vrijdag 25 oktober 2013

Over het Onze Vader (deel 1)

Rembrandt (1606 - 1669): De Bergrede

(De volgende tekst is een bewerking van een bijdrage op een themadag van de Vakgroep Religieuze Oriëntatie)

Tijdens de lessen Religieuze Oriëntatie is het niet verkeerd om met kinderen in klas 5 of 6 (groep 7-8) te spreken over het Onze Vader. Wanneer je de leerlingen vraagt of zij het Onze Vader kennen of er weleens van gehoord hebben, dan komt het steeds minder voor dat kinderen daarop met ‚ja’ antwoorden. In een enkel geval vertelt een kind, dat het dit gebed kent doordat opa of oma het Onze Vader bidt, bijvoorbeeld aan tafel. Het is geen overbodige luxe om de leerlingen het Onze Vader te leren en het in de klassen 5 en 6 elke week aan het begin van de godsdienstles ook te spreken. Men kan niet weten voor welke opgroeiende mens en in welke situatie het ooit nog eens van pas zal kunnen komen. ‘In nood leert men bidden”, zegt men wel maar het is natuurlijk handiger om al op een eerder moment iets aan voorbereiding te hebben ervaren.

Het Onze Vader is misschien wel het enige dat werkelijk alle christenen verenigt, terwijl alle andere elementen veelal splijtend in de christenheid hebben gewerkt. Bij dat laatste kunnen we bijvoorbeeld denken aan de diverse Geloofsbelijdenissen, Bijbelinterpretaties, kerkelijke dogma’s, geloofsartikelen en zelfs inrichting van de cultus bleek een bron van twist te kunnen zijn. Maar afgezien van wat verschillen in de gebruikte vertalingen, is het Onze Vader iets wat alle christen over de hele wereld met elkaar delen.

Om te voorkomen dat het bidden van dit gebed een traditioneel routinematige handeling wordt, is het zaak dat de moderne mens er zich met bewustzijn mee verbindt. Het is eigenlijk niet te verteren, dat de woorden van dit gebed worden opgedreund of afgeraffeld. Elk woord zou met gevoel voor de betekenisvolle inhoud en met aandacht voor het spreken zelf moeten worden uitgesproken. Misschien is het niet eens overdreven om zelfs elke klank van de te spreken woorden met aandacht en eerbied te vormen.

In de begintijd van het christendom werd dit gebed met enorme schroom en eerbied behandeld. Het gebed werd ook niet meteen aan nieuwe volgelingen doorgegeven. De  mensen werden een langere tijd voorbereid op hun doop en pas nadat zij de doop ontvangen hadden, werden zij bekend gemaakt met de woorden van het Onze Vader. In de begintijd van het christendom maakte het Onze Vader ook nog geen deel uit van de cultische dienst, de viering van het Avondmaal, de Eucharistie. Het werd apart gebruikt.

Men ervoer intens dat het Onze Vader gegeven was door Christus, de Logos, het Scheppende Wereldwoord zelf. Het waren de woorden (Logoi) die door Hemzelf (de Logos) waren gesproken en gegeven. Dat vervulde de mensen met grote eerbied. Het was daarom gebruik dat voor en na het spreken van dit gebed, er een moment van bezinning moest zijn. Het Onze Vader mocht niet zomaar onvoorbereid worden gesproken.
We kennen een dergelijk moment nu nog wanneer vóór het lezen van het Evangelie (in de Offerhandeling en de Mensenwijdingsdienst) woorden van voorbereiding klinken. Ook ná het lezen van het evangelie klinkt er een bede, dat de woorden van het evangelie de onreinheid in de woorden, die wij als gewone mens spreken, uitdelgen. Dergelijke momenten van bewustzijn moeten er ook zijn geweest voordat men de woorden van het Onze Vader uit kon spreken of uit mocht spreken. Men wist of voelde: In het Onze Vader hebben we de Woorden van de Logos zelf, van de Logos, van het Woord dat in het begin was, het Woord dat bij God was, het Woord dat zelf God was. Het was in het oerbegin bij God. Alles is er door ontstaan en zonder dit is niets ontstaan van wat ontstaan is. En nu hebben wij van het Woord de woorden van dit gebed gekregen. We kunnen niet anders doen dan daar met de grootst mogelijke eerbied mee omgaan.

