maandag 21 maart 2011

Graf en Tempel

De Tempel in Jeruzalem


Helgo Bockemühl: Graf en Tempel

Ten tijde van Jezus verhief zich op het grote tempelplateau in Jeruzalem, waar tegenwoordig de 'Koepel van de rots' staat, de prachtige tempel die Herodes in zesenveertig jaar had laten bouwen. Bij het beschouwen van dit gebouw had Jezus er tegen zijn vertrouwelingen over gesproken, dat geen steen daarvan op de andere gelaten zou worden (Marcus 13:2).
Maar er is ons ook nog iets anders, dat hij over de tempel gezegd heeft, overgeleverd; wij vinden dat in het evangelie volgens Johannes.
Daar eisen de Joden, wanneer Jezus bij gelegenheid van het Passahfeest in het jaar 31 in Jeruzalem is, een teken van hem. Hij antwoordt daarop: 'Breekt deze tempel af, en binnen drie dagen zal Ik hem doen herrijzen' (Joh. 2:19), en als de Joden, daarover ontsteld, hem onder het oog brengen dat men toch zesenveertig jaar aan dit bouwwerk had gebouwd, antwoordt hij niet, maar Johannes geeft het commentaar: 'Maar Hij sprak over de tempel van zijn lichaam' (Joh. 2:21).
Johannes, die door het overleveren van het belangrijkste dat Jezus over zichzelf zei, zijn intiemste kenner blijkt te zijn, laat ons in deze opmerking zien, hoe Jezus in de tempel een beeld, een symbool ziet van zijn lichaam, het lichaam dat de Messias, de Logos, als mens aangenomen heeft.
Ook het tafereel van de jonge Jezus in de tempel, dat Lucas schildert (Luc. 2:46) schijnt daarop te wijzen; de twaalfjarige komt daar tot zijn eigenlijke menszijn en voorvoelt de opdracht die hij zal krijgen.

De tempel

Deze tempel, die het volk Israël zo na aan het hart lag en waarmee Jezus zich zo verbonden voelde, bevatte als zijn wezenlijk cultisch middelpunt de ruimten en de structuur naar het voorbeeld van de Tabernakel. Men heeft een aantal Kanaänitische tempels opgegraven, die dezelfde structuur vertoonden, die dan in de tempel van Salomo de klassieke uitdrukking vond. De volgende drieledigheid had dus ook de tempel van Herodes:

1) een voorhof, door muren omgeven, slechts ten dele of in het geheel niet overdekt, met een brandofferaltaar, vanwaar het vuur en de rook naar de open hemel opstijgen.

2) de hoofdzaal, het Heilige, dat een gesloten binnenruimte was en twee elementen bevatte:
- a de zevenarmige kandelaar en de tafel voor de toonbroden, als beelden voor de goddelijke kosmische ordeningen van het zevental planeten en de twaalfvoudige krachten van de 'dierenriem'.
- b het kleine reukofferaltaar, met een bekken voor de houtskool. Wierook steeg daar op, het was de plaats voor inkeer en gebed.

3) het Heilige der Heiligen, dat ten tijde van Jezus leeg was. De ark van het verbond des Heren met haar kostbare herinneringsstukken uit de geschiedenis van het volk was in de troebelen van de Babylonische ballingschap verloren gegaan. Alleen nog de kale rotspunt werd door het Heilige der Heiligen omsloten. Het was de stille, het meest naar binnen gelegen plaats, waar jaarlijks op Grote Verzoendag de heilige naam van God werd uitgesproken. In dit 'binnenste' werd de aanwezigheid van de Allerhoogste beleefd, als het ware in zwijgen en niet zien.

Wij kunnen van verschillende niveaus van religieus beleven spreken, die in de tempel samengevat zijn:

1) Het volk nam zonder meer slechts aan vuur en rook onder de blote hemel deel. Dit was nog een soort natuurgodsdienst, waarin het offerbloed van het geslachte dier vloeide, waarin de vlam oplaaide, en de rook, door de wind opgenomen, oostwaarts naar de woestijn gedragen, ofwel naar het westen naar de stad toe neergedrukt werd: tekens van de genadige of de toornige God, die zich in wind en weer kond doet.

