Posts tonen met het label Handelingen der apostelen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Handelingen der apostelen. Alle posts tonen

maandag 6 juni 2011

Pinksteren

Giotto di Bondone (1266-1337)

Het pinksterfeest

Als kralen aan een lange ketting vormt de rij van jaarfeesten ankerpunten in de eeuwig voortschrijdende tijd. De jaarfeesten zijn verbonden met het verloop van de seizoenen, met het groeien, bloeien en sterven in de natuur. Als mens in de moderne tijd zijn we ons, behalve met Kerstmis, meestal weinig bewust van de innige samenhang met het jaarritme, omdat we er vrij en onafhankelijk van willen zijn. Dat was anders in de vroegere agrarische maatschappij en het is zeker nog anders bij het jonge kind dat nog zo sterk met de groeikrachten van de aarde verbonden is. Zo is het bijvoorbeeld een wonder om ieder jaar weer te zien dat de jongste kleuters in het vroege voorjaar met stokjes de aarde tussen de stoeptegels van het schoolplein beginnen los te werken, alsof zij waarnemen dat de sapstromen in de planten vanuit de aarde weer omhoog beginnen te stromen. Dat is slechts een enkel voorbeeld uit vele.
In de kring van jaarfeesten verschuiven de data van Pasen, Hemelvaart en Pinksteren, afhankelijk van de maan, de zon en de sterren d.w.z. het lentepunt in de dierenriem. Dit jaar (2011) vallen deze feesten erg laat, maar na de met forse sneeuw vroeg ingezette winter leek de natuur zich in te houden om ook dit keer weer met Pasen vol uit te pakken met bloesems en bloemen. Haastig vormde ze dit jaar de overgang van de intieme wintertijd naar de uitbundige zomer: de forsythia was nog niet uitgebloeid of de magnolia en kersenbloesems kwamen al uit.
Gaan we terug in de geschiedenis op zoek naar de wortels van het Pinksterfeest, dan vinden we Sjavoeot, het Wekenfeest. Dat Joodse Pinksterfeest is het feest van de eerste tarweoogst, zoals in het boek Exodus (34:22) staat: ‘Vier het Wekenfeest wanneer je de eerste opbrengst van de tarweoogst binnenhaalt...’ . Het Wekenfeest volgt vijftig dagen na het Pesach (Pasen): ’Vanaf die dag na de sabbat, vanaf de dag dat de schoof omhoog geheven is, moeten zeven volle weken worden afgeteld, tot de dag na de zevende sabbat. Vijftig dagen moeten jullie aftellen, en dan moeten jullie de HEER een graanoffer aanbieden uit de nieuwe tarweoogst’, aldus het voorschrift in Leviticus (23:15-16). Daarnaast herinnert het Wekenfeest er ook aan, dat Mozes op de berg Sinaï van God de Tien Geboden ontving.
Het is boeiend om in deze traditionele viering te zien dat twee tegenovergestelde elementen bij elkaar samenkomen: de ontspruitende en bewustzijn dovende groeikrachten van lente in de natuur en daar tegenover de moraliteit-vormende kracht van de Tien Geboden: feestelijk en uitbundig meevieren met de natuur en tegelijk daarbij het bewustzijn behouden van wat kan en niet kan. In de tijd die ligt tussen de verinnerlijkte stemming in de wintertijd en de uitbundigheid van de zomer moet de mens leren ervoor te zorgen zichzelf niet te verliezen, leren tegenwicht geven tegen de aanlokkende kracht van de zintuigwereld die de mens zichzelf min of meer verliezen doet en waardoor zijn zelfstandig denken dreigt gedoofd te worden. Kan de mens het eigen innerlijk sterk genoeg houden om zich niet geheel in de uiterlijke schijn te verliezen?
Wat is dan het eigen innerlijk dat sterk moet blijven? Dat is de menselijke wezenskern, dat de mens onderscheidt van het dier, het denkende Ik dat de stabiele kern moet vormen binnen de veelheid van emoties in het zielenleven, die kracht die ons een individuele persoonlijke biografie geeft. Met de innerlijke Ik-kracht, steeds opnieuw opgedaan in de stille wintertijd, kunnen we rechtop blijven staan in de veelheid van uiterlijke belevenissen van de zomer. Daarop wil het pinksterfeest ons wijzen. We zien dat als zinnebeeld gerepresenteerd in de rechte paal van de pinksterboom waaromheen een veelheid van kleurige linten zich beweegt. Zonder dat stabiele centrum van de rechte paal, kan zich geen mooi vlechtpatroon van linten vormen. De dansers moeten zich richten op een gemeenschappelijk doel, niet hun eigen impulsen volgen maar doen wat nodig is voor het geheel.
In de loop van de tijd is het feest op onze school zo geworden dat iedereen tot dansen wordt uitgenodigd, zodat uiteindelijk het hele plein danst, ronddraait, zingt en huppelt. De kleuters blijven daarbij veilig zitten rond die stevige pinksterboom.
Daarmee blijkt dat het pinksterfeest eigenlijk het meest moderne feest is dat men zich kan voorstellen. Het vraagt namelijk aan ons: Kun jij je als individu staande houden in de turbulentie van de wereld, van deze maatschappij, van de huidige samenleving van mensen? Wil je een moreel individueel mens zijn binnen de mensengemeenschap, of laat je jezelf als een kuddedier meeslepen in de waan van de dag, zonder eigen individuele geestkracht? Kunnen we in de toekomst ooit een gemeenschap leren vormen van zelfbewuste individuele zielen?
Om nog even in te gaan op de christelijke traditie van het pinksterfeest: Wat gebeurde er toen? Volgens de beschrijving klinkt er een geraas uit de hemel als van een hevige stormwind. In het Grieks staat er 'pnohs' wat ‘wind’ betekent maar ook ‘adem’ of ‘levensadem’. Het Latijn gebruikt het woord ‘spiritus’. ‘Pneuma’ betekent geest en adem en men ziet dat in deze talen de woorden geest, adem, levensadem en wind dicht bij elkaar liggen. Wat is het voor een stormwind? Is het onrust die optreedt in het zielenleven van de apostelen, samengaande met een onrust in de lucht buiten het huis? De onrust wordt tot rust gebracht door een tweede element: een vuur verschijnt en verdeelt zich als tongen boven de hoofden van de apostelen. Rust treedt op zoals ook de kracht van Christus de storm op het meer tot kalmte maande. De kracht van het Ik brengt deze rust.
De apostelen wandelden eerst drie jaar met Jezus Christus, op Goede Vrijdag bleven zij verdoofd door de gebeurtenissen achter, met Pasen ervoeren zij de helende kracht op aarde van het kosmische wezen dat zij eerst als mens hadden gekend, vanaf Hemelvaart voelden zij zich echt van God verlaten. Bij de gebeurtenis op Pinksteren ontvangen zij het individuele inzicht in de geheimen van wat plaatsvond op Golgotha en daardoor de kracht om verder te gaan, naar de toekomst.
J.E.

dit artikel is verschenen in IRIS, het schoolblad van de Dordtse Vrije School - juni 2011

--

Nog twee citaten uit voordrachten van Rudolf Steiner:

De antroposofie zal de mensen het gemeenschappelijke leren begrijpen, zij moet de hogere wijsheid brengen, de geest der waarheid. De mensen hebben verschillen van mening zolang als ze nog niet over het hoogste weten beschikken. De gnostici noemden de mystiek ‘Mathesis’ omdat in de wiskunde (mathematica) niemand zeggen kan dat hij van een andere mening is dan de anderen. Twee wiskundigen kunnen geen verschillende mening hebben over een wiskundige stelling. Daarbij komt het namelijk niet op menselijke wensen aan. Bij grote wijsheid moeten we onszelf bevrijden van onze persoonlijke wensen. Alleen degene die de Geest der Waarheid wil bestuderen, zonder eigen wensen, alleen die is rijp hem te ontvangen. Het hoogste weten verenigt de mensen, want daarbij bestaan geen eigen mening en eigen voorstelling. De Geest der Waarheid moet de mensen overstralen. Zij kunnen nog zo verspreid zijn over hun verschillende woonplaatsen, maar de Geest der Waarheid zal ze verenigen. Opdat de woning die het Ik voor zichzelf bouwt in het geestelijke past, moet de gemeenschappelijke Geest der Waarheid boven de verschillende ego’s staan. De Geest der Waarheid is door Christus op Pinksteren aan zijn discipelen beloofd. De discipelen spreken in verschillende talen, en alle volken begrijpen elkaar. Ook al zal het egoïsme als maar groter worden, elk Ik zal de Gemeenschapsgeest hebben, wanneer hij deel heeft aan de Geest der Waarheid. Wie dit nastreeft moet leven in de geest van het Johannes-evangelie. Dat is ware antroposofie. Net zoals alle planten zich naar de zon richten, op welke plek zij ook groeien, zo zal ieder Ik zich tot de zon van de geest wenden, tot het Geesteslicht van de Waarheid.

uit: Rudolf Steiner: Das christliche Mysterium (GA 97) – voordracht: Keulen, 8 maart 1907 ‘Die Verheissung des Geistes der Wahrheit’

Wanneer u dit zo bekijkt, dan zal u zien dat de betekenis van het Christendom is dat aan de ene kant datgene wordt afgelost wat verbonden is door stamverbanden, familiebanden en andere nauw begrensde gemeenschapsvormen, en aan de andere kant de mensheid in individuen wordt verdeeld, zodat de enkeling zichzelf enerzijds als individu voelt en anderzijds ook weer als lid van de hele mensheid. Deze twee dingen gaan als polariteiten samen.
In vroeger tijden, toen er kleine gemeenschappen van bloedverwanten bestonden, voelden de mensen zich een deel van de familie, een lid van de stam. En zoveel als de bloedverwantschap uitsterft zal de individuele zelfstandigheid groeien en toenemen. Dat dit door de gebeurtenis op Golgotha wordt bewerkstelligd kan men daaraan zien, dat van daaraf iets de hele wereld zou moeten omspannen, deze religieuze impuls werd er een met de hoogste betekenis. Alles wat daar is gebeurd was voorbereid en is voorbereiding. De uitwerking begint ermee dat op het Pinksterfeest de Heilige Geest wordt uitgestort. Wanneer iemand spreekt op zo'n manier, dat vanuit de ziel van de ander wordt gesproken, dus niet meer egoïstisch, dan wordt dat het beste weergegeven daar waar de apostelen in alle talen tot alle mensen spreken. Zo bereidde de Heilige Geest dat voor, wat door het bloed van de Zoon, de Logos, Christus, dient te geschieden.


uit: Rudolf Steiner: Ursprungsimpulse der Geisteswissenschaft (GA 96) voordracht Berlijn, 25 maart 1907 ‘Die weltgeschichtliche Bedeutung des am Kreuze fliessenden Blutes’

maandag 17 mei 2010

Pinksteren

Duccio di Buoninsegna(1282-1339) Pinksteren

Handelingen 2 : 1 – 12 De uitstorting van de Heilige Geest

De perikooptekst voor Pinksteren begint met: ’Toen dan de dag van het Pinksterfeest aanbrak,..’. Het Joodse Pinksterfeest (Sjavoeot) is het Wekenfeest, het feest van de eerste tarweoogst. In het boek Exodus (34:22) staat: ‘Vier het Wekenfeest wanneer je de eerste opbrengst van de tarweoogst binnenhaalt...’ Het Wekenfeest volgt vijftig dagen na het Pesach: ’Vanaf die dag na de sabbat, vanaf de dag dat de schoof omhooggeheven is, moeten zeven volle weken worden afgeteld, tot de dag na de zevende sabbat. Vijftig dagen moeten jullie aftellen, en dan moeten jullie de HEER een graanoffer aanbieden uit de nieuwe tarweoogst’, aldus het voorschrift in Leviticus (23:15-16). Het Wekenfeest herinnert er ook aan dat Mozes op de berg Sinaï van God de Tien Geboden ontving. Het is interessant om in die twee elementen –de ontspruitende groeikrachten van de lente in de natuur tegenover de vormende kracht van de Tien Geboden van God- de twee bewegingen te herkennen uit Rudolf Steiners weekspreuken. In b.v. spreuk 7 en 8 lezen we over de aanlokkende kracht van de zintuigwereld, waardoor het Zelf dreigt te ontvluchten, en/of het denken gedoofd wordt, met daartegenover het appel op het innerlijk van de mens om zich niet in die uiterlijke schijn te verliezen.

In de kring van jaarfeesten wijzen Pasen, Hemelvaart en Pinksteren voor ons naar de belangrijkste inhouden van het Christendom. De inhouden zijn zonder inspanning van het bewustzijn, het denken, niet zo makkelijk toegankelijk. Kerstmis spreekt veel meer tot het gevoel van de mensen. In de bijdrage van het vorig jaar is geprobeerd enig licht te werpen op het Pinksterfeest (klik hier). Om weg te blijven bij een al te persoonlijke interpretatie volgen hieronder opnieuw mededelingen uit het geesteswetenschappelijk onderzoek van Rudolf Steiner.

Om te beginnen uit een notitieboekje van Rudolf Steiner zijn kort en bondige aantekening ter voorbereiding op de voordracht van donderdagmiddag 17 mei 1923. (GA 226):
Vóór het Mysterie van Golgotha voelden de mensen dat ze afstamden uit geestelijke werelden, en het was Christus, door wiens kracht zij de mogelijkheid hadden om na de dood de weg terug te vinden.
Hij hief het vergeten op – de cultus in mysteriën gaven de lichtkracht tot de herinnering.
Het bewustzijn van de verbinding ging verloren – Christus kwam op aarde.
Hemelvaart: Het werd duidelijk dat het bewustzijn van de verbinding verloren was.
Omdat de lichamen dat niet meer gaven.
Dan de helende geest – vanuit diepe droefenis.


Vervolgens enkele passages uit verschillende voordrachten

En pas bij de gebeurtenis, die we vieren met Pinksteren, kwamen de discipelen zelf, vanuit een andere staat van bewustzijn, tot het inzicht wat er was gebeurd met de Christus Jezus.
uit: Rudolf Steiner Vorstufen zum Mysterium von Golgatha (GA 152), voordracht Parijs 27 mei 1914 – Der Fortschritt in der Erkenntnis des Christus – Das Fünfte Evangelium

Toen zeiden zij: Nu is Hij van ons weggegaan. Dat was de Hemelvaart. Het was een gebeurtenis dat de leerlingen uiteraard veel verdriet deed. Zij zeiden: Ondanks dat Hij gestorven is, ondanks dat vijanden hem gekruisigd hebben vertoefde Hij nog veertig dagen onder ons. Nu is Hij niet langer met ons. Hij is nu weer teruggekeerd naar de wereldwijdten.
En ze waren werkelijk zeer met droefenis vervuld, geen gewoon verdriet, maar een heel diep verdriet. En de tien dagen, waarvan gesproken wordt, deze tien dagen waren voor de discipelen en apostelen zo, dat zij diep in het innerlijk van hun harten binnengingen, waardoor zij allen dachten aan de innerlijke kracht, waarover Christus hen ooit verteld had. Deze tien dagen waren voldoende, dat ze zelf daarna zeiden: Ja, we kunnen zelf tot inzicht komen over alles, deze wijsheid - zeiden ze door de sterke impressie - de wijsheid zelf zit in ons. En ze voelden nu, na tien dagen, de kracht om deze wijsheid uit te dragen. De vurige tongen - dat is daarvoor het beeld– verschenen boven hun hoofden. Dat is Pinksteren, de pinkstergedachten, de vurige tongen. Door de grote droefenis waarin ze dachten Christus nooit meer te zien, waren ze zo tot zichzelf gekomen dat zij zelf nu konden verkondigen. En er wordt inderdaad gezegd dat zij "in alle talen” begonnen te spreken. Maar nu moet echter een beetje worden verduidelijkt, hoe men in oude tijden sprak. U mag natuurlijk niet geloven dat er is bedoeld dat de apostelen in het Chinees, Japans of Duits begonnen te spreken, maar er wordt bedoeld, naar het spraakgebruik in de oude tijden, dat zij door alles wat ze in die tien dagen tussen Hemelvaart en Pinksteren overdacht hadden, nu ontwaakt waren. Nu bestond voor hen niet langer het verschil tussen de religies, maar zij verkondigden een godsdienst voor alle mensen. Dit betekent dus dat ze konden spreken in alle talen, een godsdienst voor alle mensen.
En dat is de mooiste Pinkstergedachte, een godsdienst voor alle mensen. Wie werkelijk inziet dat de Christuskracht van de zon stamt, die moet ook de universele godsdienst voor alle mensen erkennen. Het was een universele godsdienst voor alle mensen, ook als de mensen het nog niet begrepen. Maar in de discipelen kwam het op, dat het een zonnereligie is. Dit wordt uitgedrukt met het gezegde dat zij in alle talen konden spreken. Ze konden een godsdienst van verzoening en tolerantie voor alle mensen brengen. Dit is de Pinkstergedachte. Maar weet u, de Pinkstergedachte is zelfs vandaag de dag nog niet tot vervulling gekomen. En die moet vervuld worden. Het moet steeds duidelijker worden wat Christus naar de aarde heeft gebracht. Dat het niet van een leer afhangt, maar dat het een feit is.

uit: Rudolf Steiner Vom Lebens des Menschen und Erde - Über das Wesen des Christentums (GA349)
14e voordracht - Dornach, 9 mei 1923

We weten uit andere beschouwingen, dat het allerbelangrijkste van Pinksteren is, dat het gemeenschappelijk leven van degenen die getuige waren van de grootste gebeurtenis in de geschiedenis van de mensheid –Pasen- zich individualiseerde. De vurige tongen daalden neer op het hoofd van elk van hun, en ieder verkondigde in een taal die aan geen enkele andere taal gelijk is en dus voor iedereen te begrijpen was, wat van het Mysterie van Golgotha binnenstroomde in de mensheidsontwikkeling. De vurige tongen daalden neer op het hoofd van een ieder. Het was eerder al zo dat de ziel van iedere leerling zich opgenomen voelde, men zou kunnen zeggen, in de gezamenlijke aura van het Mysterie van Golgotha. Toen lichtte door de Pinkstergebeurtenis in de individuele ziel op, dat wat zij eerst alleen als inzicht hadden door hun gemeenschapsleven, zodat elk individu nu een individuele verlichting doormaakte. Dit is het allerbelangrijkste, natuurlijk op een abstracte manier uitgedrukt. We moeten, willen we de juiste betekenis ervan begrijpen, het zich individualiseren van de boodschap van Pasen op het Pinksterfeest in onze ziel navoelen. Maar dan krijgen we de mogelijkheid om dat, wat gewild wordt door de geesteswetenschap, in de ware zin van deze Pinksterverkondiging te begrijpen. Want inderdaad wat in de geesteswetenschap wordt gezien als het meest op de voorgrond tredende is, dat elke menselijke ziel in de geesteswetenschap zelf de kern van haar wezen kan vinden, welke haar inzicht kan verschaffen over de na te streven werelddoelen. De toekomst van de mensheidsontwikkeling zal zich ontwikkelen, doordat de mensen steeds minder aangewezen zullen zijn op de gemeenschapsstructuur, op wat wordt gegeven door sociale structuren. Maar we hopen dat de mensen rijp zullen worden en in staat zullen zijn om uit zichzelf zo te leven, dat de ander naast hen een soortgelijk leven leiden kan. Dan zal innerlijke tolerantie de zielen aangrijpen en in de sociale structuur zal de vrijheid verwerkelijkt kunnen worden.
uit: Rudolf Steiner Erdensterben und Weltenleben (GA181)
14e voordracht Berlijn 21 mei 1918

In de oude tijden, toen kleine kringen van bloedverwantschap bestonden, voelde de mens zich deel van een familie, lid van een stam. En precies zoveel als de bloedverwantschap afneemt, zal de individuele zelfstandigheid groeien en toenemen. Dat deze werking van het Mysterie van Golgotha uitgaat, ziet u aan het feit dat de gebeurtenis de hele wereld moet omspannen, een religieuze impuls van hoogste betekenis wordt. Alles wat toen gebeurd is, was en is voorbereiding. De werking begint ermee, dat op het Pinksterfeest de Heilige Geest wordt uitgegoten. Wanneer men zo spreekt, dat wordt gesproken vanuit de ziel van de ander, niet meer egoïstisch, wordt het beste weergegeven waar gezegd wordt dat de apostelen tot alle mensen spraken in alle talen. Zo bereidt de Heilige Geest datgene voor dat door het bloed van de Zoon, van de Logos, van Christus wordt bewerkstelligd. ….
Met de gebeurtenissen op Pinksteren kwam op een wonderbaarlijke manier tot uitdrukking, dat de apostelen hun broederschap uitbreidden tot een mensheidsbond en in een taal spraken die iedereen kon verstaan. Dat zal meer en meer verwerkelijkt moeten worden, en wel bij de hoogste vorm van de individualiteit. De Geest der Waarheid verenigt ons allen.

uit: Rudolf Steiner: Ursprungsimpulse der Geisteswissenschaft
(GA 96) - voordracht Berlijn, 25 maart 1907

Mijn beste vrienden, het lot van de antroposofie zou hetzelfde moeten zijn als dat van het christendom. Daarvoor is echter nodig, dat de mensen vandaag de dag zich niet alleen richten op de dode woorden, die van Christus gewag doen, maar dat de mensen zich tot het inzicht wenden, dat tot het licht zelf voert, waarin de levende Christus is opgenomen – niet de historische, die eeuwen geleden op aarde leefde - die nu en ieder moment van de toekomst onder de mensen leeft, omdat Hij van hun God tot hun goddelijke broeder is geworden.
Zo willen we als Pinkstergedachten opnemen, dat we door de antroposofie de weg naar de levende Christus willen zoeken, en voelen dat daardoor in iedere antroposoof de eerste pinkstergebeurtenis tot vernieuwing kan worden, dat in het hart het inzicht over Christus zelf oplicht, en hij zich verwarmd en verlicht voelt door de vurige tongen van christelijke wereldkennis.
Moge onze weg tot de geest door middel van de antroposofie tegelijkertijd zijn: de weg door de geest tot Christus.