In het evangelie volgens Mattheüs en het evangelie volgens Lucas wordt verteld hoe de leerlingen Jezus vroegen om hen te leren bidden.

Mattheüs 6:5-15
En wanneer jullie bidden, doe dan niet als de huichelaars die graag in de synagoge en op elke straathoek staan te bidden, zodat iedereen hen ziet. Ik verzeker jullie: zij hebben hun loon al ontvangen. Maar als jullie bidden, trek je dan in je huis terug, sluit de deur en bid tot je Vader, die in het verborgene is. En jullie Vader, die in het verborgene ziet, zal je ervoor belonen.
Bij het bidden moeten jullie niet eindeloos voort prevelen zoals de heidenen, die denken dat ze door hun overvloed aan woorden verhoord zullen worden. Doe hen niet na! Jullie Vader weet immers wat jullie nodig hebben, nog vóór jullie het hem vragen. Bid daarom als volgt:
Onze Vader in de hemel,
laat uw naam geheiligd worden,
laat uw koninkrijk komen
en uw wil gedaan worden
op aarde zoals in de hemel.
Geef ons vandaag het brood
dat wij nodig hebben.
Vergeef ons onze schulden,
zoals ook wij hebben vergeven
wie ons iets schuldig was.
En breng ons niet in beproeving,
maar red ons uit de greep van het kwaad.
Want als jullie anderen hun misstappen vergeven, zal jullie hemelse Vader ook jullie vergeven.
Maar als je anderen niet vergeeft, zal jullie Vader jullie je misstappen evenmin vergeven.

Lucas 11:1-4
Eens was Jezus aan het bidden, en toen hij zijn gebed beëindigd had, zei een van zijn leerlingen tegen hem: ‘Heer, leer ons bidden, zoals ook Johannes het zijn leerlingen geleerd heeft.’
Hij zei tegen hen: ‘Wanneer jullie bidden, zeg dan: “Vader, laat uw naam geheiligd worden en laat uw koninkrijk komen.
Geef ons dagelijks het brood dat wij nodig hebben.
Vergeef ons onze zonden, want ook wijzelf vergeven iedereen die ons iets schuldig is.
En breng ons niet in beproeving.”’

Vooral het evangelie van Mattheüs is scherp in de aanwijzingen hoe dat men het beste kan bidden. Het vormt een onderdeel van de zogenaamde Bergrede: “... als jullie bidden, trek je dan in je huis terug, sluit de deur en bid tot je Vader, die in het verborgene is. [...] Bij het bidden moeten jullie niet eindeloos voort prevelen.”

Ter voorbereiding op de introductie van het Onze Vader in een klas zouden we eerst zelf moeten oefenen in het spreken ervan.  Eerst zouden we echter aandacht moeten geven aan de juiste zielenstemming bij het bidden.
Hiervoor kunnen we eigenlijk het beste een voorbeeld zoeken bij de biddende Christus-Jezus in de Hof van Getsemane:
‘Vader, als het mogelijk is, laat deze beker dan aan mij voorbijgaan!
Maar laat het niet gebeuren zoals ik het wil, maar zoals u het wilt.’

In Zijn gebed klinkt een totaal objectieve stemming, een open houding zonder enige eigen zelfzuchtige motieven.
We kunnen ons ook bezinnen op het wonder dat de mens überhaupt spreken kan, iets dat hem onderscheidt van de wereld der dieren. Met het leren spreken verheft ieder mensenkind zich boven het animale uit. Gedurende het eerste levensjaar leert het kind te gaan staan en te lopen. In het jaar daarna leert het steeds beter de menselijke taal te gebruiken en tegen het einde van het derde levensjaar treedt de verinnerlijking van de taal op en ontstaat het vermogen tot denken. Met die drie ontwikkelingsstappen herhaalt ieder mensenkind wat de mensheid in een verre oertijd vanuit kosmische regionen geschonken heeft gekregen. In de katholieke traditie klonk ‘Sursum Corda’ - ‘Verheft uw hart’ en ook in de Kinderhandeling/Kinderdienst klinkt dat wij ons verheffen, waarmee o.a. herinnerd wordt aan het verheffen uit de zwaarte die ons aan het aardse bindt, zoals in die eerste drie jaren van de kinderlijke ontwikkeling. Ook zulke gedachten kunnen ons vervullen met eerbied.

