zaterdag 10 september 2011

Michaël - 29 september

Deze keer als bijdrage een Michaëlsverhaal voor kinderen in b.v. de lessen Religieuze Oriëntatie (godsdienstlessen), met daarin beelden uit de Apocalyps en het Mattheüs-evangelie (Matt. 22:1-14) de Gelijkenis van het Bruiloftsfeest.


De Bruiloft van de Koningszoon – een Michaëlsverhaal
van Irene Johanson


I. - Hoe de gasten naar het bruiloftsfeest kwamen

Er was eens een koning, wiens rijk zo groot was, dat geen mens er in een leven van de ene kant naar de andere kant zou kunnen lopen. Hij bewoonde een prachtig slot met vele kamers en zalen. Het slot had een toren en in die toren was een klein kamertje, dat alleen door de koning zelf betreden mocht worden. Het had een geheime trap, die naar een onderaardse deur voerde. En enkel de koning had de sleutel van die deur en wist wat daarachter verborgen was.
De koning had een zoon, waarvan hij heel veel hield. De dag kwam dat deze zoon in het huwelijk wilde treden. Het bruiloftsfeest werd voorbereid. De vrouwen en dienstmaagden maakten het slot schoon en bereidden het feestmaal voor. Dienaren trokken door de dorpen en steden, over alle wegen en straten. Alle mensen die zij tegen kwamen werden door hen uitgenodigd en vele van hen kwamen naar het bruiloftsfeest van de koningszoon.
Ondertussen was de koning tot diep onder zijn slot de trap afgedaald tot voor de onderaardse deur. Hij opende die. Helder licht straalde hem tegemoet en in dat licht stond een gestalte met een gouden wapenrusting en in de hand een zwaard. De gestalte stond voor een grote geopende schrijn. Daarin hingen vele witte gewaden. “Het is zover”, zei de koning. “Ik heb voor mijn zoon het bruiloftsmaal bereid, en vele mensen zullen onze gasten zijn. Zij zijn door mijn dienaren uit alle delen van het land uitgenodigd. Voordat zij de bruiloftszaal zullen betreden, zal ik ze in deze diepte laten afdalen , tot u, mijn trouwe wachter. U zult aan een ieder van hen een bruiloftsgewaad geven, opdat zij waardig voorbereid zullen zijn voor het feest.”
En zo geschiedde het. Alle mensen daalden in de donkere aarde af, traden door de deur in het heldere licht en ontvingen van de wachter een wit gewaad. Eén onder hen echter, wilde de lange trap naar de diepte niet afdalen. Hij vond het te vermoeiend om de vele treden af te gaan. Hij bleef achter en sloop heimelijk door de geopende deur van de feestzaal zoals hij was gekomen, met stoffige schoenen, zonder feestgewaad aan en met vuile handen. Na hem kwamen alle vrouwen en mannen met de witte feestgewaden de bruiloftszaal binnen. Toen allen verzameld waren trad de koning binnen om zijn gasten te begroeten. Daar zat die ene gast tussen alle anderen. De koning kwam ook bij hem. Tussen alle mensen in feestelijke gewaden viel hij zeer op. Hij bemerkte het zelf dat ieder naar hem keek, alsof zij wilden vragen: “Hoe ben jij nu zo vuil en onvoorbereid hier binnen gekomen? Wat allen dachten werd uitgesproken door de koning: “Mijn vriend, hoe ben jij hier binnengekomen terwijl je geen feestgewaad voor de bruiloft aan hebt?”
Tja, hoe was hij binnengekomen? Hij schrok zo danig van wat hij zelf gedaan had, dat hij niet kon antwoorden. Hij verstomde. Toen zei de koning: “Je kunt hier nog niet zijn. Hier kunnen alleen mensen de bruiloft van mijn zoon meevieren, die bij alles wat zij denken en alles wat zij doen het juiste dienen. Jij echter bent op een oneerlijke manier hier binnengekomen. Daarom ben je nu met stomheid geslagen. Kommer en kwel zullen nu je lot zijn. Maar wanneer je leert het juiste te doen, kun je jezelf hiervan weer bevrijden.” De dienaren brachten hem naar buiten, Toen begon het grote bruiloftsfeest.

