maandag 7 februari 2011

6e zondag na Epifanie

mosterdplant in bloei

Mattheüs 13 : 31 – 35 Het mosterdzaad en het zuurdeeg

Deze 6e zondag na Epifanie lezen we in de perikooptekst het vervolg op de evangelietekst van de vorige week met de gelijkenis van het onkruid in de akker. Rudolf Steiner sprak over het 13e hoofdstuk van het Mattheüs-evangelie tijdens een van de cursussen voor de priesters van de dan nog op te richten Christengemeenschap. Hierbij mochten ook (godsdienst-)leraren van de vrijeschool in Stuttgart aanwezig zijn o.a. Herbert Hahn, Willem Ruhtenberg, Ernst Uehli en waarschijnlijk ook Karl Schubert.

Rudolf Steiner:
Zo is het bijvoorbeeld van groot belang het 13e hoofdstuk van het Mattheüs-evangelie op zich in te laten werken, erin binnen te dringen, zoals we dat gisteren geprobeerd hebben en vandaag nog verder zullen doen, en dan alle parallelle gedeelten van het Lucas-evangelie in de ziel tevoorschijn roepen, die gedeelten waar ongeveer dezelfde situatie wordt beschreven. Men krijgt dan een heel andere indruk. [...]

Voor alles krijgt men grote bewondering voor de compositie van het 13e hoofdstuk van het Mattheüs-evangelie. De hele compositie is iets dat bewondering opwekt. Eerst hebben we de gelijkenis van de zaaier
(Matt.13:3-9). Na deze gelijkenis van de zaaier volgen drie andere gelijkenissen, die van het onkruid in de akker, van het mosterdzaad en van het zuurdeeg. Tussen deze gelijkenissen in lezen we over het onderricht aan de leerlingen, die alles anders moeten beluisteren dan dat het volk het aanhoort. Hij laat de schare gaan (Matt.13:36). En dan volgen meer gelijkenissen, die alleen aan de leerlingen verteld worden. (Matt.13:44). We hebben het inleiden van de leerlingen in, ik zou willen zeggen de geheimen, de gelijkenissen, die alleen aan de leerlingen verteld worden. En dan volgt de vraag: ‘Heb gij dit alles begrepen?’ en het antwoord is ‘Ja’ (Matt.13:51). Deze wonderbaarlijke compositie wordt nog prachtiger wanneer we op de details ingaan. Eerst wordt de gelijkenis van de zaaier eenvoudigweg neergezet [...] en nadat dit op een eenvoudige wijze is verteld beginnen de volgende gelijkenissen met de inleidende woorden: ‘Het Rijk der hemelen is gelijk een...’ Alle volgende gelijkenissen beginnen met deze aanhef, ook die voor het volk. Het volk word dus op die manier zorgvuldig voorbereid, dat hetgeen dan als feiten wordt voorgesteld, op het werk van het hemelrijk doelt. Meer wordt tegen het volk niet gezegd; dan worden zij weggezonden. De leerlingen wordt nog voorgehouden: de gelijkenis van de schat in de akker, de gelijkenis van de kostbare parel en de gelijkenis van de vissen die in het sleepnet worden gevangen, vele zullen worden teruggegooid, alleen de bruikbare worden als voedsel verzameld. Deze gelijkenissen worden alleen aan de leerlingen verteld en aan hen wordt gevraagd of zij dit alles begrijpen. Zij antwoorden met een ‘Ja’, dat in de samenhang van het evangelie hetzelfde betekent als wanneer wij tegenwoordig, als wij sowieso het juiste erbij voelen, zeggen: ‘Ja, Amen’. Daarin ligt de wonderbaarlijke compositie, die niet zomaar is gezocht, maar die zich op een natuurlijke manier blootgeeft. [...]

We proberen nu wat dieper door te dringen in deze wonderbaarlijke compositie. Laten we uitgaan van de drie gelijkenissen, die aan de leerlingen in afzondering worden verteld. Volgens de geest van het Mattheüs-evangelie wilde Christus deze niet aan het volk vertellen. Hoort u dat alstublieft goed, dat ik duidelijk zeg: vanuit de geest van het Mattheüs-evangelie zou Hij dat niet tegen het volk zeggen. Probeert u zich maar eens te herinneren wat in deze gelijkenissen wordt gezegd, die alleen aan de leerlingen worden gegeven. In de eerste is sprake van de man die een schat ontdekt in een akker, hij verkoopt al wat hij heeft om de akker waarin de schat ligt te kunnen kopen. Daar komt het in wezen op aan, dat hij alles verkoopt om de schat te verkrijgen. Dat mocht op die manier -de manier waarop de verbinding van Jezus en van zijn discipelen met het volk moet worden begrepen- aan het volk niet gezegd worden.
Waarom niet? Omdat er een bepaald gevaar optreedt, het gevaar van het egoïstisch worden, het gevaar van de belonings-ethiek. Men kan niet zonder het volk te schaden, zo maar, zonder meer het egoïsme aanspreken. Men spreekt het egoïsme nu juist aan, wanneer men iemand het goede wil laten doen en naar de beloning van het eeuwige verwijst. De belonings-ethiek, die in de grond van de zaak in sterke mate de betekenis van het Oude Testament is, deze belonings-ethiek wordt door Christus Jezus afgewezen. Daarom vertelt hij zo’n gelijkenis, die iemand die niet is voorbereid, uitzicht zou kunnen geven op beloning. Slechts aan diegenen wordt hij verteld, die zover zijn voortgeschreden, dat zij niet meer in gevaar kunnen komen de gelijkenis op een egoïstische manier te duiden. De leerlingen, die door hun samenleven met Christus Jezus over het egoïsme zijn heen gegroeid, aan hen kan pas verteld worden, dat men het hemelrijk met een schat kan vergelijken. In de leerlingen werd de drang tot egoïsme daardoor niet opgewekt. [..]