2a) Het beschouwen van de zinnebeelden van de kosmische ordening van de tijd (kandelaar en tafel voor de toonbroden) was al voorbehouden aan de priesters. Men krijgt de indruk, alsof van daaruit de week met de zeven dagen en het jaar met de twaalf maanden hun ordening kregen.

2b) Verder naar binnen dan, nog in dezelfde hoofdzaal, maar dichter naar het Heilige der Heiligen toe, ging alleen die priester die, zoals b.v. Zacharias, (Lucas 1:19) bezig was het reukoffer op te dragen, als uitdrukking van inkeer en gebed.

3) In het Heilige der Heiligen tenslotte heerste een volkomen verinnerlijkte, 'abstracte' religie zonder beelden of woorden: in de fysieke leegte was het hoogste geestelijke wezen aanwezig en werd alleen door de hogepriester bij zijn verheven, heilige naam genoemd.

Het graf

Laten wij nu deze tempel, die Jezus Christus als het beeld van zijn menselijk wezen beschouwde, eens vergelijken met het bouwsel, waarin op Goede Vrijdag zijn menselijk lichaam werd gelegd: het graf van Golgotha is immers de plaats, waar de 'tempel van zijn lichaam' afgebroken werd, opdat die binnen drie dagen weer opgebouwd zou kunnen worden. Hoe zag dit graf er uit?
Gaan wij de gegevens in de evangeliën na, dan zien wij dat men in het graf kon lopen, dat het dus horizontaal in de oplopende kalkrots uitgehouwen was. Tegenwoordig ziet men daarvan in de Heilige Grafkerk weliswaar nog slechts een fragment. Maar toentertijd waren er graven – dergelijke graven heeft men herhaaldelijk gevonden; dat waren dan de graven van de welgestelden, zoals Jozef van Arimathea die als volgt ingedeeld waren:
Enkele treden leidden naar beneden naar een soort voorportaal. Dan kwam de rolsteen, die in een goot voor de ingang gerold kon worden. Daar was de ingang van het graf. Men bevond zich eerst in een kamer waarin langs de zijwand een bank was. Daar kon men gaan zitten, om de dode te bewenen of aan hem te denken. Vandaar kwam men door een tweede, nauwe doorgang verder naar binnen. Deze tweede kamer had een nis aan de zijkant en was de eigenlijke bijzettingsplaats.

Merkwaardigerwijze hebben wij, behalve de archeologische vondsten, nog een aanwijzing voor de vorm van het opstandingsgraf, die echter helaas nagenoeg onbekend is: in Görlitz, in het oosten van Duitsland, bevindt zich een bouwsel, een maquette die het heilige graf moet voorstellen.
In het jaar 1465 was Georg Emerich van zijn bedevaart naar Jeruzalem teruggekeerd, en kort daarna schonk hij, als rijk burger, dit bouwsel als kopie van het graf, dat hij in Jeruzalem had gezien. Keizer Constantijn had de rots rondom het graf laten weghakken, zodat er een kapel was ontstaan, die met een hekwerk of een muur omgeven werd. In 1009 hebben de moslims onder kalief Hakim die kapel verwoest Niet lang daarna werd zij door de kruisvaarders weer opgericht. Zó moet Emerich haar hebben gezien, want volgens zijn maquette was vóór de eigenlijke grafkamer nog een 'engelenkapel', hetzij in plaats van de vroegere herdenkingsruimte of uit delen daarvan gebouwd. Zó kunnen wij het in Görlitz zien. Andere voorstellingen van het heilige graf, zoals in Konstanz en Magdeburg, zijn in een kerk opgesteld en hebben dus wel eerder symbolische waarde.Heilige Graf bij Görlitz

Vóór het graf in Görlitz ziet men een stenen afsluitplaat. Het is niet waarschijnlijk, dat Emerich nog de oorspronkelijke rolsteen gezien heeft. Vermoedelijk toonde men uit onbekendheid met de oude situatie met een ronde steen die in een goot gewenteld kon worden, een rechthoekige, zoals de kruisvaarders die uit Europa kenden, en zoals die in het Romeinse Rijk evenals in de Griekse cultuur bij sarcofagen gebruikelijk was geweest.
Daar in Görlitz kan men dus in eik geval een, zij het ook zwakke, afspiegeling van het heilige graf zien. Men twijfelt overigens ook al aan de echtheid van de door Constantijn gevonden plaats - de Grafkerk, die men tegenwoordig kan zien, dateert uit het jaar 1808.