Nog iets anders, dat we ons kunnen realiseren wanneer we het Onze Vader biddend willen spreken: Toen de apostelen aan Christus Jezus vroegen of hij hen wilde leren bidden, deed hij iets wat tot op dat moment in de mensheidsgeschiedenis nog niet was gedaan. Tot dan toe werden de cultische gebeden in tempels, op mysterie-plaatsen, in alle cultische diensten van de oudheid, gezongen. Gesproken taal was niet geschikt voor het vereren en aanbidden van en voor het offeren aan de godheid. En op hun vraag spreekt Christus de woorden van het Onze Vader. De Logos, het scheppende Wereldwoord, sprak het gebed uit dat Hij hen gaf. Het moet als een schok door de aanwezigen zijn heen gegaan.
Dat in gedachten houden zou een hulp kunnen zijn om ons in de juiste stemming voor te bereiden op het spreken van het Onze Vader.

Dus eerst hebben we aandacht voor de stemming waarin we het gebed gaan spreken. Nu volgt de zorg voor het spreken.
In een boekje met spreuken en gedichtjes van Lena Struyk kan men een spreukje vinden voor het zuiver spreken:
De adem van het Scheppingswoord
Leeft in al ons spreken voort.
Vervolgens vormen we bij het spreken langzaam en zorgvuldig de klanken, dus vooral ook letten op het vormen van alle spraakklanken. We richten ons bewustzijn nog niet op de inhoud, maar we letten op het spreken zelf, waarbij we met aandacht de vorming van elk woord, van elke letter volgen.
Wie in de cultus van de Christengemeenschap door de priester het Onze Vader heeft horen spreken, zal hebben kunnen ervaren wat het doet wanneer de klanken en woorden op zo'n bewuste manier worden gevormd en gesproken. Daarmee gaat het tempo van het spreken ook meteen omlaag en wordt het opdreunen of afraffelen voorkomen. Op die manier kan men gaan beleven dat in het gebed een gesprek ontstaat tussen de hemelse wereld en de eigen ziel.

Ten derde komt dan het richten op de inhoud. Het is tenslotte in onze tijd ook noodzakelijk om vooral ook deze dingen denkend te benaderen. Bij het gebed moeten we vooral niet zwijmelen in onze eigen gevoelens en wensen, tegelijk ook niet wegdromen in onze meditatieve klankervaringen. Het is aan de tijd dat de mens met een wakker bewustzijn en op een objectieve manier de inhoud denkend leert doordringen.

Rudolf Steiner vertelde tijdens een gelegenheid over het Onze Vader:
Gedurende de jeugdjaren van Jezus trok hij met zijn vader, de timmerman Jozef, door het land Palestina en de wijde omgeving daarvan, door de gebieden die wij nu kennen als Libanon, Syrië, Jordanië. Overal in die omstreken waren mysterieplaatsen en tempels. Jezus deed op die plaatsen de voor hem schokkende ervaring op dat die heilige cultische plaatsen godverlaten waren. Slechts de demonen huisden er en de mensen, die daar door de priesters ingewijd werden, vielen aan de invloed van die lage demonen ten prooi. Uit de evangeliën kennen we de passage over ‚de bezetenen in de grafholen’, wat deze situatie kan illustreren. (zie perikoop voor de 4e zondag na Epifanie) Op een van die plaatsen nl. in Caesarea Phillippi, wordt Jezus door de situatie zo overmand, dat hij voor het altaar neervalt. Dan hoort Jezus vanuit de macrokosmos woorden klinken, die beschrijven hoe de mensheid zich losmaakte uit de samenhang met de goddelijke wereld, verstrikt raakte in de zonde en in de materie. Rudolf Steiner spreekt deze woorden uit als het macrokosmische Onze Vader.
Het macrokosmische Onze Vader vertelt over de gevolgen van de zondeval, de mensheid heeft de godenwereld verlaten en vergeten.

