maandag 9 november 2015

24e Zondag na Trinitatis

Friedrich Overbeck: Het Dochtertje van Jaïrus
Het dochtertje van Jaïrus

Hieronder het verhaal van de opwekking van het dochtertje van Jaïrus, zoals het is opgetekend uit de mond van Anna Katherina Emmerich. Rudolf Steiner zei tegen de eerste priesters van de Christengemeenschap over haar: 'Het is een betrouwbare slaapwandelaarster. Lees alles, wat u in handen kunt krijgen. Het is uiterst belangrijk!' Emil Bock haalt haar uitspraken in zijn werken regelmatig aan. Haar beschrijvingen kunnen in ieder geval een hulp zijn om ons de omstandigheden rond de gebeurtenissen in dit verhaal levendig voor te stellen, zodat we daarmee beeldend kunnen vertellen.


Anna Katherina Emmerich:
Jezus en de leerlingen namen hierop een verkwikking. Vervolgens trok Hij naar de markt van Kafarnaüm en genas daar vóór de synagoge verscheidene zieken. Terwijl Hij daarmee bezig was, kwam Jaïrus, de synagogeoverste, zich vóór Jezus neerwerpen en Hij bad Hem mee te gaan om zijn zieke dochter die op sterven lag, te genezen. Maar Jezus was met andere genezingen bezig, en toen Hij met Jaïrus wilde meegaan, baden de zieken Hem met aandrang, te blijven en zij wilden Hem niet laten gaan, maar Hij zei hun dat Hij nog vóór het sluiten van de sabbat tot hen zou weerkeren.
 

Op het ogenblik nu dat Hij met Jaïrus vertrok, kwamen daar boden uit het huis van Jaïrus, die Hem zeiden: “Uw dochter is gestorven, gij moet de Meester niet verder lastig vallen.” (vergelijk: Marcus 5:35). Maar Jezus zei tot Jaïrus: “Vrees niet, geloof aan Mij en dan zult gij geholpen worden.”
 

Nu gingen zij aan de noordzijde van de stad opwaarts, waar Cornelius woonde. Op geen grote afstand van zijn huis stond het huis van Jaïrus. Zodra zij in de nabijheid van dit laatste kwamen, zagen zij aanstonds ook vele rouwlieden en klaagvrouwen vóór de deur en in het voorhuis.
 

Nu nam Jezus alleen Petrus, Jakobus de Meerdere en Joannes met zich naar binnen mee. In het voorhof zei Hij tot de klagers: “Waarom jammert en schreit gij zo? Gaat van hier weg: het dochtertje is niet dood, maar slaapt slechts!”
 

Nu begonnen de klagers en klaagsters te lachen en te spotten, omdat zij wisten dat zij dood was; doch Jezus herhaalde zijn bevel heen te gaan en zij moesten het voorhof uit, dat nu aanstonds gesloten werd. (vergelijk: Marcus 5:40). 

Nu trad Jezus in de keuken, waar de bedroefde moeder en haar dienstmeid bezig waren met de lijkdoeken in gereedheid te brengen, en Hij ging met de vader, de moeder en de drie leerlingen in de kamer, waar de dochter lag.
 

Jezus trad bij het bed; de ouders stonden achter Hem en de leerlingen rechts aan het voeteinde van het bed.
 
De moeder stond mij (Anna Katherina E.) volstrekt niet aan; zij had geen vertrouwen en was koud; ook de vader was geen enthousiaste vriend van Jezus, maar zo gesteld dat hij er vooral op bedacht was het bij de Farizeeën niet te verkerven; alleen de angst en nood hadden hem tot Jezus gedreven: “Geneest Jezus het kind, zo had hij geredeneerd, dan heb ik het terug; geneest Hij het niet, dan zal dit een triomf zijn voor de Farizeeën.” Doch ten laatste had de genezing van de knecht van Cornelius een diepe indruk op hem gemaakt en hem meer vertrouwen ingeboezemd.