De slotwoorden van een voordracht gehouden in Kristiania (Oslo),
17 mei 1923
uit: Rudolf Steiner Welten-Pfingsten, die Botschaft der Anthroposophie –in: Menschenwesen, Menschenschicksal und Weltentwickelung (GA 226)


Glasinloodvenster Pinksteren in de Dom van Keulen

maandag 10 mei 2010

Hemelvaart



Handelingen van de Apostelen 1:3–12

Wanneer we op zoek gaan naar de betekenis van Pasen, Hemelvaart en Pinksteren, vinden we bij de traditionele kerkgenootschappen voor het moderne bewustzijn, waarmee mensen ook geestelijke realiteiten denkend willen begrijpen, weinig aanknopingspunten.

Op Wikipedia vindt men de traditionele opvatting als volgt samengevat:
‘Volgens het christelijke geloof ging Jezus terug naar de hemel om te zitten aan de rechterhand van God de Vader, om zodoende te pleiten voor de gelovigen en mee te regeren. Door de Hemelvaart maakte Jezus de weg vrij voor de uitstorting van de Heilige Geest, hetgeen herdacht wordt op Pinksteren. Bij de Wederkomst zal Jezus terugkomen naar de aarde, om het Laatste Oordeel uit te voeren.’

Het bewustzijn van de tegenwoordige mens vraagt voor de innerlijke verbinding met het Christusmysterie meer dan algemeenheden. Daarom hebben we ter voorbereiding van onze lessen en de Handelingen andere inhouden nodig.
In de Perikopennotitie van 2009 (klik hier) zijn al enkele aspecten aangedragen, waaronder het gezichtspunt dat Christus juist niet terug naar de hemel gaat, maar zich met de voortgang van de aarde-evolutie verbindt. Als aanvulling daarop volgen hieronder opnieuw enkele citaten. Eerst twee gedeelten uit voordrachten van Rudolf Steiner:

Christus is naar de aarde afgedaald, zodat de mensen Hem op aarde konden aanschouwen, nadat zij Hem in de hemel niet meer konden schouwen, als herinnering. Dat is wat het Mysterie van Golgotha ons eigenlijk brengt, zoals het vanuit hedendaagse gezichtspunten voor het geestelijk oog verschijnt.
De leerlingen bezaten nog een rest van de oude helderziendheid. Zij konden dus Christus als hun leraar ervaren, zelfs na de opstanding toen Hij in het geestelijk lichaam leefde. Maar deze kracht verdween geleidelijk aan. En het volledig wegvallen van deze kracht wordt gesymboliseerd in het feest van Hemelvaart. Een diepe droefheid overviel de discipelen, omdat zij er van uitgingen dat Christus er niet meer was. Ze hadden de gebeurtenissen op Golgotha meegemaakt. Maar toen Christus uit hun bewustzijn verdween (zij zagen de gestalte van Christus in de wolken verdwijnen, dat wil dat zeggen, uit hun bewustzijn verdwijnen) moest het hun voorkomen dat Christus niet meer op aarde was. Zij raakten in diepe droefenis. Alle echte inzicht is uit droefenis, uit pijn, uit verdriet geboren. Uit plezier zouden deze diepgaande inzichten niet geboren zijn. Werkelijk diepgaand inzicht komt voort uit lijden. En uit het lijden dat voor de discipelen van Christus het gevolg was van de Hemelvaart, uit dit diepe ziele-verdriet is het Pinkstermysterie voortgekomen. Voor de uiterlijke instinctieve helderziendheid van de leerlingen verdween de aanblik van Christus. In hun innerlijk ontwaakte de kracht van Christus. In hun innerlijk kwam de kracht van Christus op. Christus zond hen de Geest, die het voor hun zielen mogelijk maakte Zijn Christus-bestaan in hun innerlijk te voelen.

uit: Rudolf Steiner: Menschenwesen, Menschenschicksal und Weltentwickelung (GA 226) - Kristiania (Oslo), 20 mei 1923

De jongeren zeiden dan ook onder elkaar: Uit de ogen van Jezus van Nazareth straalt het licht van de zon tot ons, uit de woorden van Jezus van Nazareth spreekt tot ons de kracht van de verwarmende zon. Als Jezus van Nazareth met ons is, is het alsof de zon zelf haar lichtende kracht in de wereld uitzendt.
Degenen, die dat konden begrijpen, zeiden tegen zichzelf: Zo verblijft in een mens het zonnewezen bij ons, dat vroeger alleen bereikt kon worden als de blik vanaf de aarde omhoog gericht werd naar de geestelijke wereld. – En omdat de leerlingen en apostelen in staat waren om dit te zeggen, hadden ze ook de juiste houding tot en het begrip voor de dood van Christus. Daardoor konden zij leerlingen van Christus Jezus blijven, ook toen de Christus Jezus reeds door de dood op aarde was gegaan.
We weten uit op geesteswetenschappelijke manier verkregen inzichten, dat Christus toen Hij het lichaam van Jezus van Nazareth had verlaten, geestelijk met zijn leerlingen verkeerde en hen verder onderrichtte. De kracht die de discipelen en apostelen ontvingen, zelfs wanneer Christus alleen nog in een geestlichaam aan hen verscheen, om hen te onderrichten, deze kracht ging na enige tijd verloren. Er is een moment in het leven van de leerlingen van Christus Jezus waarop zij tegen elkaar zeiden: We hebben Hem gezien, maar we zien Hem niet meer. Hij is vanuit de hemel tot ons afgedaald. Maar waar is Hij heengegaan?
Dit tijdstip, waarop de leerlingen geloofden de aanwezigheid van Christus weer verloren te hebben, is voor ons vastgehouden in het christelijke Hemelvaartsfeest. Daarmee wordt gewezen op het feit dat voor het bewustzijn van de leerlingen de Hoge Zonnegeest, die in de mens Jezus van Nazareth de aarde bewandelde, weer verdwenen was. Nadat de discipelen dit beleefden, beving hen een diep gevoel van droefenis, die zich met niets laat vergelijken dat op aarde aan verdriet bestaat. Wanneer in de oude mysteriën, waar de zonnecultus werd gevierd, het beeld van de zonnegod in de aarde werd gelegd om het pas na dagen weer tevoorschijn te halen, kwam er over de zielen iets als grote treurnis over de dood van de godheid. Maar dit rouwen laat zich niet vergelijken met de grote droefheid, die nu in de harten van de leerlingen van Christus kwam.
Alle echte grote kennis is geboren uit pijn en zorgen. Wanneer men met de middelen van kennis, die zijn beschreven door de antroposofische geesteswetenschap, de weg naar hogere werelden probeert te gaan, ook dan kan men slechts zijn doel bereiken, wanneer men door pijn heengaat. Zonder dat men lijdt, veel lijdt en daardoor vrij kan worden van bedroevende pijn, kan men de geestelijke wereld niet leren kennen.
De leerlingen van Christus hebben in de tijd, die ons door de tien dagen na de Hemelvaart is aangegeven, enorm geleden omdat voor hen de aanblik van Christus was verdwenen.