AUM, Amen!
Werkzaam zijn de boze machten,
Getuigen van zich losmakende Ikheid
Door anderen veroorzaakte zelfheidschuld,
Beleefd in het dagelijks brood,
Waarin niet werkt der hemelen wil,
Daar de mens zich scheidde van uw rijk,
En vergat uw naam
Gij vaders in de hemelen.
(Rudolf Steiner: Aus der Akasha-Forschung - Das Fünfte Evangelium (GA 148)   
4e voordracht Kristiania (Oslo), 5. Oktober 1913
vertaling: F.W. Zeylmans van Emmichoven)


Later en op vraag van de apostelen geeft Christus Jezus met het Onze Vader de zevenvoudige omkering in het microkosmische Onze Vader, dat de mens vanuit de situatie op de aarde kan spreken tot de Goden in de hemelen en zich weer met die wereld kan verbinden. De Logos, Het Woord (Christus) spreekt op de aarde zijn gebed. Scheppende Logos sprak eerst vanuit de hemelse periferie = cirkel. In het Onze Vader spreekt de scheppende Logos als mens op aarde = punt. Wij kunnen Hem daarin volgen.

Onze Vader die in de hemelen zijt
Uw naam worde geheiligd
Uw rijk kome tot ons
Uw wil geschiede gelijk in de hemelen alzo ook op de aarde.
Geef ons heden ons dagelijks brood
En vergeef ons onze schulden gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren
En leid ons niet in verzoeking
Maar verlos ons van het boze.
Amen.

(wordt vervolgd)

donderdag 1 augustus 2013

Introductie tot religieuze oriëntatie aan vrijescholen - deel 2

tekst:
Een gedeelte uit:
Alfred Schreiber: Einführung in den Freien Religionsunterricht - 'Aufsätze aus den Briefen über religiöse Erziehung im Elternhaus'
Privatbriefe, herausgegeben von A. Schreiber von 1950-1960'
uitgeven: Pädagogische Forschungstelle beim Bund der Freien Waldorfschulen, Stuttgart



GIOTTO di Bondone
God zendt Gabriel naar de Heilige Maagd (1306)
Fresco Cappella Scrovegni (Arena Chapel)


De leeftijd van de God Vaderreligie (6e tot 9e  levensjaar)

De wereld om het kind moet voor de kinderen in deze leeftijd worden voorgesteld als zijnde doordrongen door goddelijke krachten en wezens die daarin werkzaam zijn.

We kunnen eerst eens beginnen met alle natuurlijke levensprocessen, waarin het kind zelf leeft:

Het dagverloop: Waken -  slapen, de tijden van de dag
Het jaarverloop: Wat in de natuur gebeurt, de christelijke feesten
De levensloop: Geboorte - het leven van de mens - het oud worden en sterven - het lichaam van de mens: het hart - de zintuigen - de ledematen

We kunnen de eenvoudigste levensprocessen met de kinderen bespreken en deze dan als beeld gebruiken voor wat wij hen als religieuze beleving willen laten ervaren. Zo kunnen we bijvoorbeeld lang met de kinderen spreken over de avond en het slapen gaan, over de uiterlijke verrichtingen daarbij, over de zonsondergang, het verschijnen van de sterren, het opkomen van de maan, over de natuur die gaat rusten. Daarvoor kunnen we tal van sprookjes, gedichten en liederen gebruiken.
Het opruimen van de dingen van de dag, het uitkleden, wassen en tandenpoetsen, een schone pyjama aantrekken, de stilte van de donkerblauwe schemering - dat alles kan als beeld genomen worden voor wat zich innerlijk in de mens voltrekt: dat de ziel het lichamelijke huis verlaat en de geestelijke wereld binnengaat. Het lichaam is het kleine huis, de hemelse wereld is het grote huis waar wij elke nacht binnengaan en waar wij veel beleven, wat we echter wanneer we de volgende dag wakker zijn geworden weer vergeten zijn.
Voor de beschrijving van de wereld van de slaap moet men veel tijd nemen. We vertellen de kinderen over hun hemelse thuis.
We kunnen vertellen van het wandelen door de sterrenwereld of we gebruiken de legende van Het Kristallen Huis van Friedrich Doldinger, of de mooie legende uit de apocriefe boeken van het Oude Testament over de engelen met de bloemenschalen en de olie, er zijn ontelbare mogelijkheden.
Welke beelden we ook kiezen, de vertellingen moeten innerlijk waar zijn. Ondanks alle kunstzinnige vrijheid moeten de beelden die we vertellen overeenkomen met de geestelijke feiten.

