laten op deze manier ook weer een drie-eenheid zien. Het is eventueel te vergelijken met het zegenende handgebaar waarmee Christus vaak wordt afgebeeld.
Jupiter – Geestzelf – Naam
 
Hebreeuwse letter Shin
De 6e kaars representeert de toekomstige ontwikkelingsfase die de Venusontwikkeling genoemd wordt en ook het nog te ontwikkelen wezensdeel van de mens: de Levengeest, het omgewerkte etherlichaam. Met dit omgewerkte etherlichaam zullen de mensen in de toekomst een gemeenschap in Christus kunnen vormen, een Rijk met Christus als koning. Uw Rijk kome tot ons
In dit 6e gedeelte van de Handeling wordt het Evangelie gelezen. Wat Christus ons heeft voorgeleefd klinkt uit deze woorden. Wij nemen deze woorden in ons op en kunnen Hem navolgen. Dat wat door Christus is voorgeleefd zal door onszelf individueel verwerkelijkt moeten worden. De leraar stapt voor dit zesde gedeelte van de Handeling bewust vanuit het midden naar de linkerkant van het altaar en leest daar het Evangelie. Als antwoord op de engelwoorden van het evangelie zingen de kinderen hierna hun lied.
Venus – Levensgeest - Rijk

Dan zijn we tenslotte bij de laatste en 7e kaars aangekomen, die de toekomstige Vulcanusontwikkeling representeert, wanneer het getransformeerde fysieke lichaam van de mens tot Geestmens zal worden. Wanneer de mens zich tot Geestmens heeft ontwikkeld, is hij in staat datgene te doen wat noodzakelijk is, niet dat waar hij zelf zin in heeft, dat wat hij zelf wil, maar datgene wat noodzakelijk is. Rudolf Steiner spreekt erover dat in een verre toekomst zelfs de draaiing van de aardas door mensenwil in gang zal worden gehouden. Gelukkig is het nu nog niet zover, het zou nog tot totale chaos leiden. In die verre toekomst zullen de woorden Uw Wil geschiede een werkelijkheid zijn.
De laatste woorden van de Handeling klinken: Bewaart in goede gedachten wat je hier hebt gehoord, gevoeld en gedacht. Ofwel: Wat je hier aan intuïties, inspiraties en imaginaties hebt kunnen opnemen, neem dat mee naar de toekomst.
Vulcanus – Geestmens – Uw Wil

We komen nog even terug op de zeven regels van het kindergebed. Deze regels hebben elk ook weer het karakter van een van de delen van de Handeling zoals ze hierboven beschreven zijn. Maar daarnaast is elke regel ook in verbinding te zien met dat andere gebed wat wij allen kennen: het Onze Vader.
In de eerste regel van dit kindergebed klinkt we weer het woord 'verheffen', het optillen uit de fysieke zwaarte, het fysieke lichaam. De mens moet dagelijks brood eten om onder de huidige aardse omstandigheden te kunnen leven. Sinds de Zondeval en de verdrijving uit het hemelse Paradijs kan het niet anders meer: 'in het zweet des aanschijns zult gij uw brood eten.' Bij het fysieke lichaam hoort dan ook de zin: Geef ons heden ons dagelijks brood.
In de tweede regel staat: 'Vereren'. Kunnen vereren heeft een heilzame werking op de levenskrachten van het etherlichaam, het gebied van het geheugen, waar onze eigen misstappen als mede de herinneringen aan het eventuele onrecht dat anderen ons hebben aangedaan zijn afgedrukt. 'Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren' hangt samen met de levenskrachten van het etherlichaam.

Het 'liefhebben' uit de derde regel van het kindergebed heeft regelrecht met de ziel, het astraallichaam, te maken. Zo ook de zin: Leid ons niet in verzoeking.
'Wij zullen denken aan de Godesgeest' uit de vierde en middelste regel van het gebed is het motief van het bewuste Ik. Verlos ons van het Boze. Alle wezensdelen van de mens worden bedreigt door tegenstandersmachten, ook het Ik van de mens.
De laatste regels van het kindergebed hebben een sterk toekomstkarakter. Het werkwoord zullen wordt in deze regels gebruikt, verwijzend naar de toekomende tijd.
'Wanneer wij alleen zijn' heeft betrekking op het Geestzelf, het omgewerkte astraallichaam dat in staat is waar te nemen dat de wereld van geest doortrokken is. In het Onze Vader zijn het de beginregels 'Uw Naam worde geheiligd'  - Geestzelf.
'Wanneer wij met anderen tesamenzijn' is de toekomstige gemeenschap in Christus vormen, ofwel 'Uw Rijk kome tot ons', - Levensgeest.
'Dan zal Hij met ons zijn' hangt samen met 'Uw Wil geschiede', want het is de Geestmens, die vanuit zichzelf de godenwil doet, omdat hij weet dat wat noodzakelijk gebeuren moet niet afhangt van zijn persoonlijke voorkeuren.
Op deze manier bezien hangt het kindergebed van de Handeling harmonisch met de zeven regels van het Onze Vader samen en met de zeven delen van de Handeling zelf. Zo krijgen we gevoel voor wat een cultus is. De details en geheel hangen samen met nog grotere kosmische wetmatigheden. Wie verder zou willen speuren kan zelf een samenhang vinden met de zeven kwaliteiten van de wil, zoals Rudolf Steiner die beschrijft in de pedagogische cursus Algemene Menskunde.
Leonardo da Vinci: studie voor l'Ultima Cena
We hebben nu aangedragen welke elementen van imaginatie, inspiratie en intuïtie in de Handeling besloten liggen: dat wat te zien is, wat te horen is en wat er gebeurt. Met al datgene kunnen de geestelijke wezens van de derde hiërarchie gedurende de slaap van het kind werkelijk iets aanvangen in het astraallichaam, etherlichaam en fysieke lichaam van het kind, om daarin te herstellen wat er gedurende de beslommeringen van de dag is afgebroken. De vrijeschool-pedagogie kan zich onderscheiden van andere vormen van onderwijs, doordat rekening gehouden wordt met de geestelijke realiteit van de nacht. Alles wat overdag in het pedagogische handelen gebeurt moet waardevol zijn voor de nacht.

Er is nog een gezichtspunt, dat duidelijk maakt waarom het zo enorm waardevol is dat in vrijescholen en antroposofische heilpedagogische instituten de Handelingen gehouden worden. Dat is het inzicht dat het Wezen wat in voorchristelijke tijden de slapende mensenzielen gedurende de nacht kon begeleiden vanaf de zon, sinds het Mysterie van Golgotha op aarde gezocht moet worden. De slapende ziel van de mens werd altijd door het Christuswezen begeleid en beschermd wanneer de mensenziel in de geestelijke wereld van de nacht vertoefde. Sinds het Christuswezen zich met de aardeplaneet verbonden heeft, kan dat alleen gebeuren wanneer de mens overdag een bewuste verbinding met het Mysterie van Golgotha zoekt. Dan kan Hij de mensenziel gedurende de nacht tegen het Boze beschermen. De Handeling geeft in haar vorm, woorden en gebaren een viervoudige werking voor de nacht. Het Ik, het astraallichaam, het etherlichaam en zelfs het fysieke lichaam van het kind worden aangesproken, zodat de engelen, aartsengelen, archai en ook het Christuswezen zelf de kinderziel kunnen bijstaan gedurende de nacht.
Zo is de Handeling een ware cultus, een onderdeel van de nieuwe mysteriën.


literatuur:
Rudolf Steiner:
- Karmavoordracht van 27 april 1924, Dornach (GA 236)
- Het wezen van de kleuren (GA 291) - Das Wesen der Farben
- Anthroposophie, Psychosophie, Pneumatosophie (GA 115)
- Algemene Menskunde, 4de voordracht (GA 293)