Paasmorgen

Wij willen van de hierboven beschreven vorm van het graf uitgaan, zoals de archeologie die gereconstrueerd heeft:

Beschouwen wij nu de vier evangeliën en wat zij over de ontmoeting van de vrouwen met de engelen op de Paasmorgen vermelden, dan merken wij, hoe de opeenvolging van deze vier geschriften van de christelijke canon een wetmatigheid vertoont, die met de hierboven veronderstelde vorm van het graf overeenkomt.

Mattheus beschrijft in het 28e hoofdstuk, hoe de engel op de Paasmorgen in aardbeving en bliksem verschijnt; hij wentelt de steen weg en zet zich daarop. De vrouwen gaan bij de ontmoeting met de engel het graf niet binnen, misschien als gevolg van de aansporing, die de boodschap van de engel inhoudt: 'En gaat terstond op weg en zegt zijn discipelen . . .' (Matth. 28:7).
Marcus verhaalt hoe de vrouwen bij zonsopgang naar het graf gaan. Zij vinden de steen afgewenteld. Bij het betreden van het graf zien zij een 'jongeling aan de rechterzijde zitten, bekleed met een lang, wit gewaad'. Zij bevinden zich dus waarschijnlijk in de eerste ruimte, die gelegenheid moest bieden voor zitten, herdenken en bewenen (Marcus 16).
Lucas (24:3): 'En toen zij er ingegaan waren, vonden zij het lichaam van de Heer Jezus niet. En het geschiedde, terwijl zij daarover in verlegenheid waren, dat, zie, twee mannen in een blinkend gewaad bij haar stonden'. Pas na enige tijd van denken en innerlijke radeloosheid worden zij de geestelijke wezens gewaar, die hun vermanen, na te denken: 'Herinnert u, hoe Hij . . . tot u gesproken heeft ... En zij herinnerden zich zijn woorden'.
Johannes, de vierde evangelist, schildert de verschijning der engelen later, en op 'een plaats verder naar binnen toe (20:12): ' ... en zij zag twee engelen zitten, in witte klederen, één aan het hoofdeinde en één aan het voeteneinde, waar het lichaam van Jezus gelegen had'. Maria kan wellicht in de herdenkings en beweningsruimte gestaan, zich wenend voorovergebogen en bij het naar binnen zien in de eigenlijke bijzettingsruimte de engelen geschouwd hebben.

Wij ontdekken in de bijzondere vorm van elk van deze vier verhalen een diepere zin, wanneer wij de verschillen nu eens niet als met elkaar in tegenspraak willen elimineren, maar de berichten in hun eigen, karakteristieke vorm naast elkaar laten staan. Emil Bock heeft beschreven, hoe wij hier aan de hand van de teksten het geheim van verschillende hiërarchieën benaderen: van de 'exousiai' in de bliksem, via de 'archai', de jongeling, en de aartsengelen'in de blinkende gewaden', tot aan de engelen die aan Maria verschijnen.

Graf en tempel

Hier willen wij nog het tweede gezichtspunt uitwerken: wij worden van buiten tot diep in het graf naar binnen geleid en beleven in deze vier fasen een soortgelijke verinnerlijking als bij onze gang door de verschillende sferen van het religieuze beleven in de tempel te Jeruzalem:

1) In de 'voorhof, de open gang, verschijnt de engel van Jahwe in aardbeving en bliksem; zijn voorkomen is wit als sneeuw. In weersverschijnselen geeft de Heer dus zijn tekens, zoals vroeger bij Mozes, toen Hij in de wolken of vuurzuil voor het volk uittrok (Exodus 13:21).

2a) Bij het betreden van het graf zowel als van het heiligdom komen wij in het gebied van het kosmische tijdsverloop: 'toen ging de zon juist op' zegt Marcus, en de tempel biedt de aanblik van de zevenvoudig en twaalfvoudig geordende tijd. Dit is de sfeer van de 'oerbeginnen' (archai), van de tijden en levensronden naar hun uiterlijke zowel als naar hun innerlijke aard. De vrouwen ontmoeten de 'jongeling' als zij juist het graf zijn binnengegaan.

2b) Met Lucas zijn wij het gebied van de verinnerlijking binnengegaan. In de tempel verricht ook volgens het Lucasevangelie Zacharias aan het reukofferaltaar het gebed, als Gabriël hem verschijnt. Gabriël wordt in het evangelie weliswaar niet rechtstreeks als aartsengel aangeduid, maar elders in de christelijke overlevering heeft hij deze rang. Het evangelie zelf differentieert nergens de hemelse hiërarchieën. Op de daarvoor bestemde plaats in de grafruimte worden de vrouwen tot inkeer, herdenken en herinneren aangespoord. De ziel die zich innerlijk heeft voorbereid door het gebed, alsook (in het verhaal van de Paasmorgen), door de radeloosheid, vermag een boodschap te vernemen, waarin zij tot innerlijke beweeglijkheid wordt opgeroepen.

3) Bij Johannes betreden wij met het beleven van Maria Magdalena het Heilige der Heiligen van het graf, 'daar waar het lichaam van Jezus gelegen had'. Deze plaats is leeg, zoals ook het Heilige der Heiligen van de tempel. Maria is alleen. Hier is nu, naar het ons voorkomt, het karakteristieke keerpunt van het voorchristelijke naar het christelijke gebied: waar eens de allerheiligste naam van God in het binnenste gebied uitgesproken werd, wendt de mens zich weer om, naar buiten. Maria kan de Herrezene vóór het graf schouwen. Maar pas, wanneer Hij haar naam uitspreekt, herkent zij Hem. Eigenaardig genoeg het kan ons bevreemden luidt het dan nog eens: 'Zij keerde zich om'. Zou zij zich weer naar het binnenste van het graf toegekeerd hebben?
De ontmoeting in de ik sfeer (van het hoofd tot aan de voeten) wijst weer naar buiten, noemt de mens bij zijn naam en schenkt het eerste herkennen van de Herrezene.

(dubbelklik op de afbeelding voor een vergroting)


De nauwkeurige overeenkomst van graf en tempel, van de cultisch voltrokken religieuze vormen in de laatste met de beschrijvingen van de ontmoeting met de engelen op de Paasmorgen, wijst ons erop, dat zij een symbool voor het wezen van de mens zijn. Op de vier fasen van Joodse religiositeit en op de vier engelverschijningen in de opeenvolging van de evangeliën valt licht door de in de antroposofie ontwikkelde gedachte van de vierledigheid van de mens.
In de tempelcultus wordt dit door de vier niveaus direct aanschouwelijk. Christus vereenzelvigt zelf zijn menselijke bestaansvorm met dit beeld, en het lege graf verkondigt de vrouwen op de Paasmorgen uit de mond van de engelen de viervoudige opstanding:

(dubbelklik op de afbeelding voor een vergroting)

Tempel en graf spreken heel exact niet slechts over het aardse lichaam alleen, maar over het gehele mensenwezen, waarin Hij stierf en dat Hij tot opstanding bracht.

----

Vertaling en bewerking: Marie Veldhuyzen
Uitgeverij Christofoor Rotterdam 1978
ISBN 90 6238 065 4
Helgo Bockemühl 1977
Oorspronkelijke titel: Grab und Tempel - Sinnbilder für den Menschen

maandag 7 februari 2011

6e zondag na Epifanie

mosterdplant in bloei

Mattheüs 13 : 31 – 35 Het mosterdzaad en het zuurdeeg

Deze 6e zondag na Epifanie lezen we in de perikooptekst het vervolg op de evangelietekst van de vorige week met de gelijkenis van het onkruid in de akker. Rudolf Steiner sprak over het 13e hoofdstuk van het Mattheüs-evangelie tijdens een van de cursussen voor de priesters van de dan nog op te richten Christengemeenschap. Hierbij mochten ook (godsdienst-)leraren van de vrijeschool in Stuttgart aanwezig zijn o.a. Herbert Hahn, Willem Ruhtenberg, Ernst Uehli en waarschijnlijk ook Karl Schubert.

Rudolf Steiner:
Zo is het bijvoorbeeld van groot belang het 13e hoofdstuk van het Mattheüs-evangelie op zich in te laten werken, erin binnen te dringen, zoals we dat gisteren geprobeerd hebben en vandaag nog verder zullen doen, en dan alle parallelle gedeelten van het Lucas-evangelie in de ziel tevoorschijn roepen, die gedeelten waar ongeveer dezelfde situatie wordt beschreven. Men krijgt dan een heel andere indruk. [...]