Op eenzelfde manier kunnen we ook het ontwaken in de ochtend behandelen, het opnieuw betreden van ons lichamelijke huis. En ook moet het dagverloop doorgenomen worden: de ochtendstemming van de natuur, de stralende opkomst van de zon en haar reis over de wereld, het werken en spelen gedurende de dag, het samenwerken van de mensen, de dagelijkse verrichtingen en werkzaamheden, het groeten, bedanken, bidden, de handen de voeten en de zintuigorganen als instrumenten van de werkende en waarnemende ziel.

De beschrijving van de jaargetijden in de natuur en in het mensenleven, de christelijke feesten en de veelzijdige inhoud daarvan kan op de gepaste tijd in het jaarprogramma ingevlochten worden. Hiermee is er dan ook de mogelijkheid om de kinderen iets te laten vermoeden van het Christus-mysterie middels sterke gevoelsbelevenissen tijdens de christelijke feesten.
Daarbij moeten we de de naam van Christus zo weinig mogelijk gebruiken. We moeten namelijk zeer behoedzaam met de naam van goddelijke wezens (Christus, God de Vader) omgaan en de stemming goed voorbereiden wanneer we die namen willen gebruiken. Ook het begrip van de 'geest' moet de kinderen niet bijgebracht worden doordat we het woord 'geest' veel gebruiken, maar doordat we beelden en figuren aanwenden, die voor het kinderlijke bevattingsvermogen en de kinderlijke manier van naar de dingen kijken toegankelijk zijn.  Men moet vooral ook oppassen dat men geen benepen, sentimentele voorstelling geeft van de engelwezens.

De levensloop van de mens, het verschil tussen kind en volwassene, jonge en oude mensen, sowieso het oud worden en het sterven kunnen ook in deze jaren met de kinderen besproken worden. In de vele volkssprookjes kan men de motieven daarvoor vinden. Zo kan veel van wat men aan de kinderen wil meegeven klinken doordat we hen die sprookjes vertellen en daarbij de gewenste motieven sterker benadrukken.
Er komt bijvoorbeeld in veel sprookjes het mysterie van de geboorte tot uitdrukking. Men moet eigenlijk het boek 'Sprookjeswijsheid' van Rudolf Meyer ter hand nemen om zich goed te kunnen voorbereiden. Dat is een boek dat men echt serieus bestuderen moet.

Het bestaan van de mens in de tijd voor de geboorte moet de kinderen regelmatig in beeldende verhalen gebracht worden. Zulke verhalen moeten gaan over het hemelse vaderland van de mensenziel en over de afdaling naar het rijk van de aarde. Dat kan een groot gedeelte van de godsdienstlessen in de eerste jaren innemen, want we knopen daarmee aan bij wat er werkelijk in de kinderziel leeft. We richten ons daarbij op de genius (de engel) van het kind, welke het kind naar de aarde geleid heeft en wil dat het kind verbonden blijft met die wereld waaruit het is afgedaald.

Nadat we de verschillende aspecten van het tijdsverloop hebben behandeld, kunnen we overgaan op de wereld van de ruimte. Het werken en weven van de geest in de natuur kunnen we behandelen aan de hand van verhalen waarin dieren, bloemen en bomen, ja ook levenloze dingen in de omgevende wereld, bezield en levend zijn en spreken en handelen.
Maar bij deze echte natuursprookjes hoort ook een exact inzicht in de natuurwetenschappelijke feiten. Veel oefening en een voortdurende waakzaamheid is hierbij gewenst om onszelf ervoor te behoeden op intellectuele manier de natuurwezens gemakshalve te vermenselijken en te laten spreken en handelen, zoals ze niet naar hun wezensaard zouden doen.
De 'Plantensprookjes' van Michael Bauer en de verhalen van Selma Lagerlöf (bv. Nils Holgerson) zijn vertellingen waarmee we kunnen oefenen en ons kunnen scholen om er steeds verder mee te komen. De processen van de natuur zijn namelijk een openbaring van morele krachten. De echte symboliek van de natuur spreekt zichzelf uit.
We reiken het kind de juiste voeding voor de ziel aan, wanneer we hen in de eerste jaren van het godsdienstonderwijs de geheimen van het leven in mythische beelden voor de ziel schilderen. Het lot, dat zij zelf ervaren doordat zij vanuit de hemelse wereld komend bij de geboorte aan hun levensweg zijn begonnen, kunnen ze nu slechts in zulke beelden droomachtig opnemen. Daarover hoeven zij later pas de echte begrippen te kunnen vormen, dus wanneer zij in staat zijn het als volledig ontwaakte en bewuste mens te beleven.
Maar wat zij nu opnemen in de beelden die aan de waarheid zijn ontsproten, dat wekt in hun zielen die krachten waardoor zij later het ware kunnen denken.