6e Apocalyptische Zegel - naar een ontwerp van Rudolf Steiner


II. - Hoe de bruiloftsgasten dienaren van Michaël werden

Toen het avond geworden was, sprak de koning: “U hebt allen aangezeten aan het bruiloftsmaal van mijn zoon. U zult verder zijn vrienden blijven, ook wanneer ieder van u terugkeert naar waar hij vandaan komt. Maar voordat u allen gaat, wil ik u tonen hoe u in de toekomst van mijn rijk nodig zult zijn.” Hij riep zijn wachter en zijn stem schalde als een bazuin. Het klonk door heel het slot tot in de diepte van de aarde. De wachter hoorde zijn roep, kwam naar boven en verscheen voor de mensen. “Wachter, toon aan hen wat zij, die de vrienden van mijn zoon geworden zijn, mogen zien”, zei de koning.
De wachter ging de mensen voor en voerde hen naar boven naar de torenkamer, die tot nu slechts alleen door de koning betreden was. Nu mocht een ieder binnengaan en zag daar een groot schilderij. Het was niet geschilderd, maar alles wat zij zagen bewoog zich echt. Er was een vrouw, een moeder die een kind op haar arm droeg. De zon was haar gewaad, de maan was als een schaal onder haar voeten. Op haar hoofd droeg zij een kroon met twaalf sterren. Toen verscheen er een vuurrode draak met zeven koppen en tien hoornen en kronen op zijn koppen, want hij was de machtigste aller draken. Hij verscheen voor de moeder en wilde het kind verslinden. De vrouw verdween met haar kind voor de ogen van de mensen en enkel de draak was nu nog te zien. Hij raasde enorm omdat hij de moeder en het kind niet meer bereiken kon en hij zocht overal naar hen.
Toen de mensen dit adembenemende schouwspel gezien hadden, ging de een na de ander terug naar de koningszaal. Daar zwegen zij een lange tijd. De wachter wendde zich tot hen en een van hen vroeg hem namens allen: “Hoe zit het met deze draak? Verblijft hij op de aarde? Is de hemelse jonkvrouw en het goddelijke kind in veiligheid?” “De draak achtervolgt hen nog steeds”, antwoordde de wachter. “Ik heb hem eens overwonnen en ik heb hem vanuit de hemel op de aarde gestoten. Nu moet hij op de aarde nog verslagen worden. Daartoe heb ik uw hulp nodig.” “Wat moeten wij doen?” vroegen de mensen. “Gaat allen terug naar waar u vandaan kwam toen de koning u uitnodigde. De koningzoon is machtiger dan de draak. Vandaag is hij uw vriend geworden. Daarom hoeft u voor de draak niet te vrezen. Maar vergeet u het schilderij niet, dat u allen mocht zien. Want u zult de draak niet met wapens kunnen bestrijden, maar slechts door zelf aan het schilderij gelijk te worden. Voor een ieder die gelijk wordt aan het schilderij verliest de draak zijn macht en hij zal dan zo’n mens moeten dienen. Wanneer de draak kan heersen is hij kwaadaardig, wanneer hij dient, verliest hij zijn boosaardigheid.”
“Hoe kunnen wij gelijk worden aan het schilderij, opdat de draak zijn kronen en zijn heerschappij verliest en ons allen en het rijk dienen kan?” vroegen de mensen. “Een ieder die de waarheid spreekt, zal eenmaal een sterrenkroon ontvangen. Een ieder de ander liefheeft, zal eenmaal een zonnegewaad mogen dragen. Een ieder die het juiste doet, zal eenmaal op de maanschaal kunnen staan. Wat u in de hemel gezien hebt, zult u op de aarde doen.”
De mensen dankten de wachter, de koning en zijn zoon voor alles, wat zij op dit bruiloftsfeest beleeft hadden en zij gingen terug naar daar waar zij vandaan kwamen. Vele vergaten de belevenis al snel. Enkelen droomden ’s nachts van het beeld van de vrouw, het kind en de vuurrode draak. Enkelen bewaarden het diep in hun harten en zij probeerden steeds opnieuw te doen, wat de wachter hen gezegd had. Zo werden zij zijn helpers en zij bleven voor altijd vrienden van de koningszoon.

5e Apocalyptische Zegel - naar een ontwerp van Rudolf Steiner

Voor de Michaëlstijd

Uw oog ziet mij,
Uw mond roept mij,
Uw voet leidt mij,
Uw arm beschut mij,
Uw gedachten verhelderen mij,
Uw moed sterkt mij,
Uw hart heeft mij lief.
Door U, Michaël, overwinnaar van de draak,
vinden wij mensen de Brenger van de Vrede.

uit:
Irene Johanson: Geschichten zu den Jahresfesten
Verlag Urachhaus Stuttgart