Het hele 13e hoofdstuk van het Mattheüs-evangelie is een aanwijzing, om de mensen geduldig tegenover het lot te maken; daarom kan pas het allerlaatste worden onthuld hoe het er aan het einde der wereld aan toe zal gaan. Zo zijn de laatste gelijkenissen die in het geheim tegen de leerlingen kunnen worden verteld omdat bij hen zeker is dat zij hetgeen Christus zal zeggen -ook het verschrikkelijkste- op dat moment onzelfzuchtig kunnen opnemen. Daarom zeggen zij: ‘Ja, Amen’. [...]


Geheel in de stijl van het 13e hoofdstuk wordt erop attent gemaakt dat de mens, wanneer hij de uitleg van de gelijkenissen wil benaderen, als volledige mens, met concentratie van de volledige mens, vanuit het hart de betekenis moet leren zien. Vandaar dat Christus Jezus duidelijk maakt: pas nadat zij geheel objectief de gelijkenis van de zaaier hebben opgevat, dat wat met de gelijkenis van de zaaier is gegeven, kan Hij verdere objectieve gelijkenissen vertellen en deze laten wijzen op de werking van het rijk der hemelen. Vooral de gelijkenis van het goede zaad en het onkruid
(Matt. 13-24-30) doelt erop, dat het goede niet kan gedijen, zonder dat het boze ernaast bestaat. Opnieuw kan men zeggen dat dit alles met natuurwetenschappelijk inzicht wordt gezegd. Want tegenwoordig weet men dat wij schade kunnen toebrengen wanneer wij op een verkeerde manier onkruid wieden. Net zo goed zal het de mensheid schaden wanneer wij de zonden willen uitroeien, door de ziel van de zondige mensen niet voor het gerecht te voeren, maar zouden uitroeien ‘voor de oogst’, dat is voor het einde van de wereld. Tot daar kan men gaan ten overstaan van het volk, over wat werkt in kruid en onkruid. Ook kan men voor het volk nog zover gaan, dat objectief wordt voorgesteld, hoe de wereld in de verten is uitgestrekt, en hoe men moet komen tot dat wat de wereld draagt, tot het hemelse rijk. Het rijk der hemelen is gelijk een mosterdzaad. Het is het kleinste van alle zaden, maar wanneer het opgroeit wordt het groter dan de moskruiden (Statenvertaling Matt. 13:24), zo hoog als een boom. Daarop moet het volk gewezen worden, dat net als een zaadje dat niet opvalt, het hemelse minder in het oog springt dan het wereldse. Daarna wordt ook nog duidelijk gemaakt hoe het rijk der hemelen werkzaam is als een beetje zuurdesem, dat klein is, maar alles doordringt, dus werkt - en dat was voor het voorstellingsvermogen van de toenmalige tijd nog veel duidelijker - als iets geestelijks. In de toenmalige tijd kon men zonder voorbereiding nog zeggen: Kijk naar het zuurdesem, dat de vrouw neemt om het brood te laten rijzen, het doorgeestelijkt het brood; kijk naar het hemelrijk, het doorgeestelijkt de wereld. Maar men kon niet tegen het volk zeggen: Verkoop alles! Men moet bij het volk stoppen bij dat waarop het wordt gewezen, anders zouden zij alles wat zij hebben verkopen uit egoïsme, om daarmee het rijk der hemelen te kunnen kopen.
Zo zien we in het 13e hoofdstuk van het Mattheüs-evangelie een constructie en compositie van de waarheid, maar waarin de waarheid niet als eenvoudig abstract wordt verkondigd.


uit: Rudolf Steiner Vorträge und Kurse über christlich-religiöses Wirken – 2e priestercursus (GA 343)
10e voordracht, Dornach 1 oktober 1921


een veld met mosterdplanten op Ameland

gele mosterdbloemen - Sinapis alba

Geen opmerkingen: