vrijdag 25 september 2009

Michaël - 29 september

Rafaël Santi - Michaël en de draak


Openbaring 12 : 1 – 18 Strijd in de hemel


‘Aan het houden van een cultische handeling (*), zoals die nu is, moet van een andere kant iets worden toegevoegd, namelijk het doordrongen zijn met de ware inhoud van wat Johannes – die door Christus zelf is ingewijd – de christelijke wereld met de Apocalyps heeft willen geven.’
citaat uit: Rudolf Steiner: Apocalypse en priesterschap, 1e voordracht Dornach, 5-9-1924 (GA 346)

Het laatste Bijbelboek ‘Openbaringen’ of ‘Apocalyps’ schetst volgens gangbare opvattingen een beeld van het einde der tijden, het einde van de aardeontwikkeling. De schrijver van het Evangelie volgens Johannes wordt ook gezien als de auteur van dit boek vol machtige beelden, hoewel weer anderen dat in twijfel trekken. Het geesteswetenschappelijke onderzoek van Rudolf Steiner heeft duidelijk gemaakt dat de schrijver van het Johannes-evangelie dezelfde persoon is als Lazarus, die door Christus in Bethanië uit de dood werd opgewekt. Deze opwekking uit de dood is een inwijdingsritueel geweest. (zie ook vorige notitie). Lazarus werd door de Christus ingewijd en verkreeg daardoor het vermogen in werelden van de geest te schouwen. Het Boek Openbaringen kan daarom ook worden opgevat en gelezen als een beschrijving van de geestelijke belevenissen, die Lazarus/Johannes had als gevolg van deze inwijding.
Rudolf Steiner gaf naast eerdere series voordrachten in Neurenberg , München en Kristiania (Oslo) een hele inleidende cursus over beelden van de Apocalyps voor de priesters van de Christengemeenschap. Emil Bock schreef een boek waarin hij per hoofdstuk de beelden van het Boek Openbaringen behandelt.

Met behulp van de antroposofie kunnen we inzicht krijgen in de machtige beelden van dit boek, met op het eerste gezicht onbegrijpelijke openbaringen. De beelden moeten benaderd worden met inzet van een nieuw beeldend vermogen, dat tevens ook met begrip en bewustzijn doordrongen is. Dat is een nieuwe vaardigheid die wij moeten leren onszelf eigen te maken. Rudolf Steiner gaf met het brengen van de antroposofie daarvoor een weg. In deze perikooptekst voor de Michaëlsdag (29 september) treffen we drie gedeelten aan, drie machtige en bijna niet te vatten beelden. Maar laten we toch schoorvoetend een poging wagen.

Rudolf Steiner: 5e Apokalyptische Zegel

In de verzen 1 t/m 6 van dit 12e hoofdstuk uit de Apocalyps wordt het beeld geschetst van de Vrouw, gehuld in de zon, de maan onder haar voeten, en om haar hoofd een krans van twaalf sterren. In de imaginatieve beeldentaal staat het beeld van de (jonk)vrouw altijd voor de ziel van de individuele mens, maar ook voor de universele Wereldziel. De laatste is de Hemelse Moeder, de goddelijke wijsheid, de goddelijke Sophia. De maan onder haar voeten, de zon als een stralend gewaad in het midden en de kroon met twaalf sterren kunnen we opvatten als verwijzend naar de drie zielenfuncties willen, voelen en denken, maar men kan zich ook voorstellen dat deze drie tekens verwijzen naar eerdere bestaansvormen van de aarde, de eerdere planetaire ontwikkelingsfasen waarin de wezensdelen van de mens werden voorbereid: Oude Saturnus (het fysieke lichaam, waarmee de wil kan worden uitgevoerd), Oude Zon (het etherlichaam, drager van het voelen), Oude Maan (het astraallichaam, drager van het denken). Een omgekeerde visie is ook mogelijk (laten we vooral het flexibele denken blijven beoefenen): de kroon met sterren - het fysieke: het zenuwstelsel en de hersenen, de zon als gewaad - het etherische: het middengebied, de maan onder haar voeten - het astrale: de ledematen.