uit: Rudolf Steiner: Welten-Pfingsten, die Botschaft der Anthroposophie - een voordracht Kristiania (Oslo), 17 mei 1923 in: Menschenwesen, Menschenschicksal und Weltentwickelung (GA 226)

Friedrich Benesch, priester van de Christengemeenschap, zoekt de toegang tot de Hemelvaart aan de hand van het fenomeen van de vorming van wolken in de lucht. Hij duidt erop dat het wezen van Christus zich werkelijk in de atmosfeer van de aarde, om de aarde bevindt. Het kijken naar de wolkenformaties, zoals men volgens het leerplan gewend is te doen tijdens de periode meteorologie in de 6e klas van vrijescholen (groep 8), kan ook eens gedaan worden met het bewustzijn dat men kijkt naar de werkingssfeer van het Christuswezen. De leraar Religieuze Oriëntatie zou dat aspect eventueel ter sprake kunnen brengen. In de kleuren van de zonsopgang en/of zonsondergang kan men een openbaring (= in het zichtbare verschijnend) zien van het zielewezen van de kosmische Christus, die zich tot het einde der tijden met de aardesfeer verbonden heeft: 'En zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld." (Mattheüs 28:20)
bron: Friederich Benesch: Natuurwaarneming als sleutel tot de Hemelvaart van Christus - Uitgeverij Christofoor, Zeist

Emil Bock beschrijft in een van zijn boeken de gang van de apostelen vanuit de beschutte binnenruimte van de avondmaalzaal, waar zij verbleven na de gebeurtenissen rond Pasen, naar de buitenwereld van wind, licht en wolken. Het Lucas-evangelie (24:50) vermeldt: ‘Hij nam hen (de leerlingen) mee de stad uit naar Bethanië. Daar hief Hij zijn handen op en zegende hen.’
Bethanië ligt op een berg –de Olijfberg- niet ver van Jeruzalem vanwaar je beneden je de stad kunt zien liggen. De veertigdagentijd na Pasen verbindt Bock met de veertig dagen na de Doop in de Jordaan, die Christus Jezus in de woestijn verbleef. Op dat moment had Christus zich met enorme kracht kunnen openbaren en de wereld als een magiër kunnen redden uit de klauwen van de tegenstandersmachten. Hij heeft dat echter niet gedaan en heeft in alle stilte de drie jaren op aarde volbracht. Na het Mysterie van Golgotha heeft Christus nogmaals in stilte en met zijn eerst nog delicate opstandingslichaam, -het nieuwe en geestelijke fysieke lichaam- zich alleen aan zijn naaste leerlingen en apostelen getoond. Na veertig dagen treedt Hij met hen naar buiten en gaat naar de berg. Men zou daarin ook de voorschouw van de drie apostelen tijdens de Verheerlijking op de Berg kunnen herkennen. Het stralende opstandingslichaam toont Hij in al zijn glorie waarna het wordt opgenomen in de atmosferische elementen van lucht en water -de wolken- om daarin verder werkzaam te blijven.
Het Christusoffer is echter niet ten bate van slechts een kleine groep leerlingen. Zijn liefdedaad heeft een werking die de hele mensheid ten goede komt. Hij wordt door de wolken in het aarde-ether-element opgenomen. Daardoor wordt Hij ‘Heer der Hemelkrachten op aarde’. Door Hem wordt de aarde tot hemel, schrijft Emil Bock. De grote offerende zelfverwandeling, die de Opgestane veertig dagen na Pasen volbracht, was een overgang van de bijzondere geestlichamelijkheid naar de alom tegenwoordige geestelijke lichamelijkheid.
De leerlingen konden hun meester niet volgen en bleven alleen en vertwijfeld achter. Ze dachten Hem nu totaal verloren te hebben. Maar dan volgt na tien dagen Pinksteren.
bron: Emil Bock: Cäsaren und Apostel, Urachhaus, Stuttgart


Vlaams Miniatuur (1450-1475)

maandag 25 mei 2009

Pinksteren

1e pinksterdag:
Handelingen 2 : 1 – 12 De uitstorting van de Heilige Geest
2e pinksterdag:
Johannes 14 : 23 - 31 Mijn vrede geef ik u

uit: Les Tres Riches Heures du Duc de Berry

De evangelielezing voor de 1e pinksterdag beschrijft wat er ‘s morgens om ongeveer 9 uur op die dag gebeurde. De aangegeven perikooptekst leest tot en met het 12e vers, maar om een volledig beeld te krijgen van wat er plaats had, verdient het aanbeveling het hele 2e hoofdstuk uit de Handelingen van de Apostelen te lezen. Daar kan men dan de inhoud van de toespraak lezen, die Petrus tot de verzamelde menigte houdt, waarna er tenslotte rond de drieduizend toehoorders zich laten dopen. Het gebeuren met Pinksteren is niet zo eenvoudig om met de zielenhouding van iemand in de eenentwintigste eeuw te benaderen. Laten we toch maar iets proberen.

De tien dagen na de Hemelvaart van Christus verblijven de discipelen met elkaar in het huis waar zij het avondmaal gehouden hebben. De moeder van Jezus is ook bij hen.
Friedrich Benesch*) wijst erop dat de dagen voorafgaande aan het Pinksterfeest voor de discipelen dagen van zware beproevingen moeten zijn geweest, een tijd van diepe crisis voor hun zielen, waarin de discipelen zich enorm verlaten moeten hebben gevoeld. Na de Opstanding hadden zij vol vreugde Christus weer kunnen ervaren, nadat zij daarvoor eerst getuigen waren geweest van de verschrikkelijke gebeurtenissen op Golgotha. Van deze gebeurtenissen, hoe aangrijpend ook, hadden zij zich tenminste nog redelijk goed een voorstelling kunnen maken. Na de Opstanding bleef de Christus veertig dagen lang bij hen, trad steeds weer in hun midden, maar toen Hij bij de Hemelvaart Zijn wezen in de wereldether liet overgaan en daarin afdrukte, was daarna hun gevoel van eenzaamheid en verlaten te zijn des te groter. De gebeurtenissen met Pinksteren betekenden voor de discipelen het einde van die periode.
Benesch beschrijft drie fundamentele processen, die zich voltrokken in de zielen van de Apostelen. Ten eerste kwam in ieder van hen een geestbeweging opgang waardoor herinneringen boven kwamen aan de tijd dat zij met Jezus Christus hadden gewandeld. Ten tweede ontstond in ieder van hen een diep individueel gevoel van verbondenheid met Christus en tegelijk ook een gevoel voor het eigen eeuwig Ik-wezen, de eigen individualiteit. En ten derde beleefden zij ook dat het geestbewustzijn in hen werd gewekt. Zij kregen begrip voor Zijn wezen, Zijn leven en Zijn daad. Herinnering, gevoel van verbondenheid en inzicht, deze drie elementen werden door ieder individueel en tegelijk ook als groep ervaren. De Apostelen ervoeren de Helende Geest, de Trooster, de Geest der Waarheid.

