zaterdag 21 februari 2009

Invocavit (1e zondag in de Vastentijd)

Invocavit wordt deze zondag genoemd naar Psalm 91:15 - "Invocavit me et ego exaudiam eum" - Hij roept mij aan en ik zal hem verhoren. Het is de zondag na Carnaval.

Duccio di Buonsegna (1282 - 1339): de Verzoeking



Mattheüs 4 : 1 – 11 De verzoeking in de woestijn

Na het carnavalsfeest beginnen we op deze zondag serieus aan de voorbereiding op de lijdenstijd en Pasen: De verzoeking in de woestijn. Het gedeelte uit het evangelie volgens Mattheüs dat we deze dag lezen volgt direct op de Doop in de Jordaan. Bij die doop daalde het goddelijk wezen van Christus af in het lichaam van Jezus van Nazareth. Bij de Doop in de Jordaan werd het lichaam van Jezus pas echt de drager van de Christusgeest. Het lichaam van Jezus was op zichzelf ook al op een gecompliceerde wijze voorbereid. Het fysieke lichaam en etherlichaam van het Jezuskind uit het Lucas-evangelie, bij geboorte overstraald door de zegenden krachten van het Boeddhawezen, werd doordrongen van het astraallichaam en Ik van het kind Jezus uit het evangelie volgens Mattheüs. Dit gebeurde toen dit Lucas-kind twaalf jaar werd (zie perikoop 1e zndg na Epifanie). In dit laatste kind is de individualiteit van Zarathustra werkzaam, die zich in vele eerdere incarnaties had gericht op de komst van het hoge Zonnewezen. In deze incarnatie offert hij eerst zijn eigen lichamelijkheid op, om dat van het Lucas-kind te doordringen met zijn wijsheid en aarde-ervaring. Bij de doop in de Jordaan trekt het Ik van Zarathustra zich terug uit het astraallichaam, etherlichaam en fysiek lichaam om plaats te maken voor het wezen van de Godszoon.

Deze geesteswetenschappelijke inzichten kun je kinderen natuurlijk niet vertellen. Aan een 5e klas vroeg ik als inleiding op de bespreking van deze perikoop: “Stel nou eens dat er een hemels wezen op aarde zou geboren worden, een wezen dat nog nooit op aarde geleefd heeft. Wat zou zo’n wezen dan nieuw ervaren? Wat zou zo’n wezen helemaal nog niet kennen omdat het alleen de hemel kent en geen enkele ervaring heeft op aarde?” De kinderen kwamen met antwoorden als: "Het zou ruzie, haat, oorlog niet kennen, want dat is er niet in de hemel." Na even doorpraten kwam een leerling met de opmerking dat zo’n wezen zou moeten leren eten. "Het voedsel wat wij als mens eten is er ook niet in de hemel." Dat was een bijzondere eyeopener, goed voor een verder gesprek. Moeilijker was het voor de kinderen om erop te komen dat zo’n hemels wezen natuurlijk gewend was om te ‘zweven’ en de aardezwaarte –de zwaartekracht- nog nooit zou hebben ervaren.

Dit zijn nu precies de drie niveaus waarop in deze perikoop de duivel het wezen van de Christus beproeft, nadat Deze zich had verbonden met de lichamelijkheid en de ziel van Jezus van Nazareth: de zielenroerselen van mensen, de noodzaak voedsel op te nemen, en de afhankelijkheid van de zwaartekracht.
“Hij werd in de woestijn gevoerd om beproefd te worden”, duidt al op het aardse karakter van de omgeving waarin het gebeuren zich afspeelt. Het beeld van de woestijn geldt in de taal van de Bijbel namelijk altijd als imaginatie voor de woeste leegheid van de fysieke aarde. Het is de geestelijke eenzaamheid, die alleen op aarde kan voorkomen. In de geestelijke werelden zijn we altijd in sympathie verbonden met de andere wezens. We komen daar -zelfs gedurende onze slaap- met alle andere wezens samen, vloeien als het ware met hen samen.

Voor de instandhouding van het fysieke lichaam moet de mens eten. Het voedsel verschaft het geestwezen van de mens zelfs een noodzakelijk ankerpunt in de lichamelijkheid, zonder voedsel kan de mens niet op aarde leven. “In het zweet uws aanschijns eet uw brood, Adam,” klinkt er na de zondeval uit de mond van de engel in het Paradijsspel. De duivel nodigt de Christus nu uit om stenen in brood te veranderen. Hoewel Hij het hoogste zonnewezen is moet ook de Christus, nu Hij het lichaam van Jezus als aardse omhulling heeft aangenomen, brood eten om te kunnen leven. Zonder voedsel kan ook Hij op aarde niet als mens blijven leven. Dit is de eerste verzoeking, uitgevoerd door Ahriman. Dit is overigens de duivelse angel in het wezen van de mens op aarde. De mens moet eten om te kunnen leven, maar om brood te kopen heb je geld nodig (Ahriman). Het is later ook Ahriman die Judas Iskariot tot zijn werktuig maakt. Judas houdt zich bezig met de financiën van de leerlingen rond Jezus. Judas moppert wanneer Maria de nardusolie “verspilt” en hij verraadt Jezus voor dertig zilverlingen.