Over de dood

Wanneer we eerst met de kinderen het voorgeboortelijke bestaan hebben besproken, hoe anders kunnen we daarna dan over de dood spreken!
Het onoplosbare raadsel van de dood zal zo niet als een zware last op de ziel van het kind gaan drukken. Een leerkracht, die een agnost is, zou met een verlamd gevoel voor de kinderen staan en denken: 'Daarover kun je eigenlijk niets weten.' Maar een mens die innerlijk leeft met en vertelt over de opstandingskrachten kan juist bij dit onderwerp 'Dood' aan de opgroeiende generatie levenshulp bieden, die verschil uitmaakt.

Wij komen voort uit het licht en wij keren terug naar het licht.

Dat is de grondstemming van waaruit we alles opbouwen. We kunnen indringend en in alle ernst over de dood spreken. We moeten dat ook doen, zelfs met de kinderen van deze leeftijd. Het raadsel van de dood leeft namelijk als diepe onuitgesproken vraag in iedere kinderziel. Maar alles wordt overstraald door het inzicht over de overwinning op de dood.
Vandaag de dag confronteert het leven zelf de kinderen al op allerlei manieren met het probleem van de dood. In de lessen religieuze oriëntatie stelt dit lotsfeit ons soms voor een bijzonder moeilijke opgave. Maar het kan ons ook onverwacht hulp bieden.

Rudolf Steiner gaf opvoeders eens het advies, om bij moeilijke opvoedingsvraagstukken zich te richten tot de gestorven verwanten van het kind en als het ware in verbinding met hen het kind in de opvoeding te begeleiden. Ook voor de situatie binnen het gezin kan dat betekenisvol zijn, wanneer een uiterlijke vorm wordt gevonden om op een eenvoudige manier van gedenken de verbinding met de gestorven verwanten te verzorgen.
De behandeling van het onderwerp 'de Dood' in de godsdienstles vraagt zeer veel takt. Men moet weten wanneer het mogelijk is dit thema aan de orde te stellen en op wat voor manier. Daarop moet men zich goed voorbereiden.
Een stemming van eerbiedig aftasten moet voorop staan, wanneer we door een actuele aanleiding in het lot van het kind ertoe worden gevoerd om over de dood te spreken. Elk aanroeren van verse of oude wonden moet men vermijden, net zo goed als een abstract belerend voorstellen van de zaak, vanuit de inzichten die ons vanuit de antroposofie bekend zijn.

We kunnen terug grijpen op de vertelling 'Het Gouden Huis' van Herbert Hahn ('Das Goldenen Kästchen'). Daarin wordt de dood geschilderd als 'een groot thuiskomen', als het terugkeren van het kale eiland, zoals van het aardeleven kunnen noemen. We komen niet thuis terug met lege handen.
'Heb je het gouden kistje weer meegebracht?', vraagt aan het eind van het verhaal de vader aan de zoon.
De mens brengt de oogst van zijn aardeleven mee. Hij komt thuis als een ander mens, veel moois en groots heeft hij op aarde meegemaakt: alle wonderen van de rijke zintuigwereld, de stenen, planten en dieren, de schoonheid van een zonsopgang en de reinheid van een bloem, de jubelende vogelzang in de lente en de herfststormen in het bos, prachtige kunstwerken die mensen hebben geschapen, en de liefde die het leven van de mens waard maakt om geleefd te worden. Maar ook leed, het donkere en kwade heeft hij leren kennen. Dat alles wilde hem getuigen van het goddelijke.
Die ervaringen brengt hij nu weer terug aan zijn vader in het gouden kistje, terwijl hij het vaderhuis, dat in het kistje was afgebeeld, niet vergeten was en het kale eiland met het zaaigoed van zijn aardeleven heeft beplant.
Nu zijn de mensen allemaal verschillend. De mens die lang op aarde geleefd heeft, heeft veel meegemaakt en is wijs geworden. Hij kan een rijke oogst aan aarde-ervaringen meebrengen. Een mens  die jong sterft, kan daarentegen misschien nog veel ongebruikte levenskrachten mee terugbrengen, die hij nu in dienst van God anders kan aanwenden, bijvoorbeeld als hulp aan nog levende mensen. Een mens sterft alleen maar jong, wanneer hij vanuit de hemel een betere helper voor andere mensen kan zijn.
Een voorbeeld: Raphael kon zo’n beroemde schilder worden, omdat zijn vroeg gestorven vader hem vanuit de hemel kon helpen bij het schilderen.
Zo kan veel gesproken worden over het samenwerken met de gestorvenen, over de offerdood, over de heiligheid van het sterven, van de metamorfoserende kracht van de dood.
Voorbeelden en ideeën kan men vinden in:
Michael Bauer: Hoe de aster op aarde kwam (Plantensprookjes - Christofoor)
Grimm: Assepoester
H.C. Andersen: Het meisje met de zwavelstokjes
L. Tolstoi: Het gebed (voor grotere kinderen)
W. Flex: Het grote avondmaal (voor grotere kinderen)
S. Lagerlöf: De Schat van meneer Arne (voor grotere kinderen)

Wanneer we op deze manier over het hemelse perspectief van de dood hebben gesproken, kunnen we overgaan op het behandelen van het aardse aspect.
We kunnen spreken over de broeder van de dood: de slaap. Elke dag sterven we een klein beetje, het lichaam dat we gebruiken is ‘s avonds moe. Gedurende de slaap wordt het lichaam weer gesterkt en het wordt weer ‘als herboren’.

Waarheen gaan we wanneer we in slaap vallen? Hier kunnen we aansluiten bij wat we eerder aan de kinderen hebben verteld: Gedurende de slaap ordenen en reinigen wij onze ziel. Na de slaap zijn we wijzer geworden. We zijn weliswaar vergeten wat er gedurende de slaap is gebeurd, maar wanneer we heel goed nadenken, kunnen we ons vast wel de vele malen herinneren dat ons geweten tot ons gesproken heeft. Gedurende de slaap hebben we namelijk onze engel ontmoet. We zijn uitgerust en verfrist wanneer we in de nacht werkelijk Het Gouden Huis binnen mochten gaan en waar wij aan de gouden tafel van de spijzen mochten nuttigen.

In het hemelrijk een huis staat.
Daarheen een gouden weg gaat.
De zuilen zijn er van marmeren steen,
daarin voegde de Lieve Heer de mooiste edelstenen.
Dit huis kan iemand alleen binnen gaan,
wanneer hij op aarde het goede heeft gedaan. *)

Wanneer we ‘s nacht niet zo goed hebben geslapen, zijn we moe en terneergeslagen. We hebben eigenlijk niet goed kunnen slapen omdat er iets niet ‘in orde’ was.
Om ons op de slaap voor te bereiden kunnen we ‘s avonds terugkijken op de gebeurtenissen van de afgelopen dag en door een gebed.

Op diezelfde manier kan de mens zich ook op de dood voorbereiden.
Vanzelfsprekend kan dit onderwerp alleen in toepasselijke beelden aan de kinderen worden gebracht, die door sprookjes en vertellingen moeten worden aangedragen.
We moeten echter ook van de dood spreken als een natuurlijk proces. Planten verwelken en sterven af, de zaden in de vruchten dragen echter reeds het nieuwe leven in zich. In de winter is al het groen afgestorven, maar diep onder de grond in de wortels wacht het nieuwe leven op de wederopstanding.

De dood betekent niet het einde. De dood is een omkering.

