zaterdag 19 april 2025
STILLE ZATERDAG, - DE DAG DAT DE DOOD STIERF
woensdag 31 maart 2021
Judas Iskariot
![]() |
GIOTTO di Bondone: Het verraad van Judas (detail) |
Uit een oud-christelijke legende waarvan de originele versie te vinden is in de Legenda Aurea:
In Jeruzalem leefde een Joodse man genaamd Ruben met zijn vrouw Ciborea. En toen zijn vrouw zwanger zag ze in een voorspellende een droom, dat het kind dat ze in haar schoot droeg het grootste onheil zou veroorzaken dat ooit door een mens zou worden aangericht. Om die ramp te voorkomen, legden de ouders het kind na zijn geboorte in een mandje vertrouwden het toe aan de golven van de zee, zoals een de moeder van Mozes met haar kind had gedaan. De zee droeg het mandje ten slotte naar de kust van een eiland dat Skarioth heette.
De koningin van dit eiland vond het kistje op het strand. Tot haar verdriet was zij tot dan toe kinderloos gebleven. Zij nam het jongetje aan en beschouwde het als haar eigen kind en voedde het op.
Na enige tijd echter baarde de koningin toch zelf een kind, een jongetje, en zij gaf hem al haar liefde. Maar bij de Judas-knaap, de aangenomen jongen, groeide een vurige haat tegen zijn stiefbroeder. Steeds opnieuw werd deze door Judas mishandeld omdat hij hem de schuld gaf van de vervreemding van zijn moeder. Tenslotte zag de koningin geen andere uitweg dan om de oudere knaap te onthullen dat hij een vondeling was. Judas meende zich te moeten wreken en doodde zijn stiefbroeder. Hij vluchtte daarop de wijde wereld in. Na vele omzwervingen belandde hij in Jeruzalem, waar hij in het paleis van de Romeinse stadhouder Pilatus met het ambt van hofmeester werd bekleed.
Op een dag stond Pilatus op de binnenplaats van zijn paleis en keek begerig naar de tuin van zijn buurman, waar heerlijke appels aan de bomen prijkten. Judas, de trouwe dienaar, haastte zich om zijn heer te bezorgen waarnaar hij verlangde. Hij betrad de naburige tuin, maar raakte algauw slaags met de bezitter die hem van zijn voornemen wilde afhouden. Weer werd Judas zo driftig, dat hij de buurman doodsloeg.
Wat hij niet wist was, dat hij zijn eigen vader had gedood. Als beloning voor zijn trouw schonk Pilatus hem het huis van de buurman en gaf hem diens vrouw tot echtgenote: Ciborea, Judas’ eigen moeder.
Als Ciborea op een dag haar hart lucht en vertelt over het jongetje dat zij aan aan de golven van de zee had toevertrouwd, kijkt Judas in de afgronden van zijn eigen lot. Vertwijfeling maakt zich van hem meester. Wie richt deze innerlijk gebroken mens weer op?
Ciborea, die een vrome vrouw is en als een van de ‘stillen van het land’ met veel liefde en verering de wegen van de Nazarener volgt, brengt de zoon, die nu tegelijk ook haar man is, naar Jezus, die hem met dienende goedheid in de kring van apostelen opneemt. Tot Judas tenslotte, als door een tragisch noodlot gedreven, zijn derde en grootste onheilsdaad begaat: het verraad aan Christus, waarvoor hij dertig zilverlingen ontvangt.
Met dank aan Leo Klein en Annelies de Wijn voor de tip
![]() |
| Giotto di Bondone: Het verraad van Judas Cappella Scrovegni (Arena Kapel), Padua |
woensdag 23 maart 2016
Pasen
![]() | |||
| Fra Angelico - Vrouwen bij het graf |
In de 3e voordracht van Algemene Menskunde, de eerste voordrachtencyclus voor de leraren van de vrijeschool in Stuttgart, stelt Rudolf Steiner de vraag: ‘Hoe zou het met de natuur gesteld zijn wanneer de mens er niet was?’
Het gangbare antwoord gaat meestal in de richting van: ‘alles zou hetzelfde zijn, aarde, planten en dieren, alleen de mens en zijn cultuuruitingen zouden ontbreken. Volgens Steiner is dat niet zo.
‘Zou de mens niet in de evolutie van de aarde bestaan, dan zou ook een groot deel van de dieren niet bestaan. (…) We dienen te weten dat niet alleen de lagere diersoorten, maar ook de wereld van de mineralen en planten al lang verstard zou zijn, zich niet meer verder zou ontwikkelen, wanneer de mens niet op aarde was. (…)’
Volgens Rudolf Steiner worden door de mensen die leven en sterven op aarde, nieuwe levenskrachten binnengebracht in de aarde en wordt de evolutie van de aarde in stand gehouden.
‘Boerinnen op het land weten nog beter dan de vrouwen in de stad dat voor het bakken van een brood gist nodig is, hoe weinig ook. Ze weten dat een brood niet zou rijzen wanneer er geen gist in het deeg zou zitten.
Evenzo zou de aardeontwikkeling allang in de eindtoestand zijn terechtgekomen, wanneer niet voortdurend de krachten van de menselijke stoffelijke overschotten, die door de dood gescheiden worden van de geestziel, zouden overgaan in de aarde. Door deze krachten, die de aarde voortdurend ontvangt doordat stoffelijke resten van mensen aan haar worden overgegeven, respectievelijk door de krachten die in de stoffelijke overschotten huizen, wordt de evolutie van de aarde in stand gehouden.
Dit bewerkstelligt dat mineralen hun kristallisatievermogen nu nog ontplooien – wat zij zonder die krachten allang niet meer zouden doen; ze zouden allang verbrokkeld, zijn opgelost. Dit bewerkstelligt ook dat planten die anders allang niet meer zouden groeien nu nog floreren. En dit geldt ook voor de lagere diersoorten.
De mens schenkt zijn lichaam aan de aarde als ferment, als gist als het ware, voor de verdere ontwikkeling.’
uit:
Rudolf Steiner: Algemene Menskunde als basis voor de pedagogie
(GA 293) 3e voordracht 23 augustus 1919
Wat Rudolf Steiner hier bespreekt heeft zeer zeker ook betrekking op alles wat zich afspeelde rond het Mysterie van Golgotha: de kruisdood, graflegging, nederdaling ter helle en de opstanding van Christus.
We mogen ons er werkelijk van doordringen, dat er in het voorjaar geen nieuwe lente-impuls had kunnen zijn, wanneer het Mysterie van Golgotha niet had plaats gevonden. Op dàt moment in de mensheidsontwikkeling werd er in de aardeplaneet een levenbrengende kiem gelegd ter voortgang van de wereld en mensheid, opdat de aarde eens zelf tot een levende zon zal kunnen worden.
In de tijden vóór het Mysterie van Golgotha verliep de ontwikkeling van de aarde vanaf zijn ontstaan in een neergaande lijn. Het was een ontwikkelingslijn, die uiteindelijk zou uitmonden in een totale verdichting en verharding, waardoor geen voortgaande ontwikkeling meer mogelijk was.
Ook het mensenwezen zelf zou steeds verder verharden en deformeren, d.w.z. afraken van het goddelijke scheppingsplan. In de verschillende evangeliën wordt verhaald over de zieken, melaatsen, kreupelen, verlamden, blinden en doven, geesteszieken en door demomen bezeten mensen. Zij zijn representanten van de mensheid in die neergaande ontwikkelingslijn. Maar Christus, die is de Geesteszon, kan dit alles ombuigen. Hij rekent daarbij echter ook op de wil en inzet van die individuele mensen. Zonder hun eigen wil en inzicht is er geen echte genezing mogelijk:
‘Schep moed dochter, uw geloof heeft u genezen’ (Math. 9:22)
‘Ook ik veroordeel u niet. Ga heen en zondig voortaan niet meer.’ (Joh 8:11)
Het is ook het Christuswezen, dat aan de mensheid het hogere Ik heeft geschonken. Ons hogere Ik komt vanuit die hemelse regionen van de Geest. Het lagere Ik is een vals en egoïstisch Ik, dat op een andere manier in de menselijke ziel is ingeënt, waarmee een dalende lijn in de mensheidsontwikkeling werd ingezet.
Sinds het Mysterie van Golgotha is aan de mens de mogelijkheid gegeven om de geest (het Ik) tot in zijn lichamelijk organisatie op te nemen. De mens kan vervolgens aanvangen om zijn zielenkrachten, levenskrachten en uiteindelijk zelfs ook zijn fysiek-lichamelijke organisatie om te vormen en te vergeestelijken, met zijn Ik te doordringen.
Met het offer dat het Christus-wezen heeft gebracht in de Lijdensweek en bij de opstanding, is aan elke mens op aarde de mogelijkheid gegeven de weg naar geestelijke hemelrijken weer te vinden.
Bij het begraven of cremeren van de stoffelijke resten van een mens, worden de door de geest getransformeerde stoffen, de substanties waaruit het lichamelijke is opgebouwd, weer terug geschonken aan de aarde. Als een homeopathisch ferment worden daarmee nieuwe geestelijke krachten aan de aarde toegevoegd.
In de 52e spreuk van de antroposofische Zielenkalender (Weekspreuken), die gemediteerd zou moeten worden tijdens de Stille Week, vinden wij weergegeven dat juist in die week voor Pasen, vanuit hemelse verten levenskracht het menselijk lichaam binnen trekt, en dat op dat moment het wezen van de geest zich verenigt met het menselijk zijn.
Wanneer vanuit de zielendiepten
de geest zich wendt tot het wereldzijn,
en schoonheid opwelt uit ruimteverten,
dan trekt vanuit hemelsverten
levenskracht het menselijk lichaam binnen
en verenigt, machtig werkend,
het wezen van de geest met het menselijk zijn.
(zie http://weekspreuken.antrovista.com)
We kunnen deze waarheden niet letterlijk genoeg nemen.
Het gaat hier over het mysterie van de transsubstantiatie.
In de oeroude mysterietekens van brood en wijn herkennen wij het omgevormde en vergeestelijkte lichaam en het bloed van Christus; het lichaam als de drager van Zijn ziel, het bloed als de drager van Zijn geest. Zijn wezen heeft het gedeformeerde menselijk oerbeeld weer geheel hersteld, zoals het in oorsprong door de scheppende goden was gedacht, gesproken en gewild.