Laten we nu naar de perikooptekst kijken. Eerst treden er twee elementen op: lucht en vuur.
Er klinkt een geraas uit de hemel als van een hevige wind. Dit doet denken aan de storm op het Meer van Gennesareth (Mattheüs 8:23–27) , maar ook aan iets wat menige leerkracht en ouder uit eigen ervaring kent: kinderen op stormachtige herfstdagen. De onrust in de atmosfeer gaat meestal samen met onrust bij de kinderen, soms zelfs al enkele dagen voorafgaande aan zo’n zware atmosferische depressie. Aan het gedrag van volwassen verkeersdeelnemers kun je vaak merken, dat op zulke dagen ook bij hen onrust in de buitenwereld en onrust in de binnenwereld samen gaan. ‘Hoort de wind waait door de bomen, hier in huis zelfs waait de wind’, luiden de woorden van een traditioneel vaderlands lied ter ere van de bekende Amsterdamse patroonheilige, de gekerstende versie van de Germaanse god van de wind en de menselijke adem, Odin of Wodan. (Wie denkt bij dat lied nou aan Pinksteren?). In het Grieks staat er 'pnohs' wat wind en tegelijk ook adem of levensadem betekent. Het Latijn gebruikt voor wind het woord ‘spiritus’. In die talen liggen geest, adem, levensadem en wind dus dicht bij elkaar.
Men zou zich misschien mogen voorstellen dat er plotseling onrust optreedt in het zielenleven van de apostelen samengaande met een onrust in de lucht buiten het huis. Deze onrust wordt echter tot rust gebracht door een tweede element: een vuur verschijnt, zoals ook de kracht van Christus bij de storm op het meer de elementen tot kalmte maande. Christus geeft ons de vrede, zielerust.
In de perikooptekst voor de 2e pinksterdag lezen we de woorden: ‘Maak je niet ongerust en verlies de moed niet.’ (Joh 14:27) De kracht om de rust te bewaren en de moed niet te verliezen komt van het Ik en wordt de mens gegeven door Christus: ’Jezus antwoordde: Als iemand mij lief heeft, zal hij mijn woord bewaren en de vader zal hem lief hebben en wij zullen bij hem komen en hem tot onze woning maken.’ (Joh 14:23) Lucht is het element waarin het astraallichaam zich thuis weet, vuur (warmte) is de drager van het Ik.


In de woorden uit de toespraak van Petrus, verderop in het 2e hoofdstuk, klinkt het zo: ‘Jezus is door God tot leven gewekt, daarvan getuigen wij allen. Hij is door God verheven, zit aan zijn rechterhand, en heeft van de Vader de heilige Geest, die ons beloofd is, ontvangen. Die Geest heeft hij op ons doen neerdalen, en dat is wat u ziet en hoort.’ (Handelingen 2:32-33) Christus is het Ik-Ben-wezen, de schenker van het Hogere Ik aan de individuele mensen. Het Ik verschijnt in het element van de warmte – het vuur. Johannes de Doper kondigde al aan dat de Christus het element van het vuur zou brengen, het element waarin Hij ook al verschenen was aan Mozes in de brandende braambos en op de berg Sinai. Johannes de Doper sprak namelijk tot zijn leerlingen: ‘Ik doop jullie met water ten teken van jullie nieuwe leven, maar na mij komt iemand die meer vermag dan ik; ik ben zelfs niet goed genoeg om zijn sandalen voor hem te dragen. Hij zal jullie dopen met de heilige Geest en met vuur; hij houdt de wan in zijn hand, hij zal zijn dorsvloer reinigen en zijn graan in de schuur bijeenbrengen, maar het kaf zal hij verbranden in onblusbaar vuur.’ (Mattheüs 3:11-12)

We kunnen ons nog een andere perikooptekst herinneren, welke we lazen op de 1e zondag na Pasen waarin wordt beschreven dat Christus zijn adem inblaast in de Apostelen (Joh. 20:19-31). Hij spreekt dan de woorden: ‘Ontvang Heilige Geest’
In het evangelie volgens Lucas spreekt Christus-Jezus over zichzelf:
‘Ik ben gekomen om op aarde een vuur te ontsteken, en wat zou ik graag willen dat het al brandde! Ik moet een doop ondergaan, en ik word hevig gekweld zolang die niet volbracht is. Denken jullie dat ik gekomen ben om vrede te brengen op aarde? Geenszins, zeg ik jullie, ik kom verdeeldheid brengen.’ (Lucas 12:49-51)

In een wat ingedikte versie van een eerder gebruikte passage uit een voordracht van Rudolf Steiner**) volgt hier nogmaals:
'Wanneer het astraallichaam de verlichting ondergaat, bevat het geen onreine indrukken van de fysieke wereld meer doch alleen de organen voor het kennen van de geestelijke wereld. En tot dit gereinigde, gelouterde astraallichaam komt het kosmische Ik, het Wereld-Ik, dat de verlichting teweeg brengt, dat dus maakt dat de mens geestelijk licht om zich heen heeft. Dat heet in de christelijke esoteriek de ‘Heilige Geest’. Het is in christelijk-esoterische zin volkomen juist te zeggen: de christelijke esotericus brengt door zijn inwijding de reiniging en de loutering van zijn astrale lichaam teweeg; en wordt overstraald – als u wilt, kunt u het ook overschaduwd noemen – door de ‘Heilige Geest’, door het kosmische Wereld-Ik.
Wie aldus verlicht is, wie met andere woorden de ‘Heilige Geest’ in zich heeft opgenomen, spreekt niet meer als voorheen. Wanneer diegene spreekt is hij instrument geworden; zijn Ik is ondergegaan, dat wil zeggen tijdelijk onpersoonlijk geworden, en het kosmische Wereld-Ik bedient zich van hem om door hem heen te spreken.'


Icoon uit het klooster Stavronikita op de berg Athos - 17e eeuw

Individu en gemeenschap
In zijn eerder genoemde boekje besteedt Friedrich Benesch aandacht aan het probleem van de zich ontwikkelende individualiteit en de gemeenschap, twee zaken die moeilijk met elkaar te verenigen zijn. De mens op zijn huidige ontwikkelingstrap is eigenlijk een anti-sociaal wezen. In iedere ontmoeting tussen mensen slaapt de mens als het ware in, in de ander, om hem te kunnen waarnemen, maar meteen stoot hij de ander weer af om zelf tot bewustzijn te komen. (Zo werkt de Ik-zin, het zintuig waarmee wij kunnen waarnemen dat de ander ook een geestelijk wezen, een mens is.) Het ontwikkelen van een eigen bewustzijn kan niet zonder de kracht van de antipathie = afzonderen. Dit werpt een licht op het feit waarom de Apostelen door Christus alleen gelaten moesten worden.
Alleen wanneer de mens droomloos slaapt en de grenzen die het fysieke lichaam hem geeft voor hem vervagen, is de mens een van nature sociaal wezen. Zodra hij wakker wordt gaat hij bewustzijn ontwikkelen, denken. Dit speelt zich af in waarnemen en denken. Ook in het voelen en willen echter spelen sociale en anti-sociale tendensen en zielenbewegingen een onbewuste maar grote rol. Zij vormen de bron van sterke gedragspatronen en krachten die werken in het denken, voelen en willen van de mens. Wij willen sociale wezens zijn maar we zijn in de kern van de zaak anti-sociale wezens, omdat in ons bewustzijn ook het zelfbewustzijn leeft. We komen zo tot vrijheid, onafhankelijkheid van de goddelijke leiding.
De stroom vanuit het voorgeboortelijke bestaan, maakt de mens steeds verder zelfstandig. Dit is waardoor de mens afgezonderd wordt van de geestelijke omgeving, de antipathiestroom. Dit is de stroom uit het verleden van de Vader God.