Dat de Europese Unie de twaalf sterren heeft gekozen voor haar beeldmerk is in dit verband opvallend te noemen en waarschijnlijk niet zomaar toeval. In de (recente) geschiedenis zijn wel vaker met opzet occulte tekens gebruikt en/of misbruikt.

De Vrouw mag dus worden gezien als beeld voor de universele ziel van de mens, of voor het resultaat van de voorgaande aardeontwikkelingen waarin fysiek, ether- en astraallichaam van de mens door hogere hiërarchieën werden voorbereid. Deze Vrouw baart een kind. Dat zou het jongste wezensdeel van de mens kunnen zijn: het Ik, de Christusgave aan de mensheid. Het kind zal een herder zijn met een ijzeren staf. Het ijzer in het bloed van de mens is noodzakelijk om het Ik een anker te geven in het fysieke lichaam. IJzer in het bloed geeft de mens het fysieke anker en de kracht om zich als individualiteit te handhaven. Daarentegen heeft koper juist een meer verbindende kwaliteit, is meer Ik-oplossend.

Het andere beeld dat in deze passage verschijnt is dat van de draak, een zinnebeeld voor de machten van het kwaad die de ontwikkeling willen tegenhouden, terug willen draaien of vast willen zetten.
Emil Bock beschrijft dat deze scene een beschrijving is van een werkelijke gebeurtenis in de wereldontwikkeling, die zich afgespeeld heeft in het midden van de Atlantische Tijd.
Eigenlijk wordt het einde van de Lemurische tijd beschreven als de Zondeval, de verdrijving uit het Paradijs. Luciferische krachten krijgen greep op het astraallichaam van de mens, waardoor Adam (= de mens) uit de Hof van Eden verdreven moet worden. Het Christuswezen redt de mens dan van de verdierlijking en de kluistering aan de zintuiglijke wereld door de mens de kracht te verlenen om rechtop (vertikaal) te staan en te gaan, zodat daardoor de mens meer afstand tot de buitenwereld houden kan. In de Atlantische Tijd treedt het Christuswezen nog tweemaal reddend op en schenkt de mens de vocalen en later de consonanten voor het spreken, waardoor de mens zijn zielenroerselen kan uiten (klinkers) en de buitenwereld objectief kan beschrijven (medeklinkers). Dit spreken vormt een basis voor het denken. Het Christuswezen voltrekt deze helende daden met behulp van het door de hogere hiërarchieën achtergehouden deel van de ziel van Adam (de mens). Geestzelf, Levensgeest en Geestmens blijven achter in de geestelijke werelden onder de hoede van hogere wezens en deze wezensdelen vormen later de omhullingen van het Nathanische Jezuskind, wiens geboorte wordt beschreven in het Evangelie volgens Lucas. Dit kind is volkomen onschuldig, zonder zonden, omdat het nog nooit op aarde heeft geleefd en dus geen oud karma (schuld) kent. Het astraallichaam, etherlichaam en fysieklichaam dalen met Adam af in de aardewereld en verharden daar steeds meer. De vrouw (=de ziel) vluchtte naar de woestijn (=de aarde).

Het tweede gedeelte van deze perikoop beschrijft weer een reële gebeurtenis in de geestelijke wereld: de strijd van Michaël met de draak. Voor de kinderen is de vertelling van Jacob Streit goed bruikbaar. Rudolf Steiner vertelde dat in de kosmos nog steeds het gevolg van deze strijd, die werkelijk heeft plaats gehad, te vinden is. Het is de meteorietengordel tussen de planeten Mars en Jupiter.
De draak wordt als vierledig wezen beschreven:

De grote draak werd op de aarde gegooid. Hij is de slang van weleer, die duivel of Satan wordt genoemd en die de hele wereld misleidt.

o drakon o megas = de grote draak
o ophis o archaios = de slang van het oerbegin
diabolos = de valse beschuldiger, duivel
satanas = tegenstander

De oeroude slang is het luciferische element, dat ingrijpt in het astraallichaam. De duivel (diabolos) is het ahrimanische element –de leugenaar- dat in het etherlichaam werkzaam is. Satan staat voor het element van de asurische krachten die hun werking hebben in het gebied van het fysieke. Met de term ‘de grote draak’ duidt de Apocalypse op het nog machtiger wezen met de naam 'Sorat'. Dat is de werkelijke tegenstander van de Christus, die zijn macht wil laten gelden over het menselijke Ik: het lege Ik, de anti-Christ.