De helende werking op wereld en mensheid, die door de komst van Christus op aarde mogelijk werd, kan voortgang vinden wanneer mensen de Christuskracht in hun harten willen opnemen.
Voor de eerste maal werd dit alles ingevoegd in de aarde tijdens de Stille Week en de Paasmorgen. En elk jaar weer vindt een vernieuwing van deze impuls plaats in de lentetijd, met Pasen.
zaterdag 19 april 2014
Pasen - Hij is waarlijk opgestaan
![]() |
| Duccio di Buoninsegna |
Na de sabbat, toen de ochtend van de eerste dag van de week gloorde, kwam Maria uit Magdala met de andere Maria naar het graf kijken. Plotseling begon de aarde hevig te beven, want een engel van de Heer daalde af uit de hemel, liep naar het graf, rolde de steen weg en ging erop zitten. Hij lichtte als een bliksem en zijn kleding was wit als sneeuw. De bewakers beefden van angst en vielen als dood neer. De engel richtte zich tot de vrouwen en zei: ‘Wees niet bang, ik weet dat jullie Jezus, de gekruisigde, zoeken. Hij is niet hier, hij is immers opgestaan, zoals hij gezegd heeft. Kijk maar, dat is de plaats waar hij gelegen heeft. (Matt.28:1-6)
Toen de sabbat voorbij was, kochten Maria uit Magdala en Maria de moeder van Jakobus, en Salome geurige olie om hem te balsemen. Op de eerste dag van de week gingen ze heel vroeg in de ochtend, vlak na zonsopgang, naar het graf. Ze zeiden tegen elkaar: ‘Wie zal voor ons de steen voor de ingang van het graf wegrollen?’ Maar toen ze opkeken, zagen ze dat de steen al was weggerold; het was een heel grote steen. Toen ze het graf binnengingen, zagen ze rechts een in het wit geklede jongeman zitten. Ze schrokken vreselijk. Maar hij zei tegen hen: ‘Wees niet bang. U zoekt Jezus, de man uit Nazareth die gekruisigd is. Hij is opgewekt uit de dood, hij is niet hier; kijk, dat is de plaats waar hij was neergelegd. (Mrc.16:1-6)
Maar op de eerste dag van de week gingen ze bij het ochtendgloren naar het graf met de geurige olie die ze bereid hadden. Bij het graf aangekomen, zagen ze echter dat de steen voor het graf was weggerold, en toen ze naar binnen gingen, vonden ze het lichaam van de Heer Jezus niet. Hierdoor raakten ze helemaal van streek. Plotseling stonden er twee mannen in stralende gewaden bij hen. Ze werden door schrik bevangen en sloegen de handen voor hun ogen. De mannen zeiden tegen hen: ‘Waarom zoekt u de levende onder de doden? Hij is niet hier, hij is uit de dood opgewekt. Herinner u wat hij u gezegd heeft toen hij nog in Galilea was: de Mensenzoon moest worden uitgeleverd aan zondaars en moest gekruisigd worden en op de derde dag opstaan.’ Toen herinnerden ze zich zijn woorden. (Luc.24:1-8)
En ga nu snel naar zijn leerlingen en zeg hun: “Hij is opgestaan uit de dood, en dit moeten jullie weten: hij gaat jullie voor naar Galilea, daar zul je hem zien.” Dat is wat ik jullie te zeggen had.’ Ontzet en opgetogen verlieten ze haastig het graf om het aan zijn leerlingen te gaan vertellen. Op dat moment kwam Jezus hun tegemoet en groette hen. Ze liepen op hem toe, grepen zijn voeten vast en bewezen hem eer. Daarop zei Jezus: ‘Wees niet bang. Ga mijn broeders vertellen dat ze naar Galilea moeten gaan, daar zullen ze mij zien.’ (Matt.28:7-10)
Ga terug en zeg tegen zijn leerlingen en tegen Petrus: “Hij gaat jullie voor naar Galilea, daar zullen jullie hem zien, zoals hij jullie heeft gezegd.”’
Ze gingen naar buiten en vluchtten bij het graf vandaan, want ze waren bevangen door angst en schrik. Ze waren zo erg geschrokken dat ze tegen niemand iets zeiden. (Mrc.16:7-8)
De vrouwen die het graf bezochten, waren Maria uit Magdala, Johanna, Maria de moeder van Jakobus, en nog enkele andere vrouwen die hen vergezelden. Ze vertelden de apostelen wat er was gebeurd, maar die vonden het maar kletspraat en geloofden hen niet. Petrus echter stond op en rende naar het graf. Hij bukte zich om te kijken, maar zag alleen de linnen doeken liggen. Daarop ging hij terug, vol verwondering over wat er gebeurd was. (Luc.24:10-12)
Vroeg op de eerste dag van de week, toen het nog donker was, kwam Maria uit Magdala bij het graf. Ze zag dat de steen van de opening van het graf was weggehaald. Ze liep snel terug naar Simon Petrus en de andere leerling, van wie Jezus veel hield, en zei: ‘Ze hebben de Heer uit het graf weggehaald en we weten niet waar ze hem nu neergelegd hebben.’ Petrus en de andere leerling gingen op weg naar het graf. Ze liepen beiden snel, maar de andere leerling rende vooruit, sneller dan Petrus, en kwam als eerste bij het graf. Hij boog zich voorover en zag de linnen doeken liggen, maar hij ging niet naar binnen. Even later kwam Simon Petrus en hij ging het graf wel in. Ook hij zag de linnen doeken, en hij zag dat de doek die Jezus’ gezicht bedekt had niet bij de andere doeken lag, maar apart opgerold op een andere plek. Toen ging ook de andere leerling, die het eerst bij het graf gekomen was, het graf in. Hij zag het en geloofde. Want ze hadden uit de Schrift nog niet begrepen dat hij uit de dood moest opstaan. De leerlingen gingen terug naar huis.
Maria stond nog bij het graf en huilde. Huilend boog ze zich naar het graf, en daar zag ze twee engelen in witte kleren zitten, een bij het hoofdeind en een bij het voeteneind van de plek waar het lichaam van Jezus had gelegen. ‘Waarom huil je?’ vroegen ze haar. Ze zei: ‘Ze hebben mijn Heer weggehaald en ik weet niet waar ze hem hebben neergelegd.’ (Joh.20:1-13)
Na deze woorden keek ze om en zag ze Jezus staan, maar ze wist niet dat het Jezus was. ‘Waarom huil je?’ vroeg Jezus. ‘Wie zoek je?’ Maria dacht dat het de tuinman was en zei: ‘Als u hem hebt weggehaald, vertel me dan waar u hem hebt neergelegd, dan kan ik hem meenemen.’ Jezus zei tegen haar: ‘Maria!’ Ze draaide zich om en zei: ‘Rabboeni!’ (Dat betekent ‚meester’.) ‘Houd me niet vast,’ zei Jezus. ‘Ik ben nog niet opgestegen naar de Vader. Ga naar mijn broeders en zusters en zeg tegen hen dat ik opstijg naar mijn Vader, die ook jullie Vader is, naar mijn God, die ook jullie God is.’ Maria uit Magdala ging naar de leerlingen en zei tegen hen: ‘Ik heb de Heer gezien!’ En ze vertelde alles wat hij tegen haar gezegd had. (Joh.20:1-18)
Toen ze hoorden dat hij leefde en dat zij hem gezien had, geloofden ze het niet. (Mrc.16:11)
Emmaüs
Daarna verscheen hij in een andere gedaante aan twee van hen toen ze buiten de stad aan het wandelen waren. Ze gingen terug en vertelden het aan de anderen; maar ook zij werden niet geloofd. (Mrc.16:12-13)
![]() |
| Duccio di Buoninsegna: De Emmaüsgangers |
Een van hen, die Kleopas heette, antwoordde: ‘Bent u dan de enige vreemdeling in Jeruzalem die niet weet wat daar deze dagen gebeurd is?’ Jezus vroeg hun: ‘Wat dan?’ Ze antwoordden: ‘Wat er gebeurd is met Jezus uit Nazaret, een machtig profeet in woord en daad in de ogen van God en van het hele volk. Onze hogepriesters en leiders hebben hem ter dood laten veroordelen en laten kruisigen. Wij leefden in de hoop dat hij degene was die Israël zou bevrijden, maar inmiddels is het de derde dag sinds dit alles gebeurd is. Bovendien hebben enkele vrouwen uit ons midden ons in verwarring gebracht. Toen ze vanmorgen vroeg naar het graf gingen, vonden ze zijn lichaam daar niet en ze kwamen zeggen dat er engelen aan hen waren verschenen. De engelen zeiden dat hij leeft. Een paar van ons zijn toen ook naar het graf gegaan en troffen het aan zoals de vrouwen hadden gezegd, maar Jezus zagen ze niet.’
Toen zei hij tegen hen: ‘Hebt u dan zo weinig verstand en bent u zo traag van begrip dat u niet gelooft in alles wat de profeten gezegd hebben? Moest de messias al dat lijden niet ondergaan om zijn glorie binnen te gaan?’ Daarna verklaarde hij hun wat er in al de Schriften over hem geschreven stond, en hij begon bij Mozes en de Profeten.