Het etherlichaam heeft tijdens het leven een verbinding met het fysieke lichaam. Het etherlichaam vervult het fysieke met levenskrachten, maar het fysieke lichaam geeft op zijn beurt het etherlichaam een anker op aarde. Het voorkomt namelijk dat het etherlichaam zich uitbreidt tot in de periferie van de etherwereld. Het fysieke werkt met de invloed van de zwaartekracht centripetaal, naar het centrum van de aarde. Het etherische werkt centrifugaal. Het zou als een zeepbel als vanzelf willen wegvliegen en zich verbinden met de wereldether, wat ook gebeurt na de dood. De duivel werkt in de zwaartekracht en probeert de Christus te verleiden zich van de tinnen der tempel omlaag te storten en engelen opdracht te geven hem op handen te dragen, d.w.z. zich niet met de zwaartekracht te verbinden. Dit is de tweede verzoeking, nu door Ahriman en Lucifer samen, Ahriman in de zwaarte, Lucifer als de verleiding niet die verbinding met de realiteit van de aardezwaarte aan te gaan.

Als derde verzoeking wil de duivel (nu Lucifer alleen) dat de Christus neerknielt en hem aanbidt. Daar wordt de trots, hoogmoed en verwaandheid zichtbaar, die Lucifer in het astraallichaam van de mens heeft gelegd.
Lucifer is werkzaam in het astraallichaam van de mens en heeft er te vroeg het element van het zelfbewustzijn gewekt. Begeerte naar de zintuigwereld en trots op het eigenwezen uiten zich in de zielen van de mensen als egoïsme, hoogmoed, verwaandheid en begeerte, als zelfzucht en zucht naar bevrediging.
Ahriman is werkzaam in het gebied van het etherische waardoor de levenskrachten uitdrogen. Dat spiegelt zich in de mensenziel waardoor hij angst zaait in de mensenzielen en het ontkennen van de geest veroorzaakt, wat de leugen van het materialisme is.
Deze perikoop met het verhaal van de verzoeking is te lezen als het afdalen van de Christusgeest in de wezensdelen van Jezus van Nazareth. Hoewel de wezensdelen van Jezus van Nazareth op een bijzondere wijze en op een door goddelijke wijsheid geleide manier zijn voorbereid, dragen zij toch de sporen van de Zondeval. Die ontmoet het Christuswezen nu in drie lagen, op de drie trappen van het afdalen in de incarnatie: in fysiek lichaam, etherlichaam en astraallichaam.

(zie ook: Marcus 1:12–13 en Lucas 4:1-13)
Gebruikte bron: Rudolf Steiner: Voordrachten over het Vijfde Evangelie, en de Voordrachten over het Evangelie volgens Mattheüs (8e voordr.)

maandag 16 februari 2009

Estomihi (7e zondag voor Pasen)

Estomihi – De Gregoriaanse introïtus van deze zondag luidt: ‘Esto mihi in Deum protectorem, et in locum refugii, ut salvum me facias-' Wees mij een God die mij beschermt, en een toevluchtsoord om mij te redden. Psalm 31:3 De oude naam Quinqagesima betekent vijftigste - 50 dagen voor Pasen.


Duccio di Buoninsegna (1282-1339) - Genezing van twee blinden bij Jericho (naar Mattheüs 20:30)





Lucas 18 : 31 – 43 Aankondiging van het Lijden en genezing van een blinde.

Deze perikoop bestaat uit twee delen, maar waarschijnlijk mogen we ze beschouwen als toch bij elkaar behorend.
Voor de derde keer in het Lucas-evangelie kondigt Christus Jezus zijn lijden, dood en opstanding aan. Dat deed hij al eerder in Lucas 9:22 en 9:44.


18:31 Hij nam de twaalf apart en zei tegen hen: ‘We zijn nu op weg naar Jeruzalem, en alles wat door de profeten is geschreven zal men de Mensenzoon laten ondergaan.' (NBV)


De twaalf snappen er helemaal niets van. De betekenis van Zijn woorden blijft op dat moment nog voor hen verborgen, maar ze kunnen het eigenlijk ook nog niet begrijpen. De Christus hebben zij herkend als het hoogste godwezen. Johannes de Doper heeft enkelen van hen op Hem gewezen.
De Christus wordt hier ‘de Mensenzoon’ genoemd en tegelijk is Hij toch ook de Godzoon. Want tot aan Christus hadden mensen God niet met eigen ogen als fysieke gestalte kunnen waarnemen. Alleen zij die in de mysteriën waren ingewijd hadden Hem in de geest kunnen schouwen. Met Christus heeft de godheid de zintuiglijke wereld betreden en is Hij fysiek zintuiglijk waarneembaar geworden, een Mensenzoon. De apostelen zien Hem nu met hen in de zintuiglijke wereld en naast zich wandelen. Hij is gewoon bij hen, ze kunnen Hem als het ware beetpakken. Het is door de lichamelijke verschijning van Jezus van Nazareth dat zij de machtige werkzaamheid en het wezen van de Christus ervaren. Maar in de zielen van de apostelen komt nauwelijks de gedachte op dat Zijn dood de eigenlijke vervulling zal betekenen van de missie die de Christus op aarde heeft. Wat er allemaal nodig is om de wil van God te openbaren is nog voor hun verstand verborgen. Pas met Pinksteren gaan de apostelen daarvan iets begrijpen.