Maar een stem klinkt uit de hemel en zegt dat door de overwinning van Michaël over de viervoudige tegenstander het heil, de kracht en het koningschap van onze God is ontstaan (drie wezensdelen) en de heerschappij van Christus, zijn gezalfde –van zijn Messias- van het Ik.

Rudolf Steiner: 6e Apokalyptische Zegel

Het derde gedeelte van de perikooptekst verhaalt over de mensenziel (de vrouw), die naar de woestijn (de aarde) weet te vluchten. De slang stortte uit zijn bek een grote waterstroom (daarmee wordt de Zondvloed aan het einde van de Atlantische tijd beschreven), maar de aarde kwam de vrouw te hulp. De draak stormde weg om te strijden tegen de overige mensen, nakomelingen van haar (zij die een Ik dragen, net als het kind), die Gods geboden nakomen en de getuigenis van Jezus in zich dragen.
De draak ging staan op het strand van de zee (op de grens tussen land en water, tussen het fysieke en het etherische). Vanaf dat moment (na de Zondvloed) kon de mens niet meer waarnemen in het gebied van het etherische. De helderziendheid nam steeds verder af tot het moment van de Wending der Tijden, het Mysterie van Golgotha, waardoor de mens de mogelijkheid is gegeven met een bewust Ik terug te keren naar zijn goddelijke oorsprong.

-----
(*) Op deze plaats staat in de originele tekst: Mensenwijdingsdienst. Mede op basis van de hierop volgende voordrachten, ga ik er van uit dat Rudolf Steiners uitspraak geldt voor het houden van elke cultische handeling, en dus ook voor het houden van de Handelingen binnen het kader van het vrije christelijke onderwijs religieuze oriéntatie.

bronnen:
Rudolf Steiner: Apokalyps - voordrachten Neurenberg juni 1908
(GA 104)
Rudolf Steiner: Aus der Bilderschrift der Apokalypse des Johannes
(GA 104a)
Rudolf Steiner: Apocalypse en priesterschap
voordrachten Dornach, september 1924
(GA 346)
Emil Bock: De Apocalypse, de tekenen des tijds in de Openbaring van Johannes
uitgeverij Christofoor, Zeist 1989


Memling - Apokalyps

maandag 21 september 2009

16e zondag na Trinitatis

Lucas Cranach der Jüngere: "Auferweckung des Jünglings zu Nain"
+/- 1569 - Stadtkirche, Wittenberg



Lucas 7 : 11 – 17 Opwekking van de jongeling van Naïn

Deze 16e zondag na Trinitatis klinkt in de Handelingen het evangelieverhaal over de opwekking van de jongeling van Naïn. In het totaal van de vier evangeliën worden drie opwekkingen uit de doden gemeld: van de Jongeling van Naïn (Lucas 7:11-17), de dochter van Jaïrus (Lucas 8:41, Mattheüs 9:18-26, Marcus 5:22-43) en de opwekking van Lazarus (Johannes 11:1-54). En dan is er natuurlijk de grootste opwekking uit de dood, de opstanding van Christus zelf op de Paasmorgen.
Op de 24e zondag na Trinitatis lezen we over het dochtertje van Jaïrus. Dit kerkelijk jaar komt deze zondag niet voor. Op de 3e zondag na Epifanie lezen we over de genezing van de jongen van de Hoofdman te Kapernaüm, waarover het Lucas-evangelie (Lucas 7:1-17) vlak voor deze perikooptekst bericht.
Wanneer we al deze gebeurtenissen naast elkaar zetten mogen we ervan uitgaan dat deze momenten duiden op de steeds dieper inwerkende kracht van het Christuswezen. Bij het dochtertje van Jaïrus speelde alles zich af in het huis van de vader en moeder en daarbij waren, behalve zij, alleen Petrus, Jacobus en Johannes aanwezig. Jezus gebood de ouders met nadruk niemand iets te zeggen over deze gebeurtenis.
Daarentegen wordt het lichaam van de jongeling de poort van de stad uitgedragen. Een grote menigte was Jezus daarheen gevolgd. Daarnaast waren ook de mensen uit de rouwstoet getuigen van wat plaats had. Van het dochtertje van Jaïrus noemt het evangelie de leeftijd van ongeveer twaalf jaar. Van deze jongeling weten we echter niet precies hoe oud hij was, maar hij zal ook in de leeftijd van de puberteit zijn geweest, misschien zelfs een jaar of zeventien, de leeftijd waarop het Ik een eerste ankerpunt begint te leggen in het astraallichaam, de ziel. Bij zijn opwekking was Lazarus veel ouder.