Ze naderden het dorp waarheen ze op weg waren. Jezus deed alsof hij verder wilde reizen. Maar ze drongen er sterk bij hem op aan om dat niet te doen en zeiden: ‘Blijf bij ons, want het is bijna avond en de dag loopt ten einde.’ Hij ging mee het dorp in en bleef bij hen. Toen hij met hen aan tafel aanlag, nam hij het brood, sprak het zegengebed uit, brak het en gaf het hun. Nu werden hun ogen geopend en herkenden ze hem. Maar hij werd onttrokken aan hun blik. Daarop zeiden ze tegen elkaar: ‘Brandde ons hart niet toen hij onderweg met ons sprak en de Schriften voor ons ontsloot?’ (Luc.24:3-32)
![]() |
| Duccio di Buoninsegna |
Terwijl ze nog aan het vertellen waren, kwam Jezus zelf in hun midden staan en zei: ‘Vrede zij met jullie.’ (Luc.24:33-36)
Ten slotte verscheen hij aan de elf terwijl ze aan het eten waren, en hij verweet hun hun ongeloof en halsstarrigheid, omdat ze geen geloof hadden geschonken aan degenen die hem hadden gezien nadat hij uit de dood was opgewekt. (Mrc.16:14)
Op de avond van die eerste dag van de week waren de leerlingen bij elkaar; ze hadden de deuren afgesloten, omdat ze bang waren voor de Joden. Jezus kwam in hun midden staan en zei: ‘Ik wens jullie vrede!’ Na deze woorden toonde hij hun zijn handen en zijn zijde. De leerlingen waren blij omdat ze de Heer zagen. Nog eens zei Jezus: ‘Ik wens jullie vrede! Zoals de Vader mij heeft uitgezonden, zo zend ik jullie uit.’ Na deze woorden blies hij over hen heen en zei: ‘Ontvang de heilige Geest.’ (Joh.20:19-22)
---
zie ook: 'Graf en Tempel' door Helgo Bockemühl
vrijdag 18 april 2014
Stille Week - zaterdag
![]() |
| Duccio di Buoninsegna: graflegging |
Het was voorbereidingsdag, en de Joden wilden voorkomen dat de lichamen op sabbat, en nog wel een bijzondere sabbat, aan het kruis zouden blijven hangen. Daarom vroegen ze Pilatus of de benen van de gekruisigden gebroken mochten worden en of ze de lichamen mochten meenemen. Toen braken de soldaten de benen van de eerste die tegelijk met Jezus gekruisigd was, en ook die van de ander. Vervolgens kwamen ze bij Jezus, maar ze zagen dat hij al gestorven was. Daarom braken ze zijn benen niet. Maar een van de soldaten stak een lans in zijn zij en meteen vloeide er bloed en water uit. Hiervan getuigt iemand die het zelf heeft gezien, en zijn getuigenis is betrouwbaar. Hij weet dat hij de waarheid spreekt en wil dat ook u gelooft. Zo ging de Schrift in vervulling: ‘Geen van zijn beenderen zal verbrijzeld worden.’ en andere schrifttekst zegt: ‘Zij zullen hun blik richten op hem die ze hebben doorstoken.’ (Joh.19:31-37)
De mensen die voor het schouwspel samengekomen waren en de gebeurtenissen hadden gadegeslagen, keerden terug naar huis, terwijl ze zich op de borst sloegen. Alle mensen die Jezus gekend hadden waren op een afstand blijven staan, ook de vrouwen die hem vanuit Galilea gevolgd waren en alles hadden zien gebeuren. (Luc.23:48-49)
Toen de avond gevallen was, arriveerde er een rijke man die uit Arimatea afkomstig was. Hij heette Josef en was ook een leerling van Jezus geworden (Matt.27:57). Hij was lid van de Hoge Raad, een goed en rechtvaardig mens, die de komst van het koninkrijk van God verwachtte en niet had ingestemd met het besluit en de handelwijze van de raad (Luc.23:50). Hij meldde zich bij Pilatus en vroeg hem om het lichaam van Jezus. Hierop gaf Pilatus bevel het aan hem af te staan. (Matt.27:58)
Pilatus gaf toestemming en Josef nam het lichaam mee. Nikodemus, die destijds ’s nachts naar Jezus toe gegaan was, kwam ook; hij had een mengsel van mirre en aloë bij zich, wel honderd litra. Ze wikkelden Jezus’ lichaam met de balsem in linnen, zoals gebruikelijk is bij een Joodse begrafenis. Dicht bij de plaats waar Jezus gekruisigd was lag een olijfgaard, en daar was een nieuw graf, waarin nog nooit iemand begraven was. (Joh19:38-41)
De vrouwen die met Jezus waren meegereisd uit Galilea, volgden Josef naar het graf om het te bekijken en om te zien hoe Jezus’ lichaam er werd neergelegd. (Luc.23:55)
Toen rolde hij een grote steen voor de ingang van het graf en vertrok. Maria uit Magdala en de andere Maria bleven achter, ze waren tegenover het graf gaan zitten. (Matt.27:60-61)
Daarna gingen ze naar huis en bereidden ze geurige olie en balsem. Op sabbat namen ze de voorgeschreven rust in acht. (Luc. 23:56)
------------------------------------------------------------------------------
Crucifixus etiam pro nobis sub Pontio Pilato,
passus et sepultus est.
Hij heeft geleden onder Pontius Pilatus
werd voor ons gekruisigd, is gestorven en begraven.
De Christus Jezus heeft onder Pontius Pilatus de kruisdood geleden
En werd in het graf van de aarde verzonken.
In de dood werd Hij de bijstand der gestorven zielen,
Die hun goddelijk zijn verloren hadden.
Toen overwon Hij de dood na drie dagen.
![]() |
| Duccio di Buoninsegna: Nederdaling ter helle |
donderdag 17 april 2014
Stille Week - vrijdag
![]() |
| Duccio di Buoninsegna: Gethsemane |
Nadat Jezus dit alles gezegd had, ging hij met zijn leerlingen naar de overkant van de Kidronbeek. Daar liep hij een olijfgaard in, met zijn leerlingen. (Joh.18:1) Hij zei: ‘Blijven jullie hier zitten, ik ga daar bidden.’(Matt.26:36) ‘Bid dat jullie niet in beproeving komen.’ (Luc.22:40)
Hij nam Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee. Hij voelde zich onrustig en angstig worden en zei tegen hen: ‘Ik voel me dodelijk bedroefd; blijf hier waken.’
Hij liep nog een stukje verder, liet zich toen op de grond vallen en bad dat dit uur zo mogelijk aan hem voorbij mocht gaan. Hij zei: ‘Abba, Vader, voor u is alles mogelijk, neem deze beker van mij weg. Maar laat niet gebeuren wat ik wil, maar wat u wilt.’ (Mrc.14:33-36)
Uit de hemel verscheen hem een engel om hem kracht te geven. Hij werd overvallen door doodsangst, maar bleef bidden; zijn zweet viel in grote druppels als bloed op de grond. Toen hij na zijn gebed opstond en terugliep naar de leerlingen, zag hij dat ze van verdriet in slaap waren gevallen, en hij zei tegen hen: ‘Waarom slapen jullie? Sta op en bid dat jullie niet in beproeving komen.’ (Luc. 22:43-46)
Hij liep terug en zag dat zijn leerlingen lagen te slapen. Hij zei tegen Petrus: ‘Simon, slaap je? Kon je niet één uur waken? Blijf wakker en bid dat jullie niet in beproeving komen; de geest is wel gewillig, maar het lichaam is zwak.’ Weer ging hij weg om te bidden, met dezelfde woorden als daarvoor. Toen hij weer terugkwam, lagen ze opnieuw te slapen, want hun ogen vielen steeds dicht, en ze wisten niet wat ze hem moesten antwoorden. Toen hij voor de derde maal terugkwam, zei hij tegen hen: ‘Liggen jullie daar nog steeds te slapen en te rusten? Het is zover: het ogenblik is gekomen waarop de Mensenzoon wordt uitgeleverd aan de zondaars. Sta op, laten we gaan; kijk, hij die me uitlevert, is al vlakbij.’ (Mrc.14:37-42)
![]() |
| Duccio di Buoninsegna: Judas' kus |
Judas, zijn verrader, kende deze plek ook, want Jezus was er vaak met zijn leerlingen samengekomen. Judas ging ernaartoe, samen met een cohort soldaten en dienaren van de hogepriesters en de Farizeeën. Ze waren gewapend en droegen fakkels en lantaarns. Jezus wist precies wat er met hem zou gebeuren. Hij liep naar hen toe en vroeg: ‘Wie zoeken jullie?’ Ze antwoordden: ‘Jezus uit Nazaret.’ ‘Ik ben het,’ zei Jezus, terwijl Judas, zijn verrader, erbij stond. Toen hij zei: ‘Ik ben het,’ deinsden ze achteruit en vielen op de grond. Weer vroeg Jezus: ‘Wie zoeken jullie?’ en weer zeiden ze: ‘Jezus uit Nazaret.’ ‘Ik heb jullie al gezegd: “Ik ben het,”’ zei Jezus. ‘Als jullie mij zoeken, laat deze mensen dan gaan.’(Joh.18:2-8)
Met hen had zijn verrader een teken afgesproken. ‘Degene die ik kus,’ had hij gezegd, ‘die is het, die moet je gevangennemen.’ Hij liep recht op Jezus af, zei: ‘Gegroet, rabbi!’ en kuste hem. Jezus zei tegen hem: ‘Vriend, ben je daarvoor gekomen?’ Daarop kwam de bende naderbij. Ze grepen hem vast en voerden hem weg, en brachten hem naar het huis van de hogepriester. (Luc. 22:48-50)
![]() |
| Duccio di Buoninsegna: Petrus verloochent Jezus |
Het proces en de verloochening
De soldaten met hun tribuun en de Joodse gerechtsdienaars grepen Jezus en boeiden hem. Ze brachten hem eerst naar Annas, de schoonvader van Kajafas. Kajafas was dat jaar hogepriester en hij was het die de Joden had voorgehouden: ‘Het is goed dat één man sterft voor het hele volk.’