Voor alles krijgt men grote bewondering voor de compositie van het 13e hoofdstuk van het Mattheüs-evangelie. De hele compositie is iets dat bewondering opwekt. Eerst hebben we de gelijkenis van de zaaier
(Matt.13:3-9). Na deze gelijkenis van de zaaier volgen drie andere gelijkenissen, die van het onkruid in de akker, van het mosterdzaad en van het zuurdeeg. Tussen deze gelijkenissen in lezen we over het onderricht aan de leerlingen, die alles anders moeten beluisteren dan dat het volk het aanhoort. Hij laat de schare gaan (Matt.13:36). En dan volgen meer gelijkenissen, die alleen aan de leerlingen verteld worden. (Matt.13:44). We hebben het inleiden van de leerlingen in, ik zou willen zeggen de geheimen, de gelijkenissen, die alleen aan de leerlingen verteld worden. En dan volgt de vraag: ‘Heb gij dit alles begrepen?’ en het antwoord is ‘Ja’ (Matt.13:51). Deze wonderbaarlijke compositie wordt nog prachtiger wanneer we op de details ingaan. Eerst wordt de gelijkenis van de zaaier eenvoudigweg neergezet [...] en nadat dit op een eenvoudige wijze is verteld beginnen de volgende gelijkenissen met de inleidende woorden: ‘Het Rijk der hemelen is gelijk een...’ Alle volgende gelijkenissen beginnen met deze aanhef, ook die voor het volk. Het volk word dus op die manier zorgvuldig voorbereid, dat hetgeen dan als feiten wordt voorgesteld, op het werk van het hemelrijk doelt. Meer wordt tegen het volk niet gezegd; dan worden zij weggezonden. De leerlingen wordt nog voorgehouden: de gelijkenis van de schat in de akker, de gelijkenis van de kostbare parel en de gelijkenis van de vissen die in het sleepnet worden gevangen, vele zullen worden teruggegooid, alleen de bruikbare worden als voedsel verzameld. Deze gelijkenissen worden alleen aan de leerlingen verteld en aan hen wordt gevraagd of zij dit alles begrijpen. Zij antwoorden met een ‘Ja’, dat in de samenhang van het evangelie hetzelfde betekent als wanneer wij tegenwoordig, als wij sowieso het juiste erbij voelen, zeggen: ‘Ja, Amen’. Daarin ligt de wonderbaarlijke compositie, die niet zomaar is gezocht, maar die zich op een natuurlijke manier blootgeeft. [...]

We proberen nu wat dieper door te dringen in deze wonderbaarlijke compositie. Laten we uitgaan van de drie gelijkenissen, die aan de leerlingen in afzondering worden verteld. Volgens de geest van het Mattheüs-evangelie wilde Christus deze niet aan het volk vertellen. Hoort u dat alstublieft goed, dat ik duidelijk zeg: vanuit de geest van het Mattheüs-evangelie zou Hij dat niet tegen het volk zeggen. Probeert u zich maar eens te herinneren wat in deze gelijkenissen wordt gezegd, die alleen aan de leerlingen worden gegeven. In de eerste is sprake van de man die een schat ontdekt in een akker, hij verkoopt al wat hij heeft om de akker waarin de schat ligt te kunnen kopen. Daar komt het in wezen op aan, dat hij alles verkoopt om de schat te verkrijgen. Dat mocht op die manier -de manier waarop de verbinding van Jezus en van zijn discipelen met het volk moet worden begrepen- aan het volk niet gezegd worden.
Waarom niet? Omdat er een bepaald gevaar optreedt, het gevaar van het egoïstisch worden, het gevaar van de belonings-ethiek. Men kan niet zonder het volk te schaden, zo maar, zonder meer het egoïsme aanspreken. Men spreekt het egoïsme nu juist aan, wanneer men iemand het goede wil laten doen en naar de beloning van het eeuwige verwijst. De belonings-ethiek, die in de grond van de zaak in sterke mate de betekenis van het Oude Testament is, deze belonings-ethiek wordt door Christus Jezus afgewezen. Daarom vertelt hij zo’n gelijkenis, die iemand die niet is voorbereid, uitzicht zou kunnen geven op beloning. Slechts aan diegenen wordt hij verteld, die zover zijn voortgeschreden, dat zij niet meer in gevaar kunnen komen de gelijkenis op een egoïstische manier te duiden. De leerlingen, die door hun samenleven met Christus Jezus over het egoïsme zijn heen gegroeid, aan hen kan pas verteld worden, dat men het hemelrijk met een schat kan vergelijken. In de leerlingen werd de drang tot egoïsme daardoor niet opgewekt. [..]