Nu volgt het verhaal van de blinde man bij Jericho. (zie ook: Mattheüs 20:30)
Vertel in de lessen RO de kinderen toch vooral steeds weer opnieuw dat Christus geen wonderdokter of tovenaar was, die goocheltrucjes uitvoerde. De moderne theologische en platvloerse materialistische opvattingen kunnen makkelijk tot dat soort ideeën leiden. Vertel de kinderen dat Hij het allerhoogste godswezen/zonnewezen is dat zich tot redding van de mensheid met de aarde wilde verbinden. Elk verhaal in de Evangeliën moet gezien worden als een stap op de weg tot openbaring van Zijn wezen.
De naam van de stad Jericho betekent: ‘Stad van lieflijke (Balsem-) Geur’. De stad was beroemd door haar balsem en haar geurende tuinen. Jericho betekent ook ‘de Maanstad’, alsof hier de invloed van de maanmysteriën nog sterk leefde. De bewoners van Jericho stonden bekend als wereldse mensen, misschien bijna decadent. Daarom willen zij die voorop lopen, dat de blinde zwijgt. Zij willen hem de mond snoeren, maar hij roept des te luider uit wat hij diep van binnen weet: ‘Jezus, Zoon van David!’, wat inhoud dat hij Hem voor de Messias houdt.

Lucas was een arts. De passage zou dus gelezen kunnen worden als een gewoon verhaal over een genezing. Maar is het wel zomaar een gewoon verhaal over een genezing? De mensen zeggen de blinde zijn mond te houden maar hij blijft roepen tot Jezus bij hem komt. Het is merkwaardig dat deze blinde man weet wie er langs komt. Blijkbaar nam hij waar met andere zintuigen dan zijn ogen welk wezen hem daar passeerde, zoals blinde mensen vaak kunnen. Deze blinde is eigenlijk de enige met een beetje licht, het innerlijk licht van het inzicht. Daarom kan hij door zijn geloof genezen worden. We willen verder onderzoeken hoe we dit kunnen begrijpen.
We weten dat de evangelieboeken eigenlijk gelezen moeten worden als openbaringen van mysteriegeheimen. Zeker na de geschiedenisperiode in klas 5 kun je met de kinderen spreken over de mysteriën van de oudheid en dat de mensen onder leiding van de priesters steeds probeerden in de geestwerelden te schouwen.
De zin: ‘Heer, dat mijn ogen kunnen zien’ is een sleutel om de diepere zin van deze perikoop te benaderen. (Statenvertaling: ‘Heere! dat ik ziende mag worden.’) In het Grieks staat er: αναβλεπων (anablepon) wat in eerste instantie “omhoogkijken” betekent, daarbij ook vertaald wordt als: het (verloren) gezicht terugkrijgen (blepo - βλέπω – betekent in het moderne Grieks overigens nog steeds ‘zien’).
Deze blinde wil dus graag dat hij weer kan OPZIEN, kan “omhoog kijken”. De vraag is dan: naar wie wilde deze blinde weer opzien? Het antwoord ligt in de oude mysteriën, die tot een einde waren gekomen. Toen waren de ingewijden in staat om op te zien naar de godenwereld. Zij schouwden het hoogste godswezen in het geestelijke gebied van de zon, denk maar aan Zarathustra, of aan Echnaton. De ingewijden ‘sliepen’ een inwijdingsslaap waarin zij de beelden van die godenwereld schouwden. Maar nu Christus op aarde is verschenen, is zijn wezen in de nachtwereld niet meer op de zon te vinden. De Christus is nu op aarde en is overdag te zien met open ogen. Hij is openbaar geworden. De blinde wil het godswezen graag ook zien, omdat hij hem ‘s nachts niet meer schouwen kan. Wanneer Christus dat mogelijk maakt begint de man Gods openbaring (=dat god zichtbaar is geworden voor gewone zintuigen) te prijzen. Men kan ervan uitgaan dat het eerste wat de blinde man na zijn genezing zag, de fysieke verschijning van de Christus Jezus was. Daardoor werd hij gelovig. De blinde loofde deze openbaring van God en hij volgde Jezus vanaf dat moment. De twaalf zagen de Christus op aarde, de blinde eerst nog niet. De apostelen snapten nog niets van wat er nog te komen stond. De kruisdood en de opstanding vormen uiteindelijk de ultieme openbaring en vervulling van de oude mysteriën. Wellicht snapte deze blinde, die naar alle waarschijnlijkheid zelf een oude ingewijde was, dat al wel. Zo zouden we de twee gedeelten van deze perikoop in elkaars licht kunnen lezen.