Simon Petrus liep met een andere leerling achter Jezus aan. Deze andere leerling kende de hogepriester en ging met Jezus het paleis van de hogepriester in, maar
Petrus bleef buiten bij de poort staan. Daarop kwam de andere leerling, de kennis van de hogepriester, weer naar buiten; hij sprak met de portierster en nam Petrus mee naar binnen. Het meisje sprak Petrus aan: ‘Ben jij soms ook een leerling van die man?’ ‘Nee, ik niet,’ zei hij. De slaven en de gerechtsdienaars stonden zich te warmen bij een vuur dat ze hadden aangelegd omdat het koud was; ook Petrus ging zich erbij staan warmen. (Joh.18:12-18)
De hogepriester ondervroeg Jezus over zijn leerlingen en over zijn leer. Jezus zei: ‘Ik heb in het openbaar tot de wereld gesproken. Ik heb steeds onderricht gegeven op plaatsen waar de Joden bij elkaar komen, in synagogen en in de tempel, en nooit heb ik iets in het geheim gezegd. Waarom ondervraagt u mij? Vraag het toch aan de mensen die mij gehoord hebben, zij weten wat ik gezegd heb.’ Toen Jezus dat zei gaf een van de dienaren die erbij stonden, hem een klap in het gezicht: ‘Is dat een manier om de hogepriester te antwoorden?’ Jezus zei: ‘Als ik iets verkeerds gezegd heb, zeg dan wat er verkeerd was, maar als het juist is wat ik heb gezegd, waarom slaat u me dan?’ (Joh.18:19-23)
Daarna stuurde Annas hem geboeid naar Kajafas, de hogepriester. (Joh.18:24), en alle hogepriesters, oudsten en schriftgeleerden kwamen daar bijeen. (Mrc.14:53)
De hogepriesters en het hele Sanhedrin probeerden iemand een getuigenverklaring tegen Jezus te laten afleggen op grond waarvan ze hem ter dood konden veroordelen, maar dat lukte hun niet; want hoewel veel mensen een valse verklaring aflegden, waren hun getuigenissen niet eensluidend. Toen kwamen er een paar met de volgende valse verklaring: ‘We hebben hem horen zeggen: “Ik zal die door mensenhanden gemaakte tempel afbreken en in drie dagen een andere opbouwen die niet door mensenhanden gemaakt is.”’ Maar ook op dit punt waren de getuigenverklaringen niet afdoende. De hogepriester stond op en vroeg Jezus: ‘Waarom antwoordt u niet? U hoort toch wat deze getuigen zeggen?’ Maar hij bleef zwijgen en antwoordde niet. (Mrc.14:55-61)
De hogepriester zei: ‘Ik bezweer u bij de levende God, zeg ons of u de Messias bent, de Zoon van God.’ Jezus antwoordde: ‘U zegt het. Maar ik zeg tegen u allen hier: vanaf nu zult u de Mensenzoon zien zitten aan de rechterhand van de Machtige en hem zien komen op de wolken van de hemel.’ Hierop scheurde de hogepriester zijn kleren en hij riep uit: ‘Hij heeft God gelasterd! Waarvoor hebben we nog getuigen nodig? Nu hebt u met eigen oren gehoord hoe hij God lastert. Wat denkt u?’ Ze antwoordden: ‘Hij is schuldig en verdient de doodstraf!’ (Matt.26:63-66)
Simon Petrus stond zich intussen nog steeds te warmen. ‘Ben jij soms ook een leerling van hem?’ vroegen ze. ‘Nee,’ ontkende Petrus, ‘ik niet.’ Maar een van de slaven van de hogepriester, een familielid van de man van wie Petrus het oor had afgeslagen, zei: ‘Maar ik heb toch gezien dat je bij hem was in de olijfgaard?’ Weer ontkende Petrus, en meteen kraaide er een haan. (Joh.18:25-27)
De Heer draaide zich om en keek Petrus aan, en toen herinnerde Petrus zich de woorden van de Heer: ‘Nog voor er vannacht een haan heeft gekraaid zul je mij driemaal verloochenen.’ Hij ging naar buiten en huilde bitter. (Luc.22:61-62)
![]() |
| Duccio di Buoninsegna: Jezus voor Pilatus |
Jezus werd van Kajafas naar het pretorium gebracht. Het was nog vroeg in de morgen. Zelf gingen ze niet naar binnen, om zich niet te verontreinigen voor het pesachmaal. Daarom kwam Pilatus naar buiten en vroeg: ‘Waarvan beschuldigt u deze man?’ Ze antwoordden: ‘Als hij geen misdadiger was, zouden we hem niet aan u uitgeleverd hebben.’ Pilatus zei: ‘Neem hem dan mee, en veroordeel hem volgens uw eigen wet.’ Maar de Joden wierpen tegen: ‘Wij hebben het recht niet om iemand ter dood te brengen.’ Zo ging de uitspraak van Jezus in vervulling waarin hij aanduidde welke dood hij sterven zou.
Nu ging Pilatus het pretorium weer in. Hij liet Jezus bij zich komen en vroeg hem: ‘Bent u de koning van de Joden?’ Jezus antwoordde: ‘Vraagt u dit uit uzelf of hebben anderen dit over mij gezegd?’ ‘Ik ben toch geen Jood,’ antwoordde Pilatus. ‘Uw volk en uw hogepriesters hebben u aan mij uitgeleverd – wat hebt u gedaan?’ Jezus antwoordde: ‘Mijn koningschap hoort niet bij deze wereld. Als mijn koningschap bij deze wereld hoorde, zouden mijn dienaren wel gevochten hebben om te voorkomen dat ik aan de Joden werd uitgeleverd. Maar mijn koninkrijk is niet van hier.’ Pilatus zei: ‘U bent dus koning?’ ‘U zegt dat ik koning ben,’ zei Jezus. ‘Ik ben geboren en naar de wereld gekomen om van de waarheid te getuigen, en ieder die de waarheid is toegedaan, luistert naar wat ik zeg.’ Hierop zei Pilatus: ‘Maar wat is waarheid?’
Na deze woorden ging hij weer naar de Joden buiten. ‘Ik heb geen schuld in hem gevonden,’ zei hij. (Joh.18:28-38)
Jezus voor Herodes
Maar ze bleven hardnekkig beweren: ‘In heel Judea ruit hij met zijn onderricht het volk op, van Galilea tot hier!’ Toen Pilatus dit hoorde, vroeg hij aan Jezus of hij uit Galilea kwam, en toen hij besefte dat hij onder Herodes’ gezag viel, stuurde hij hem naar Herodes, die op dat moment in Jeruzalem verbleef. Herodes was bijzonder blij toen hij Jezus zag, want hij wilde hem al heel lang ontmoeten omdat hij veel over hem gehoord had. Bovendien hoopte hij hem een wonder te zien doen. Hij ondervroeg hem uitvoerig, maar Jezus antwoordde hem niet één keer. De hogepriesters en de schriftgeleerden die erbij stonden, brachten zware beschuldigingen tegen hem in. Hierop begonnen Herodes en zijn soldaten Jezus te honen, en ze dreven de spot met hem door hem een pronkgewaad om te hangen.
Jezus terug bij Pilatus
Zo stuurde hij hem terug naar Pilatus. Op die dag werden Herodes en Pilatus vrienden, terwijl ze altijd elkaars vijanden waren geweest.
Pilatus riep de hogepriesters en de leiders en het volk bij zich en zei tegen hen: ‘U hebt die man voor mij gebracht als iemand die het volk van het rechte pad afbrengt, maar u weet dat ik hem, toen ik hem in uw bijzijn verhoorde, aan geen van de zaken waarvan u hem beticht schuldig heb bevonden. En Herodes evenmin, hij heeft hem immers naar ons teruggestuurd; hij heeft niets gedaan waarop de doodstraf staat. Dus zal ik hem vrijlaten, nadat ik hem heb laten geselen.’ (Luc.23:5-16)
‘Maar het is bij u gebruikelijk dat ik met Pesach iemand vrijlaat – wilt u dat ik de koning van de Joden vrijlaat?’ (Joh.18:39)
Want hij begreep wel dat de hogepriesters hem uit afgunst hadden uitgeleverd. (Mrc.15:10)
Terwijl hij op de rechterstoel zat, werd hem een boodschap van zijn vrouw gebracht: ‘Laat je niet in met die rechtvaardige! Om hem heb ik namelijk vannacht in een droom veel moeten doorstaan.’ (Matt.27:19)
Op dat moment zat er een zekere Barabbas gevangen, samen met de andere opstandelingen die tijdens het oproer hadden gemoord. (Mrc.15:7)
En dus vroeg Pilatus hun, toen ze daar waren samengestroomd: ‘Wie wilt u dat ik vrijlaat, Jezus Barabbas of Jezus die de Messias wordt genoemd?’ (Matt.27:17)
Toen begon iedereen te schreeuwen: ‘Hem niet, maar Barabbas!’ Barabbas was een misdadiger. (Joh.18:40)
Toen liet Pilatus Jezus geselen. (Joh.19:1)
De soldaten leidden hem weg, het paleis (dat wil zeggen het pretorium) in, en riepen de hele cohort bijeen. Ze trokken hem een purperen gewaad aan, vlochten een kroon van doorntakken en zetten hem die op. (Mrc.15:16-17)
Ze gaven hem een rietstok in zijn rechterhand en vielen voor hem op de knieën. Spottend zeiden ze: ‘Gegroet, koning van de Joden,’ (Matt.27:28)
Ze sloegen hem met een rietstok tegen het hoofd en bespuwden hem, en bogen onderdanig voor hem. (Mrc.15:19)
Pilatus liep weer naar buiten en zei: ‘Ik zal hem hier buiten aan u tonen om u duidelijk te maken dat ik geen enkel bewijs van zijn schuld heb gevonden.’ Daarop kwam Jezus naar buiten, met de doornenkroon op en de purperen mantel aan.
‘Hier is hij, de mens,’ zei Pilatus.
Maar toen de hogepriesters en de gerechtsdienaars hem zagen begonnen ze te schreeuwen: ‘Kruisig hem, kruisig hem!’ Toen zei Pilatus: ‘Neem hem dan maar mee en kruisig hem zelf, want ik zie niet waaraan hij schuldig is.’ De Joden zeiden: ‘Wij hebben een wet die zegt dat hij moet sterven, omdat hij zich de Zoon van God heeft genoemd.’ Toen Pilatus dat hoorde werd hij erg bang. Hij ging het pretorium weer in en vroeg aan Jezus: ‘Waar komt u vandaan?’ Maar Jezus gaf geen antwoord. ‘Waarom zegt u niets tegen mij?’ vroeg Pilatus. ‘Weet u dan niet dat ik de macht heb om u vrij te laten of u te kruisigen?’ Jezus antwoordde: ‘De enige macht die u over mij hebt, is u van boven gegeven. Daarom draagt degene die mij aan u uitgeleverd heeft de meeste schuld.’ Vanaf dat moment wilde Pilatus hem vrijlaten. Maar de Joden riepen: ‘Als u die man vrijlaat bent u geen vriend van de keizer, want iedereen die zichzelf tot koning uitroept pleegt verzet tegen de keizer.’ Pilatus hoorde dat, liet Jezus naar buiten brengen en nam plaats op de rechterstoel op het zogeheten Mozaïekterras, in het Hebreeuws Gabbata. Het was rond het middaguur op de voorbereidingsdag van Pesach. (Joh.19:4-14)
Toen Pilatus inzag dat zijn tussenkomst nergens toe leidde, dat het er integendeel naar uit zag dat men in opstand zou komen, liet hij water brengen, waste ten overstaan van de menigte zijn handen en zei: ‘Ik ben onschuldig aan de dood van deze man. Zie het zelf maar op te lossen.’ En heel het volk antwoordde: ‘Laat zijn bloed óns dan maar worden aangerekend, en onze kinderen!’ Daarop liet Pilatus Barabbas vrij, maar Jezus leverde hij uit om gekruisigd te worden. (Matt.27:24-26)
![]() | |
| Duccio di Buoninsegna |
Jezus wordt gekruisigd
Toen Jezus werd weggeleid, hielden de soldaten een zekere Simon van Cyrene aan, die net de stad binnenkwam. Ze legden het kruis op zijn rug en lieten het hem achter Jezus aan dragen. Een grote volksmenigte volgde Jezus, evenals enkele vrouwen die zich op de borst sloegen en over hem weeklaagden. (Luc.23:26-27)
Aangekomen bij de plek die de Schedelplaats heet, werd hij gekruisigd, samen met de twee misdadigers, de een rechts van hem, de ander links (Luc.23:33) en Jezus in het midden. (Joh.19:18)
Jezus zei: ‘Vader, vergeef hun, want ze weten niet wat ze doen. (Luc.23:34)
Pilatus had een inscriptie laten maken die op het kruis bevestigd werd. Er stond op ‘Jezus uit Nazaret, koning van de Joden’. Het stond er in het Hebreeuws, het Latijn en het Grieks, en omdat de plek waar Jezus gekruisigd werd dicht bij de stad lag, werd deze inscriptie door veel Joden gelezen. De hogepriesters van de Joden zeiden tegen Pilatus: ‘U moet niet “koning van de Joden” schrijven, maar “Deze man heeft beweerd: Ik ben de koning van de Joden”.’ ‘Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven,’ was het antwoord van Pilatus.
Nadat ze Jezus gekruisigd hadden, verdeelden de soldaten zijn kleren in vieren, voor iedere soldaat een deel. Maar zijn onderkleed was in één stuk geweven, van boven tot beneden. Ze zeiden tegen elkaar: ‘Laten we het niet scheuren, maar laten we loten wie het hebben mag.’ Zo ging in vervulling wat de Schrift zegt: ‘Ze verdeelden mijn kleren onder elkaar en wierpen het lot om mijn gewaad.’ Dat is wat de soldaten deden. (Joh.19:19-24)
Het volk stond toe te kijken. De leiders hoonden hem en zeiden: ‘Anderen heeft hij gered; laat hij nu zichzelf redden als hij de Messias van God is, zijn uitverkorene!’ (Luc.23:35)
Een van de gekruisigde misdadigers zei spottend tegen hem: ‘Jij bent toch de Messias? Red jezelf dan en ons erbij!’ Maar de ander wees hem terecht met de woorden: ‘Heb jij dan zelfs geen ontzag voor God nu je dezelfde straf ondergaat? Wij hebben onze straf verdiend en worden beloond naar onze daden. Maar die man heeft niets onwettigs gedaan.’ En hij zei: ‘Jezus, denk aan mij wanneer u in uw koninkrijk komt.’ Jezus antwoordde: ‘Ik verzeker je: nog vandaag zul je met mij in het paradijs zijn.’ (Luc.23:39-43)
Bij het kruis van Jezus stonden zijn moeder met haar zuster, Maria, de vrouw van Klopas, en Maria uit Magdala. Toen Jezus zijn moeder zag staan, en bij haar de leerling van wie hij veel hield, zei hij tegen zijn moeder: ‘Dat is uw zoon,’ en daarna tegen de leerling: ‘Dat is je moeder.’ Vanaf dat moment nam die leerling haar bij zich in huis. (Joh.19:25-27)
Rond het middaguur viel er duisternis over het hele land, die drie uur aanhield. (Matt.27:45) Het werd donker in het hele land doordat de zon verduisterde. (Luc.23:45)
Aan het einde daarvan, in het negende uur, gaf Jezus een schreeuw en riep luid:
‘Eli, Eli, lema sabachtani?’ Dat wil zeggen: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?’ Toen de omstanders dat hoorden, zeiden enkelen van hen: ‘Hij roept om Elia!’ (Mattheüs 27:45-47)
Toen wist Jezus dat alles was volbracht, en om de Schrift geheel in vervulling te laten gaan zei hij: ‘Ik heb dorst.’ Er stond daar een vat zure wijn; ze staken er een majoraantak met een spons in en brachten die naar zijn mond. (Joh.19:28-29)
Jezus riep met luide stem: ‘Vader, in uw handen leg ik mijn geest.’ (Luc.23:46)
Nadat Jezus van de zure wijn gedronken had zei hij: ‘Het is volbracht.’ (Joh.19:30)
Nog eens schreeuwde Jezus het uit, toen gaf hij de geest. Op dat moment scheurde in de tempel het voorhangsel van boven tot onder in tweeën, en de aarde beefde en de rotsen spleten. De graven werden geopend. (Matt.27:50-52)
Toen de centurio en degenen die met hem Jezus bewaakten de aardbeving voelden en merkten wat er gebeurde, werden ze door een hevige angst overvallen en zeiden: ‘Hij was werkelijk Gods Zoon.’ (Matt.27:54)
woensdag 16 april 2014
Stille Week - donderdag
![]() |
| Duccio di Buoninsegna: Jezus onderricht zijn discipelen voor het laatst |
Op de eerste dag van het feest van het Ongedesemde brood kwamen de leerlingen naar Jezus toe en vroegen: ‘Waar wilt u dat wij voorbereidingen treffen zodat u het pesachmaal kunt eten?’
Jezus stuurde Petrus en Johannes op pad met de woorden: ‘Ga voor ons het pesachmaal bereiden, zodat we het kunnen eten.’ Ze vroegen hem: ‘Waar wilt u dat we het bereiden?’ Hij antwoordde: ‘Let op, wanneer jullie de stad in gegaan zijn, zal jullie een man tegemoet komen die een kruik water draagt. Volg hem naar het huis waar hij binnengaat, en zeg tegen de heer van dat huis: “De meester vraagt u: ‘Waar is het gastenvertrek waar ik met mijn leerlingen het pesachmaal kan eten?’” Hij zal jullie een grote bovenzaal wijzen die al is ingericht; maak het daar klaar.’
Toen de avond was gevallen, lag hij samen met de twaalf aan voor de maaltijd.
![]() |
| Duccio di Buoninsegna: de voetwassing |
Voetwassing
Jezus wist dat zijn tijd gekomen was en dat hij uit de wereld terug zou keren naar de Vader. Hij had de mensen die hem in de wereld toebehoorden lief, en zijn liefde voor hen zou tot het uiterste gaan. Jezus en zijn leerlingen hielden een maaltijd.
Hij zei tegen hen: ‘Ik heb er hevig naar verlangd dit pesachmaal met jullie te eten voor de tijd van mijn lijden aanbreekt. Want ik zeg jullie: ik zal geen pesachmaal meer eten voordat het zijn vervulling heeft gevonden in het koninkrijk van God.’
Jezus, die wist dat de Vader hem alle macht had gegeven, dat hij van God was gekomen en weer naar God terug zou gaan, stond tijdens de maaltijd op. Hij legde zijn bovenkleed af, sloeg een linnen doek om en goot water in een waskom. Hij begon de voeten van zijn leerlingen te wassen en droogde ze af met de doek die hij omgeslagen had. Toen hij bij Simon Petrus kwam, zei deze: ‘U wilt toch niet mijn voeten wassen, Heer?’ Jezus antwoordde: ‘Wat ik doe, begrijp je nu nog niet, maar later zul je het wel begrijpen.’ ‘O nee,’ zei Petrus, ‘míjn voeten zult u niet wassen, nooit!’ Maar toen Jezus zei: ‘Als ik ze niet mag wassen, kun je niet bij mij horen,’ antwoordde hij: ‘Heer, dan niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en mijn hoofd!’ Hierop zei Jezus: ‘Wie gebaad heeft hoeft alleen nog zijn voeten te wassen, hij is al helemaal rein. Jullie zijn dus rein – maar niet allemaal.’ Hij wist namelijk wie hem zou verraden, daarom zei hij dat ze niet allemaal rein waren. Toen hij hun voeten gewassen had, deed hij zijn bovenkleed aan en ging weer naar zijn plaats. ‘Begrijpen jullie wat ik gedaan heb?’ vroeg hij. ‘Jullie zeggen altijd “meester” en “Heer” tegen mij, en terecht, want dat ben ik ook. Als ik, jullie Heer en jullie meester, je voeten gewassen heb, moet je ook elkaars voeten wassen. Ik heb een voorbeeld gegeven; wat ik voor jullie heb gedaan, moeten jullie ook doen.
Het Laatste Avondmaal
Toen de avond was gevallen, kwam hij met de twaalf. Terwijl ze aanlagen voor de maaltijd, zei Jezus: ‘Ik verzeker jullie: een van jullie, die met mij eet, zal mij uitleveren.’ Ze werden bedroefd en vroegen een voor een aan hem: ‘Ik ben het toch niet?’ Maar hij zei tegen hen: ‘Het is een van jullie twaalf, die met mij uit dezelfde kom eet. Want de Mensenzoon zal heengaan zoals over hem geschreven staat, maar wee de mens door wie de Mensenzoon uitgeleverd wordt: het zou beter voor hem zijn als hij nooit geboren was.’
Terwijl ze aten, nam hij een brood, sprak het zegengebed uit, brak het brood, deelde het uit en zei: ‘Neem hiervan, dit is mijn lichaam.’ En hij nam een beker, sprak het dankgebed uit en gaf hun de beker, en allen dronken eruit. Hij zei tegen hen: ‘Dit is mijn bloed, het bloed van het verbond, dat voor velen vergoten wordt. Ik verzeker jullie: ik zal niet meer van de vrucht van de wijnstok drinken tot de dag komt dat ik er opnieuw van zal drinken in het koninkrijk van God.’
![]() |
| Duccio di Buoninsegna |
Toen hij weg was zei Jezus: ‘Nu is de grootheid van de Mensenzoon zichtbaar geworden, en door hem de grootheid van God. Als Gods grootheid door hem zichtbaar geworden is, zal God hem ook in die grootheid laten delen, nu onmiddellijk. Kinderen, ik blijf nog maar een korte tijd bij jullie. Jullie zullen me zoeken, maar wat ik tegen de Joden gezegd heb, zeg ik nu ook tegen jullie: “Waar ik heen ga, daar kunnen jullie niet komen.”
Ik geef jullie een nieuw gebod: heb elkaar lief. Zoals ik jullie heb liefgehad, zo moeten jullie elkaar liefhebben. Aan jullie liefde voor elkaar zal iedereen zien dat jullie mijn leerlingen zijn.’
Nadat ze de lofzang hadden gezongen, vertrokken ze naar de Olijfberg. Onderweg zei Jezus tegen hen: ‘Jullie zullen mij deze nacht allemaal afvallen, want er staat geschreven: “Ik zal de herder doden, en de schapen van zijn kudde zullen uiteengedreven worden.” Maar nadat ik uit de dood ben opgewekt, zal ik jullie voorgaan naar Galilea.’
Petrus zei daarop tegen hem: ‘Misschien zal iedereen u afvallen, ik nooit!’ Jezus antwoordde hem: ‘Ik verzeker je: deze nacht zul je, nog voor de haan gekraaid heeft, mij driemaal verloochenen.’ Petrus zei: ‘Al zou ik met u moeten sterven, verloochenen zal ik u nooit.’ Alle andere leerlingen vielen hem daarin bij
Daarna zei hij tegen hen: ‘Toen ik jullie uitzond zonder geldbuidel, reistas en sandalen, kwamen jullie toen iets tekort?’ ‘Niets!’ antwoordden ze. Hij zei: ‘Maar wie nu een geldbuidel heeft, moet die meenemen, evenals zijn reistas, en wie er geen heeft moet zijn mantel verkopen en zich een zwaard aanschaffen. Want ik zeg jullie: wat geschreven staat, moet in mij tot vervulling komen, namelijk: “Hij werd gerekend tot de wettelozen.” Inderdaad, nu wordt voltrokken wat over mij gezegd is.’
dinsdag 15 april 2014
Stille Week - woensdag
![]() |
| Duccio di Buonsegna: het verraad van Judas |
Zalving en Verraad
De volgende dag zou het feest van Pesach en het Ongedesemde brood beginnen. De hogepriesters en schriftgeleerden zochten naar een mogelijkheid om hem door middel van een list gevangen te nemen en te doden. Ze zeiden bij zichzelf: Tijdens het feest kan dat niet, want dan komt het volk in opstand. (Marcus 14:1-2)
Toen Jezus in Betanië in het huis van Simon – degene die aan huidvraat had geleden – aanlag voor een maaltijd, kwam er een vrouw naar hem toe. Ze had een albasten flesje met zeer kostbare olie bij zich en goot die uit over zijn hoofd. (Mattheus 26:6-13)
Judas Iskariot, een van de leerlingen, degene die hem zou uitleveren, vroeg: ‘Waarom is die olie niet voor driehonderd denarie verkocht om het geld aan de armen te geven?’ Dat zei hij niet omdat hij zich om de armen bekommerde – hij was een dief: hij beheerde de kas en stal eruit. Maar Jezus zei: ‘Laat haar, ze doet dit voor de dag van mijn begrafenis; de armen zijn immers altijd bij jullie, maar ik niet.’ (Johannes 12:4-8)
De leerlingen ergerden zich toen ze dit zagen en zeiden: ‘Wat een verspilling! Die olie had immers duur verkocht kunnen worden, dan hadden we het geld aan de armen kunnen geven.’ Jezus hoorde het en zei: ‘Waarom vallen jullie deze vrouw lastig? Zij heeft iets goeds voor mij gedaan. Want de armen zijn altijd bij jullie, maar ik zal niet altijd bij jullie zijn. Door die olie over mij uit te gieten, heeft ze mijn lichaam voorbereid op het graf. Ik verzeker jullie: waar ook ter wereld het goede nieuws verkondigd zal worden, zal ter herinnering aan haar verteld worden wat zij heeft gedaan.’ (Mattheus 26:8-13)
Toen ging Judas Iskariot, een van de twaalf, naar de hogepriesters om hem aan hen uit te leveren. Toen zij dit hoorden, waren ze opgetogen en beloofden ze hem geld te zullen geven. En hij zon op een mogelijkheid om hem op een geschikt moment uit te leveren. (Marcus 14:10-11)
maandag 14 april 2014
Stille Week - dinsdag
![]() |
| James Tissot (1836 - 1902): Dispuut met de Farizeeërs en schiftgeleerden |
Toen Jezus zich in de tempel ophield, kwamen de hogepriesters, de schriftgeleerden en de oudsten van het volk naar hem toe en vroegen hem: ‘Op grond van welke bevoegdheid doet u die dingen? Wie heeft u het recht gegeven om zo te handelen?’ Jezus antwoordde: ‘Ik zal u een vraag stellen; als u me daarop antwoord geeft, zal ik u zeggen op grond van welke bevoegdheid ik zo handel.
’Doopte Johannes in opdracht van de hemel of van mensen?’ Ze overlegden met elkaar: ‘Als we antwoorden: “Van de hemel,” zal hij vragen: “Waarom hebt u hem dan niet geloofd?” Maar als we antwoorden: “Van mensen,” zal het volk ons willen stenigen, omdat iedereen ervan overtuigd is dat Johannes een profeet was.’ Dus antwoordden ze dat ze het niet wisten. Daarop zei Jezus tegen hen: ‘Dan zeg ik u ook niet op grond van welke bevoegdheid ik die dingen doe.’
Daarop zei Jezus tegen hen: ‘Hebt u dit nooit in de Schriften gelezen: “De steen die de bouwers afkeurden is de hoeksteen geworden. Dankzij de Heer is dit gebeurd, wonderbaarlijk is het om te zien.” Daarom zeg ik u: het koninkrijk van God zal u worden ontnomen, en gegeven worden aan een volk dat het wel vrucht laat dragen. Wie over die steen struikelt zal gebroken worden, en iedereen op wie die steen valt zal worden verpletterd.’ Toen de hogepriesters en de Farizeeën zijn gelijkenissen hoorden, begrepen ze dat hij over hen sprak. Ze wilden hem graag gevangennemen, maar ze waren bang voor de reactie van de volksmassa, daar men hem voor een profeet hield.
Ze hielden hem echter in de gaten en stuurden er spionnen op uit die zich als rechtvaardigen moesten voordoen, in de hoop hem op een onwettige uitspraak te betrappen, zodat ze hem konden uitleveren aan de overheid, aan het gezag van de prefect. Ze vroegen hem het volgende: ‘Meester, we weten dat wat u zegt en leert juist is en dat u spreekt zonder aanzien des persoons, en dat u in alle oprechtheid onderricht geeft over de weg van God. Welnu, is het toegestaan belasting te betalen aan de keizer of niet?’ Maar Jezus doorzag hun sluwe opzet en antwoordde: ‘Laat mij eens een denarie zien. Van wie zijn de afbeelding en het opschrift op deze munt?’ ‘Van de keizer,’ antwoordden ze. Daarop zei hij tegen hen: ‘Geef wat van de keizer is aan de keizer, en geef aan God wat God toebehoort.’ Ze slaagden er dus niet in om hem ten overstaan van het volk te betrappen op een onwettige uitspraak, en omdat ze geen raad wisten met zijn antwoord, deden ze er het zwijgen toe.
Ondertussen kwamen de hogepriesters en de oudsten van het volk bijeen in het paleis van de hogepriester, Kaiafas. Daar beraamden ze het plan om Jezus door middel van een list gevangen te nemen en hem te doden. ‘Maar niet op het feest,’ zeiden ze, ‘want dan komt het volk in opstand.’
zondag 13 april 2014
Stille Week - maandag
![]() |
| Giotto di Bondone |
Jezus ging de tempel binnen, hij joeg iedereen weg die daar iets kocht of verkocht, gooide de tafels van de geldwisselaars en de stoelen van de duivenverkopers omver en riep hun toe: ‘Er staat geschreven: “Mijn huis moet een huis van gebed zijn,” maar jullie maken er een rovershol van!’
Toen kwamen er in de tempel blinden en verlamden naar hem toe, en hij genas hen. De hogepriesters en de schriftgeleerden zagen welke wonderen hij verrichtte en hoorden de kinderen in de tempel ‘Hosanna voor de Zoon van David!’ roepen, en ze waren hoogst verontwaardigd. Ze gingen hem vragen: ‘Hoort u wat ze zeggen?’ En Jezus antwoordde hun: ‘Jazeker! Hebt u dan nooit gelezen: “Door de mond van kinderen en zuigelingen hebt u zich een loflied laten zingen”?’
Hij ging de tempel binnen en begon iedereen die daar iets kocht of verkocht weg te jagen; hij gooide de tafels van de geldwisselaars en de stoelen van de duivenverkopers omver, en hij liet niet toe dat iemand voorwerpen over het tempelplein droeg. Hij hield de omstanders voor: ‘Staat er niet geschreven: “Mijn huis moet voor alle volken een huis van gebed zijn”? Maar jullie hebben er een rovershol van gemaakt!’ De hogepriesters en de schriftgeleerden hoorden wat er gebeurd was en zochten naar een mogelijkheid om hem uit de weg te ruimen; ze waren bang voor hem, omdat het hele volk in de ban was van zijn onderricht. (Marcus 11:15-18)
Hij ging naar de tempel, waar hij de handelaars begon weg te jagen, terwijl hij hun toevoegde: ‘Er staat geschreven: “Mijn huis moet een huis van gebed zijn,” maar jullie hebben er een rovershol van gemaakt!’ Dagelijks gaf hij onderricht in de tempel. De hogepriesters, de schriftgeleerden en de leiders van het volk wilden hem uit de weg ruimen, maar ze wisten niet hoe ze dat moesten doen, want het hele volk hing aan zijn lippen.