Het mooiste beeld daarvoor is in de natuur te vinden, namelijk in de dierenwereld. De rups kruipt op de aarde rond. Hij doet niets anders dan eten totdat hij groot en dik geworden is. Dan verpopt hij zich - een akelig gezicht. Dan is hij als het ware dood, alles schijnt geëindigd. Maar zie daar: plotseling beweegt zich daarbinnen iets - en uit de pop kruipt, eerst met veel moeite en ook lelijk, daarna echter wonderbaarlijk zich ontvouwend in een kleurenpracht: de vlinder.
Wanneer we zelf van de diepe waarheid van dit zinnebeeld voor de dood uit de natuur zijn vervuld, dan nemen ook de kinderen het diep in zich op zonder lange verklaringen, omdat  de eigen goddelijke kern in hen zelf er ‘Ja’ tegen zegt.

Daarna kunnen we de ook het stervensproces in het mensenrijk bespreken, ziekte en doodsstrijd, de schoonheid van het gezicht van een gestorvene, de sfeer van vrede die om een dode heerst, de eerbied jegens de doden, de liefde waarmee wij hen kunnen omhullen, de laatste eer. Alles afhankelijk van wat de kinderen kunnen opnemen.
Men moet er zeer goed op letten, dat men met de kinderen niet te lang en niet te nadrukkelijk bij dit onderwerp staan blijft, vooral bij gevoelige kinderen of bij kinderen met een te rijke fantasie. Ook moet men er op letten dat een eventueel opkomende zwaarte of misschien zelfs een duistere stemming wordt opgelost door luchtigheid en vrolijkheid en door wisseling van thema of manier van presenteren.
Het beste is, dat men de Dood niet systematisch als lesthema afhandelt, maar dat men het  bespreekt naar aanleiding van de voorbijkomende motieven, zoals hier als voorbeeld gegeven zijn en wanneer men die bij allerlei gelegenheden in verteerbare dosering invlecht.
Mooi kan men bijvoorbeeld naar aanleiding van Selma Lagerlöfs verhaal ‘Gottesfriede’ de mogelijkheid aangrijpen om de noordelijke begrafenisriten aan de orde te stellen en dan kan men allerlei daaraan aanknopen over de opgave van de mens jegens de gestorvenen.

De kinderen zouden moeten opgroeien als mensen, die tegenover de dood en alles wat daarmee samenhangt weliswaar vol eerbied zijn, maar ook vrij en onbevangen kunnen staan, zonder angst, omdat zij daarvoor een innerlijk begrip hebben ontwikkeld en weten over de dood en over het leven na de dood.

In de volgende fase van het godsdienstonderwijs kan het hele thema opnieuw worden opgepakt en dan op een meer begripsmatige manier aan de orde komen: de terugblik op het leven in de eerste drie dagen na het sterven, het binnengaan van de ziel in de wereld der gestorvenen, de hogere wereld, enz.
Dat kan dan allemaal preciezer besproken worden en met allerlei levenservaringen en voorbeelden uit de geschiedenis worden onderbouwd (zie Friedrich Husemann: ‘Von Bild und Sinn des Todes’)
Hierbij kan men ook aanknopen met de verhalen oude cultuurperiodes: hoe in de oudheid de dood een andere rol speelde als later, hoe de Egyptische cultuur totaal is opgebouwd als dodencultuur, hoe de Grieken tegenover de dood stonden (Homerus: Odyssee), hoe de Joodse cultuur de dood ervoer.
De opwekkingen uit de dood uit de evangeliën, de dood van Christus en Zijn opstanding als middelpunt in de geschiedenis van de mensheid kunnen ons leiden tot het hoogtepunt van het godsdienstonderwijs tegen de leeftijd van de Jeugdhandeling (Jeugdwijding).
Beelden van het stervensuur van grote mensen of het sterven van christelijke martelaren brengen een blik op de toekomst, die met de overwinning op de dood door Christus voor ons is verworven.



*)
 Im Himmelreich en Haus steht,
dahin ein goldner Weg geht.
Die Saülen die sind Marmelstein,
da legte unser Herr hinein
die edelste Gesteine.
In dieses Haus geht niemand ein,
der nicht von alle Sünden reine.
bij de vertaling is ervoor gekozen de twee laatste tegels aan te passen en een positieve wending te geven.
Bij de lessen bleek de keuze daarvoor goed bruikbaar.

(wordt hier vervolgd)