Het is belangrijk dat we bij onze leerlingen het bewustzijn wekken dat hetgeen Christus hier verricht niet zomaar wonderbaarlijke opwekkingen uit de dood zijn, maar dat Hij daarmee telkens een bijzondere daad verrichtte, ten eerste voor het lot van de mens die het betrof, maar zeker ook voor de hele mensheid.
Je kunt er tegenwoordig vrijmoedig met de kinderen (vanaf ± 11 jaar, klas 5 vrijeschool) over spreken dat in vroeger tijden in de mysterietempels mensen ook voortdurend op zoek waren naar de geest, naar de wereld van de goden. Op een bijzondere manier daarop voorbereide en uitgezochte mensen konden op een gegeven ogenblik door priesters in een inwijdingsslaap gebracht worden, en wel op zo’n manier dat zij terwijl zij sliepen met hun zielenwezen de goddelijke wereld konden waarnemen, de wereld van de goden konden ervaren. Bij zulke rituelen werden deze mensen vaak in een sarcofaag (doodskist) gelegd. Het leek alsof zij dood waren, maar zij verkeerden in een bijzondere slaap, die drie dagen duurde en waarna zij weer werden opgewekt. Alles gebeurde in het strikte geheim binnen de muren van de mysterietempels. Zo is een piramide bijvoorbeeld niet alleen maar een koningsgraf, maar ook een inwijdingstempel, gebouwd volgens goddelijke kosmische wetmatigheden. Wanneer er een dode begraven lag, bijvoorbeeld een farao, was dat zelfs een hulp om dichter in contact te komen met de goddelijke wereld. Zeker wanneer de kinderen in de 5e klas de geschiedenisperiode hebben gehad kan dit besproken worden. Hunebedden, dolmens en andersoortige historische grafheuvels dienden vaak ook dit doel. Waar de doden begraven liggen is de wereld van de geest dichterbij. Vroeger werden de doden ook in de kerk begraven. In altaren van christelijke kerken worden relikwieën bewaard.

In de tijd dat Christus in Jezus van Nazareth op aarde verscheen waren de Oude Mysteriën eigenlijk in verval geraakt. Ook al probeerden priesters nog steeds mensen in te wijden, het lukte steeds minder om werkelijk contact met die geestwereld te leggen. Steeds vaker mislukte zoiets en inwijdelingen raakten in vele gevallen zelfs bezeten, zoals de bezetenen in de grafholen (lees: Mattheüs 8:23–34). We mogen de waarzin van latere Romeinse keizers zeker ook vanuit dit gezichtspunt begrijpen als een gevolg van geforceerde, misplaatste, nog oude inwijdingspraktijken. Nu Christus zich met de aarde heeft verbonden, moet Hij als wezen ook niet meer in de hoogten van de kosmos worden gezocht. De wijding van de mens moet zich richten op de aarde. Wanneer er in de evangeliën op drie plaatsen sprake is van een opwekking uit de doden, dan mag men ervan uitgaan dat het Christus zelf was, die als inwijdingspriester de betreffende inwijdelingen uit hun slaap wekte.