Het hele 13e hoofdstuk van het Mattheüs-evangelie is een aanwijzing, om de mensen geduldig tegenover het lot te maken; daarom kan pas het allerlaatste worden onthuld hoe het er aan het einde der wereld aan toe zal gaan. Zo zijn de laatste gelijkenissen die in het geheim tegen de leerlingen kunnen worden verteld omdat bij hen zeker is dat zij hetgeen Christus zal zeggen -ook het verschrikkelijkste- op dat moment onzelfzuchtig kunnen opnemen. Daarom zeggen zij: ‘Ja, Amen’. [...]


Geheel in de stijl van het 13e hoofdstuk wordt erop attent gemaakt dat de mens, wanneer hij de uitleg van de gelijkenissen wil benaderen, als volledige mens, met concentratie van de volledige mens, vanuit het hart de betekenis moet leren zien. Vandaar dat Christus Jezus duidelijk maakt: pas nadat zij geheel objectief de gelijkenis van de zaaier hebben opgevat, dat wat met de gelijkenis van de zaaier is gegeven, kan Hij verdere objectieve gelijkenissen vertellen en deze laten wijzen op de werking van het rijk der hemelen. Vooral de gelijkenis van het goede zaad en het onkruid
(Matt. 13-24-30) doelt erop, dat het goede niet kan gedijen, zonder dat het boze ernaast bestaat. Opnieuw kan men zeggen dat dit alles met natuurwetenschappelijk inzicht wordt gezegd. Want tegenwoordig weet men dat wij schade kunnen toebrengen wanneer wij op een verkeerde manier onkruid wieden. Net zo goed zal het de mensheid schaden wanneer wij de zonden willen uitroeien, door de ziel van de zondige mensen niet voor het gerecht te voeren, maar zouden uitroeien ‘voor de oogst’, dat is voor het einde van de wereld. Tot daar kan men gaan ten overstaan van het volk, over wat werkt in kruid en onkruid. Ook kan men voor het volk nog zover gaan, dat objectief wordt voorgesteld, hoe de wereld in de verten is uitgestrekt, en hoe men moet komen tot dat wat de wereld draagt, tot het hemelse rijk. Het rijk der hemelen is gelijk een mosterdzaad. Het is het kleinste van alle zaden, maar wanneer het opgroeit wordt het groter dan de moskruiden (Statenvertaling Matt. 13:24), zo hoog als een boom. Daarop moet het volk gewezen worden, dat net als een zaadje dat niet opvalt, het hemelse minder in het oog springt dan het wereldse. Daarna wordt ook nog duidelijk gemaakt hoe het rijk der hemelen werkzaam is als een beetje zuurdesem, dat klein is, maar alles doordringt, dus werkt - en dat was voor het voorstellingsvermogen van de toenmalige tijd nog veel duidelijker - als iets geestelijks. In de toenmalige tijd kon men zonder voorbereiding nog zeggen: Kijk naar het zuurdesem, dat de vrouw neemt om het brood te laten rijzen, het doorgeestelijkt het brood; kijk naar het hemelrijk, het doorgeestelijkt de wereld. Maar men kon niet tegen het volk zeggen: Verkoop alles! Men moet bij het volk stoppen bij dat waarop het wordt gewezen, anders zouden zij alles wat zij hebben verkopen uit egoïsme, om daarmee het rijk der hemelen te kunnen kopen.
Zo zien we in het 13e hoofdstuk van het Mattheüs-evangelie een constructie en compositie van de waarheid, maar waarin de waarheid niet als eenvoudig abstract wordt verkondigd.


uit: Rudolf Steiner Vorträge und Kurse über christlich-religiöses Wirken – 2e priestercursus (GA 343)
10e voordracht, Dornach 1 oktober 1921


een veld met mosterdplanten op Ameland

gele mosterdbloemen - Sinapis alba