woensdag 27 maart 2019

Laetare - 4e zondag in de Vastentijd

Spijziging van de vijfduizend
(Victoria and Albert Museum - Londen)
Johannes 6 : 1 – 15     De spijziging van de vijfduizend

In eerdere bijdragen op deze blog hebben we al veel over deze perikooptekst voor de 4e zondag in de vastentijd gedeeld.

Na de spijziging van de vijfduizend mensen wilden deze zich meester maken van Jezus om Hem tot koning uit te roepen. Hij trok zich daarop terug op de berg, alleen. Toen dan de apostelen zonder Hem per boot over het meer terug naar Kapernaüm voeren, zagen zij Hem over het meer naar zich toe komen. Overigens moet men ook hier de evangelie-taal leren lezen zoals het bedoelt is: in beelden. Zowel ‘op de berg’, als ‘in de boot’ wijzen op een situatie die zich afspeelt in het beleven tijdens de meditatie. Vaak leest men bij zo’n belevenis in het geestesgebied - bijvoorbeeld ook wanneer zich een engel aandient - de geruststellende woorden ‘Vrees niet’. Hier horen ook de apostelen deze woorden, nu gesproken dor Christus : ‘Ik ben, vrees niet.’ En verder staat er eigenlijk alleen dat zij Hem naar zich toe zagen komen. Er staat niet letterlijk dat Hij over het meer wandelde. En dan: 'Toen wilden zij Hem in de boot nemen en onmiddellijk bereikte de boot de kust waar zij op aanvoeren’ (6:21). Zij nemen dus Christus, het kosmische Ik-Ben-wezen, bij zich in de boot en komen meteen weer terug in de wereld van het concrete dagbewustzijn.

Na deze passage vertelt het evangelie dat de mensen uit de menigte de volgende dag zelf ook overvoeren naar Kapernaüm. Zij begrepen niet hoe Jezus daar gekomen was, want ze hadden de apostelen zonder Hem in hun boot zien wegvaren.

Een gesprek ontspint zich, waarmee de evangelist licht werpt op het karakter van het brood, dat de mensen bij de spijziging hebben ontvangen. Want het gaat niet om gewoon brood, maar Christus duidt op de geestelijke en levenbrengende krachten, die van Zijn eigen wezen uitgaan: ‘Want het brood van God is Hij die uit de hemel neerdaalt en aan de wereld leven geeft.’

Amen, amen, ik zeg jullie: Jullie zoeken mij niet omdat jullie tekenen hebben gezien, maar omdat jullie van de broden hebben gegeten en zijn verzadigd. Doe geen moeite voor vergankelijk voedsel, maar werk voor voedsel dat blijvend is en in het eeuwige leven voert: het voedsel dat de Mensenzoon je zal geven: want God, de Vader heeft Hem door zijn zegel bevestigd. (6:16-28)

Daarop vroegen zij Hem: Wat moeten wij doen om de werken van God te verrichten? 
Jezus antwoordde hun: Dit is het werk van God: dat je gelooft in Hem die Hij heeft gezonden. 

Zij vroegen Hem: Wat voor teken doe je, zodat wij kunnen zien en je geloven? Welk werk verricht je? Onze vaderen hebben het manna gegeten in de woestijn, zoals geschreven staat: ‘Brood uit de hemel gaf Hij hun te eten.’ 

Jezus zei tegen hen: 
Amen, amen, ik zeg jullie: Niet Mozes heeft jullie het brood uit de hemel gegeven, maar mijn Vader geeft het ware brood uit de hemel. 
Want het brood van God is Hij die uit de hemel neerdaalt en aan de wereld leven geeft. 
Zij zeiden tegen Hem: Heer geef ons altijd dit brood.
Jezus zei tegen hen: Ik ben het brood dat leven geeft. (6:32-35)

Hier vinden we een link met de spijziging van de vijfduizend en we lezen enkele richtinggevende zinnen na elkaar.
Want het brood van God is Hij die uit de hemel neerdaalt en aan de wereld leven geeft.’ (6:32)
‘Dit is het werk van God: dat je gelooft in Hem die Hij heeft gezonden.’
‘Want het brood van God is Hij die uit de hemel neerdaalt en aan de wereld leven geeft.’ (6:33)
Ik ben het brood dat leven geeft.’ (6:35)

Verderop in dit evangelie-hoofdstuk lezen we nog:
Ik ben het brood dat leven geeft. […] Dit is het brood, dat uit de hemel neerdaalt opdat ieder ervan eet en niet sterft. Ik ben het levende brood, dat uit de hemel is neer gedaald, ; als iemand van dit brood eet, zal hij leven door de tijden heen En dit brood is mijn lichaam, dat ik zal geven voor het leven van de wereld. (6:48-51)


woensdag 27 februari 2019

Estomihi (7e zondag voor Pasen)

Fra Angelico: Scenes uit het leven van Christus (1451-52)
Museo di San Marco, Florence



Lucas 18 : 31 – 43 Aankondiging van het Lijden en genezing van een blinde

En Hij nam de twaalf bij zich en zei tegen hen: Nu gaan wij naar Jeruzalem en alles wat de profeten hebben geschreven over de Mensenzoon zal zijn voltooiing vinden. Want hij zal worden uitgeleverd aan de ongelovigen, bespot en mishandeld en bespuwd worden; Zij zullen hem geselen en doden; en op de derde dag zal Hij opstaan. Maar dat drong niet tot hen door; deze uitspraak bleef voor hen verborgen en zij begrepen niet wat hij zei.
(vertaling: Ton Besterveld)

Vanaf de zondag Septuagesima zijn we begonnen aan de kring van zondagen rond Pasen. Op deze zondag (Estomihi - of ook wel Quinquagesima) lezen we uit het evangelie volgens Lucas (18) een aankondiging van het komende lijdenstijd. Het is de zondag van het carnaval, dat zal eindigen met  Aswoendag.

‘De wereld dreigt te bedwelmen de in de ziel geboren kracht’

Zo luiden de eerste regels van Rudolf Steiners 46e weekspreuk. Wanneer we de kring rond Pasen aanhouden en die nu lezen, herkennen we daarin de kracht van de reeds vanaf Maria Lichtmis weer ontluikende en ontkiemende natuur. In het feest van Carnaval kan de mens daar nog even in meegaan. Maar dan volgt het moment van inkeer. We gaan op weg naar Jeruzalem, waar hij zal worden uitgeleverd. Wat toen en daarginds gebeurde is ingeschreven in het jaarritme van de aardeplaneet. De Ik-kracht die gedurende de wintertijd in de ziel geboren is, dreigt bedwelmd te worden. 

‘Herinnering, treedt nu vanuit geestesdiepten lichtend in verschijning
En versterk in mij het schouwen, dat slechts door wilskracht zichzelf in stand kan houden.’