Het dochtertje was niet zeer groot en als uitgeteerd; ik hield haar ten hoogste voor 11 jaar oud, doch van de kleinste van die leeftijd, want men treft Jodenmeisjes van twaalf jaren aan, die lichamelijk geheel gevormd zijn. Zij lag op het bed, in een lang kleed gewikkeld. Jezus nam haar zeer gemakkelijk op zijn armen; legde haar tegen zijn borst en ademde haar aan.
 

Toen zag ik iets wonderbaars. Ik had naast het lijk aan de rechterzijde een kleine lichtgestalte in een heldere kring gezien en op het ogenblik dat Jezus het meisje aanademde, zag ik dit licht naar haar mond gezweefd komen en als een kleine schitterende mensenfiguur er in neerzinken.
Jezus legde het lichaam weer neer op het bed, vatte de arm van het meisje als een geneesheer bij de pols boven de hand vast en zei: “Meisje, richt u op.”
 

Toen zette het zich rechtop in haar bed en Hij hield het voortdurend bij de hand vast. Dan zette het zich rechtop in haar bed, richtte zich volkomen op en steeg aan Jezus’ hand van het bed. Daar de opgestane nog zeer zwak was en zich wankelend vooruit sleepte, leidde Jezus ze in de armen van haar ouders, die in het begin van de handeling koel en verlegen, daarna sidderend en bevend toegezien hadden en nu van vreugde geheel buiten zichzelf waren.
Jezus zei hun: “Geeft het kind wat te eten en maakt van deze zaak geen onnodig gerucht.” (vergelijk: Marcus 5:43).
 

Na de dankbetuiging van de vader ontvangen te hebben, daalde Jezus weer naar de stad af.
 

De vrouw was zo beschaamd en ontsteld, dat zij Jezus nauwelijks bedankte. Ondertussen was het gerucht reeds onder de klaagvrouwen verspreid dat het dochtertje weer leefde; zij traden voor Jezus uit de weg; enige waren beschaamd; andere (nog steeds ongelovig), laag van karakter, durfden nog te schimpen; dan gingen die vrouwen in het huis en zagen het meisje daar zitten eten.
 

Op de terugweg sprak Jezus met de leerlingen over deze genezing en zei: “Deze mensen hebben weliswaar geen behoorlijk geloof gehad en geen blijk van een ridderlijke gezindheid gegeven, maar hun dochter heb ik om harentwil van de dood opgewekt en tot bevordering van het Rijk van God. Deze dood was een onschuldige dood, doch zij moet zich voor een ergere dood, de zieledood in acht nemen.”
 

In de stad keerde Hij terug naar de markt en genas er nog vele zieken, die daar op zijn terugkeer waren blijven wachten. Vervolgens leerde Hij in de synagoge tot het sluiten van de sabbat. Maar de Farizeeën waren zo verbitterd, zo vol nijd en woelige onrust, dat zij licht de hand aan Hem geslagen zouden hebben, indien Hij zich daarna met hen nog ingelaten had; zij kwamen reeds weer met hun laster voor de dag dat Hij zijn wonderen door toverij verrichtte. Maar Jezus verdween onder de menigte en verliet de stad en ging door de tuinen van Serobabel. Ook de leerlingen moesten zich verspreiden.

bronnen:
http://www.emmerick.be
Hans Lüthje: 'War es so?' - Das Wunder von Christi Inkarnation und Katherina Emmerichs Gesicht
(Lüthje was priester van de Christengemeenschap)