Nadat de avond gevallen was, gingen Jezus en zijn leerlingen weg uit de stad. (Marcus 11:19)
zaterdag 12 april 2014
Palmzondag
| Giotto di Bondone |
Toen Jezus verder trok naar Jeruzalem, nam Hij de twaalf leerlingen apart, en onderweg zei Hij tegen hen: ‘Kijk, we gaan op naar Jeruzalem, en de Mensenzoon zal overgeleverd worden aan de hogepriesters en schriftgeleerden, en ze zullen Hem ter dood veroordelen. Ze zullen Hem overleveren aan de heidenen om Hem te bespotten, Hem te geselen en te kruisigen, en op de derde dag zal Hij tot leven gewekt worden.’ (Matt. 20:17-19)
Ze naderden Jeruzalem en kwamen in Bethfage op de Olijfberg. Daar stuurde Jezus twee leerlingen eropuit met de opdracht: ‘Ga naar het dorp daar vlak voor je. Jullie zullen er meteen een ezelin vinden, die vastgebonden staat en een veulen bij zich heeft. Maak ze los en breng ze bij Me. En als iemand jullie iets zegt, zeg dan: “De Heer heeft ze nodig. Maar Hij stuurt ze meteen terug.” ’ Dit is gebeurd opdat vervuld zou worden wat bij monde van de profeet gezegd is:
Zeg tegen de dochter Sion:
zie, uw koning komt naar u toe,
zachtmoedig en zittend op een ezel,
op een veulen, het jong van een lastdier. (Mattheus 21:1-5)
Vrees niet, dochter Sion! Zie, uw koning komt, gezeten op een ezelsveulen. (Johannes 12:15)
Ze gingen weg en vonden een veulen, vastgebonden bij een deur, buiten aan de straat, en ze maakten het los. Sommige omstanders zeiden tegen hen: ‘Wat doen jullie daar, waarom maken jullie dat veulen los?’ Ze antwoordden hun zoals Jezus gezegd had. En ze lieten hen hun gang gaan. Ze namen het veulen mee naar Jezus, wierpen er hun kleren overheen, en Hij ging erop zitten. (Marcus 11:4-7)
Hij kwam steeds dichter bij de stad. Waar de weg de Olijfberg afgaat begonnen al zijn leerlingen vrolijk en uit volle borst God te prijzen om alle machtige daden die ze hadden gezien. Ze riepen:
‘Gezegend is de koning, die komt in de naam van de Heer!
In de hemel vrede, glorie in de hoogste hemel!’
Enkele Farizeeën in de menigte zeiden tegen Hem: ‘Meester, wijs uw leerlingen terecht.’ Hij antwoordde: ‘Ik zeg u, als zij zwijgen, zullen de stenen schreeuwen.’ (Lucas 19:37-40)
De leerlingen gingen op weg en deden wat Jezus hun had opgedragen. Ze brachten de ezelin en het veulen mee, legden er mantels op en lieten Jezus daarop plaatsnemen. Vanuit de menigte spreidden velen hun mantels op de weg uit, anderen braken twijgen van de bomen en spreidden die uit op de weg. De talloze mensen die voor hem uit liepen en achter hem aan kwamen, riepen luidkeels:
‘Hosanna voor de Zoon van David!
Gezegend hij die komt in de naam van de Heer.
Hosanna in de hemel!’ (Mattheus 21:6-9)
De volgende dag was er al een grote menigte in Jeruzalem voor het feest. Toen ze hoorden dat Jezus ook zou komen, haalden ze palmtakken en liepen ze de stad uit, hem tegemoet, terwijl ze riepen:
‘Hosanna!
Gezegend hij die komt in de naam van de Heer, de koning van Israël.’ (Johannes 12:12-14)
Velen spreidden hun kleren uit op de weg, anderen deden hetzelfde met twijgen die ze op het veld gesneden hadden. Zowel de mensen die voorop gingen als die volgden, schreeuwden:
‘Hosanna!
Gezegend is Hij die komt
in de naam van de Heer.
Gezegend het koninkrijk
dat komen gaat,
van onze vader David.
Hosanna in de hoogste hemel!
Hij trok Jeruzalem binnen en ging naar de tempel. Toen Hij alles in ogenschouw genomen had, ging Hij, omdat het al laat was, samen met de twaalf naar Bethanië. (Marcus 11:8-11)
Toen hij Jeruzalem binnenging, raakte de hele stad in rep en roer. ‘Wie is die man?’ wilde men weten. Uit de menigte werd geantwoord: ‘Dat is Jezus, de profeet uit Nazareth in Galilea.’ (Mattheus 21:10-11)
Zijn leerlingen begrepen dit aanvankelijk niet, maar later, toen Jezus verheerlijkt was, herinnerden ze zich dat dit over hem geschreven stond, en dat het zo ook gebeurd was. (Johannes 12:16)
maandag 21 maart 2011
Graf en Tempel
Helgo Bockemühl: Graf en Tempel
Ten tijde van Jezus verhief zich op het grote tempelplateau in Jeruzalem, waar tegenwoordig de 'Koepel van de rots' staat, de prachtige tempel die Herodes in zesenveertig jaar had laten bouwen. Bij het beschouwen van dit gebouw had Jezus er tegen zijn vertrouwelingen over gesproken, dat geen steen daarvan op de andere gelaten zou worden (Marcus 13:2).
Maar er is ons ook nog iets anders, dat hij over de tempel gezegd heeft, overgeleverd; wij vinden dat in het evangelie volgens Johannes.
Daar eisen de Joden, wanneer Jezus bij gelegenheid van het Passahfeest in het jaar 31 in Jeruzalem is, een teken van hem. Hij antwoordt daarop: 'Breekt deze tempel af, en binnen drie dagen zal Ik hem doen herrijzen' (Joh. 2:19), en als de Joden, daarover ontsteld, hem onder het oog brengen dat men toch zesenveertig jaar aan dit bouwwerk had gebouwd, antwoordt hij niet, maar Johannes geeft het commentaar: 'Maar Hij sprak over de tempel van zijn lichaam' (Joh. 2:21).
Johannes, die door het overleveren van het belangrijkste dat Jezus over zichzelf zei, zijn intiemste kenner blijkt te zijn, laat ons in deze opmerking zien, hoe Jezus in de tempel een beeld, een symbool ziet van zijn lichaam, het lichaam dat de Messias, de Logos, als mens aangenomen heeft.
Ook het tafereel van de jonge Jezus in de tempel, dat Lucas schildert (Luc. 2:46) schijnt daarop te wijzen; de twaalfjarige komt daar tot zijn eigenlijke menszijn en voorvoelt de opdracht die hij zal krijgen.
De tempel
Deze tempel, die het volk Israël zo na aan het hart lag en waarmee Jezus zich zo verbonden voelde, bevatte als zijn wezenlijk cultisch middelpunt de ruimten en de structuur naar het voorbeeld van de Tabernakel. Men heeft een aantal Kanaänitische tempels opgegraven, die dezelfde structuur vertoonden, die dan in de tempel van Salomo de klassieke uitdrukking vond. De volgende drieledigheid had dus ook de tempel van Herodes:
1) een voorhof, door muren omgeven, slechts ten dele of in het geheel niet overdekt, met een brandofferaltaar, vanwaar het vuur en de rook naar de open hemel opstijgen.
2) de hoofdzaal, het Heilige, dat een gesloten binnenruimte was en twee elementen bevatte:
- a de zevenarmige kandelaar en de tafel voor de toonbroden, als beelden voor de goddelijke kosmische ordeningen van het zevental planeten en de twaalfvoudige krachten van de 'dierenriem'.
- b het kleine reukofferaltaar, met een bekken voor de houtskool. Wierook steeg daar op, het was de plaats voor inkeer en gebed.
3) het Heilige der Heiligen, dat ten tijde van Jezus leeg was. De ark van het verbond des Heren met haar kostbare herinneringsstukken uit de geschiedenis van het volk was in de troebelen van de Babylonische ballingschap verloren gegaan. Alleen nog de kale rotspunt werd door het Heilige der Heiligen omsloten. Het was de stille, het meest naar binnen gelegen plaats, waar jaarlijks op Grote Verzoendag de heilige naam van God werd uitgesproken. In dit 'binnenste' werd de aanwezigheid van de Allerhoogste beleefd, als het ware in zwijgen en niet zien.
Wij kunnen van verschillende niveaus van religieus beleven spreken, die in de tempel samengevat zijn:
1) Het volk nam zonder meer slechts aan vuur en rook onder de blote hemel deel. Dit was nog een soort natuurgodsdienst, waarin het offerbloed van het geslachte dier vloeide, waarin de vlam oplaaide, en de rook, door de wind opgenomen, oostwaarts naar de woestijn gedragen, ofwel naar het westen naar de stad toe neergedrukt werd: tekens van de genadige of de toornige God, die zich in wind en weer kond doet.
2a) Het beschouwen van de zinnebeelden van de kosmische ordening van de tijd (kandelaar en tafel voor de toonbroden) was al voorbehouden aan de priesters. Men krijgt de indruk, alsof van daaruit de week met de zeven dagen en het jaar met de twaalf maanden hun ordening kregen.
2b) Verder naar binnen dan, nog in dezelfde hoofdzaal, maar dichter naar het Heilige der Heiligen toe, ging alleen die priester die, zoals b.v. Zacharias, (Lucas 1:19) bezig was het reukoffer op te dragen, als uitdrukking van inkeer en gebed.
3) In het Heilige der Heiligen tenslotte heerste een volkomen verinnerlijkte, 'abstracte' religie zonder beelden of woorden: in de fysieke leegte was het hoogste geestelijke wezen aanwezig en werd alleen door de hogepriester bij zijn verheven, heilige naam genoemd.
Het graf
Laten wij nu deze tempel, die Jezus Christus als het beeld van zijn menselijk wezen beschouwde, eens vergelijken met het bouwsel, waarin op Goede Vrijdag zijn menselijk lichaam werd gelegd: het graf van Golgotha is immers de plaats, waar de 'tempel van zijn lichaam' afgebroken werd, opdat die binnen drie dagen weer opgebouwd zou kunnen worden. Hoe zag dit graf er uit?