Van de jongeling van Naïn wordt uitdrukkelijk vermeld dat hij de enige zoon is van een weduwe. Dat hij ‘de enig geboren zoon van een weduwe’ is, kan in de taal van de mysteriën betekenen dat deze jongeling een verbinding heeft met de Egyptische Isis-mysteriën. De godin Isis was namelijk de weduwe van de gedode Egyptische god Osiris en met de term ‘de weduwe’ werd binnen de mysteriën de godin Isis bedoeld.
De naam van de stad Naïn betekent ‘schoonheid’. Het stadje ligt ten zuidwesten van het Meer van Genesareth. Het zou kunnen zijn dat in Naïn een mysterieplaats was gewijd aan Isis, want volgens Egyptische verhalen ging zij ook buiten het Egyptische land op zoek naar haar vermoorde echtgenoot.
Opvallend is de zin: ‘Hij voelde diep medelijden met haar.’ Jezus voelde dus medelijden met de weduwe, niet met de jongen. Het lijkt er ook op alsof daarmee wordt aangeduid dat de Christus medelijden voelde over te teloorgang van de Oude Mysteriën, medelijden met de godin Isis. Na deze opwekking roepen de mensen de woorden dat er een groot profeet is opgestaan. Misschien voelden zij dat er een nieuwe impuls komt die de oude mysteriën gaat vervangen.

In de les Religieuze Oriëntatie kunnen we ter voorbereiding van de evangelielezing de scène van deze perikoop voor de kinderen beeldend beschrijven. Misschien kan de illustratie onderaan deze notitie een hulp zijn. We stellen ons de stad Naïn voor. Uit de poort in de muur komt een stoet met rouwende mensen. Voorop loopt de moeder, de weduwe met daarachter dragers van de baar waarop de dode zoon. Dan volgt allerlei volk dat weeklaagt, zoals dat in die landen tegenwoordig ook nog gebruikelijk is. Vanuit de omringende landstreek komt Jezus aan, achter Hem volgen Zijn leerlingen en daarachter een nog grotere menigte mensen. Bij de stadspoort ontmoeten Jezus en de weduwe elkaar als twee individuen. Hij spreekt haar toe en zegt: ‘Weeklaag niet.’

Het speelt zich allemaal af op het moment dat de stoet met de dode jongeling op de draagbaar de stad verlaat. In de beeldentaal van de evangeliën representeert ‘de stad’ vaak een imaginatie van het menselijk lichaam. Men mag hier ook daarom lezen dat de jongeling, op het moment dat Jezus aankomt zijn lichaam (de stad) verlaat. Waarover wij hier kunnen lezen is het moment tot waar het karma van deze jongeling hem heeft gebracht. Innerlijke voorbereiding in dit en vorige levens hebben hem tot dit punt gebracht, maar verder kan het niet gaan. Zijn ziel verlaat nu het lichaam, maar juist op dat moment komt Christus, de brenger van het Ik, om een nieuwe impuls te geven, een nieuwe richting aan het lot van de individuele knaap en tegelijk aan het lot van de mensheid.
Hoe het verdere leven van deze jongeling na deze gebeurtenis is verlopen wordt nergens vermeld. We mogen ervan uitgaan, dat hij een volgeling van Christus geworden is.


Rudolf Steiner vertelde in zijn voordrachten over het Lucas-evangelie over hem: ‘Tijdens het gebeuren in Palestina voltrok zich een verandering in zijn ziel; hij had nog niet de indruk tot de geestelijke wereld te zijn opgestegen. Pas in de volgende incarnatie kwamen de krachten te voorschijn, waarvan de kiem bij zijn inwijding in zijn ziel was gelegd. (…) Op deze wijze kon er in latere tijd een nieuwe verkondiger van het Christendom opstaan, die dus beschikte over de krachten, die in eerste aanleg door Christus zelf in zijn ziel waren gelegd. (…) Christus wijst er meermalen op, dat er wat nieuws is begonnen in de ontwikkeling van de mensheid, n.l. het bewust-worden van zijn Ik.´(zie bronvermelding)

Het is zeer aan te raden om in ‘Van Jordaan tot Golgotha’ na te lezen wat Emil Bock schrijft over de drie opwekkingen uit de dood, en deze opwekking in het bijzonder. Bock wijdt een heel hoofdstuk aan dit onderwerp en gaat uitvoerig in op de aanwijzingen, die Rudolf Steiner gaf vanuit zijn geesteswetenschappelijk onderzoek. Ook dat is dan verder te onderzoeken.

James J. Tissot (Franse schilder en illustrator, 1836-1902)

Bronnen:
Rudolf Steiner: Voordrachten over het evangelie volgens Lucas – 10e voordracht
Emil Bock: Van Jordaan tot Golgotha