= = = = =
Irene Johanson vertelt het verhaal als volgt:
Op een dag kwam er een man naar Jezus toe die Jaïrus heette. Hij was een van de oversten van de synagoge. Hij wierp zich aan Jezus voeten neer en zei: “Heer, ik heb een dochtertje dat op sterven ligt. Ze is nog maar twaalf jaar oud. Al sinds haar geboorte is ze ziekelijk. Ze heeft te weinig bloed. Van jaar tot jaar is ze bleker geworden en zwakker. Ik smeek U lieve Heer, kom en red haar.” 
Jezus ging met Jaïrus op weg. Maar er waren zoveel mensen gekomen om Jezus te zien dat ze bijna niet op de plek konden komen waar ze heen wilden. Onder de menigte was een vrouw die al twaalf jaar aan een ziekte leed. Ze had teveel bloed en kon het niet bij zich houden. Ze leed er erg onder maar ze had niet de moed om Jezus te vragen haar te genezen. Ze sloop stiekem Simon voorbij en liep van achteren Jezus tegemoet. Simon zag het gebeuren en dacht: “Wat gaat zij nu doen? Ze is ziek. Waarom vraagt ze de meester niet haar te genezen? Misschien is moedeloosheid haar ziekte.” Hij zag hoe de vrouw de zoom van de mantel van Jezus aanraakte. Ze ging weer staan en verdween in de menigte. “Wie heeft Mij aangeraakt?” vroeg Jezus. En Petrus zei: “Heer, er kunnen zo veel mensen u hebben aangeraakt. Het is een gedrang en geduw van jewelste. Waarom vraagt u dat? Het kunnen er zoveel zijn geweest". Jezus zei: “Nee, daarom vraag Ik het niet. Ik voelde dat er een kracht van mij uitging die iemand bij Mij weghaalde”. De vrouw merkte dat het niet onopgemerkt kon blijven wat ze had gedaan. Ze knielde bevend aan de voeten van Jezus en vertelde Hem waar iedereen bijstond dat ze al twaalf jaar lang teveel bloed had, dat doorlopend vloeide en dat zij al haar krachten met het bloed verloor. Ze had slechts de zoom van Zijn kleed had aangeraakt. Het bloeden had meteen opgehouden. 
Simon dacht: “Wat het meisje te weinig heeft, had zij teveel. En allebei leden ze al twaalf jaar lang aan het teveel of te weinig. De Heer van de nieuwe gerechtigheid zal dit in evenwicht brengen.” 
Jezus zei tegen de vrouw: “Mijn dochter, je geloof heeft je moed gegeven om dit tegen mij te zeggen, waar iedereen bij stond. Deze moed zit van nu af in je bloed. Ga heen in vrede.”
 

Nog terwijl Hij dit zei kwam een van de oversten van de synagoge naar Jaïrus en zei: “Je dochtertje is gestorven. Val de Meester niet langer lastig.” Maar Jezus zei tegen hem: “Wees niet bevreesd, je hebt gezien hoe de vrouw met de bloedziekte door haar geloof moed gekregen heeft. Zo kun jij ook door de kracht van je geloof en je moed meehelpen je kind gezond te maken. Hij ging het huis binnen, en liet behalve Petrus, Jacobus en Johannes en de vader en moeder niemand binnen. Alle mensen huilden en klaagden over de dood van het meisje. Simon zei: “Huil maar niet, ze is niet dood, ze slaapt. Maar ze lachten hem uit want ze wisten zeker dat ze was gestorven. Simon zei: “Jullie zullen meemaken dat de Heer de weegschaal van het lot in evenwicht brengt. Aan de ene kant is de vrouw van daarnet bevrijd van datgene wat ze al twaalf jaar lang teveel had, en nu krijgt aan de andere kant het meisje erbij wat ze al die twaalf jaar te weinig had. Wie in Hem gelooft komt in evenwicht met het lot. Toen Simon dit zei kwam de vrouw bij de groep van treurende mensen aan. Ze wilde met haar nieuwe moed in haar bloed voor het zieke meisje bidden en Jezus smeken haar te genezen. Gelijk gingen de deuren open, Jacobus kwam naar buiten en zei: “Hij heeft haar in het leven teruggeroepen en mij gevraagd of ik haar brood wilde brengen.” De mensen verwonderden er zich over en gingen beschaamd naar huis. Alleen Simon, de vrouw en de andere leerlingen bleven over en wachtten op Hem. Daar kwam Hij naar buiten, het twaalfjarige dochtertje van Jaïrus aan de hand. Hij bracht haar bij de vrouw. De twee genezen mensen keken elkaar aan. Het was alsof ze elkaar lang hadden gezocht en eindelijk gevonden. Van die dag af zochten ze elkaar iedere dag op en werden goede vrienden van elkaar.
(met dank aan Bert Verschoor voor de vertaling)

bron: Irene Johanson: Wie die Jünger Christus erlebten - Verlag Urachaus, Stuttgart

donderdag 29 oktober 2015

1 en 2 november: Allerheiligen - Allerzielen

Fra Angelico
Op de twee eerste dagen van november kunnen we de aandacht richten op de wereld van de gestorvenen. De hele maand november tot aan het begin van de Advent is daarvoor bijzonder geschikt. Binnen de protestantse kerken wordt de laatste zondag van november Dodenzondag of Eeuwigheidszondag genoemd, ooit bedoeld als tegenhanger van het Rooms-katholieke Allerheiligen en Allerzielen. Men heeft in oudere tijden altijd aangevoeld dat november hiervoor een geschikte maand is, omdat in de tijd waarin de dagen nog steeds korter worden, de levenssfeer om de aarde zich steeds dichter samentrekt en waardoor de aarde haar zielenwezen als het ware inademt en de wereld van de gestorvenen het meest dichtbij komt. We mogen er echter vanuit gaan, dat de wereld van de gestorvenen altijd dichtbij is. De geestelijke wereld is altijd en overal om ons heen. Het is slechts onze vorm van bewustzijn die verhindert om die werkelijkheid waar te nemen. November is ook nog eens de maand van de Schorpioen en de slachtmaand.

Het vieren van Allerheiligen en Allerzielen is in onze tijd zowat verdwenen en wordt in ieder geval enorm overschaduwd door het uit Amerika overgewaaide Halloween op de avond van 31 oktober.
De naam "Halloween" is afgeleid van Hallow-e'en, oftewel ‘All Hallows Eve’ (Allerheiligen-avond) en tijdens dat oud-Keltische feest werd ook juist de realiteit van de zielen van de gestorvenen ervaren. Tegenwoordig is het verworden tot een platte Harry Potter-achtige gebeurtenis met bangmakerijen. En natuurlijk wordt het ook flink commercieel uitgebuit.

Zinvoller is het om ons af te vragen of we op een eerbiedwaardige manier de wereld van de gestorvenen en onze eigen dierbaren die gestorven zijn, kunnen gedenken. En daarop volgt natuurlijk ook de vraag: Is dat iets om ook de kinderen bij te betrekken en zo ja, op welke manier zou je dat kunnen doen? Moeten we met de kinderen wel over de dood en het sterven spreken, of is dat te belastend?

Vaak hoor je hierop negatieve antwoorden van ouders, soms ook van leerkrachten. Men vindt de dood geen gespreksonderwerp voor kinderen. In onze tijd is de wereld van de gestorvenen sowieso weggestopt, omdat het alomtegenwoordige materialisme, dat de hele cultuur heeft doordrongen, nauwelijks inhoud kan geven aan dit onderwerp. Ontkennen van een geestelijke werkelijkheid leidt tot intellectualisme en tot sentimentaliteit en juist die twee elementen zijn uitermate schadelijk voor de kinderziel.
Voor een klein kind hoort het sterven gewoon bij het leven. Het duurt een hele tijd voordat een kind de ervaring met de dood als een persoonlijk iets gaat beleven. Het kind komt namelijk zelf uit een hemelse-geestelijke wereld en het is nog maar net begonnen om hier op aarde voet aan de grond te krijgen. Die andere wereld is voor hem veel vanzelfsprekender. We mogen er zelfs vanuit gaan, dat hun ziel op weg naar de aarde ook de zielen van de pasgestorven mensen is ‘tegengekomen’.
Bij het opvoeden hoort dan ook, dat we kinderen vertrouwd maken met het sterven zoals dat op aarde plaatsvindt. Intellectualisme leidt tot een ontkennen van alles wat maar geestelijk is, dus ook tot het ontkennen van het bestaan van de wereld van de gestorvenen. Maar zeer zeker is ook elke vorm van sentimentaliteit over de gestorven dierbare mens voor een kind niet te verteren. Oprecht verdriet is iets anders dan de sentimentaliteit waarmee we zo vaak worden geconfronteerd. Juist de jonge kinderziel heeft objectiviteit nodig, opdat het kind in vrijheid van het leven kan leren, zeker over zaken die te maken hebben met de wereld van de geest.

Voordat we er over denken, wat we met en voor kinderen kunnen doen, moeten we onszelf echter eerst afvragen: Wat doen wij eigenlijk zelf met en voor de gestorvenen? Hoe kunnen wij de kinderen hierin voorgaan?

Wanneer iemand dat zou willen zou hij of zij het voor zichzelf kunnen proberen in te richten, om op elke zaterdagochtend een dierbare gestorvene te gedenken. Men kan van de gestorven zielen, waarmee men zich in het leven verbonden heeft gevoeld, zich hun karakteristieke gebaren, eigenschappen en gewoontes voor de geest halen en voor dat moment eventueel één of meer kaarsen branden. Daarna is het goed om voor hen bijvoorbeeld het 16e hoofdstuk van het evangelie volgens Marcus voor te lezen.
Ook zou men ertoe kunnen komen om voor de gestorvenen voor te lezen uit een van de geesteswetenschappelijke boeken of voordrachten.
Rudolf Steiner zegt hier zelf over:

Ik heb eens, of misschien wel vaker uiteengezet, hoe men de gestorvenen kan helpen. Het is namelijk door bijzondere omstandigheden mogelijk, dat de gestorvenen er iets aan hebben, wanneer wij voor hen toegankelijk maken wat wij als geesteswetenschap verwerven door voor hen voor te lezen. Ik heb erop gewezen, dat het voor degene die door de poort van de dood gegaan is, van veel belang is als wij hem in de geest iets uit de geesteswetenschap voorlezen, als wij ons hem heel levendig voor de geest halen, en hem (het kunnen er ook meer, het kunnen er velen zijn) natuurlijk niet hardop, maar als het ware in gedachten een hoofdstuk uit de geesteswetenschap voorlezen. Dat lijkt dwaas voor degenen die geloven: als de mens dood gaat, is de hele geestelijke wereld om hem heen, en dan heeft hij ons voorlezen dus niet nodig. Maar zo dwaas is het toch niet. [..] Net zo min als een mens hier de zintuiglijke wereld (werkelijk) begrijpt hoewel hij zelf in die wereld leeft, zo heeft ook de gestorvene enkel doordat hij door de poort van de dood is gegaan, nog geen kennis van de geestelijke wereld, hoewel hij in die wereld vertoeft. Die kennis moet hij zich namelijk hier op aarde verwerven. Als wij voor hem voorlezen, is het alsof hij iets als een spijs ontvangt; dat stroomt in hem binnen. […] Dan zullen zij met hetgeen zij uit een verbinding met ons kunnen putten, door middel van hun etherlichamen terugwerken op de aardse cultuur, en zullen met de op aarde levende mensen samenwerken om het spirituele leven te bevorderen.
(een voordracht van 26 januari 1915 – uit: Menschenschicksale und Völkerschicksale (GA 157)

Waarom op zaterdag? De zaterdag is de dag van Saturnus, de afsluiting van de week, de Sabbath. Net zoals november de dodenmaand is, is zaterdag de dag van het afsluiten en sterven. Niet enkel de Stille Zaterdag heeft deze kwaliteit, elke zaterdag staat in het teken van het gebaar van de graflegging.
Het 16e hoofdstuk van het Marcus-Evangelie beschrijft nu juist o.a. de Opstanding, de Hemelvaart. Deze tekst kan voor de zielen in de geestelijke wereld een ankerpunt vormen. In voorchristelijke tijden begeleidde het zonnewezen Christus de zielen door het geestesrijk. Sinds het Mysterie van Golgotha heeft Christus zich met de aarde verbonden en begeleidt Hij de zielen na hun aardeleven niet meer vanuit de zonnesfeer. Doordat de mens op aarde een verbinding met het Christuswezen zoekt, ontwikkelt hij in zichzelf de kracht om de weg te vinden door het geestesrijk. Christus begeleidt dan de zielen na de dood vanuit de aarde. Dat kunnen we lezen in de woorden van het 16e hoofdstuk van het Marcus-evangelie. Wanneer wij de gestorven zielen deze gedachten toezenden, kunnen zij daarmee een ankerpunt vinden.

Op een school kan het team van leraren besluiten om tijdens een vergadering in de maand november een moment in te ruimen om stil te staan bij ouders, collega’s bestuursleden en eventueel oud-leerlingen die zijn overleden. Het ligt voor de hand om die zielen te noemen en te gedenken, die de actuele leden van het lerarenteam nog gekend hebben. Een andere mogelijkheid zou kunnen zijn, om dit kort op de ochtend van 2 november, op Allerzielen, te doen. Afsluitend kan men dan een toepasselijke spreuk lezen, bijvoorbeeld het volgende naar Rudolf Steiner:

Jij was met ons (deze school) verbonden.
Blijf met ons verbonden.
Wij zullen spreken met elkaar
in de taal van het eeuwig zijn.
Wij zullen samenwerken
daar waar de vrucht der daden werkt.
Wij zullen weven in de geest
daar waar in het woord der eeuwige gedachten
mensengedachten worden geweven.


Allerheiligen-ikoon (anoniem)
Wanneer volwassenen de moeite nemen om op een dergelijke of soortgelijke manier stil te staan bij de gestorven medemensen, kunnen we erover denken een manier te zoeken waarop we met kinderen over de dood en doden zouden kunnen spreken.

Helmut von Kügelgen schrijft:
‘Wanneer volwassenen de aarde-dood van een mens leren zien als een geboorte in de geestelijke werelden, dan zullen kinderen dit als een gewoon feit accepteren. Dan zou de stervensdag van een dierbare kunnen worden gevierd als een hemelse geboortedag. Ja, met vreugde en dankbaarheid kunnen we dan vieren dat deze dierbare persoon met ons op aarde heeft geleefd en nu is teruggekeerd naar de wereld, die ook voor onszelf het thuisland is. Van jongs af aan is het dan voor kinderen normaal om zowel verjaardagen en hemelse verjaardagen te vieren en zo ook de doden te gedenken. Het wordt dan een onderdeel van het sociale leven om de wereld van de geest te accepteren. Daarmee ontwikkelen kinderen, tegelijk met een brede blik op de mens en wereld, een objectieve basishouding ten opzichte van het religieuze vermogens.’

De viering van zo’n hemelse geboortedag zou een onderdeel kunnen worden van de gezinscultuur, wanneer men jaarlijks op gepaste wijze maar duidelijk aandacht besteedt aan de stervensdag van een dierbare, een grootouder, een van de ouders of een broertje of zusje.

Rudolf Steiner heeft bij verschillende gelegenheden uitgelegd, dat het verschillend is wanneer wij een oudere, volwassene te betreuren hebben of wanneer we met de dood van een kind te maken hebben.
In het eerste geval zal de ziel, die tijdens een heel leven op aarde veel ervaring heeft opgedaan en al zijn krachten heeft gebruikt, onze liefde en aandacht meenemen. Zij trekken iets van onze zielen naar zich toe.
Kinderen en vrij jonge mensen blijven echter bij ons:
Wanneer vrij jonge mensen of kinderen door de poort van de dood gaan. dan blijkt namelijk dat er een bepaalde verbinding blijft bestaan tussen de levende en deze doden, een verbinding die een ander karakter heeft dan wanneer het om oudere mensen gaat. […] Als wij kinderen verliezen is het goed beschouwd zó, dat zij in feite helemaal niet wèrkelijk van ons weggaan, maar eigenlijk bij ons blijven.
(voordracht Berlijn, 5 februari 1918 uit: Erdensterben und Weltenleben GA181)

De krachten, die een oudere mens gebruikt en verbruikt heeft voor het aardeleven, hebben kinderen die vroeg sterven nog niet of nauwelijks gebruikt om bijvoorbeeld hun fysieke lichaam, hun etherlichaam of hun ziel vorm en inhoud te geven. De niet verbruikte krachten kunnen zij schenken aan en voor zaken op aarde.

Men zou herinneringen kunnen uitwisselen, een kaars branden, men zou wat muziek kunnen maken of zingen (*), iets lekkers drinken met een taartje erbij, een toepasselijk verhaal voorlezen en eventueel een spreuk ter afsluiting. Zelfs al is de inhoud van zo’n spreuk niet meteen voor het begrip van een kind toegankelijk, wanneer een dergelijke spreuk door een ouder met aandacht en innigheid gelezen, gesproken wordt, wanneer het ritueel een jaarlijks terugkerend gedenkmoment wordt, dan zal de inhoud ervan bij het kind eerst in het gevoel leven en later pas bewust begrepen worden. Zoals hierboven al aangegeven: intellectuele uitleg past de kinderziel niet. De kinderen nemen echter de intentie en stemming waarmee de volwassene iets doet haarscherp waar.

Spreuk door kinderen voor de doden:
Wij weten het, hoe uit de pop
de lichte vlinder opwaarts zweeft
en dat, al teert het lichaam op,
de ziel in ’t land der geesten leeft.

Gij schrijdt in het heelal nu voort
en wijd, steeds wijder wordt uw baan.
Dan komt gij in des Vaders oord.
Gelouterd neemt Hij graag u aan.

Hij neemt u mee waar heil ontspringt,
gij stroomt door al wat bloeit en leeft,
gij zijt nabij en gij omringt
de mens die naar het goede streeft.

En staan de doden in ’t gericht,
dan bidden wij U, eng’lenheer,
leg onze liefde voor hen neer,
van ons geloof het hoopvol licht.

Wij willen naarstig zijn en waar,
dan wordt voor u de aarde licht.
Wij zullen bouwen het altaar
waarvoor de macht van ’t boze zwicht.

(Friederich Doldinger, vertaling J.C.Ebbinge Wubbe)

Helmut von Kügelgen:
‘Het is voor mij zeer belangrijk om de grote vergissing en soms het wijdverspreide gerucht weg te nemen, dat men vanuit de vrijeschool-pedagogie afraadt om met kinderen aandacht te besteden aan de dood en de gestorvenen. Rudolf Steiners eigen aanwijzingen voor de pedagogie spreken dat tegen. Natuurlijk moeten we de manier waaróp we spreken over de dood, onze geliefde overledenen en over het Christuswezen afstemmen op de ontwikkelingsfase van het kind.’

Helmut von Kügelgen heeft vooral veel betekend voor het kleuteronderwijs in de vrijeschool-beweging. Hij wees met zijn opmerkingen vooral ook op het jonge kind. Echter, juist kinderen in die leeftijd zijn in staat extra scherp waar te nemen of de volwassenen in hun omgeving ook zelf een werkelijke verbinding hebben met wat zij doen. Vooral op dit terrein, de omgang met de gestorvenen, is het daarom zo belangrijk dat leraren en ouders, door dit zelf te verzorgen, de kinderen voorgaan.

bronnen:
Helmut von Kügelgen: Die Kleine Reihe No.8 ‘Für den Totendienst’ - Stuttgart 1996
A.Boogert: Bij het sterven van kinderen - Rotterdam 1981, uitgeverij Christofoor




(*)
Bij her zingen van het verjaardagslied ‘Lang zal hij/zij leven’ kan men zich afvragen wat ‘In de Gloria’ betekent. Het woord ‘Gloria’ betekent ook glans, of schijn. De Gloria is de wereld die zichtbaar is voor onze ogen, die waarneembaar is middels onze zintuigen. Maar de wereld van de zintuigen is een sluier van ver-schijn-ingen en achter deze glans ligt nu juist de geestelijke werkelijkheid van een goddelijk scheppende wereld verborgen. In dit licht kan ‘Lang zal hij/zij leven in de Gloria’ dan ook worden opgevat als: ‘Lang zal hij/zij leven binnen deze zintuiglijke aardewereld.’ Daarmee kun je een op aarde levende ziel toezingen.
uit: Lucas 2:14:
GLORIA In EXCELSIS DEO (Latijn)
ΔΟΞΑ ΕΝ ΥΨΙΣΤΟΙΣ ΘΕΩ (Grieks) Doxa en hupsistois TheoDoxa o.a.: oordeel, opinie, pracht, luister, helderheid, schijn, glans, grootheid, heerlijkheid, majesteit.