In de perikoop van Pinksteren wordt verteld dat het geluid van de wind klinkt en dat Joodse mensen uit verschillende landen van de toenmalige beschaafde wereld, die in Jeruzalem waren komen wonen, zich verzamelden. Wanneer de Apostelen naar buiten komen en beginnen te spreken, kan een ieder hen verstaan in zijn eigen taal. Dit is de omkering van het beeld van het uiteenvallen van de taal, wat bij de bouw van de Toren van Babel gebeurde. Hier spraken de Apostelen in andere talen met de spraak, die de Geest hun gaf (zoals hun door de Geest werd ingegeven).
Door het vuur krijgen hun woorden richting. Het WOORD klinkt in de moedertalen van wie luisteren. Wie ooit lang in het buitenland heeft moeten verblijven kent het gevoel dat wanneer je daar dan in je eigen moedertaal hoort spreken, je als het ware dieper in je wezen wordt geraakt dan door woorden in de vreemde taal. Het raakt je tot in de diepe en onbewuste levensprocessen van het etherlichaam. Van een vreemde taal raakt de inhoud je wel in het wakkere bewustzijn van de ziel (het astraallichaam), maar niet zo diep als woorden uit de moedertaal, die je heeft gevormd en die je hebt gehoord van kind af aan, tot in dit gebied van de levenskrachten, het etherische. Bij deze gebeurtenis op Pinksteren lijkt de Heilige Geest door te dringen tot in die diepere laag van levenskrachten, waarmee een kiem wordt gelegd voor een toekomstige mensheid, een gemeenschap wier leden de Christus in zich voelen, een gemeenschap in Christus.

Een bevriende collega wees mij erop dat men ook zou kunnen vermoeden dat hetgeen de apostelen beleefden op Hemelvaart, zich op Pinksteren in die diepere laag afdrukt, zoals hierboven aangeduid.
Rudolf Steiner***): ‘Wat zich gedurende de slaap in het astrale lichaam vormt, dat moet zich dan in het etherische lichaam gaan afdrukken, om de mens in staat te stellen, de geestelijke wereld te zien. Op die manier beginnen wij te begrijpen wat we als impuls hebben ontvangen door de komst van Christus op aarde.’

*)Friedrich Benesch: Gemeenschapszin en individualisme, Pinksteren in onze tijd
**) Rudolf Steiner: Het evangelie naar Johannes, esoterische achtergronden (GA 103), 12e voordracht - 31 mei 1908.
***)Rudolf Steiner: Egyptische mythen en mysteriën (11e voordracht).

maandag 18 mei 2009

Hemelvaart

Handelingen van de Apostelen 1: 3 – 12

Op Hemelvaartsdag lezen we natuurlijk het verhaal van de Hemelsvaart van Christus. In de veertig dagen na de opstanding verscheen Christus, zoals de tweede zin van deze perikooptekst aangeeft, steeds aan de leerlingen. We kennen de scènes waarin beschreven wordt hoe Hij aan de Emmaüsgangers verschijnt of die waar Hij verschijnt op het meer van Genesareth aan de leerlingen, die aan het vissen zijn en hoe Hij hen daarmee bewijst dat Hij werkelijk is opgestaan uit de dood. Het Lucas-evangelie bericht in het laatste hoofdstuk hoe Christus een stuk geroosterde vis eet. ‘Hebben jullie hier iets te eten?’ Ze gaven hem een stuk geroosterde vis. Hij nam het aan en at het voor hun ogen op.
(Lucas 24: 41-43).

Luca della Robbia: De Hemelvaart van Christus – 1442-1445
terracotta bedekt met glazuur - Duomo, Florence


De Hemelvaart wordt -naast het Bijbelboek ‘Handelingen der Apostelen’- ook met enkele zinnen beschreven in de evangeliën volgens Marcus en Lucas. (Marcus 16:19 en Lucas 24:51). Mattheüs noemt aan het einde van zijn evangelie het opgaan naar de hemel niet met name, maar de door hem beschreven omstandigheden lijken op de Hemelvaartgebeurtenis. (Mattheüs 28:16–20). De locatie is bij Mattheüs echter een andere, een berg in Galilea. Christus spreekt daar: ‘Mij is gegeven alle macht in de hemel en op aarde.’ (Matt.28:18), en ‘Ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voltooiing van deze wereld.’ (Matt.28:20).

Rudolf Steiner vertelt ons over de esoterische betekenis van de Hemelvaart:
De discipelen waren tot een bepaalde graad helderziende geworden zodat zij konden waarnemen wat werkelijk tot de diepe geheimen van de aarde-evolutie behoort. Deze geheimen blijven verborgen voor het gewone dagelijkse bewustzijn. (…) Het beeld van de Hemelvaart betekent eigenlijk dat op dat ogenblik de discipelen geestelijk getuige waren van een gebeurtenis, die van onnoemelijke betekenis was, welke zich als het ware afspeelde op de achtergrond van het wereldtoneel. Als in een beeld werd hen geopenbaard wat er gebeurd zou zijn, wanneer het Mysterie van Golgotha niet zou hebben plaats gehad. Zij namen als concreet geestelijk gebeuren waar wat er dan zou zijn gebeurd, namelijk dat het fysieke organisme van de mens zo zou zijn verslechterd, dat de gehele toekomst van het mensdom in gevaar zou zijn gekomen. Als gevolg van dit fysieke verval zou het menselijk etherlichaam gevolg geven aan de aantrekkingskrachten die bij het etherische behoren. Het etherlichaam wordt namelijk altijd door de zon aangetrokken, niet door de aarde. Onze menselijke constitutie is zo dat het fysieke lichaam aardezwaarte kent, door de zwaartekracht; maar ons etherlichaam is onderhevig aan zon-levitatie. Was het menselijk fysieke lichaam geworden wat het zou zijn geworden als het Mysterie van Golgotha niet had plaatsgevonden, dan had het menselijke etherlichaam zijn eigen drang om op te stijgen naar de zon gevolgd en het fysieke lichaam achtergelaten. Het bestaan van de mensheid op aarde zou onvermijdelijk ten einde zijn gekomen.
Tot aan het Mysterie van Golgotha was de woning van Christus op de zon. Vandaar dat het etherlichaam van de mens ernaar streeft naar de zon op te stijgen. Het streeft naar de Christus. Stelt u zich nu het beeld van de Hemelvaart voor de geest. In een geestelijk schouwen zien de discipelen Christus zelf opstijgen naar de hemel. In een visioen wordt hen getoond hoe de Christuskracht zich verenigt met de etherische natuur van de mens; hoe op het tijdstip van het Mysterie van Golgotha de mens het gevaar liep dat zijn etherlichaam als een wolk naar de zon werd getrokken, maar hoe het nu in dit stromen naar de zon bijeen werd gehouden door Christus. Dit beeld moet worden begrepen, want het is in waarheid een waarschuwing. Christus is verwant aan die krachten in de mens, die van nature naar de zon streven, weg van de aarde, en dat altijd zullen doen. Maar Christus blijft verenigd met de aarde. Zo houdt de Christusimpuls de mens veilig op de aarde.
In het beeld van de Hemelvaart werd nog iets duidelijk aan de discipelen. Stel dat het Mysterie van Golgotha niet had plaatsgevonden en dat grote aantallen mensen tot die graad helderziende zouden zijn geworden, zoals de discipelen op dat ogenblik waren.
Deze mensen zouden de etherische organismen van bepaalde menselijke wezens hebben zien vertrekken van de aarde in de richting van de zon, en zij zouden tot de conclusie gekomen zijn: `Dit is de weg die het etherlichaam van de mens neemt. Het etherisch-aardse element in de mens wordt weggetrokken naar de zon.'
Maar nu, doordat het Mysterie van Golgotha voltrokken is, heeft Christus voor de aarde dit naar-de-zon-strevende etherlichaam gered. En daardoor wordt het feit duidelijk dat Christus met de mensheid op de aarde verenigd blijft. Aldus werd iets anders hier duidelijk, namelijk dat door het Mysterie van Golgotha Christus binnen de aarde-evolutie een kosmische gebeurtenis voltrok. Christus daalde neer uit geestelijke hoogten, verbond zich in Jezus van Nazareth met de mensheid, vervulde het Mysterie van Golgotha, en verbond Zijn ontwikkeling met die van de aarde. Dat was een kosmische daad voltrokken voor het geheel van de mensheid.