Gaan wij de gegevens in de evangeliën na, dan zien wij dat men in het graf kon lopen, dat het dus horizontaal in de oplopende kalkrots uitgehouwen was. Tegenwoordig ziet men daarvan in de Heilige Grafkerk weliswaar nog slechts een fragment. Maar toentertijd waren er graven – dergelijke graven heeft men herhaaldelijk gevonden; dat waren dan de graven van de welgestelden, zoals Jozef van Arimathea die als volgt ingedeeld waren:
Enkele treden leidden naar beneden naar een soort voorportaal. Dan kwam de rolsteen, die in een goot voor de ingang gerold kon worden. Daar was de ingang van het graf. Men bevond zich eerst in een kamer waarin langs de zijwand een bank was. Daar kon men gaan zitten, om de dode te bewenen of aan hem te denken. Vandaar kwam men door een tweede, nauwe doorgang verder naar binnen. Deze tweede kamer had een nis aan de zijkant en was de eigenlijke bijzettingsplaats.
Merkwaardigerwijze hebben wij, behalve de archeologische vondsten, nog een aanwijzing voor de vorm van het opstandingsgraf, die echter helaas nagenoeg onbekend is: in Görlitz, in het oosten van Duitsland, bevindt zich een bouwsel, een maquette die het heilige graf moet voorstellen.
In het jaar 1465 was Georg Emerich van zijn bedevaart naar Jeruzalem teruggekeerd, en kort daarna schonk hij, als rijk burger, dit bouwsel als kopie van het graf, dat hij in Jeruzalem had gezien. Keizer Constantijn had de rots rondom het graf laten weghakken, zodat er een kapel was ontstaan, die met een hekwerk of een muur omgeven werd. In 1009 hebben de moslims onder kalief Hakim die kapel verwoest Niet lang daarna werd zij door de kruisvaarders weer opgericht. Zó moet Emerich haar hebben gezien, want volgens zijn maquette was vóór de eigenlijke grafkamer nog een 'engelenkapel', hetzij in plaats van de vroegere herdenkingsruimte of uit delen daarvan gebouwd. Zó kunnen wij het in Görlitz zien. Andere voorstellingen van het heilige graf, zoals in Konstanz en Magdeburg, zijn in een kerk opgesteld en hebben dus wel eerder symbolische waarde.
Heilige Graf bij GörlitzVóór het graf in Görlitz ziet men een stenen afsluitplaat. Het is niet waarschijnlijk, dat Emerich nog de oorspronkelijke rolsteen gezien heeft. Vermoedelijk toonde men uit onbekendheid met de oude situatie met een ronde steen die in een goot gewenteld kon worden, een rechthoekige, zoals de kruisvaarders die uit Europa kenden, en zoals die in het Romeinse Rijk evenals in de Griekse cultuur bij sarcofagen gebruikelijk was geweest.
Daar in Görlitz kan men dus in eik geval een, zij het ook zwakke, afspiegeling van het heilige graf zien. Men twijfelt overigens ook al aan de echtheid van de door Constantijn gevonden plaats - de Grafkerk, die men tegenwoordig kan zien, dateert uit het jaar 1808.
Paasmorgen
Wij willen van de hierboven beschreven vorm van het graf uitgaan, zoals de archeologie die gereconstrueerd heeft:
Beschouwen wij nu de vier evangeliën en wat zij over de ontmoeting van de vrouwen met de engelen op de Paasmorgen vermelden, dan merken wij, hoe de opeenvolging van deze vier geschriften van de christelijke canon een wetmatigheid vertoont, die met de hierboven veronderstelde vorm van het graf overeenkomt.Mattheus beschrijft in het 28e hoofdstuk, hoe de engel op de Paasmorgen in aardbeving en bliksem verschijnt; hij wentelt de steen weg en zet zich daarop. De vrouwen gaan bij de ontmoeting met de engel het graf niet binnen, misschien als gevolg van de aansporing, die de boodschap van de engel inhoudt: 'En gaat terstond op weg en zegt zijn discipelen . . .' (Matth. 28:7).
Marcus verhaalt hoe de vrouwen bij zonsopgang naar het graf gaan. Zij vinden de steen afgewenteld. Bij het betreden van het graf zien zij een 'jongeling aan de rechterzijde zitten, bekleed met een lang, wit gewaad'. Zij bevinden zich dus waarschijnlijk in de eerste ruimte, die gelegenheid moest bieden voor zitten, herdenken en bewenen (Marcus 16).
Lucas (24:3): 'En toen zij er ingegaan waren, vonden zij het lichaam van de Heer Jezus niet. En het geschiedde, terwijl zij daarover in verlegenheid waren, dat, zie, twee mannen in een blinkend gewaad bij haar stonden'. Pas na enige tijd van denken en innerlijke radeloosheid worden zij de geestelijke wezens gewaar, die hun vermanen, na te denken: 'Herinnert u, hoe Hij . . . tot u gesproken heeft ... En zij herinnerden zich zijn woorden'.
Johannes, de vierde evangelist, schildert de verschijning der engelen later, en op 'een plaats verder naar binnen toe (20:12): ' ... en zij zag twee engelen zitten, in witte klederen, één aan het hoofdeinde en één aan het voeteneinde, waar het lichaam van Jezus gelegen had'. Maria kan wellicht in de herdenkings en beweningsruimte gestaan, zich wenend voorovergebogen en bij het naar binnen zien in de eigenlijke bijzettingsruimte de engelen geschouwd hebben.
Wij ontdekken in de bijzondere vorm van elk van deze vier verhalen een diepere zin, wanneer wij de verschillen nu eens niet als met elkaar in tegenspraak willen elimineren, maar de berichten in hun eigen, karakteristieke vorm naast elkaar laten staan. Emil Bock heeft beschreven, hoe wij hier aan de hand van de teksten het geheim van verschillende hiërarchieën benaderen: van de 'exousiai' in de bliksem, via de 'archai', de jongeling, en de aartsengelen'in de blinkende gewaden', tot aan de engelen die aan Maria verschijnen.
Graf en tempel
Hier willen wij nog het tweede gezichtspunt uitwerken: wij worden van buiten tot diep in het graf naar binnen geleid en beleven in deze vier fasen een soortgelijke verinnerlijking als bij onze gang door de verschillende sferen van het religieuze beleven in de tempel te Jeruzalem:
1) In de 'voorhof, de open gang, verschijnt de engel van Jahwe in aardbeving en bliksem; zijn voorkomen is wit als sneeuw. In weersverschijnselen geeft de Heer dus zijn tekens, zoals vroeger bij Mozes, toen Hij in de wolken of vuurzuil voor het volk uittrok (Exodus 13:21).
2a) Bij het betreden van het graf zowel als van het heiligdom komen wij in het gebied van het kosmische tijdsverloop: 'toen ging de zon juist op' zegt Marcus, en de tempel biedt de aanblik van de zevenvoudig en twaalfvoudig geordende tijd. Dit is de sfeer van de 'oerbeginnen' (archai), van de tijden en levensronden naar hun uiterlijke zowel als naar hun innerlijke aard. De vrouwen ontmoeten de 'jongeling' als zij juist het graf zijn binnengegaan.
2b) Met Lucas zijn wij het gebied van de verinnerlijking binnengegaan. In de tempel verricht ook volgens het Lucasevangelie Zacharias aan het reukofferaltaar het gebed, als Gabriël hem verschijnt. Gabriël wordt in het evangelie weliswaar niet rechtstreeks als aartsengel aangeduid, maar elders in de christelijke overlevering heeft hij deze rang. Het evangelie zelf differentieert nergens de hemelse hiërarchieën. Op de daarvoor bestemde plaats in de grafruimte worden de vrouwen tot inkeer, herdenken en herinneren aangespoord. De ziel die zich innerlijk heeft voorbereid door het gebed, alsook (in het verhaal van de Paasmorgen), door de radeloosheid, vermag een boodschap te vernemen, waarin zij tot innerlijke beweeglijkheid wordt opgeroepen.
3) Bij Johannes betreden wij met het beleven van Maria Magdalena het Heilige der Heiligen van het graf, 'daar waar het lichaam van Jezus gelegen had'. Deze plaats is leeg, zoals ook het Heilige der Heiligen van de tempel. Maria is alleen. Hier is nu, naar het ons voorkomt, het karakteristieke keerpunt van het voorchristelijke naar het christelijke gebied: waar eens de allerheiligste naam van God in het binnenste gebied uitgesproken werd, wendt de mens zich weer om, naar buiten. Maria kan de Herrezene vóór het graf schouwen. Maar pas, wanneer Hij haar naam uitspreekt, herkent zij Hem. Eigenaardig genoeg het kan ons bevreemden luidt het dan nog eens: 'Zij keerde zich om'. Zou zij zich weer naar het binnenste van het graf toegekeerd hebben?
De ontmoeting in de ik sfeer (van het hoofd tot aan de voeten) wijst weer naar buiten, noemt de mens bij zijn naam en schenkt het eerste herkennen van de Herrezene.
(dubbelklik op de afbeelding voor een vergroting)De nauwkeurige overeenkomst van graf en tempel, van de cultisch voltrokken religieuze vormen in de laatste met de beschrijvingen van de ontmoeting met de engelen op de Paasmorgen, wijst ons erop, dat zij een symbool voor het wezen van de mens zijn. Op de vier fasen van Joodse religiositeit en op de vier engelverschijningen in de opeenvolging van de evangeliën valt licht door de in de antroposofie ontwikkelde gedachte van de vierledigheid van de mens.
In de tempelcultus wordt dit door de vier niveaus direct aanschouwelijk. Christus vereenzelvigt zelf zijn menselijke bestaansvorm met dit beeld, en het lege graf verkondigt de vrouwen op de Paasmorgen uit de mond van de engelen de viervoudige opstanding:
(dubbelklik op de afbeelding voor een vergroting)Tempel en graf spreken heel exact niet slechts over het aardse lichaam alleen, maar over het gehele mensenwezen, waarin Hij stierf en dat Hij tot opstanding bracht.
----
Vertaling en bewerking: Marie Veldhuyzen
Uitgeverij Christofoor Rotterdam 1978
ISBN 90 6238 065 4
Helgo Bockemühl 1977
Oorspronkelijke titel: Grab und Tempel - Sinnbilder für den Menschen




