Rudolf Steiner: Vom Leben des Menschen und der Erde (GA 349); voordracht van 7 mei 1923

De alledaagse, doorsnee opvatting over de Hemelvaart van Christus gaat er meestal van uit dat Christus terugkeert naar de goddelijke hemel. Inzichten die Rudolf Steiner aandraagt geven het tegendeel aan, n.l. dat Christus zich juist met de aardeplaneet verbindt. Dat is geheel in overeenstemming met de woorden van Christus zelf: ‘Ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voltooiing van deze wereld.’ (Mattheüs 28:20).
In de perikopenteksten hebben we kunnen volgen hoe bij de Doop in de Jordaan het Christuswezen de aarde betrad en het lichaam van Jezus van Nazareth tot hulsel aannam. De wezensdelen van Jezus’ lichamelijke organisatie werden door Christus gereinigd van onzuiverheden bij de ‘Verzoeking in de woestijn’. Langzamerhand wordt de zonnekracht van het Christuswezen ook merkbaar in de omgeving en kan Hij genezend te werk gaan. De opstanding op Paasmorgen betekent de totale transformatie van Zijn lichamelijke substanties –de transsubstantiatie- en niet alleen van Zijn eigen lichamelijkheid, maar ook van de hele aardeplaneet.

Het wezen van Christus kon tot in de kern van het fysieke lichaam van Jezus doordringen en op die manier het door de goden gewilde en door de tegenstandersmachten gecorrumpeerde ‘oerbeeld’ van het mensenlichaam herstellen. Rudolf Steiner beschrijft de wezenlijke feiten van dit proces als volgt:
Er was tot aan de Doop van Jezus Christus in de Jordaan nog nooit in de aardeontwikkeling –noch onder ingewijden, noch onder niet-ingewijden- een menselijke individualiteit geweest, die macht had kunnen uitoefenen over het beenderstelsel tot en met de chemisch-fysische processen binnenin het skelet. Door het binnentrekken van Christus in het lichaam van Jezus van Nazareth werd het Ik-wezen van Christus heerser tot diep in het beenderstelsel. Het gevolg daarvan was dat eenmaal op aarde een lichaam leefde, dat in staat was zijn krachten zo te beheersen dat de vorm van dat beenderstelsel, de geestelijke vorm van het beenderstelsel in de aardeontwikkeling kon worden ingebracht. Er zou niets behouden blijven van wat de mens gedurende de aardeontwikkeling zou doormaken, wanneer niet de edele vorm van zijn beenderstelsel als wetmatigheid in de aardeontwikkeling kon worden ingebracht, wanneer hij niet stap voor stap heer zou worden over deze wetmatigheid van het beenderstelsel.Rudolf Steiner: Das Johannes Evangelium in Verhältnis zu den drei anderen Evangelien (GA 112); 10e voordracht - 3 juli 1909

Bij de Hemelvaart zien wij Zijn kracht zich uitbreiden tot in de etheromgeving van de aarde, en daarbij tegelijk ook in de etherlichamen van de mensheid. Vanuit het doorgeestelijkte fysieke lichaam (het opstandingslichaam) kan Christus vormkrachten teruggeven aan het etherlichaam, zodat alles wat in het fysieke is verworven erin kon worden afgedrukt en zo voor de toekomst behouden kon blijven.
De mensheid is in het ontwikkelingsstadium gekomen dat het etherlichaam zich langzamerhand weer uit het fysieke lichaam terugtrekt. U moet echter niet denken dat het etherlichaam zo maar als vanzelf alles behoudt, wat het als een oud erfstuk van vroeger heeft meegebracht. Het etherlichaam van de mens zou, wanneer er niets zou gebeuren dan dat het uit het fysieke lichaam losraakt, er alleen maar uit losraken. Het zou niets overhouden van de krachten die het van vroeger had. Het etherlichaam wordt in de toekomst echter geboren vanuit het fysieke lichaam. Geeft dat fysieke lichaam aan het etherlichaam niets mee, dan zal het leeg zijn, dan zal het dor zijn. (…) Het is de opgave van de tegenwoordige mensheid om datgene in zich op te nemen wat kan worden opgenomen met de werking van het fysieke lichaam. Wat verwerkt wordt binnen het fysieke lichaam gaat mee in de ontwikkeling.
Rudolf Steiner: Der Orient im Lichte des Okzidents (GA 113); 7e voordracht -29 augustus 1909

Met Hemelvaart werd voor de discipelen de kiem zichtbaar, die door het Mysterie van Golgotha gelegd was voor de toekomst van de mensheid. De werking van het opstandingslichaam werd afgedrukt in het etherische. Dit mag zeker worden opgevat als een kosmische daad van ongelooflijk hoge orde, door Christus onzelfzuchtig en geheel ten bate van de ontwikkeling van de mensheid volbracht. Het Ik-wezen van Christus doordringt en reinigt de menselijke lichamelijke organisatie, welke een resultaat is van de Oude-Saturnusontwikkeling (fysieklichaam), Oude-Zonontwikkeling (etherlichaam) en Oude-Maanontwikkeling (astraallichaam). De mens kan zijn zelfbewuste Ik alleen ontwikkelen in de driedimensionale fysieke wereld, die ook een resultaat is van de voorafgaande planetaire ontwikkelingen. Om de voortgang der wereldontwikkeling veilig te stellen moet het resultaat van Ik-ervaringen op aarde als geheugenbeeld worden afgedrukt in de wereldether.
Voor ons pedagogen kan dit grote macrokosmische beeld gelden als een oerbeeld voor hoe wij menskundig (op microkosmisch niveau) de werking van het geheugen bij de mens en bij het kind kunnen begrijpen. Het Ik kan -met behulp van het astraallichaam (denken, voelen, willen), het etherlichaam en het fysieke lichaam- de zintuigervaringen, die het heeft opgedaan in de fysieke wereld, terug afdrukken in het geheugen van het etherlichaam. Een juiste verankering van het Ik in de organisatie van het concreet-fysieke is daarvoor noodzakelijk.
Met dit gezichtspunt in het achterhoofd zou men de (laatste) regels van Rudolf Steiners 6e weekspreuk nog eens kunnen lezen, de spreuk voor de week van Hemelvaart.